11
Vledder stapte de grote recherchekamer op en neer. De jonge rechercheur was ontstemd. Op zijn jeugdig gezicht lag een sombere trek. De oude commissaris had hem tactvol, maar bijzonder duidelijk aan het verstand gebracht dat hij in het vervolg van voorbarige succesmeldingen verschoond wenste te blijven. Dat knaagde aan zijn gemoed, knabbelde aan zijn humeur. Bij het bureau van zijn oude mentor bleef hij staan. ‘Waarom is Ferdinand van Breugelen de dader niet?’ vroeg hij kriegel. ‘Hij bekende toch?’
‘Zijn bekentenis is vals.’ Vledder snoof. ‘Dat had je mij dan wel eens kunnen vertellen.’ Het klonk bars, onvriendelijk. De Cock keek naar hem op. ‘Waarom? Je had het zelf kunnen ontdekken. Bovendien… ik heb je niet naar de commissaris gestuurd. Als je had nagedacht voor je in… in jeugdig enthousiasme naar hem rende, had je een flater kunnen voorkomen.’ De jonge rechercheur streek met zijn hand langs zijn kin. ‘Ik dacht beslist dat we er al waren…, dat we de moord al hadden opgelost.’ Hij ging tegenover De Cock zitten en zuchtte. ‘Wat was er dan fout?’
De oude speurder leunde iets naar voren. ‘Twee dingen. Zie je, als Ferdinand van Breugelen werkelijk de dodelijke slagen had toegebracht, dan was zijn kostuum bedekt geweest met bloedspatten. Op het lichtgrijze ribfluweel was echter niets te zien. Ik heb het vanmiddag voor de zekerheid naar het laboratorium laten brengen, maar ik kan je nu al zeggen dat drs. Eskes geen bloedspoortjes zal vinden. En voor je mij tegenwerpt dat het kostuum intussen gereinigd kan zijn, zeg ik je dat op de linkerrever twee vetvlekken en op de rechtermouw een paar klodders Oostindische inkt zaten van oudere datum.’ Hij zweeg even, ademde diep. ‘Het was nog mogelijk dat de architect op de avond van de afspraak met Georgette, tegen zijn gewoonte in, een ander kostuum droeg. Maar ik heb Smalle Lowietje gebeld en hij kon zich het grijze, ribfluwelen pak van Van Breugelen nog heel goed herinneren.’
Vledder keek de grijze speurder secondenlang aan. ‘Jij denkt ook aan alles,’ zei hij bewonderend. Hij schudde droef het hoofd. ‘Stom… van mij, hartstikke stom. Je hebt gelijk. Zonder meer. Bij de moord zijn de bloedspatten ook zeker in de richting van de dader gevlogen. Gek, dat ik daar niet aan heb gedacht.’ ‘Je was te begerig…, je wilde zo graag een moordenaar. Dat… en de vlotte bekentenis van Van Breugelen maakten je minder waakzaam.’
Vledder knikte somber. Een trieste glimlach speelde om zijn lippen. ‘En ten tweede?’
‘Wat bedoel je?’
‘Je had het over twee dingen.’
De Cock gebaarde voor zich uit. ‘De theedoek. Ferdinand van Breugelen verklaarde dat hij na zijn gruwelijke daad de aanblik van de dode niet kon verdragen en daarom de doek over het hoofd legde. Dit is niet in overeenstemming met de feiten. De theedoek is niet onmiddellijk na de moord over het hoofd van de dode gelegd. Als het was gebeurd, zoals Van Breugelen ons wil doen geloven, dan was de theedoek aan de binnenzijde met bloed bevlekt geweest. Maar de doek was schoon. Er was geen smetje aan te bekennen. Begrijp je, de theedoek werd pas over het hoofd van Georgette de Mirabeau gelegd, toen het bloed al was gestold, opgedroogd. Dat is ook in overeenstemming met de verklaring van Maarten Jan. Hij vond een dode Georgette… zonder doek.’
Vledder knikte instemmend. ‘Toch klonk dat gedeelte van de verklaring van Van Breugelen bijzonder overtuigend. De lijkrede die hij hield…’
De Cock zuchtte. ‘Het was ook de waarheid.’
‘De waarheid?’
De Cock knikte met een ernstig gezicht. Ferdinand van Breugelen hield een lijkrede…. zoals jij dat noemt en legde de theedoek over het hoofd van Georgette de Mirabeau…, twee dagen na de moord.’
‘Toen hij zijn wandelstok terughaalde.’
‘Precies.’
Vledder keek zijn oude leermeester verward aan. ‘Maar waarom bekende hij?’ riep hij onthutst. ‘Het is nogal wat. Je bekent toch niet “zo maar” een moord.’
De Cock schudde traag het hoofd. ‘Niet “zo maar”.’ Ferdinand van Breugelen wist wat hij deed. Hij bekende bewust…, loog bewust. Zie je, hij weet wie de moord pleegde. Hij kent de dader.’
Vledder wreef langs zijn drooggeworden lippen. ‘Laten we het hem vragen.’
De Cock streek over het grijze haar. ‘Hij zal bij zijn bekentenis blijven. De naam van de dader zal hij nooit noemen. Begrijp je, de valse bekentenis dient juist om de ware dader te beschermen.’
Vledder gebaarde heftig. ‘Dan leggen we hem de feiten voor.’ De Cock zuchtte. ‘Dan past hij zijn bekentenis bij de feiten aan. Ferdinand van Breugelen heeft zich nu eenmaal de rol van zondebok aangemeten. Het zal niet gemakkelijk zijn hem tot andere gedachten te brengen.’
De jonge Vledder glimlachte wat onzeker. ‘Maar we kunnen toch moeilijk een man in hechtenis houden voor een moord die hij niet heeft begaan?’
‘Nee…, nu we het weten…, het zou ongeveer neerkomen op vrijheidsberoving.’
‘Wat dan?’
‘We moeten hem loslaten. Onmiddellijk.’
Vledder wuifde wat wild in de ruimte… ‘Hij haalde de wandelstok uit het kamertje weg.’
‘Je bedoelt dat hij het moordwapen aan onze nasporingen onttrok.’
‘Dat is toch strafbaar?’
De Cock schonk hem een matte glimlach. ‘Inderdaad, artikel 189 van het Wetboek van Strafrecht, tweede lid. Maar dat feit is te gering. De wet staat ons niet toe hem daarvoor vast te houden.’ Hij schudde een paar maal het hoofd. ‘Hij moet weg. Maak het maar met de commissaris in orde en vraag aan mevrouw Van Breugelen of ze een ander kostuum wil laten brengen. Zijn ribfluwelen kostuum is nog op het laboratorium en we kunnen onze architect moeilijk in een drenkelingenpak[3] de straat op sturen.’ Vledder stond op, een onwillige trek op zijn gezicht. ‘Hij zal begrijpen dat wij aan zijn bekentenis geen enkele waarde hechten.’ De Cock spreidde zijn armen in een hulpeloos gebaar. ‘Het zij zo,’ sprak hij gelaten.
Op dat moment kwam Robert Antoine van Dijk de recherchekamer binnen. De jonge rechercheur zag er bijna potsierlijk uit. Hij droeg een oude spijkerbroek met opgenaaide lappen en een groen legerjack met ‘ban-de-bom’-emblemen op de mouwen. Schuin achter op zijn hoofd hing een slappe, vilten dameshoed met een lang rood lint. Vledder lachte hartelijk, maar onder de dwaze hoed van Robert stond een somber gezicht.
De Cock keek hem onderzoekend aan. ‘Wat is er?’
‘Ik ben haar kwijt.’
‘Ineke Peeters?’
De jonge rechercheur knikte. Hij nam de malle hoed van zijn hoofd en speelde met het lint. ‘Op de Dam.’ Hij slikte. ‘Ik stond nauwelijks een half uurtje aan de Kromboomsloot, toen ik haar uit haar woning zag komen. Het was zo rond de klok van twaalf uur. Ze liep via de Keizersstraat, de Nieuwmarkt naar de Kloveniersburgwal. Ik gaf haar aanvankelijk wat ruimte, maar haalde haar later in. Van de Kloveniersburgwal stapte ze rechts de Oude Hoogstraat in en liep naar de Dam. Daar bleef ik kort bij haar, trapte praktisch op haar hielen. Toch had ze me niet in de gaten. Dat bezweer ik je.’
‘En toen?’
‘Tot mijn verbazing ging ze op de Dam het kantoor van Air France binnen.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen. ‘Air France?’
‘Ja, op 25, onder de arcade. Ik vond het niet raadzaam mee naar binnen te gaan. Ik wilde me niet te veel blootgeven. Ik bleef in de nabijheid wachten, tot ze weer naar buiten kwam. Dat duurde nogal even. Het was druk op de Dam. Op de trappen van het monument zaten en lagen honderden hippies. Ineens ontstond er wat rumoer. Een paar luitjes kregen het met elkaar aan de stok. Er werd zwaar gevochten. Er kwamen een paar agenten van het Damdetachement om de zaak te regelen. Het ging aanvankelijk vrij gemoedelijk. Maar plotseling was het mis. Er werd gescholden en geslagen. De agenten trokken hun gummistok en de meute ging aan de loop…, in mijn richting. Het werd een complete charge.’
De Cock keek naar hem op. ‘Toen ben je weggelopen.’ De jonge rechercheur knikte mistroostig. ‘Wat moest ik anders? Ik kon in deze kledij moeilijk staan roepen “ik ben Robert Antoine van Dijk…, bij de gratie van onze hoofdcommissaris…, rechercheur van politie”.’
Vledder lachte hartelijk. ‘Je had het kunnen proberen,’ zei hij schertsend.
Van Dijk trok een beteuterd gezicht. ‘Ik had geen zin van mijn eigen collega’s een gummistok in mijn nek te krijgen. Je kunt moeilijk van de jongens verwachten dat ze selectief te werk gaan.’
De Cock glimlachte. ‘Ik begrijp het, Robert,’ zei hij vriendelijk. ‘Enfin, toen de charge voorbij was en jij terugging, was Ineke Peeters verdwenen.’
De jonge rechercheur knikte. ‘Ik heb overal rondgekeken, maar ik heb haar niet meer gezien. Toen ben ik het kantoor van Air France binnengestapt. Ik gaf aan het personeel een beschrijving van Ineke Peeters en vroeg wat zij kwam doen. Men keek mij aanvankelijk wat gek aan en wilde mij geen inlichtingen geven. Eerst nadat ik mij uitgebreid had gelegitimeerd, vertelde men mij dat die juffrouw twee vliegtickets had gekocht.’ ‘Twee?’
‘Ja… Amsterdam-Casablanca.’
De Cock knipoogde tegen een bleek zonnetje, dat spiegelend over het IJ naar hem lonkte. Hij had het rumoer van de recherchekamer verlaten en was op zijn gemak naar de De Ruijterkade geslenterd. Hij was Urker van geboorte, stamde van een geslacht van visser. Het water gaf hem rust.
Hij keek naar een Hollandse vrachter, die langzaam voorbijgleed en dacht aan Brahms, Romance in F en aan Georgette de Mirabeau, de deugdzame verpleegster, die zo plotseling de dood vond. Hoe deugdzaam was zij? Niet zo deugdzaam als u gelooft…, dat zei Ferdinand van Breugelen. En hij kon het weten.
De Cock wandelde naar het einde van een steiger en leunde met zijn brede rug tegen een krakende meerpaal. Wie wist het nog meer? Wie had nog meer haar deugdzaamheid getest? Waarom was haar ex-verloofde Van Breugelen bereid een moord te bekennen die hij niet had gepleegd? Waar kwam Maarten Jan in het spel, de jonge inbreker? Was het chantage…. zoals Vledder dacht? Of had Boucharde nog een andere greep op de rijke architect? Hij zuchtte diep. Vragen… steeds maar vragen. Ze stormden op hem af.
Ineens flitste door zijn gedachten dat hij één man nog niet had benaderd. Een man die de knappe verpleegster had gekend en die, zo hij hoopte, niet emotioneel aan haar was gebonden. In een wat komische galop dreunde hij de steiger af en wenkte een taxi.
De chauffeur stopte en deed het portier open. ‘Waarheen, meester?’
De Cock plofte hijgend naast hem neer. ‘Het Wilhelmina Gasthuis.’
Professor Van Lijnschoten keek van zijn werk op, nam zijn bril met gouden montuur af en kwam van achter zijn bureau overeind. Hij was groot en breed. In zijn hagelwitte doktersjas, losjes over een gedistingeerde streepjesbroek en effen zwart vest, zag hij er indrukwekkend uit. Hij had een scherp gesneden gezicht, vlasblond haar en dunne, smalle lippen.
‘Waarmee kan ik u van dienst zijn?’ Zijn stem klonk droog en scherp.
De grijze speurder glimlachte beminnelijk. ‘Mijn naam is De Cock. Ik ben rechercheur van politie en belast met het onderzoek naar de gruwelijke dood van Georgette de Mirabeau.’ De professor gebaarde met de bril in zijn hand. ‘Gaat u zitten.’ De Cock nam plaats; zijn hoed op de schoot. ‘Men heeft mij gezegd dat u buiten uw bijzondere bekwaamheden als chirurg ook een groot mensenkenner bent,’ begon hij vleiend. ‘Ik wilde op die mensenkennis een beroep doen… omwille van de gerechtigheid.’ ‘Een zwak argument.’
De Cock tastte naar zijn voorhoofd. ‘Laten we zeggen…. omwille van de mensen die bij haar dood zijn betrokken.’ De professor grinnikte. ‘Is dat hetzelfde… voor u?’
De Cock keek naar hem op. ‘Kent u een excuus voor moord?’ ‘Zoekt u dat?’
De Cock plooide zijn lippen in een tuitje. ‘Het motief kan een excuus zijn.’
De professor ging zitten; een zoete glimlach om de lippen. ‘Kortom…, u zoekt een motief. En omdat het motief is gekoppeld aan Georgette de Mirabeau…, zij werd immers het slachtoffer…, komt u naar mij.’
De Cock glimlachte bescheiden. ‘Zo kunt u het stellen,’ bevestigde hij. ‘Zij was bij u in dienst. U hebt haar gekend. Ze is vele jaren uw medewerkster geweest.’
De professor knikte. ‘Het woord “medewerkster” is terecht. Georgette de Mirabeau was een zeer begaafde vrouw. Hoewel ze haar medische studie niet geheel had voltooid, was ze bekwamer dan menig arts. Ze was ook beslist veelzijdiger. Haar opleiding was haast uniek te noemen. Ze had ouden van dagen verpleegd, had in een kraamkliniek gewerkt, ervaringen opgedaan in psychiatrische inrichtingen en was een uitstekende operatiezuster.’
‘En een knappe vrouw.’
Professor Van Lijnschoten reageerde niet direct. Hij leunde in zijn stoel achterover, stak zijn duimen in de zakken van zijn vest. ‘Haar schoonheid,’ zei hij bedachtzaam, ‘heeft mij nooit zo bekoord. En ik ben beslist niet ongevoelig voor vrouwelijk schoon. Hoewel ze vrijwel dagelijks om mij heen was en wij in bepaalde opzichten zeer vertrouwelijk waren, heeft ze nooit mijn begeerte opgewekt… Wanneer collega’s op bezoek waren, benijdden ze mij wel eens en maakten bedekte toespelingen op mijn knappe assistente. Maar aan de schoonheid van Georgette ontbrak iets…. warmte, sensualiteit. Ze had haar ego gepantserd, opgesloten in een fraai, maar onneembaar bastion.’ Hij lachte met een hoog, bijna kirrend geluid. ‘Misschien was ze daarom zo rancuneus.’ ‘Rancuneus?’
Hij knikte. ‘Georgette kon vrijwel geen kritiek op haar persoon en werk verdragen; Dat wekte haatgevoelens bij haar op. Uiterlijk was dan niets aan haar te merken, maar inwendig werd ze verteerd door wrok. En wanneer zich een gelegenheid voordeed, nam ze wraak…, al duurde het jaren.’ De professor pauzeerde even. Hij nam zijn duimen uit zijn vest en leunde voorover. ‘Het is niet eerlijk,’ zei hij hoofdschuddend. ‘Het is niet eerlijk u dit te zeggen. Er stond zoveel positiefs tegenover, dat wij haar die… eh, kleine onvolkomenheidjes moeten vergeven.’
De Cock knikte met een ernstig gezicht. ‘Wij wel, professor…, wij zullen het haar vergeven.’
Hij staarde peinzend voor zich uit. ‘Er was er echter één die het haar niet vergaf…, haar moordenaar.’
Het was al donker toen rechercheur De Cock aan de Warmoesstraat terugkwam. Hij voelde zich opgelucht, bijna vrolijk. Het gesprek met professor Van Lijnschoten had zijn inzichten verdiept. En de pijn was uit zijn voeten getrokken. Hij wuifde in het voorbijgaan naar de wachtcommandant en nam verbazend snel de twee trappen naar de recherchekamer. Hij zeilde zijn hoedje naar de kapstok en beende naar Vledder.
De jonge rechercheur schoof de schrijfmachine van zich af. ‘Waar zat je?’
De Cock grinnikte. ‘Ik was wandelen.’
Vledder keek naar hem op. ‘Gewoon wan-de-len?’ vroeg hij verbaasd.
De Cock knikte. ‘En ik was bij professor Van Lijnschoten.’ ‘Ben je wat wijzer geworden?’
De Cock maakte een nonchalant gebaar. ‘De professor vertelde dat Georgette de Mirabeau een veelzijdig verpleegster was.’ Vledder snoof. ‘Dat wisten we al.’
De Cock glimlachte. ‘Ik wist alleen niet hoe veelzijdig dat wel was.’ Hij keek om zich heen. ‘Waar is Robert Antoine?’ ‘Terug naar de Kromboomsloot. Hij wil het spoor van Ineke Peeters weer oppakken. Hij heeft ook met de marechaussee op Schiphol gebeld.’
‘Mooi. En Ferdinand van Breugelen…, is hij al weg?’ Vledder knikte. ‘George kwam het kostuum brengen.’ ‘De ook al zo veelzijdige chauffeur.’
‘Ja.’
‘Zei hij nog iets?’
Vledder schudde het hoofd. ‘Hij niet.’
‘Van Breugelen?’
Vledder wreef langs zijn gezicht en glimlachte. ‘Hij vroeg of het onze gewoonte was moordenaars vrij te laten.’
‘En toen?’
‘Toen heb ik hem gezegd dat bij de politie die gewoonte nog niet was ingeburgerd.’
De Cock lachte hartelijk, klapte zijn jonge collega op de schouder. ‘Heel mooi…, ik zou het gezegd kunnen hebben.’ Vledder keek voor zich uit.
‘De architect scheen niet zo blij met zijn vrijlating. Ik dacht dat hij liever had gezien dat wij zijn bekentenis hadden aanvaard. Ook chauffeur George leek mij wat bedrukt.’
De Cock schoof zijn onderlip vooruit… ‘Wat weten we feitelijk van die George?’
Vledder trok zijn schouders op. ‘Niets. Ik heb hem vanmiddag even gezien. Ik schat hem zo op vijfenveertig, vijftig jaar. Goed gebouwd, kort, breed, krachtig, met een donker, bijna oosters uiterlijk. Hij scheen erg aan Van Breugelen gehecht. Toegewijd. De wijze waarop hij de architect hielp bij het aantrekken van zijn kostuum, zijn stok vasthield, de manier waarop hij hem toesprak…’
‘En die… eh, toewijding was wederzijds?’
‘Ja, die indruk had ik. Er was geen sprake van onderdanigheid, van een gezagsverhouding. Het was meer het gedrag van twee vrienden.’
De Cock knikte begrijpend. ‘Laat iemand zijn antecedenten eens natrekken.’
‘Okee.’
De Cock streek over het grijze haar. ‘Heb je al bericht van drs. Eskes?’
‘Ja…, negatief. Er zaten geen bloedspatjes op het ribfluwelen kostuum.’
De grijze speurder streek met zijn pink over de rug van zijn neus. Een moment leek hij besluiteloos, toen draaide hij zich om en slenterde naar de kapstok. Hij zette zijn oude hoedje achter op het hoofd en wenkte de jonge Vledder. ‘Kom… ik trakteer op een cognackie.’
Het was vrij stil in het schemerig intiem lokaaltje op de hoek van de Barndesteeg en Achterburgwal, waar Smalle Lowietje de milde scepter zwaaide.
De Cock slenterde naar zijn vertrouwd plekje bij de muur en hees zich op een kruk. Vledder nam naast hem plaats. De beide rechercheurs keken wat rond.
Een droevig business-vrouwtje zat in een ver hoekje te pruilen boven haar zoveelste sherry. Een louche koopman hing verveeld aan de bar. Verder was er niemand.
Smalle Lowietje streek met zijn handen langs zijn morsig vest en kwam lachend op hen toe. ‘Hetzelfde recept…. ook voor de jongeheer?’
Zonder op antwoord te wachten nam hij drie diepbolle glazen, zette die voor hem neer en schonk in. Hij hield zijn eigen glas omhoog, schommelde het in de hand. ‘Dat Onze Lieve Heer,’ sprak hij plechtig, ‘in zijn oneindige goedheid ons nog vele jaren van dit kostelijk vocht moge laten genieten.’
De Cock beluisterde de toon. Het klonk niet profaan, niet oneerbiedig. Hij fronste zijn wenkbrauwen. ‘Wat is er, Lowie,’ vroeg hij verbaasd, ‘ben je bekeerd?’
De tengere caféhouder schonk hem een milde glimlach. ‘Ik heb tegenwoordig zo vaak het Leger des Heils in mijn zaak…’ De Cock knikte ernstig.
‘Je neemt er allicht wat van mee.’
Lowietje nipte aan zijn cognac. ‘Ik leg ze nooit een strobreed in de weg. Als ze willen komen, komen ze. Ze doen goed werk.’ De Cock keek hem aandachtig aan.
‘Ik merk het.’
Een tijdje zaten ze zwijgend bijeen, genoten van hun cognac. Ineens boog De Cock zich naar voren, bracht zijn hand bij het oor van Lowietje. ‘Waar is Maarten Jan Boucharde?’ De tengere caféhouder schrok zichtbaar. ‘Ik… eh, dat… eh, weet ik niet.’
De Cock grijnsde breed. ‘Kom, Lowie,’ zei hij vriendelijk. ‘Ik heb je al vaker gezegd…, je moet beter leren liegen. Waar is Maarten Jan Boucharde?’
De tengere caféhouder tikte met beide handen op zijn smalle borst. ‘Waarom zou ik moeten weten waar die jongen is? Hij is een paar dagen geleden ontvlucht. Dat heb ik gehoord. Meer weet ik niet.’
De Cock schudde het hoofd. ‘Het heeft geen zin het te ontkennen, Lowie,’ sprak hij gelaten. ‘Ik weet dat je die jongen hebt geholpen. Ik neem het je ook niet kwalijk. Ik wil alleen weten waar hij is… nu.’
De smalle caféhouder slikte. ‘Ik… eh, ik weet het niet.’ De Cock klemde zijn lippen op elkaar. ‘Als er met die jongen iets gebeurt,’ zei hij scherp met opgestoken wijsvinger, ‘dan stel ik jou aansprakelijk, Lowie. Die jongen weet niet wat hij doet. Hij speelt een gevaarlijk va-banquespelletje met mensen die onder de gegeven omstandigheden tot alles in staat zijn.’
‘Dat is zijn zaak.’
‘Het is ook jouw zaak,’ siste hij. ‘Jij geeft die jongen de gelegenheid het spelletje te spelen.’
‘Ik weet van geen spelletje af.’
De oude speurder zuchtte. ‘Nog een keer, Lowie…, waar is Maarten Jan Boucharde?’
De tengere caféhouder schudde traag het hoofd. ‘Ik zeg het je niet, De Cock.’
De grijze rechercheur pakte zijn glas en dronk het in een teug leeg. Hij wierp een bittere blik op Lowietje, liet zich langzaam van zijn kruk glijden en liep het café uit. Vledder volgde zonder te groeten.
Ze trokken door de donkere Barndesteeg naar de Nieuwmarkt. De Cock voorop, gehaast, alsof de duivel hem persoonlijk op de hielen zat. De jonge Vledder schuin naast hem, een blik vol onbegrip in de ogen.
‘Hoe kom je er bij dat Smalle Lowietje weet waar Maarten Jan is?’
‘Dat leg ik je nog wel eens uit.’
De jonge rechercheur keek wrevelig opzij. ‘En wat bazelde je over een va-banquespelletje?’
De Cock keek strak voor zich uit. ‘Ik “bazel” nooit,’ reageerde hij scherp, ‘dat behoorde je te weten.’
Vledder snoof. ‘Lowietje geloofde je niet.’
De Cock grijnsde. ‘Dat is dan jammer,’ zei hij kort, ‘voor Lowietje.’
Hij liep de Nieuwmarkt over, langs het oude Waaggebouw en vloekte omdat het verkeer op de Geldersekade hem geen gelegenheid gaf over te steken. Toen hij eindelijk de overkant had bereikt, had zijn beschermengel een hartinfarct en was hij door minstens een dozijn automobilisten volslagen krankzinnig verklaard.
De jonge Vledder keek verbijsterd toe. Toen het verkeer het even toeliet, haalde hij zijn oudere collega met een kort sprintje in. ‘Wat ben je van plan?’ hijgde hij vertwijfeld.
De Cock schoof zijn hoedje wat naar voren. ‘De jonge Boucharde vinden… voor het te laat is.’
In zijn zo typische slentergang beende hij door de Keizersstraat. Vledder volgde. Onwillig. Een norse trek op zijn gezicht. Het ergerde hem dat hij de gedachtengang van zijn oude leermeester niet kon volgen.
Op de hoek van de Kromboomsloot bleef De Cock staan en keek rond. Toen hij Robert Antoine van Dijk in het oog kreeg, wenkte hij hem naderbij. ‘Is ze er?’ vroeg hij belangstellend. Robert Antoine knikte. ‘Een uurtje geleden kwam ze thuis.’ ‘A lleen? ’
‘Ja, alleen. En ze was nog net zo gekleed als toen ik haar op de Dam kwijtraakte.’
‘Is ze nog weggeweest?’
‘Even, een twintig minuten, naar de Nieuwmarkt om boodschappen te doen.’
‘Wat kocht ze?’
‘Levensmiddelen.’
‘Verder niets?’
Robert Antoine schudde het hoofd. ‘Het was alleen vrij veel.’ De Cock keek naar hem op. ‘Je bedoelt “te veel” voor één persoon.’
De jonge rechercheur glimlachte. ‘Dat dacht ik zo.’
De Cock keek voor zich uit, streek met zijn hand langs zijn kin. Hij stond voor een moeilijke beslissing. Als hij faalde, als het hem niet lukte binnen de kortst mogelijke tijd de schuilplaats van de jonge inbreker te vinden, dan zou hij misschien nooit meer in staat zijn de raadsels rond Georgette de Mirabeau te ontwarren. Hij legde zijn hand op de schouder van Robert Antoine. ‘Luister goed,’ zei hij traag. ‘Ga naar de Spaarndammerbuurt, naar de Oostzaanstraat nummer 412. Daar op de derde etage woont mevrouw Boucharde.’
‘Ja?’
‘Doe haar de groeten van mij en vraag haar in welke kraamkliniek zij van Maarten Jan is bevallen.’
De jonge rechercheur keek hem verward aan. ‘Welke kraamkliniek zij is bevallen?’ vroeg hij verbaasd.
De Cock zuchtte diep. ‘Precies.’