10

De Cock legde met een verwrongen gezicht zijn beide benen voor zich op het bureau. De helse pijn in zijn voeten kwam terug, peuterde aan zijn humeur. Hij sjouwde nu al een volle week bijna dag en nacht achter een lugubere moord aan en de resultaten waren ronduit povertjes. De pittige Ineke Peeters had hem een fikse nederlaag bezorgd. Maar dat kwelde hem niet. Nederlagen waren in zijn beroep onvermijdelijk. Hij had geleerd ze te accepteren, beminnelijk, gelaten, als gold het een spelletje poker. Wat hem ergerde was het feit dat hij er na al die dagen nog niets van begreep, dat hij het ‘waarom’ van de moord op Georgette de Mirabeau niet vatte.

Hij keek naar Vledder, die tegenover hem zijn aantekeningen uitwerkte. ‘Heb je het achterhuis doorzocht?’

De jonge rechercheur knikte. ‘Maarten Jan was er niet. En volgens mij is hij er niet geweest. De enige vluchtweg is een smal WC-raampje. Dat vergt enige tijd.’ Hij grinnikte. ‘Onze binnenkomst was nogal verrassend.’

De Cock staarde voor zich uit. ‘Ik vraag mij af wie Bergen heeft gebeld.’

Vledder keek hem niet begrijpend aan. ‘Bergen gebeld?’ vroeg hij verwonderd.

De Cock knikte. ‘Naast de telefoon van Ineke Peeters lag een papiertje.’ Hij tastte in het borstzakje van zijn colbert. ‘Ik heb het meegenomen.’ Hij streek het verkreukelde blaadje op zijn dijbeen glad. ‘Nummer 02208-37456.’

‘Wat is dat?’

De Cock gebaarde nonchalant. ‘Nul-twee-twee-nul-acht,’ zei hij achteloos, ‘is het kengetal van Bergen in Noord-Holland.’ ‘En 37456?’

‘Het abonneenummer van Van Breugelen.’

Vledder keek zijn oude leermeester aan, star, strak, secondenlang, alsof een plotselinge gedachtenflits hem had getroffen. Zijn jeugdig gezicht stond ernstig. Een blauwe ader klopte in zijn hals. ‘Het-was-de-oude-Van Breugelen,’ zei hij toonloos. Hij tikte met zijn middelvinger op het bureau. ‘Het-was-deoude-Van-Breugelen.’

De Cock trok vragend zijn wenkbrauwen op. ‘De-oude-VanBreugelen?’

Vledder gebaarde heftig. ‘Hij deed het.’

‘Wat?’

‘Hij sloeg Georgette de Mirabeau.’

‘O.’

‘Op de avond van de afspraak. Hij ging met haar mee naar boven, naar haar woning en vermoordde haar met dezelfde wandelstok waarvoor jij in Bergen al zoveel belangstelling had.’ De Cock knikte traag. ‘De stok met de zilveren knop.’ Vledder strekte zijn arm naar hem uit. ‘Precies… die stok. Het klopt helemaal. De verwondingen aan de schedel van de verpleegster komen overeen. Dr. Rusteloos dacht aan een staaf met een verdikking aan het eind.’ Hij ademde zwaar, geschrokken van zijn eigen gedachtenspel. ‘Een bijna exacte omschrijving.’ De Cock knikte hem bemoedigend toe. ‘Verder.’

‘Twee dagen na de moord herinnert Van Breugelen zich dat zijn wandelstok in de woning van Georgette is achtergebleven. Hij raakt in paniek… beseft dat de wandelstok bij een onderzoek het spoor in zijn richting zal leiden. Hij kijkt de kranten na… de moord schijnt nog niet ontdekt. Hij gaat terug… zijn vrouw zei het toch… en haalt zijn wandelstok weg.’

De Cock keek zijn jonge collega bewonderend aan. ‘Heel goed.’

Vledder likte aan zijn droge lippen. ‘En de jonge Boucharde weet het.’

De Cock ploegde rimpels in zijn voorhoofd. ‘Maarten Jan?’ Vledder zuchtte omstandig. ‘Hij weet dat de oude Van Breugelen de moord pleegde. Hij zag het… of heeft iets in handen dat voor de architect bijzonder belastend is. Tegen ons zweeg hij… ontkende alleen zelf de moord te hebben gepleegd. Maar na zijn ontvluchting zocht hij onmiddellijk contact met Van Breugelen.’ ‘Via Ineke Peeters.’

Vledder knikte instemmend. ‘Begrijp je, De Cock… Van Breugelen beging de moord en Maarten Jan… Maarten Jan pleegt chantage.’

Met het hoofd wat scheef, een misprijzende trek om zijn lippen, monsterde De Cock het hemelsblauwe kostuum van Robert Antoine van Dijk. Hij wuifde. ‘Ga naar huis en trek wat anders aan.’ De jonge rechercheur glimlachte verlegen. ‘Vindt u het niet mooi?’

De Cock grijnsde. ‘Je lijkt wel een playboy op zondag. Je ziet er uit alsof je zo uit de “Avenue” bent gestapt.’

‘Het is modern.’

De Cock wreef over zijn gezicht. ‘Zeker… maar je loopt ermee in de gaten… op de Kromboomsloot.’

Robert Antoine frommelde wat nerveus aan de rand van zijn colbert. Hij voelde zich niet op zijn gemak. ‘Kromboomsloot?’ De Cock knikte. ‘Ik wil dat je het huis van Maarten Jan Boucharde afpost. Er zijn daar in de Nieuwmarktbuurt nogal wat kraakpanden met hippies. Het beste lijkt mij dat je je ook wat hip kleedt… een bandje om je voorhoofd, een vieze spijkerbroek en een oud kattevelletje van je vrouw.’

Het gezicht van Robert Antoine verstarde. ‘Mijn vrouw draagt geen kattevellen,’ reageerde hij verontwaardigd.

De Cock gebaarde nonchalant. ‘Goed, goed… dan je buurvrouw. Zorg in ieder geval dat je niet onmiddellijk stukloopt. En als Maarten Jan onverhoopt mocht komen opdagen, promoveer jezelf dan niet tot held van de dag. Ik bedoel… ga niet in je eentje tot een arrestatie over. Geef liever een seintje. De jongen is gewapend. Geef verder al je aandacht aan dat meisje… Ineke Peeters. Ik wil precies weten wat ze doet… wie ze ontvangt, waar ze heen gaat. Begrepen?’

De jonge rechercheur knikte. ‘Word ik afgelost?’

De Cock schudde traag het hoofd. ‘Voorlopig niet. Ik heb niemand anders. Maar ik beloof je dat ik de tijd in de gaten houd.’ Hij glimlachte hem beminnelijk toe; veranderde van toon. ‘Doe je best, Rob. Het is belangrijk.’

Nadat Robert Antoine van Dijk was vertrokken, slenterde De Cock naar de kapstok, greep zijn jas en zette zijn hoedje op het hoofd. Hij wenkte Vledder naderbij. ‘Kom,’ riep hij opgewekt, we zullen eens zien wat jouw theorie waard is.’

‘Mijn theorie?’ De Cock knikte. ‘We gaan naar de Herengracht.’

‘Wat is daar?’

De Cock glimlachte. ‘Het kantoor van Van Breugelen.’ Het was een fraai, oud grachtenhuis met een sierlijke halsgevel, zwierige festoenen en een hardstenen stoep met een bankje op het bordes. Naast de monumentale deur was een dof zwart bord met ‘architectenbureau van breugelen’ in strakke witte letters zonder kapitalen.

De Cock drukte tegen de deur. Ze schoof vrijwel onhoorbaar open. De beide mannen stapten naar binnen. Halverwege de marmeren gang kwam een jonge vrouw hen tegemoet. Ze had een matbleké huid en lang, zwart haar, dat strak naar achteren was gekamd. Een zware bril met een donker montuur gaf aan haar gezicht een verrassend effect van ernstige lichtzinnigheid. De grijze speurder boog wat stijfjes. ‘De Cock… We hadden graag een onderhoud met de heer Van Breugelen.’

Het gezicht van de jonge vrouw betrok.

‘Ik ben bang…’

De Cock schudde het hoofd. ‘Wij zullen over u waken,’ sprak hij geruststellend.

Ze lachte frivool. ‘Ik bedoel… de heer Van Breugelen is een bezet man. Ik heb strenge orders om…’

De Cock wuifde het weg. ‘Zeg hem dat wij er zijn,’ zei hij ernstig. ‘Hij zal ons ontvangen.’

Een moment aarzelde ze nog, toen draaide zij zich om en liep de gang af. De beide rechercheurs staarden haar na. De minirok, de lange, slanke benen, de zoete ronding van haar heupen… het dreef misdaad en moord secondenlang naar een rommelige uithoek van hun gedachten.

Na een paar minuten was ze terug.

‘Gaat u mee.’

Ze liepen achter haar aan; drukten de betovering weg. Aan het einde van de gang opende zij een deur en liet hen binnen. Het was een ruim, hoog vertrek met fraaie gobelins aan de wanden en mollige engeltjes aan het plafond. Schuin in de hoek bij het raam stond een groot, stoer bureau van geloogd eiken. Achter dat bureau, in een ruime stoel, zat Van Breugelen. Hij kwam moeizaam overeind, greep zijn stok en strompelde hen tegemoet. Hij droeg hetzelfde ribfluwelen kostuum van de avond tevoren. Maar zijn gezicht zag grauw en zijn ogen stonden dof. Nachtrust had hem niet verkwikt. Hij wees met zijn stok naar een zitje voor zijn bureau. ‘Ik had u min of meer verwacht.’ Hij liet zich in een van de fauteuils zakken. De stok naast zich, het rechterbeen gestrekt vooruit. Vledder en De Cock namen tegenover hem plaats. ‘Het was bijna onvermijdelijk,’ ging hij verder. ‘Na de “openbaringen” van mijn vrouw… de vreemde “escapades” van mijn zoon…’

De Cock keek hem schuin aan. ‘U bent op de hoogte?’ Van Breugelen knikte traag. ‘Ze hebben het mij verteld.’ Hij wreef in de ooghoeken; glimlachte vermoeid. ‘Voor de pater familias blijft weinig verborgen.’ Hij zweeg even, zuchtte en gebaarde voor zich uit. ‘Over mijn zoon kan ik kort zijn. De jongen gaat zijn eigen weg. Het gaat mij niet aan op welke wijze hij zijn seksuele ervaringen uitbouwt. Wat mijn vrouw betreft… over haar maak ik mij zorgen. Ze doet de laatste tijd heel vreemd. Ze staart soms uren voor zich uit. Volkomen afwezig. De dood van Georgette de Mirabeau heeft haar erg geschokt.’ ‘Waarom?’

Van Breugelen trok zijn schouders op. ‘Dat weet ik niet. Ik heb daar geen verklaring voor. Ze kende haar niet. Ze heeft haar bij mijn weten nooit ontmoet. Het is voor mij een onbegrijpelijke zaak.’

Vledder boog zich iets naar voren. ‘Is het dat?’

Van Breugelen keek de jonge rechercheur fronsend aan. Vledder glimlachte; zijn mond iets scheef. ‘Is het voor u een onbegrijpelijke zaak?’ vroeg hij fel, bijtend. ‘Is het niet zo, dat Georgette de Mirabeau voor u meer was dan “een schim uit het verleden” en dat uw vrouw een gegronde reden had die “schim” te wantrouwen?’

Van Breugelen kneep zijn ogen half dicht. ‘Als u een verhouding suggereert tussen mij en Georgette, dan verzeker ik u dat daarvan geen sprake was. Ik heb haar tijdens mijn huwelijk maar eenmaal ontmoet. Dat was vrij recent… enkele dagen voor haar dood. Ik vertelde het u… het was op haar uitdrukkelijk verzoek.’

Vledder schoof nog verder naar voren. ‘En de tweede maal?’ Van Breugelen slikte. ‘Ik… eh, ik weet niet waar u het over hebt.’ Het klonk zwak, weinig overtuigend.

Vledder grijnsde. ‘In de “openbaringen” van uw vrouw is sprake van een tweede bezoek… enkele dagen later.’

Van Breugelen likte aan zijn droge lippen. ‘Ze moet zich vergissen.’

Vledder schudde het hoofd. ‘Ze vergiste zich niet.’ Hij stond op, greep de wandelstok bij de architect weg. Hij hield hem omhoog, de zilveren knop vooruit. Zijn jong gezicht stond strak, ernstig. In zijn blauwe ogen blonk een gevaarlijk vuur. ‘Hoe grondig hebt u hem gereinigd, heer Van Breugelen? Hoeveel bloed kleeft er nog aan die stok?’

Van Breugelen keek hem een moment verbijsterd aan. Toen veranderde zijn expressie. Het was alsof ineens alle spanning van hem wegviel, alle weerstand brak. Hij sloeg beide handen voor zijn gezicht. ‘Ik heb het gedaan,’ lispelde hij zacht. ‘Ik heb het gedaan… ik heb het gedaan… ik heb het gedaan.’ Hij herhaalde het als een echo.

Vledder boog zich over hem heen. ‘Wat… wat heeft u gedaan?’ ‘Ik vermoordde Georgette de Mirabeau.’


In het smalle verhoorkamertje op de tweede etage van het oude politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat hing een benauwde lucht van rook en zweet. Ferdinand van Breugelen maakte zijn boord los en wreef langs zijn hals. Hij keek smekend omhoog naar Vledder. De jonge rechercheur stond voor hem, de wandelstok als een beschuldigend corpus delicti in de hand.

De architect schudde het hoofd. ‘Niet weer,’ riep hij vertwijfeld, ‘niet weer. Ik heb het u toch allemaal verteld.’ Hij wiste met de rug van zijn hand het zweet van zijn voorhoofd. ‘Stop me toch in de cel. Laat me met rust. Wat heeft het nog allemaal voor zin?’ Vledder kneep zijn lippen op elkaar. ‘U liep,’ ging hij onverstoorbaar verder, ‘na het bezoek aan dat cafeetje met Georgette mee naar huis?’

‘Ja.’

‘Op haar verzoek?’

Van Breugelen knikte. ‘Ze wilde dat ik nog even met haar mee naar boven ging.’

De Cock, die het verhoor op een afstandje volgde, kwam even naderbij. ‘Welk kostuum droeg u die avond?’

De architect plukte aan zijn revers. ‘Dit… ik heb de onhebbelijke gewoonte een kostuum nieuw aan te trekken en niet meer uit te doen, tot het op de draad is versleten.’

De oude rechercheur knikte hem beminnelijk toe. ‘Dat is alles wat ik vragen wilde.’

Vledder nam het verhoor weer over. ‘U ging dus met haar mee naar boven?’

‘Ja.’

‘En toen u boven was?’

‘Kregen we ruzie.’

‘Direct al?’

‘Al vrij gauw, ja.’

‘Waarover?’

De architect kneep zijn ogen dicht. ‘Dat weet ik niet meer.’ Vledder boog zich naar hem toe. ‘Waarover?’ herhaalde hij fel. Van Breugelen zuchtte diep. ‘Ze begon te schelden, maakte mij verwijten. Ze zei dat ik haar leven had verwoest.’

Vledder keek hem onderzoekend aan. ‘De verbroken verloving?’

‘Ja.’

De jonge rechercheur snoof. ‘Dat… dat is meer dan twintig jaar geleden.’ Het klonk ongelovig, bijna spottend.

Ferdinand van Breugelen sprong op. ‘Verdomme,’ riep hij fel, ‘kan ik het helpen dat ze het weer oprakelde?’

‘U werd kwaad?’

De architect klapte met zijn vuist op tafel. Zijn gezicht zag rood, zijn neusvleugels trilden. ‘Ja-ja-ja,’ brieste hij, ‘ik werd kwaad… woedend.’

Vledder knikte gelaten. ‘En sloeg toe.’

Ferdinand van Breugelen zakte terug in zijn stoel. De kleur week uit zijn gezicht. Met een loom gebaar wees hij naar de wandelstok in Vledders hand. ‘Daarmee… daarmee sloeg ik haar.’ Vledder keek hem strak aan. ‘En toen… heer Van Breugelen?’ De architect gebaarde hulpeloos voor zich uit. ‘Ze was dood.’ De Cock kwam opnieuw naderbij. ‘Ze zag er verschrikkelijk uit.’ Hij fluisterde zacht, vriendelijk. ‘Al dat bloed. Het was bijna niet om aan te zien.’

Van Breugelen knikte traag. ‘Het was… het was verschrikkelijk.’ Hij wreef langs zijn ogen. ‘Ik kon het niet verdragen. Ze keek mij aan… ze keek mij steeds maar aan.’ Hij snikte luid, erbarmelijk. ‘Ik zei… Georgette… zei ik… ik kan er niets aan doen… geloof me… ik kan er niets aan doen… ik heb het zo niet gewild.’ Zijn donkere ogen vulden zich met tranen.

De Cock zuchtte. ‘Toen heeft u een theedoek gepakt en die over haar hoofd gelegd.’

Ferdinand van Breugelen keek met een betraand gezicht naar hem op. ‘Ik moest het doen.’ Hij hijgde zwaar. ‘Ik kon haar blik niet meer verdragen.’

‘U hield van Georgette?’

‘Ja.’

‘Hoeveel?’

Van Breugelen wreef de tranen uit zijn gezicht. ‘Hoe meet je liefde?’ vroeg hij zacht.

De Cock beet op zijn onderlip. ‘Hoeveel haat heb je nodig om een medemens te doden?’ Hij legde zijn hand op de schouder van de architect. ‘Heer van Breugelen… had u zoveel haat?’


Commissaris Buitendam stapte met uitgestoken hand op De Cock toe. Hij glimlachte breed. Zijn ogen straalden. ‘Gefeliciteerd.’

De oude speurder keek hem verwonderd aan. ‘Waarmee?’ De commissaris wuifde met een slanke hand. ‘Met de bekentenis van Van Breugelen. Ik hoorde het van de jonge Vledder. Ik vind het heel knap. Ik heb de officier van justitie al op de hoogte gebracht. Hij toonde zich zeer verheugd.’

‘Dat is dan jammer.’

De commissaris keek hem niet begrijpend aan. ‘Wat is jammer?’

De Cock grijnsde. ‘Dat de officier van justitie zo verheugd is. Ik vrees dat we hem moeten teleurstellen.’

‘Teleurstellen?’ De Cock knikte traag.

‘Ferdinand van Breugelen…, is de moordenaar niet.’

Загрузка...