De Cock had moeie voeten. De pijn kroop van zijn tenen over zijn wreef langs zijn enkels omhoog. Daar leek het alsof duizend kleine duiveltjes met evenzo vele spelden geniepig in zijn kuiten prikten.
Het stemde hem droevig. Hij wist wat die pijn betekende. Telkens wanneer een onderzoek slecht verliep, wanneer hij het onbehaaglijke gevoel had steeds verder van de oplossing weg te drijven, gaven zijn voeten acte de présence en speelden de duiveltjes hun satanisch spel.
Met een verwrongen gezicht tilde hij zijn beide benen omhoog en legde ze voorzichtig op een punt van zijn bureau. Een zucht van verlichting ontsnapte aan zijn mond.
Vledder keek hem bezorgd aan. Hij kende het beruchte kwaaltje van zijn oudere collega.
‘Is het weer zover?’
De Cock antwoordde niet, maar kneep met duim en wijsvinger zachtjes in zijn kuiten. Soms hielp het.
‘Ik had vanmiddag medelijden met Duitse Inge,’ sprak hij nadenkend. ‘Ik vond haar eigenlijk best aardig. Het was jammer dat ik haar zo moest aanpakken. Het kind raakte totaal overstuur. Toen ze na een poosje weer tot bezinning kwam, sloeg haar de angst in het lijf, dat Igor Stablinsky zou horen dat ze tegen mij had gekletst.’
Vledder staarde voor zich uit.
‘Igor kennende… zou het wel eens haar einde kunnen betekenen.’
De Cock knikte instemmend.
‘Ik heb haar dan ook plechtig beloofd dat ik haar verklaring nooit officieel in een proces-verbaal zal gebruiken.’
De jonge rechercheur keek hem verwonderd aan.
‘Waarom niet? Je hebt die verklaring op een rechtmatige wijze verkregen. Het is toch bewijs.’
‘Waarvan?’
‘Dat Izaak van Blijendijk Igor Stablinsky aanzette tot moord op tante Isolde.’
‘Izaak is dood.’
‘Igor leeft.’
De Cock knikte.
‘Maar hij doodde tante Isolde niet.’
Vledder keek hem fronsend aan.
‘Je bedoelt dat Igor niet op de uitlokking van Izaak van Blijendijk is ingegaan?’
‘Precies.’
Vledder schudde zijn hoofd. Koppig.
‘Zo is het niet,’ sprak hij verbeten. ‘Ik zei het je al: het is een regiefout. Geloof me, nicht Irmgard en de beide neven zijn op de erfenis van tante Isolde uit. Dat is het kerngegeven… het motief waar alles om draait. Vanmiddag is gebleken dat neef Izaak zelfs bereid bleek om een deel van zijn erfenis op te offeren om een ordinaire moordenaar te huren.’
‘Igor Stablinsky.’
Vledder knikte enthousiast.
‘Zo is het,’ riep hij uitgelaten. ‘En niet anders. Er sluipt in de opzet een schoonheidsfoutje… Igor Stablinsky mept de verkeerde op de schedel.’
‘Wel erg dom.’
‘Hoezo?’
De Cock spreidde zijn beide handen.
‘Izaak van Blijendijk was zijn opdrachtgever… de man die hem eerst later, na afwikkeling van de erfenis, voor zijn activiteiten moest betalen.’ Hij schudde zijn grijze hoofd. ‘Nee, zo dom is Igor Stablinsky niet.’
Vledder keek wat beteuterd naar hem op.
‘Hoe is het dan?’
‘Als ik dat wist,’ zei De Cock grinnikend, ‘dan had ik nu geen moeie voeten meer.’ Hij leunde in zijn stoel achterover en tilde zijn benen weer van het bureau. ‘Ik geloof niet in een vergissing of, zoals jij dat noemt een regiefout. Ik denk dat neef Izaak heel koelbloedig en ook heel doelbewust is neergeslagen.’ Hij zweeg een tijdje en gebaarde toen wat wrevelig voor zich uit. ‘De moord heeft een paar markante facetten, die je bij het trekken van conclusies niet uit het oog mag verliezen. Ik noem: het ontbreken van sporen van braak; het op de slaapkamerdeur geprikte briefje met het verzoek om hem voor het ontbijt niet te wekken; het onbeslapen bed en het feit dat hij nog vrijwel geheel gekleed was. Hij moet vrij kort na zijn late thuiskomst, het was al over drieën, in het grote huis zijn neergeslagen. Denken we aan het ontbreken van braaksporen, door iemand die hij zelf binnenliet, of iemand die al binnen op hem zat te wachten.’ De grijze speurder bracht zijn opgestoken wijsvinger voor zijn neus. ‘En dan nog iets… Izaak van Blijendijk was geen oude man, die op het moment van de moord wat in zijn stoel zat te suffen. Integendeel, hij was jong, vitaal en nog klaar wakker. Hij zal iemand die onverhoeds zijn slaapkamer binnendrong, zeker hebben opgemerkt.’
Vledder likte aan zijn lippen.
‘De moordenaar kwam dus niet onverhoeds.’
‘Nee.’
‘Toch werd Izaak vermoord.’
‘Door iemand voor wie hij niet bevreesd was en van wie hij geen aanval verwachtte,’ zei De Cock peinzend.
Vledder hijgde. ‘Een lid van de familie.’
De Cock reageerde niet. Hij stond van zijn stoel op en liep naar de kapstok.
Vledder keek hem na. ‘Waar ga je heen?’
De Cock draaide zich half om. ‘Naar Lowietje… mijn keel dorst naar een cognackie.’
De Cock wandelde op zijn gemak door de Lange Niezel. Het was er druk. Kille wind en regen waren tijdelijk naar andere oorden vertrokken. Een mild voorjaarszonnetje lokte de mensen uit hun huizen. Ondanks het vroege uur waren de seksbioscopen al in vol bedrijf. Ook de schunnige etalages van de seksshops trokken veel bekijks.
Schuin voor hem uit liep Vledder. De jonge rechercheur had altijd wat moeite met de gezapige slentergang waarmee De Cock zich gewoonlijk voortbewoog.
De oude rechercheur lichtte in het voorbijgaan zijn hoedje voor Tante Marie, een hoerenwaardin die hij al een eeuwigheid kende. Ze was oud geworden, vond hij. Het te zwartgeverfde haar gaf daaraan nog een extra accentje. Toen hij als jong rechercheur aan het bureau Warmoesstraat begon, was Marie de mooiste vrouw die op de Walletjes was te consulteren. Ze was fel en vurig, temperamentvol, van een exotische schoonheid en werd nog geen ‘tante’ genoemd.
De Cock bekeek zijn eigen spiegelbeeld in een caféruit en grijnsde. De jaren waren ook aan hem niet ongemerkt voorbijgegaan. Hij bezag het met enige gelatenheid. Het maakte hem niet somber of verdrietig. Hij was op den duur massaler geworden, compacter. Na zijn veertigste was alles wat dieper op zijn heupen gezakt en in het grijs waren de laatste zwarte haren verbleekt. Maar zijn hart klopte nog onstuimig en de wil om op zijn eigen wijze de misdaad te bestrijden, tintelde tot in zijn vingertoppen.
Smalle Lowietje begroette de beide rechercheurs uitbundig. Hij veegde zijn kleine handjes aan zijn morsig vest. ‘Zo, zo,’ kirde hij opgewekt. ‘Ik ben blij jullie weer te zien.’ Hij blikte naar De Cock op. Zijn spichtig muizensmoeltje glom van pure genegenheid. ‘Alles goed?’
De grijze speurder grinnikte. ‘Jouw bezorgdheid ontroert, Lowie. Soms doe je mij aan mijn oude moeder denken.’
De tengere caféhouder hield zijn hoofd iets scheef.
‘Nou ja, het aantal gekken dat voor minder dan een geeltje een eindje staal tussen je ribben duwt, groeit met de dag.’
De Cock hees zich op een kruk.
‘We zullen ermee moeten leren leven. De tijd dat onze rechters een messentrekker nog als een gevaarlijk individu beschouwen, ligt heel ver achter ons.’ Hij grijnsde droevig. ‘Als ze bij ons aan de Kit iemand fouilleren, dan vinden ze wapens. Als ze geen stiletto bij zich hebben, dan is het wel een revolver of een pistool.’
Smalle Lowietje knikte meewarig.
‘Hetzelfde recept?’
Zonder op antwoord te wachten, dook hij aalglad onder de tapkast en griste de fles cognac Napoleon bij de hals weg. Met precieze routinegebaren vulde hij de bodem van drie diepbolle glazen.
‘Proost… op een betere wereld.’
De Cock keek hem zoet fronsend aan.
‘Zonder misdaad, Lowie?’
De caféhouder grinnikte.
‘Nou ja… niet helemaal.’ Hij hield zijn muizensmoeltje wat scheef. ‘Kijk, De Cock,’ sprak hij vertrouwelijk, ‘laten we eerlijk zijn… zonder een beetje misdaad had jij ook geen emplooi meer.’
‘Ik heb een huis, een vrouw, een hond en sinds kort ook nog een parkiet.’
Smalle Lowietje grijnsde.
‘En dacht je daar je dag mee te vullen?’
De grijze speurder stak zijn kin iets vooruit.
‘Ik zou ook nog mijn memoires kunnen gaan schrijven. Dat is grote mode, weet je?’
Smalle Lowietje keek hem vrolijk aan.
‘En zou ik daarin voorkomen?’
‘Beslist.’
‘Hoe?’
‘Wat dacht je?’
De tengere caféhouder trok zijn muizensmoeltje strak. ‘Als de heilige Lowietje… net als de Saint… met zo’n auriooltje om mijn hoofd.’
De Cock lachte hartelijk. Hij nam zijn glas op, schudde het zachtjes in de hand en liet de cognac genietend langs zijn keel glijden.
‘Verrukkelijk.’ Het kwam uit de grond van zijn hart.
Lowietje zette zijn glas neer. ‘Ben je nog bij Maffe Kees geweest?’
‘Ja.’
‘En?’
De Cock nam nog een slok van zijn cognac. ‘We hebben het niese van Igor gevonden.’ Hij schonk de caféhouder een trieste glimlach. ‘We hebben alleen Igor nog niet.’
Smalle Lowietje gebaarde. ‘Hij is hier geweest.’
‘Wie… Igor?’
‘Inderdaad.’
‘Wanneer.’
‘Gisteren.’
De Cock keek hem verbaasd aan. ‘Waarom heb je niet gewaarschuwd?’ Hij slikte. ‘Je weet hoe verrekte gevaarlijk die vent is. Elk uur dat hij vrij rondloopt…’
Hij maakte zijn zin niet af.
Lowietje stak zijn beide armen omhoog. Zijn gezicht droop van onschuld. ‘Ik had een volle bak, De Cock. Hartstikke vol. Ik kon niet weg, geloof me. En de telefoon was steeds bezet. Ik had ook niemand die het even van mij kon overnemen. Bovendien is hij hier maar heel kort geweest. Ik gaf hem het telefoonnummer. Hij pakte een pilsje, slurpte het leeg en vertrok.’
De Cock keek hem peinzend aan. ‘Een telefoonnummer?’
‘Ja.’
De rechercheur reageerde fel. ‘Wat voor een telefoonnummer?’
Smalle Lowietje schoof de bolle glazen wat opzij en boog zich vertrouwelijk naar De Cock. ‘Gistermorgen,’ begon hij fluisterend, ‘kwam hier een man in de zaak. Een echte heer zo te zien. Goed in het pak, nette spraak. Hij vroeg waar hij Igor Stablinsky kon bereiken. Ik zei, die zal je niet gemakkelijk vinden, die wordt al door de politie gezocht. Dat scheen de man niet te interesseren. Hij zei dat hij graag met Igor Stablinsky in contact wilde komen en of ik daar iets aan doen kon. Meteen duwde hij mij een meier tussen mijn vingers.’
De Cock keek hem gespannen aan. ‘En toen?’
Lowietje haalde zijn smalle schouders op. ‘Ik zei dat het niet zou meevallen, maar dat ik zou kijken wat ik voor hem doen kon. Toen gaf hij mij een kaartje met een enkel telefoonnummer. Laat Igor mij bellen, zei hij.’
De Cock zuchtte.
‘En dat telefoonnummer heb je Igor gegeven?’
De tengere caféhouder knikte.
‘Een kleine moeite, vind je niet, voor een meier? Het was stom toeval dat hij dezelfde dag nog in mijn zaak kwam. Zo vaak zie ik hem niet.’
‘Weet je het telefoonnummer nog?’
De Smalle glimlachte geheimzinnig.
‘Ik heb het even overgeschreven. Ik dacht, misschien wel leuk voor meneer De Cock.’ Hij draaide zich om, scharrelde tussen de flessen achter de bar en kwam terug met een briefje.
De Cock nam het aan.
‘Nul, negenentwintig, drieënzestig,’ las hij hardop. ‘Vijftien, zevenhonderdvierentachtig.’
Vledder keek over zijn schouder mee.
‘Dat is het kengetal van Ouderkerk aan de Amstel.’
De Cock knikte traag.
‘En het abonneenummer van Izaak van Blijendijk.’