3

De oude man boog stijfjes, met de hand aan de deurknop.

‘Verder nog iets van uw dienst, mevrouw?’

Mevrouw Van Blijendijk wuifde wat geagiteerd.

‘Je kunt gaan, Willem,’ zei ze strak. Ze wendde zich tot De Cock, veranderde van toon: ‘U zei iets?’

De grijze speurder glimlachte.

‘Ik… eh, ik zei niets. Ik bedoel… geen feitelijke mededeling. Ik dacht even hardop.’

Ze hield haar hoofd iets schuin.

‘En ik kan geen deelgenoot worden van uw gedachten?’ vroeg ze liefjes.

De Cock weifelde. Hij keek haar nog eens onderzoekend aan. ‘Uw… eh, uw gelaatstrekken deden mij een moment denken aan een man, van wie ik vermoed dat hij twee mensen heeft vermoord.’

Mevrouw Van Blijendijk trok haar mondhoeken iets op.

‘Dat klinkt niet als een compliment.’

Verontschuldigend stak De Cock zijn beide handen omhoog, de handpalmen naar voren.

‘Ik realiseer mij dat ten volle. Maar de gelijkenis is treffend. En u moet van mij aannemen dat moordenaars vaak een innemend uiterlijk hebben, dat meestal gepaard gaat met een innemende presentatie.’

‘Misleidend?’

‘Inderdaad.’

Ze keek naar de grijze speurder op.

‘Wie is die moordenaar op wie ik zou lijken?’

De Cock trok zijn gezicht strak.

‘Igor Stablinsky.’

Mevrouw Van Blijendijk lichtte achteloos haar schouders op. ‘Stablinsky,’ herhaalde ze nadenkend. ‘De naam zegt mij niets.’

De Cock bracht zijn gezicht in een vriendelijke plooi.

‘Dat verwachtte ik ook niet.’ Het klonk beminnelijk. ‘Ik ben in mijn loopbaan dergelijke gelijkenissen meer tegengekomen. Ze berusten meestal op toeval.’

Hij trok zijn natte regenjas uit, vouwde hem binnenstebuiten en hing hem over de zitting van een stoel. Zijn oude hoedje legde hij er bovenop. Daarna schoof hij een andere stoel bij en ging tegenover de vrouw zitten. Vledder volgde zijn voorbeeld. Mevrouw Van Blijendijk maakte een verontschuldigend gebaar. ‘Willem had uw jassen moeten aannemen,’ sprak ze. ‘Dat is hij vergeten. Willem wordt oud en vooral nukkig. Hij is ook niet meer zo toegewijd als vroeger. Integendeel, hij is soms aanmatigend en brutaal. Vooral sinds ik zijn beide honden heb laten afmaken.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Waarom?’ vroeg hij geprikkeld. ‘Waarom liet u zijn honden afmaken?’

Mevrouw Van Blijendijk reageerde ongewoon heftig. ‘Willem verwende ze te veel. Dat doet hij altijd met honden, ook met die Mechelse herders. Het werden dikke, luie, vadsige beesten. Ze vraten wel een kilo vlees per dag.’

De Amsterdamse speurder dacht aan zijn eigen cockerspaniël, waaraan hij bijzonder was gehecht. Het onderwerp ‘hond’ lag bij De Cock erg gevoelig.

‘Waren ze niet lief?’

Mevrouw Van Blijendijk keek hem kwaadaardig aan.

‘Lief,’ riep ze minachtend. ‘Ik onderhoud geen honden om lief te zijn. Ze moeten mijn erf bewaken.’

‘En deden ze dat niet?’

Ze snoof verachtelijk.

‘Als er mensen op mijn erf kwamen, liepen ze hen kwispelstaartend tegemoet.’

De Cock bedwong een paar schampere opmerkingen. Hij had zo zijn eigen gedachten over de relatie tussen mens en dier. Hij stak zijn kin naar voren.

‘Toen dacht u aan ganzen,’ sprak hij koeltjes.

Ze knikte.

‘Precies… ganzen. Ik had het verhaal gelezen over de ganzen van het Capitool, die al in de grijze oudheid door hun waakzaamheid de stad Rome ervoor behoedden dat zij door de Galliërs werd ingenomen. Op rantsoen gestelde ganzen zijn uitstekende wachters. Daar kan geen waakhond tegenop.’

De Cock negeerde de opmerking.

‘En u hebt wachters nodig?’

Mevrouw Van Blijendijk liet haar hoofd iets zakken.

‘Ik… eh, ik ben bang.’

‘Waarvoor? Voor wie?’

Haar tanig gezicht zag plotseling asgrauw. De lichte make-up scheen los te komen van haar huid. Het was een vreemd gezicht. Haar handen, rustend op de brede armleuningen van haar zetel, trilden.

‘Dat… eh, dat weet ik niet,’ stamelde ze. ‘Ik heb het onbestendige gevoel dat mij iets zal overkomen… binnenkort.’

De Cock drong niet verder aan.

‘Tijdens ons… nogal abrupt afgebroken telefoongesprek zei u, dat u met mij over uw ganzen wilde spreken.’

Mevrouw Van Blijendijk knikte. Op haar gezicht kwam weer wat kleur.

‘Ik weet,’ zei ze zacht, ‘dat ik feitelijk onder het politiebureau aan de Van Leijenberghlaan ressorteer, maar ik beken u eerlijk dat ik in de rechercheurs van dat bureau weinig vertrouwen heb. U, daarentegen, geniet een uitstekende reputatie. Vandaar dat ik u belde.’

De Cock boog gevleid.

‘Wat is er met uw ganzen?’

Mevrouw Van Blijendijk wees naar haar rolstoel, die binnen handbereik stond.

‘Als invalide is men zo hulpeloos en zo afhankelijk.’

De Cock keek haar scherp aan.

‘Wat is er met uw ganzen?’ herhaalde hij dwingend.

Mevrouw Van Blijendijk antwoordde niet direct. Ze gleed met de toppen van haar vingers tastend langs haar hals.

‘Ik ben bang dat ze worden vergiftigd.’

‘Door wie?’

‘Willem.’

De Cock keek verrast.

‘Die oude man?’

Ze knikte traag.

‘Hij heeft al strychnine gekocht.’


De oude man keek van De Cock naar Vledder en terug.

‘Strychnine?’ herhaalde hij verbaasd. ‘Natuurlijk heb ik strychnine. Ik was bijna door mijn voorraadje heen. Ik heb pas weer een blik laten komen. We hebben hier veel last van mollen. Ze komen van het grote weiland hier achter. Die boer doet er niets aan. Bij ons ruïneren ze de gazons.’ Hij stampte met zijn klompen op de houten vloer. ‘En hier beneden in het koetshuis heb ik muizen.’

De Cock knikte begrijpend.

‘U bestrijdt mollen en muizen met strychnine.’

De man nam een kromme houten pijp van tafel en klopte die op zijn hand uit.

‘Ik heb wel eens wat anders geprobeerd, maar strychnine bevalt mij nog het beste.’

‘Het is zeer giftig.’

De tuinman trok wat nonchalant zijn schouders op.

‘Je moet er voorzichtig mee omgaan. In de vakanties, als de neven en nichten er met hun kinderen zijn, houd ik het achter slot en grendel.’ Hij grinnikte. ‘Die kleinen zitten overal met hun vingertjes aan.’ Over zijn gerimpeld gelaat gleed een glimlach van vertedering. Met de kromme pijp in zijn hand gebaarde hij naar het raam. ‘Ze zijn liever hier, dan daar in het grote huis.’

De Cock hield zijn hoofd wat schuin.

‘Waarom?’

De man antwoordde niet direct. Hij pakte een koperen tabakspot van tafel en begon met trage bewegingen zijn pijp te stoppen. ‘Ze is niet zo op kinderen gesteld,’ zei hij na een poosje. ‘Ze heeft er ook het geduld niet voor.’

‘U bedoelt mevrouw Van Blijendijk?’

De man negeerde de vraag. ‘Ze heeft zelf nooit kinderen gehad,’ ging hij schor verder. ‘En God weet dat de heer Van Blijendijk dat graag had gewild. Heer Iwert was een lieve zorgzame man… en zo geduldig. Het is jammer dat hij nog betrekkelijk jong stierf. Als hij was blijven leven, was alles beslist anders gegaan. Maar hij kreeg een vreemd soort ziekte en teerde langzaam weg.’

De Cock vatte de ondertoon.

‘U was erg op hem gesteld?’

De oude man knikte traag.

‘Het is alleen omwille van hem dat ik bij haar ben gebleven. Ik heb het hem plechtig beloofd. Ik was toch niet veel meer dan een tuinman. Maar op zijn sterfbed liet hij mij bij zich roepen. «Willem,» zei hij, «blijf bij Isolde. Ze heeft je nodig.»’ Hij staarde enige tijd voor zich uit, verwijlde in herinnering. ‘Ik heb toen «ja» gezegd.’

De Cock keek hem onderzoekend aan.

‘Daar hebt u nu spijt van?’

De oude man schudde zijn hoofd.

‘Alleen domme mensen hebben ruimte voor spijt. Op het moment van de beslissing moet een man weten wat hij doet.’

‘En dat wist u?’

Als antwoord ontving De Cock een trieste glimlach. De tuinman wees om zich heen… naar de kale vloer, de vurenhouten tafel, de gammele rieten stoelen, de oude kleerkast, het gescheurde behang en de roestige Salamander voor de ruw gemetselde schoorsteen.

‘Rijk… rijk ben ik er niet van geworden.’

‘Wie sprak er van rijkdom?’

De oude man keek naar de pijp in zijn handen.

‘De heer Van Blijendijk zei dat hij mij in zijn testament rijkelijk had bedacht.’

‘En?’

De oude wees met een droevig gebaar naar het raam.

‘Pas als zij…’ Hij maakte zijn zin niet af, maar legde de gestopte pijp voor zich op tafel. Langzaam keek hij omhoog en blikte de grijze speurder onbevangen in de ogen.

‘Heeft zij je gestuurd?’

De Cock keek terug. Hij achtte het ongepast om tegen de oude man te liegen.

‘Ja.’

‘Om de ganzen?’

‘Precies.’

Om de mond van de oude danste een grijns.

‘Je weet het nu, ik heb strychnine genoeg.’

Met de stok in zijn hand leidde de tuinman de beide rechercheurs over het grindpad naar het hek.

De ganzen togen nog eenmaal ten aanval. Krijsend en fel blazend kwamen ze met gestrekte halzen dreigend op hen af. De oude man vloekte. Zwaaiend met zijn stok hield hij de dieren op afstand. Hij trok het zware hek open.

‘Ik zal haar straks thee brengen.’ In zijn stem trilde medeleven.

‘Ik denk altijd maar… ze is toch een stakkerd met haar twee lamme benen.’

‘Is ze altijd invalide geweest?’

De oude man schudde zijn hoofd.

‘Een jaar of wat na de dood van meneer Iwert is het begonnen. Ik vond haar ’s morgens in de gang van het grote huis. Ze was gevallen en kon niet meer op haar benen staan.’ Hij grinnikte.

‘Ik denk dat ze die nacht de duivel op bezoek had.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘De duivel?’

De oude knikte nadrukkelijk.

‘Vroeger was ze opgewekt en haast frivool. Ze was ook niet lelijk. Integendeel, ze was zelfs bijzonder aantrekkelijk. Ik heb altijd gedacht dat ze nog wel eens zou hertrouwen.’ Zijn gezicht versomberde. ‘Maar wie trouwt er een invalide vrouw? Ik heb haar sinds die morgen nooit meer horen lachen. Het was alsof gelijk met die verrekte verlamming ook de duivel in haar was gevaren.’

De Cock reageerde niet. Hij nam vriendelijk afscheid van de tuinman. Daarna schoof hij met Vledder door het hek en slenterde naar de oude Volkswagen.

Na twintig meter draaide de grijze speurder zich om.

De oude stond er nog en wuifde.


Ze reden met een kalm gangetje terug. Het regende niet meer. Zware cumuluswolken dreven als trotse zwanen in het blauw. De grauwe melancholie was uit de natuur verdwenen. Vrolijk zonlicht spiegelde speels in het rimpelende water van de Amstel.

De Cock zakte behaaglijk onderuit. Hij dacht na over hun bezoek aan het landgoed Blijemeer. Hij had er weinig blijheid aangetroffen. Er heerste, vond hij, een vreemde, haast ambivalente verhouding tussen de invalide vrouw en haar oude tuinman. Hij had de zekerheid dat in beiden duistere hartstochten gloeiden, die gemakkelijk tot een explosie konden leiden… een explosie van liefde vermengd met haat. Hij zocht in zijn herinnering naar analoge voorbeelden uit zijn lange recherchepraktijk, maar vond ze niet.

Vledder keek hem van terzijde aan.

‘Hoe wist mevrouw Van Blijendijk dat haar oude tuinman een nieuw voorraadje strychnine had gekocht? Ze zal in het koetshuis niet in zijn gifkastje hebben gekeken. Zo mobiel is ze niet.’

De Cock drukte zich wat omhoog in zijn stoel.

‘Ik denk dat ze de rekening heeft betaald.’

Vledder reageerde verbaasd.

‘Je bedoelt,’ riep hij, ‘dat ze gewoon van de rekening heeft gelezen dat de oude man strychnine had besteld?’

‘Precies.’

Vledder grijnsde.

‘Het gebeurde dus helemaal niet heimelijk. De oude man wilde niets verbergen.’

De Cock trok een strak gezicht.

‘Dat verandert niets aan het feit dat strychnine een dodelijk vergif is.’

De jonge rechercheur zweeg. Hij manoeuvreerde de oude Volkswagen behendig door het drukke stadsverkeer. Aan het einde van de Wibautstraat volgde hij de ombuiging links, langs het Waterlooplein en reed via de statige Blauwbrug de Amstelstraat in. Op het Rembrandtsplein had hij bijna een aanrijding met een zware vrachtwagen van de Coca-Cola, die van het Thorbeckeplein kwam. Met gierende banden dook hij de Halvemaansteeg in.

‘Een beetje kalm,’ bromde De Cock. ‘Ik wil mijn pensioen nog wel halen. Daar kon waarachtig geen ei meer tussen.’

Via de Munt en het Rokin bereikten ze het Damrak. In verboden richting reden ze de Oudebrugsteeg in en parkeerden de wagen op de steiger achter het politiebureau.

Toen ze langs de balie liepen, brulde Meindert Post: ‘De Cock!’

Het machtige stemgeluid van de Urker brigadier galmde door de hal en resoneerde tegen de wanden.

De Cock liep op hem toe.

‘Is er wat?’

De brigadier zwaaide met een telexbericht.

‘Igor Stablinsky is ontvlucht.’

De Cock verstijfde.

‘Ontvlucht?’

Meindert Post frommelde hem het bericht in zijn handen.

‘Uit het Huis van Bewaring.’

Загрузка...