4

Met een gezicht als een donderwolk dreunde Vledder de grote recherchekamer op en neer. Hij was des duivels. Woedend trok hij zijn stropdas los. Zijn gezicht zag rood. Bij het bureau van De Cock bleef hij staan.

‘Hoe kan het?’ riep hij kwaad.

De Cock trok zijn schouders op.

‘Hij heeft een van de bewakers neergeslagen,’ sprak hij emotieloos. ‘In de ontstane verwarring zag hij kans om weg te komen.’

De jonge rechercheur boog zich voorover en sloeg met zijn vuist op het bureaublad.

‘Monnikenwerk,’ brulde hij. ‘Gewoon monnikenwerk. Twee volle maanden hebben we achter Igor Stablinsky aangelopen voordat we hem konden arresteren. Bijna dag en nacht hebben we naar bewijzen gezocht. En nu laten ze zo’n gevaarlijke vent, die zeker twee moorden op zijn geweten heeft, zomaar weglopen.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Niet zomaar. Die bewaker ligt in het ziekenhuis met een gebroken kaak.’

Vledder liet zich op de stoel achter zijn bureau ploffen. ‘Dat mag toch niet gebeuren,’ riep hij verontwaardigd. ‘Het is tegenwoordig schering en inslag. Dagelijks nemen er wel een paar de benen.’

Hij keek naar De Cock.

‘En nu? Nu kun je weer achter hem aan.’ Hij vloekte hardgrondig. ‘Wie weet waar hij zit… waar hij uithangt. En wie weet wat hij van plan is. We kunnen toch moeilijk al die rijke oude mensen die op zijn lijstje staan, afposten.’

De Cock plukte aan zijn onderlip.

‘Ik heb er nog een moment aan gedacht om al die mensen op te bellen en te waarschuwen, maar ik ben bang dat je een paniekreactie teweegbrengt. Ik heb aan Meindert Post gevraagd om die adressen voorlopig een beetje in de gaten te houden.’ Hij zweeg even. ‘Werkte Igor consequent?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Wel, volgde hij zijn lijstje nauwgezet… van boven naar onderen?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Mevrouw Van Lijnschoten stond op de derde plaats en Samuel de Leeuw bijna onderaan. Daar is geen peil op te trekken.’

De Cock knikte.

‘Hoeveel mensen stonden er in totaal op zijn lijstje?’

‘Twaalf.’

‘Blijven er dus tien over.’

‘Plus die mevrouw Van Blijendijk aan de Amstel.’

De Cock reageerde niet. Hij kwam loom uit zijn stoel en waggelde naar de kapstok. Met enige moeite wurmde hij zich in zijn oude regenjas.

Vledder kwam hem achterna.

‘Waar ga je heen?’

De Cock grijnsde.

‘Naar Lowietje, mijn keel dorst naar een cognackie.’


Caféhouder Lowietje, wegens zijn geringe borstomvang door de penoze in de rosse buurt meestal Smalle Lowietje genoemd, streek langs zijn morsig vest en stak De Cock hartelijk de hand toe.

‘Zo, zo,’ kirde hij opgewekt, ‘was de weg naar mijn vermaard etablissement nog te vinden? Ik heb jullie in dagen niet gezien.’ De grijze speurder hees zich op een kruk.

‘Je weet het,’ verzuchtte hij gelaten, ‘de dienst gaat voor het meisje…, vandaar de naam dienstmeisje.’

Smalle Lowietje lachte hartelijk.

‘Het wordt anders slecht dienen als je geen tijd meer krijgt voor een goed glas cognac.’

Hij dook aalglad onder de tapkast, pakte de fles fijne cognac Napoleon, die hij speciaal voor De Cock had gereserveerd en stak hem triomfantelijk omhoog.

‘Hetzelfde recept?’

Zonder op antwoord te wachten, bedekte hij de bodem van drie diepbolle glazen, want Lowietje dronk er altijd ééntje mee.

Ze namen de glazen op, warmden de cognac in de holte van hun handen, snoven en proefden met kleine teugjes. Het was een ernstige, ingetogen ceremonie, die de kleine caféhouder en de beide rechercheurs bij elk samenzijn opvoerden, devoot, als gold het een religieuze gebeurtenis.

De Cock vertoefde graag in het schemerig intieme lokaaltje op de hoek van de Oudezijds Achterburgwal en de Barndesteeg, waar opzichtige meisjes van de vlakte even kwamen rusten van hun vermoeiende dienstbaarheid aan Eros, de veeleisende. Hij had zo zijn vaste plaatsje achterin, vanwaar hij een goed zicht had over het gebeuren. Hij werd als politieman niet graag door plotseling oplaaiende emoties verrast. Het Walletjesvolk, zo wist hij, was van nature licht ontvlambaar.

Hoewel Smalle Lowietje in zijn veelbewogen leven bijna alles had gedaan wat God in milde wijsheid, en het Wetboek van Strafrecht in ambtelijke starheid, hadden verboden, beschouwde de grijze speurder hem als vriend. En dat was wederkerig. Het feit dat De Cock uitdrukkelijk het recht vertegenwoordigde, deed daar geen afbreuk aan.

De tengere caféhouder zette zijn glas neer en keek De Cock onderzoekend aan.

‘Je ziet er wat droevig uit,’ stelde hij vast.

De Cock knikte.

‘En dat is dan een juiste afspiegeling van mijn gemoed.’

Smalle Lowietje lachte. Zijn vriendelijke muizensmoeltje glom.

‘Is het zo erg?’ Hij wachtte het antwoord niet af. De uitdrukking op zijn gezicht versomberde. ‘Ik heb het vanavond in de krant gelezen… de moordenaar van die oude mensen is ontvlucht. Zit dat je dwars?’

De Cock knikte. Hij wreef zich in zijn nek.

‘Ik maak mij er echt zorgen over. Hij is een vreemde man. Onberekenbaar, en onpeilbaar. Volgens mij is hij tot alles in staat.’

Smalle Lowietje schudde afkeurend zijn hoofd.

‘Wat hebben we tegenwoordig voor gevangenissen en Huizen van Bewaring? Het lijken wel bioscopen met een doorlopende voorstelling. Ze gaan d’rin en d’ruit wanneer ze maar zin hebben. Ik zie hier in mijn etablissement vaak klanten van wie ik weet dat ze netjes in de bajes horen.’

‘Maar je bedient ze toch.’

Smalle Lowietje keek hem stomverwonderd aan.

‘Wat nou?’ riep hij zwaar gebelgd. ‘Wat nou? Dat is toch mijn business.’

De Cock lachte om de reactie. Zijn sombere gedachten zakten wat naar de achtergrond. Hij wees naar het bolle glas voor hem op de bar.

‘Schenk nog eens in,’ gebood hij.

De Smalle gehoorzaamde met de welwillendheid van een caféhouder.

Een tijdlang zwegen ze en genoten van hun cognac. Verderop aan een tafeltje zong een bejaarde, wat aangeschoten vrouw een droef levenslied. Een deel van de bezoekers zong mee, deinend, met lange uithalen. Toen haar laatste woorden trillend waren weggeëbd, klapte iedereen uitbundig. Sommigen stonden op en legden geld voor haar op het pluche tafelkleed… guldens, rijksdaalders en een enkel tientje.

Smalle Lowietje bezag het tafereeltje van achter de bar met zijn armen gekruist voor zijn borst. ‘Ouwe Kee,’ sprak hij vertederd, ‘ze kan het met pezen niet meer verdienen.’

De jonge Vledder keek op zijn horloge en geeuwde. De cognac had hem wat slaperig gemaakt. Bovendien waren ze die dag al vroeg begonnen. Hij zette zijn glas neer. ‘Als je soms iets hoort, Lowie,’ sprak hij afsluitend. ‘We hadden die vent graag weer veilig achter slot en grendel.’

De tengere caféhouder knikte begrijpend.

‘Als Igor ergens opduikt, krijgen jullie van mij een seintje.’

De Cock keek hem plotseling met gefronste wenkbrauwen aan.

‘Je zei Igor. Dat stond, voor zover ik weet, niet in de kranten, Lowie. En wij hebben die naam in jouw bijzijn nooit genoemd.’

Smalle Lowietje grijnsde. Hij voelde zich betrapt. ‘In penozekringen,’ sprak hij afwijzend, ‘is Igor Stablinsky geen onbekende.’

‘Ken jij hem?’

‘Hij is hier wel eens geweest. Hij had toen omgang met een tippeltante… een jong ding nog. Ze scharrelde toen meestal in de buurt van de Leidsestraat, waar ze haar klantjes oppikte. Ik kan mij vergissen, maar volgens mij is ze aan de heroïne.’

De Cock boog zich vertrouwelijk naar hem toe.

‘Enig idee hoe ik met dat grietje in contact kan komen?’

Smalle Lowietje keek wat schichtig om zich heen. Hij stond in de buurt niet graag als versliegeraar te boek. Dat was slecht voor zijn naam en zijn klandizie. ‘Ga eens,’ sprak hij aarzelend, ‘naar de Lange Leidsedwarsstraat 217, driehoog achter.’

‘Wie woont daar?’

‘Maffe Kees. Hij handelt in heroïne, pep en condooms. Hij kent alle meisjes uit die buurt.’

‘Maffe Kees,’ herhaalde De Cock nadenkend. Smalle Lowietje knikte.

‘Vraag naar het niese van Igor.’


Ze liepen vanaf de Oudezijds Achterburgwal door de Oudekennissteeg in de richting van het Oudekerksplein. Het was er druk. Drommen behoeftigen schoven langs de etalages met meisjes in zachtroze. Vledder mompelde: ‘Vraag naar het niese van Igor.’ Hij keek opzij naar De Cock. ‘Wist jij dat Igor Stablinsky een vriendin had?’

De grijze speurder schudde zijn hoofd.

‘Wij zijn haar in ons onderzoek tot nu toe niet tegengekomen.’

Hij gebaarde achteloos. ‘Misschien is ze niet belangrijk en speelt ze haast geen rol in zijn leven.’

Vledder keek omhoog naar de klok op de toren van de Oudekerk.

‘Wil je er vanavond nog op af?’ vroeg hij geeuwend.

De Cock knikte nadrukkelijk.

‘Igor Stablinsky heeft na zijn vlucht niet zo bar veel mogelijkheden. Hij heeft vrijwel geen vrienden en hij zal het ook niet in zijn hoofd halen om naar zijn eigen woning te gaan. Hij kan verwachten dat die in de gaten wordt gehouden. Als hij hier in de stad is gebleven, dan is het niet denkbeeldig dat hij toch zijn toevlucht tot dat meisje heeft genomen.’

Vledder geeuwde opnieuw, hij voelde hoe de slaap aan zijn oogleden trok. Het maakte hem wat kriegel.

‘Die jonge heroïnehoertjes hebben bijna nooit een vast adres,’ bromde hij. ‘Ze zal wel ergens in een kraakpand zitten of in een of ander goor hotelletje.’ Hij zuchtte zorgelijk. ‘Ga dan eens zoeken.’

De Cock bekeek hem van opzij en schatte de conditie van zijn jonge collega. Hij versnelde zijn pas. ‘We gaan lopen,’ sprak hij beslist.

Vledder volgde onwillig.


De Lange Leidsedwarsstraat was smal en donker. Aan het eind, bij de Spiegelgracht, was de openbare verlichting uitgevallen. Schichtige schimmen schoven in het halfduister voorbij. De Cock keek omhoog naar de nummering. Een fijne motregen prikte op zijn huid. Bij nummer 217 bleef hij staan. Het was een triest stukje straat. Verderop, boven het water, hing een fijne grijze nevel, die het licht van de Spiegelgracht verstrooide en de verkeersgeluiden dempte.

De toegangsdeur van 217 was gehavend. Er zat een barst in het bovenpaneel en er zaten moeten bij het slot. Uit een koperen brievenbus hing een vettig touwtje met een knoop. De Cock trok eraan en duwde de deur open. Voorzichtig drukte hij zijn negentig kilo langs de krakende trap omhoog. Vledder volgde hem. Het licht van zijn kleine zaklantaarn danste langs de witgekalkte muren.

Op de derde etage bleef De Cock staan en hijgde wat na. Het was er aardedonker. Hij voelde de adem van Vledder in zijn nek. Na een paar seconden ontwaarde hij een gelige streep licht. Het kroop van onder de kier van een deur naar het smalle portaal. Balancerend op zijn tenen liep De Cock op het licht af. Zijn rechterhand tastte naar de houten deurkruk en draaide. Langzaam, vrijwel zonder geluid, gleed de deur open.

In een kleine kamer, op een tweepersoonsbank, zat een man. Zijn omvangrijke figuur was gehuld in een zwarte trui met een col. Hij kwam traag overeind en liep op de mannen toe. In zijn donkere ogen glansde argwaan.

‘Wat moeten jullie?’ vroeg hij nors.

De Cock glimlachte.

‘Mijn naam is De Cock,’ sprak hij beminnelijk, ‘met ceeooceekaa.’ Hij duimde opzij. ‘En dat is…’ Verder kwam hij niet. De zware man draaide zich om en trachtte een aangrenzend vertrek te bereiken. De Cock trok hem naar zich toe en schudde zijn hoofd.

‘Laat die gore troep daar maar liggen. We komen niet voor jouw negotie.’ Hij drukte de man naar achteren en duwde hem terug op de tweepersoonsbank. ‘We willen alleen wat inlichtingen.’

‘Inlichtingen?’

De Cock knikte.

‘Jij bent toch Kees?’ Hij trok een gezicht. ‘Beter bekend als Maffe Kees?’

De man bromde zwaar.

‘Ik heb niet graag dat mensen zomaar bij mij binnenvallen.’ Hij maakte een korte hoofdbeweging. ‘Wat willen jullie van me?’

De Cock antwoordde niet direct.

‘Ik neem aan dat je inmiddels begrepen hebt, wie wij zijn?’

De zware man snoof verachtelijk.

‘Ik had het kunnen ruiken… natuurlijk… russen.’

Hij knikte met enige bewondering in de richting van De Cock.

‘Van u heb ik meer gehoord. Je bent een goeie, zeggen ze.’

De grijze speurder glimlachte gevleid.

‘Wij zijn van het politiebureau aan de Warmoesstraat,’ sprak hij ernstig. ‘Het gaat over het niese van Igor.’

Maffe Kees keek de beide rechercheurs verschrikt aan.

‘Het niese van Igor?’

‘Ja.’

‘Duitse Inge, hebben jullie haar gevonden?’

De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd. Zijn scherpe blik tastte de gelaatstrekken van Kees af.

‘Hoezo… gevonden?’

De zware man gebaarde met beide armen.

‘Duitse Inge is al meer dan veertien dagen zoek.’

De Cock keek de man schuins aan.

‘Zoek?’ vroeg hij ongelovig.

Maffe Kees knikte heftig.

‘Vermoord, denk ik.’

In een bedrukte stemming liepen ze van de Lange Leidsedwarsstraat terug naar de Warmoesstraat. Het regende nu harder. De Cock had de kraag van zijn regenjas hoog opgetrokken en zijn hoed naar voren geschoven. De rand lag bijna op zijn ogen. Hij blikte opzij.

‘Wordt er een hoertje vermist?’

Vledder knikte.

‘Ik heb van het politiebureau Lijnbaansgracht een kort telexbericht gelezen. Ik herinner mij dat. Het is van een paar dagen geleden. Het betrof ene Ingeborg Seidel uit Hannover, negentien jaar. Ze werd het laatst gezien op het Leidseplein, toen ze bij een man in de wagen stapte.’

‘Een autonummer?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Geen signalement… niets. Zelfs geen automerk of een typeaanduiding. Men had het over een crèmekleurige wagen.’ Hij grinnikte kort. ‘Maar dat kan in het donker weer variëren van beige tot geel.’

De Cock zuchtte.

‘Het is uiteraard triest voor het meisje. En voor ons een verloren kans om Igor Stablinsky vandaag nog te vatten.’

Er klonk spijt in zijn stem.

Ze liepen een tijdlang zwijgend voort. De regen kwam met bakken neer. De Cock likte aan de druppels die van zijn neus gleden en keek naar de neonreclames, die kleurrijk spiegelden in het asfalt.

Vledder verbrak het zwijgen.

‘Zou Igor Stablinsky iets met de verdwijning van Ingeborg Seidel te maken hebben?’

De Cock trok zijn schouders op.

‘Als die Duitse Inge is vermoord, dan zal het wel een bedrijfsongeval zijn.’

‘Je bedoelt dat ze door een klantje van haar om zeep is geholpen?’

‘Precies. De meisjes die onbeschermd bij een wildvreemde kerel in een wagen stappen, lopen enorme risico’s.’

Vledder knikte instemmend.

‘Ik zal morgen eens bij de Lijnbaansgracht informeren of ze al iets weten.’

Bij het Beursgebouw staken ze het Damrak over en liepen via de Oudebrugsteeg naar de Warmoesstraat. Toen ze de hal van het politiebureau binnenstapten, wenkte brigadier Kusters, die de oude Meindert Post had afgelost, de grijze speurder naar de balie.

‘Ik heb ongeveer een kwartier geleden een radeloze vrouw aan de telefoon gehad,’ sprak hij ernstig. ‘Ze vroeg naar rechercheur De Cock.’

‘Wie was het?’

Brigadier Kusters raadpleegde zijn aantekeningen.

‘Mevrouw Van Blijendijk. Ze had het over haar ganzen.’

De Cock keek hem gespannen aan.

‘Wat is daarmee?’

Kusters trok een triest gezicht.

‘Ze liggen dood voor het hek.’

Загрузка...