Vanuit het café van Smalle Lowietje liepen ze over de Achterburgwal naar het Oudekerksplein. Beiden zwijgend en in gedachten verzonken. Het was Vledder die het zwijgen verbrak. ‘Izaak van Blijendijk moet op een of andere manier de reputatie van Igor Stablinsky als moordenaar van oudere mensen hebben gekend.’
De Cock knikte.
‘Dat neem ik aan. Igors arrestatie inzake de moord op Samuel de Leeuw en daarna zijn ontsnapping uit het Huis van Bewaring heeft uitgebreid in de kranten gestaan.’
‘Ik begrijp alleen niet hoe het contact verliep.’
De Cock gebaarde achteloos.
‘Igor zal voor zich een veiligheidsmarge hebben ingebouwd en dirigeerde Izaak naar de woning van Duitse Inge, waar hij moest wachten tot het Igor behaagde om hem te bellen.’
Vledder grinnikte.
‘Maar dat contact was er toch al? Smalle Lowietje gaf Igor het telefoonnummer van Izaak van Blijendijk. Igor moet hem toch hebben gebeld om hem het adres van Duitse Inge te geven?’
De Cock blikte hoofdschuddend opzij.
‘Je hebt te weinig fantasie. Dat is het. Denk maar eens na. Izaak van Blijendijk was niet voortdurend in Ouderkerk aan de Amstel. Hij verbleef vrijwel constant bij zijn tante op Blijemeer. Izaak kon Smalle Lowietje moeilijk het telefoonnummer van zijn tante geven.’ De grijze speurder lachte ineens hartelijk.
‘Met tante Isolde,’ imiteerde hij. ‘O, met Igor, uw aanstaande moordenaar.’ Zijn toon werd weer ernstig. ‘Je moet straks maar eens proberen dat nummer in Ouderkerk te bellen. Wedden, dat je een antwoordapparaat krijgt?’
De jonge rechercheur sloeg zich met zijn vlakke hand tegen zijn voorhoofd.
‘Natuurlijk. Igor sprak zijn boodschap in. Er was nog geen direct contact. Dat ontstond pas in de woning van Duitse Inge.’
De Cock knikte hem bemoedigend toe.
‘Braaf. Eens zul je het wel leren.’
Vledder liep een tijdje in zichzelf mokkend door. Op de hoek van de Enge Kerksteeg en de Warmoesstraat bleef hij plotseling staan. Hij keek naar De Cock op.
‘Zou dat gesprek nog op het antwoordapparaat staan?’
‘Mogelijk.’
‘Misschien heeft Igor iets gezegd waar we wat aan hebben.’
De Cock knikte en liep door.
‘Laten we eerst even op de Kit horen of er nog iets bijzonders is.’
Ze slenterden door de Warmoesstraat en stapten het politiebureau binnen. Toen ze langs de balie liepen, brulde Meindert Post: ‘Waar zijn jullie eeuwig.’
Zijn stem echode door de hal.
De Cock gebaarde verontschuldigend.
‘Als rechercheur moet je eropuit. Als oude Urker moet je dat weten. De vis wordt op zee gevangen.’
Meindert Post reageerde niet. Hij stak een machtige arm omhoog.
‘Boven zit een vrouw op je te wachten. Ze wilde niet weg. Ze moest per se met je spreken. Het was nogal belangrijk, zei ze.’
‘Wat?’
De Urker wachtcommandant maakte een grimas. ‘Ze is bang om vermoord te worden.’
De Cock en Vledder hesen zich langs de stenen trap omhoog. Op de tweede etage, op een bank, zat een betrekkelijk jonge vrouw. Toen ze de grijze speurder in het oog kreeg, stond ze op en stapte op hem toe.
‘Mevrouw Isolde van Blijendijk heeft mij aan u voorgesteld. Herinnert u zich nog? Ik ben Irmgard van der Molen.’
De Cock boog hoffelijk. ‘Charmante moeder van drie kinderen.’
Irmgard glimlachte. ‘Een nooit opdrogende bron van zorg.’
De Cock leidde haar de recherchekamer binnen en liet haar plaats nemen op de stoel naast zijn bureau. Onderwijl nam hij haar nauwkeurig op. Ze droeg een blauw geruit mantelpakje van een grove tweed en een paar bijpassende sportieve schoenen. Haar blonde haren golfden losjes langs haar gezicht, waarop vrijwel geen make-up was te bespeuren. Ze sloeg haar benen over elkaar en knoopte haar jasje los. Voor een moeder van drie kinderen, vond De Cock, had ze nog een goed figuur. Ze keek de rechercheur aan. Haar ogen waren groen en stonden zorgelijk.
‘Er gebeuren vreemde dingen op Blijemeer.’
De Cock grinnikte.
‘Hoe kunt u het zeggen,’ reageerde hij spottend.
Irmgard van der Molen negeerde de opmerking.
‘De vergiftigde ganzen… de dood van de oude tuinman… de moord op mijn broer Izaak. Het heeft mij bang gemaakt. Vanmorgen, kort na het ontbijt, is mijn man voor zaken vertrokken en blijft enige dagen weg. Ik wil tante Isolde niet in de steek laten, maar ik ben bang om de komende nachten op Blijemeer door te brengen.’
De Cock knikte begrijpend. ‘Wat doet uw man?’
‘In de textiel.’
‘De zaken floreren?’
Irmgard van der Molen vernauwde haar ogen. ‘Waarom vraagt u dat?’
De Cock trok zijn schouders op. ‘Het is algemeen bekend dat de textielbranche er in Nederland niet zo zonnig voorstaat. Er zijn landen die —’
Irmgard trok haar gezicht strak. Ze liet hem niet uitpraten.
‘Het gaat ons goed,’ onderbrak ze scherp.
De Cock plukte aan zijn kin. ‘Niet verlegen om een erfenis?’
Er schoten vonken uit de ogen van Irmgard. ‘Waar wilt u in godsnaam heen?’ riep ze opgewonden. ‘Bij de dood van de tuinman was mijn man niet op Blijemeer en tijdens de moord op broer Izaak lag Fred naast mij op bed.’
‘Dat weet u zeker?’
Irmgard knikte heftig. ‘Heel zeker. Ik slaap erg licht. Ik merk het onmiddellijk als hij opstaat.’
De Cock glimlachte. ‘Als getuige… als getuige is een liefhebbende vrouw van weinig waarde.’
Irmgard kneep haar lippen opeen. ‘Ik zeg u wat ik weet.’ Ze gebaarde plotseling heftig. ‘En mijn man heeft met die hele affaire op Blijemeer niets van doen.’
‘Wie wel?’
Irmgard strekte haar arm naar hem uit. ‘Dat is uw zorg en uw verantwoordelijkheid.’
De Cock zuchtte. ‘Hebt u Izaak vannacht horen thuiskomen?’
Irmgard van der Molen schudde haar hoofd.
‘Ik heb u al gezegd dat ik erg licht slaap. Ik heb dan ook de gehele dag geprobeerd om mij daar iets van te herinneren. Izaak moet heel zacht en voorzichtig zijn binnengekomen, anders had ik dat ongetwijfeld gehoord.’
‘Geen andere geluiden?’
‘Nee.’
‘Waar is uw slaapkamer?’
‘Beneden. Hij grenst aan de kamer van tante Isolde.’
‘En heeft een raam met het uitzicht op de tuin.’
‘Inderdaad.’
‘Geen openslaande deuren?’
Irmgard schudde haar hoofd.
‘Alleen de kamer van Izaak heeft openslaande deuren naar de tuin. Toen oom Iwert nog leefde, sliepen tante Isolde en hij in die kamer.’
De Cock knikte begrijpend.
‘En de kinderen?’
Irmgard van der Molen wees omhoog.
‘Die slapen boven op de eerste etage.’
‘Bij elkaar?’
‘Nee, ze hebben ieder een eigen kamer.’
Een glimlach van vertedering gleed over het brede gezicht van De Cock. ‘Ook de kleine Penny?’
Nicht Irmgard keek de grijze speurder aan. Haar scherpe blik tastte zijn gelaatstrekken af.
‘Hebt u wel eens met haar gesproken?’
De Cock knikte nadrukkelijk.
‘Een interessant gesprek.’
Er kwam een waakzame blik in de ogen van Irmgard.
‘Penny liegt.’ Ze sprak fel, geagiteerd. ‘Het kind zit altijd vol fantasieën, kinderlijk bedenksel. Wat heeft ze u voor nonsens verteld?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Het waren geen nonsens, per se niet. Bovendien hebben Penny en ik elkaar beloofd dat we er niet met anderen over zouden praten.’
‘Dat is dwaas. Ik ben haar moeder.’
De Cock stak afwerend zijn hand op. ‘Dat is voor mij geen reden om mijn belofte te breken.’
Irmgard boog zich heftig naar voren.
‘Ze liegt.’
De Cock maakte een nonchalant gebaar.
‘Ik neem aan dat u uw conclusies trekt op grond van persoonlijke ervaringen met uw dochter. Mijn ervaringen duiden op het tegendeel.’
Irmgard van der Molen bracht haar beide handen in wanhoop naar haar hoofd.
‘Maar het is een leugen.’
‘Wat?’
‘Tante Isolde kan niet lopen.’
Toen Irmgard van der Molen was vertrokken, keek Vledder De Cock vragend aan.
‘Dat betekent dat de kleine Penny haar invalide tante Isolde wel eens heeft zien lopen en dat aan haar moeder heeft verteld.’
De Cock knikte.
‘En moeder was bang dat haar dochter Penny dat ook aan mij had doorgegeven.’
Vledder glimlachte.
‘Het was gewoon vermakelijk om naar jullie beiden te luisteren. Jij dacht aan de escapades van neef Izaak met een stok in de tuin en nicht Irmgard dacht aan een lopende tante Isolde.’
De Cock staarde voor zich uit. Om zijn brede mond dartelde een glimlach. ‘Toch heeft die kleine meid woord gehouden. Over het nachtelijk uitstapje van haar oom Izaak in de tuin, heeft ze blijkbaar niets aan haar moeder verteld.’ Hij zweeg. De uitdrukking op zijn gezicht versomberde. ‘Toch ben ik wel even geschrokken. Een mobiele tante Isolde geeft aan ons onderzoek wel een extra dimensie.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Ik ben het niet met je eens. Er verandert in feite niets. Tante Isolde is geen partij. Zij is alleen maar toekomstig slachtoffer.’
‘Van wie?’
De jonge rechercheur gebaarde heftig.
‘Van nicht Irmgard of neef Ivo… en misschien wel van beiden. Ik geloof ook niet dat nicht Irmgard werkelijk bang is om vermoord te worden. Ze wil ook niet uit Blijemeer weg… althans niet voor het karwei is geklaard. En ik wed dat je daarop kunt wachten.’
‘Het doodsbericht van tante Isolde?’
‘Precies.’
De Cock trok zijn schouders iets op.
‘Misschien heb je gelijk.’
Vledder knikte nadrukkelijk.
‘Natuurlijk heb ik gelijk. En in onze onnozelheid moeten wij dan denken dat het allemaal het werk is van de notoire moordenaar Igor Stablinsky.’
‘Van wie men alleen de methodiek, de modus operandi heeft overgenomen.’
Vledder glunderde. ‘Zie je, De Cock. Zo zit het.’
Zijn oude collega stond van zijn stoel op en greep zijn hoed en regenjas, die hij bij de komst van nicht Irmgard op een leeg bureau had gesmeten. Hij keek naar Vledder, die nog nagenietend op zijn stoel zat.
‘Ga je mee?’
‘Waarheen?’
‘Hoger Einde.’
Vledder keek op.
‘Hoger Einde?’ herhaalde hij wat afwezig.
De Cock knikte.
‘Het huis van wijlen neef Izaak.’
Vledder parkeerde de politiewagen in Ouderkerk aan de Amstel aan de evenzijde van Hoger Einde. De beide rechercheurs stapten uit en staken de weg over.
‘Heb je de sleutels van het huis?’
Vledder knikte.
‘Er zat een etui met sleutels in de zijzak van Izaaks colbert, dat aan de deur hing.’
‘Heb je verder nog wat gevonden?’
‘Een portefeuille met wat geld en een agenda. Ik denk dat Izaak van Blijendijk homofiel was. Ik heb in de agenda een paar adressen van schandknaapjes gevonden. Verder niets. Ik heb ook nog geen tijd gehad om die agenda behoorlijk uit te spitten. Dat moet jij morgen maar doen. Ik heb om tien uur sectie.’
De Cock grinnikte.
‘Izaak van Blijendijk wordt voor dokter Rusteloos een makkelijke klus. Hij kan gewoon een kopie van zijn vorige rapporten maken.’
Vledder schudde lachend zijn hoofd.
‘Dat zal hij nooit doen. Elk lijk krijgt zijn volle aandacht. Die Ouwe is veel te consciëntieus.’ Hij gebaarde voor zich uit. ‘Dat antwoordapparaat… zullen we dat maar gewoon in beslag nemen? Dan kunnen de jongens van de Technische Dienst op hun gemak bekijken of er wat op staat.’
De Cock knikte instemmend.
Voor Hoger Einde 115 bleven de rechercheurs staan. Het was een oud, vervallen huis, uit het midden van de vorige eeuw, van bruine baksteen met donkergroene luiken voor de ramen. Er was een klein, ondiep portiek. Vledder nam de sleutelbos van neef Izaak uit zijn broekzak en probeerde een van de sleutels.
Tot zijn verbazing schoof de deur bij zijn aanraking open. Verschrikt keek hij De Cock aan.
‘Hij… eh, hij is niet op slot.’
De Cock duwde de jonge rechercheur opzij en inspecteerde de stijlen. Er waren geen moeten. Ook het slot was gaaf. Hij drukte de deur met zijn elleboog verder open en stapte naar binnen.
Vledder volgde.
Vanuit een kleine hal met een trap naar boven, kwamen ze in een gang met een halfhoge eiken lambrizering.
Het rook er muf.
Rechts, bijna aan het einde van de gang, stond een deur op een kier open. De Cock liep voorbij de opening, draaide zich daarna om en zwiepte de deur verder open.
Aan de wand, bij een massale eiken kast, stond een man. Zijn rond gezicht zag bleek en zijn kleine vette handjes trilden.
De Cock grijnsde.
‘Kijk, kijk… neef Ivo, je vindt hem overal.’