13

Ze zaten in de gezellige zitkamer van huize De Cock, ontspannen, languit, in brede, gemakkelijke fauteuils. De grijze speurder tilde een fles omhoog en tikte met zijn wijsvinger op het etiket.

‘Vledder lachte. ‘Cognac Napoleon.’

De Cock knikte. ‘Een geschenk van Smalle Lowietje. Hij kwam hem van de week zelf brengen.’

Mevrouw de Cock liep vanuit de keuken de kamer in. Ze torste schalen met lekkernijen. ‘Omkoping,’ snierde ze. ‘Ik kan het niet anders noemen.’

Vledder schudde het hoofd. ‘Een gentlemen’s agreement.’ Mevrouw De Cock trok een komisch gezicht. ‘Ik heb hem gezien,’ zei ze lachend. ‘Hij leek mij allesbehalve een gentleman.’

De oude speurder spitste zijn lippen. ‘Smalle Lowietje is een heer,’ sprak hij overtuigend. ‘Weliswaar een heer met een vrijwel onafzienbaar strafblad… maar een heer. En mijn vriend.’ Vledder grinnikte. ‘Je hebt meer dubieuze vrienden en vriendinnen.’

De Cock keek hem uitdagend aan. ‘Noem eens?’

Vledder stak zijn hand op; telde op zijn vingers. ‘Smalle Lowietje dus… Handige Henkie, Ouwe Brammetje, Ome “doppie” Krelis, Schele Mien, Brabantse Truus, Rooie Tiny, Zwarte Gonny…’

Er kwam een ernstige uitdrukking op het gezicht van De Cock. Hij liet ze in gedachten de revue passeren. ‘Rozen in mijn tuin,’ zei hij poëtisch.

Hij kwam langzaam uit zijn fauteuil overeind, zette bolle, voorverwarmde glazen op een rij en schonk in. De manier waarop hij de fles hanteerde, getuigde van liefde en aandacht. Drinken van cognac was voor hem een bijna cerebraal gebeuren. Hij deelde de fraaie glazen rond. Daarna, met een haast devoot gebaar, nam hij zijn glas en sprak een heilwens. ‘Op onze overbodigheid,’ zei hij plechtig. ‘Op onze to-ta-le overbodigheid.’ Hij schommelde het glas in de hand en snoof. Op zijn breed gezicht verscheen een uitdrukking van opperste verrukking. Vledder glimlachte. ‘Je wilt ons opheffen?’

De Cock schudde het hoofd. ‘Politie… overbodig… als een schertslegertje in een miniatuurstaat.’

Robert Antoine van Dijk boog zich naar voren. Hij zag er weer onberispelijk uit; in een fraai lichtbruin, bijna roze kostuum met een uitbundige das. ‘Weet je waarom Vledder en ik vanavond zijn gekomen?’

De Cock veinsde verbazing. ‘Voor een goed glas cognac?’ Robert Antoine van Dijk schudde het hoofd. ‘Niet in de eerste plaats. Zie je, wij hebben samen een afschrift van jouw procesverbaal over die beide moorden gelezen.’

De Cock gebaarde joviaal. ‘Mooi… dan weet je alles.’ Robert Antoine likte aan zijn lippen. ‘Dat is het juist… we weten niets. Eerlijk gezegd begrijp ik niet dat de officier van justitie met zo’n proces-verbaal genoegen neemt.’

De Cock glimlachte. ‘Formeel mankeert er niets aan.’ De jonge rechercheur zuchtte. ‘De feiten zijn duidelijk omschreven en de bekentenissen van mevrouw Van Breugelen zijn overtuigend.’

De Cock spreidde beide armen. ‘Wel, wat wil je nog meer?’ Robert Antoine slikte. ‘De waarheid.’

De Cock antwoordde niet direct. Hij keek de jonge rechercheur aan. ‘En de waarheid zou ik kennen?’

Robert Antoine knikte. ‘Je weet in ieder geval meer dan je in je proces-verbaal hebt vermeld.’ Hij grinnikte verward. ‘Er zijn zaken die niet eens zijn genoemd.’

‘Zoals?’

‘Het zwarte cahier.’

De Cock maakte een nonchalant gebaar. ‘Het was niet belangrijk,’ zei hij onverschillig. ‘Een paar ontboezemingen van een sentimentele, jonge vrouw. Georgette de Mirabeau was twintig, tweeëntwintig jaar toen ze haar dagboek bijhield.’

Vledder keek hem aan. ‘Ik zou het graag willen lezen.’ De Cock grijnsde. ‘Ik geloof niet,’ zei hij wat onzeker, ‘dat ik het nog heb.’

Vledder stak zijn brede kin vooruit. ‘De Cock… je liegt.’ De grijze speurder zuchtte. ‘Mevrouw Van Breugelen handelde in een vlaag van waanzin. Ze zit ook niet in een huis van bewaring, maar is opgenomen in een psychiatrische inrichting. Ik denk dat de officier van justitie onder bepaalde voorwaarden van vervolging zal afzien… ziekelijke stoornis van haar geestesvermogen.’

Vledder keek zijn oude meester onderzoekend aan. ‘Ik heb zo het gevoel dat je daarop rekent. Daarom was ook jouw procesverbaal zo summier.’ Hij gebaarde voor zich uit. ‘Bij een openbare behandeling van de zaak zal je toch met meer feiten moeten komen. Bijvoorbeeld… het motief.’

De Cock zette zijn glas voor zich neer. ‘Wat is het motief van een waanzinnige?’ vroeg hij fel, betogend. ‘Een idee-fixe… een waandenkbeeld… feiten zonder realiteit.’

Vledder boog zich naar hem toe. ‘Wat was het idee-fixe… het waandenkbeeld van mevrouw Van Breugelen?’

De Cock wreef over zijn gezicht. Hij nam het glas weer op; keek peinzend naar de spiegeling in het kristal. ‘Ik zal jullie een verhaal vertellen,’ begon hij aarzelend. ‘een verhaal van een romance.’

Vledder grinnikte. ‘In F van Brahms.’

De Cock schudde het hoofd. ‘Niet in F van Brahms, maar in M van moord.’ Hij nam voorzichtig een slok van zijn cognac en zette het glas weer neer. ‘Gekwetste ijdelheid is vaak een bron van veel kwaad,’ ging hij verder. ‘Toen Ferdinand van Breugelen de verloving verbrak, voelde Georgette de Mirabeau zich ernstig gekwetst, vernederd. Ze zon op wraak. Professor Van Lijnschoten, met wie zij jaren samenwerkte, vertelde mij dat zij een vrouw was die een wrok jarenlang met zich mee kon dragen.’ De Cock zweeg even, kauwde op zijn onderlip. ‘Het was een domme speling van het lot die Georgette in de gelegenheid stelde aan haar wraak gestalte te geven.’ Hij gebaarde in de richting van Robert Antoine van Dijk. ‘In welke kraamkliniek beviel mevrouw Boucharde van Maarten Jan?’

De jonge rechercheur tastte nerveus naar zijn zakboekje. ‘Kliniek “Nieuw Leven”,’ zei hij gehaast, ‘in Amsterdam aan de Oranjelaan.’

De Cock streek met zijn hand over het grijze haar. ‘Eenentwintig jaar geleden werkte daar als leerling-kraamverpleegster een knappe vrouw.’

Vledder hijgde. ‘Georgette de Mirabeau.’

De Cock knikte traag. ‘Precies… Georgette de Mirabeau… bij wie de wonden van de verbroken verloving nog niet waren geheeld.’

De oude speurder zweeg opnieuw, plukte aan zijn onderlip. ‘Enkele uren nadat Maarten Jan was geboren, beviel in dezelfde kraamkliniek een gelukkige, jonge vrouw van een welgeschapen zoon. Ze noemde hem Ferry… naar haar man, de architect Van Breugelen.’

Mevrouw De Cock keek gespannen naar haar man. ‘Verder,’ drong ze aan.

De oude rechercheur slikte. ‘Georgette de Mirabeau,’ zei hij zacht, ‘kwam op een afschuwelijk idee.’

‘Ze verwisselde de baby’s.’

De Cock keek zijn vrouw aan en knikte. ‘Ze verwisselde de baby’s,’ herhaalde hij traag. ‘Het kind van mevrouw Boucharde legde ze in de armen van mevrouw Van Breugelen.’ Vledder knikte begrijpend. ‘En de echte Ferry ging naar Boucharde.’

Robert Antoine frommelde aan zijn uitbundige das. ‘Een afschuwelijke daad.’

De Cock zuchtte diep. ‘En de bron van de latere moorden.’ Mevrouw De Cock schudde verbijsterd het hoofd. ‘Werd de verwisseling niet bemerkt?’ vroeg ze ongelovig.

De oude speurder gebaarde. ‘Het is niet zo verwonderlijk. Pasgeboren baby’s lijken ontzettend veel op elkaar. De verwisseling vond ook kort na de geboorte plaats. Bovendien was er wel een geringe gelijkenis. Ze waren ongeveer van hetzelfde gewicht. In ieder geval; niemand bemerkte iets. Ook de moeders niet. Na een paar dagen verlieten zij de kraamkliniek… met de verwisselde baby’s. Er was er slechts één die van de verwisseling op de hoogte was… Georgette de Mirabeau. Ze schreef alles heel nauwkeurig in haar zwarte cahier; de omstandigheden en het tijdstip van de verwisseling, de bloedgroepen van de beide baby’s en de daarbij behorende subclassificatie en resusfactor. Ook noteerde ze markante bijzonderheden, zoals geringe afwijkingen en moedervlekken.’

Robert Antoine fronste zijn wenkbrauwen. ‘Maar waarom?’ De Cock grijnsde. ‘Voor het uur van de wraak. Ze had zich namelijk in het hoofd gehaald eens de verwisseling wereldkundig te maken. Ze besefte echter heel goed dat haar blote bewering dat zij de baby’s had verwisseld, weinig indruk zou maken. Vandaar dat dagboek.’ Hij pauzeerde even; wreef langs zijn neus. ‘Ik heb het dagboek gelezen en ik moet jullie eerlijk zeggen dat het mij volkomen heeft overtuigd. Ik schat dat bij een uitgebreid medisch onderzoek duidelijk zal blijken dat Ferry… althans de jongeman die wij nu Ferry noemen… geen zoon is van de heer en mevrouw Van Breugelen.’

Vledder knikte. ‘Maar een kind van Boucharde.’

Robert Antoine van Dijk grinnikte. ‘Dan is het dagboek toch belangrijk.’

De Cock negeerde de opmerking van de rechercheur. Hij kwam uit zijn fauteuil overeind en schonk opnieuw in. Daarna nam hij de schalen en ging rond. ‘Tast toe,’ moedigde hij aan. ‘Mijn vrouw heeft haar culinaire fantasieën botgevierd en ik ken haar lang genoeg om te weten wat dat betekent.’

De jonge Robert Antoine kon zijn ongeduld niet bedwingen. ‘Georgette de Mirabeau werd vermoord,’ riep hij gespannen. De Cock knikte traag. Hij ging weer op zijn gemak zitten, genoot enkele minuten van zijn cognac en ging toen verder. ‘Georgette de Mirabeau besloot de verwisseling openbaar te maken, wanneer beide jongens eenentwintig jaar werden. Dat tijdstip van meerderjarigheid leek haar bijzonder geschikt. Ze had hun carrière enigszins gevolgd. Vooral de familie Van Breugelen had ze door de jaren heen goed in het oog gehouden. Ze wist dat mevrouw Van Breugelen die verder kinderloos was gebleven, zeer aan haar zoon was gehecht. En dat was wederzijds. Ferry was en is gewoon een voorbeeldige jongen. Dat kon bepaald niet gezegd worden van Maarten Jan. Toen Georgette de Mirabeau contact met hem zocht en hem vertelde dat zij hem op zijn eenentwintigste verjaardag een belangrijke mededeling zou doen, bleek haar dat de jongen al dikwijls met de politie in aanraking was geweest en als een geducht inbreker bekend stond. Hoe vreemd het ook moge klinken… dit deed haar deugd. Uit haar omgang met Charles van Flaenderen kende zij tal van bijzonderheden van de IJsselsteinse Bank. Ze hoorde de nietsvermoedende onderdirecteur nog verder uit en gaf haar wetenschap aan Maarten Jan door. Ze dreef de jongen er als het ware toe bij de bank in te breken. Het leek haar namelijk het toppunt van triomf, wanneer zij bij de bekendmaking kon vermelden dat de ware zoon van Van Breugelen in de gevangenis zat. Ze zweeg bij al de inlichtingen die zij de jongen over de bank verschafte, over het “stil-alarm”.’

Vledder zuchtte. ‘Maarten Jan werd er later door verrast.’ De Cock knikte. ‘Uit gesprekken met Charles van Flaenderen bleek mij dat zij van het “stil-alarm” heeft geweten.’ Mevrouw De Cock hijgde. ‘Ze verzweeg het opzettelijk.’ De oude speurder klemde zijn lippen op elkaar. ‘Ze hoopte dat de jongen in de val zou lopen.’

Mevrouw De Cock schudde haar hoofd. ‘Wat een serpent,’ riep ze fel. ‘Hoe kan iemand zo slecht zijn?’

De oude speurder glimlachte om de reactie van zijn vrouw. ‘Ze heeft het ook met de dood moeten bekopen,’ zei hij triest. Hij nam zijn glas op en nipte aan zijn cognac. ‘Toen de verjaardag van de jongens naderde en Maarten Jan nog steeds niet had ingebroken, belde ze Van Breugelen en maakte met hem een afspraak. Ze nam hem mee naar het café van Smalle Lowietje. Ze wist dat Maarten Jan daar regelmatig kwam. Ze zei tegen de verraste architect: “Daar staat je zoon” en vertelde toen dat ze eenentwintig jaar geleden de baby’s had verwisseld.’ Vledder boog zich naar voren. ‘Vertelde ze hem ook van het dagboek?’

De Cock knikte. ‘Ze nam hem mee naar haar woning en liet hem het zwarte cahier zien. Ferdinand van Breugelen wilde het niet lezen. Hij nam zonder meer aan dat zijn ex-verloofde tot iets dergelijks in staat was. Hij verzocht haar alleen de verwisseling voor zijn vrouw geheim te houden. Zijn vrouw had uiteindelijk geen schuld aan de verbroken verloving van destijds. Georgette weigerde. Ze was niet te vermurwen. Geagiteerd, overspannen, verliet Van Breugelen de woning van Georgette… en vergat zijn stok.’ Vledder knikte voor zich uit. ‘Het moordwapen.’

De Cock zuchtte. ‘Thuisgekomen stond Van Breugelen voor een dilemma… wat moest hij doen? Uiteindelijk riep hij vrouw en zoon bij zich en vertelde van Georgette de Mirabeau, de verwisselde baby’s en het zwarte cahier. Mevrouw Van Breugelen bleef uiterlijk kalm. Ze zei dat ze er niets van geloofde, dat Georgette de Mirabeau fabeltjes vertelde, dat ze waarachtig haar eigen kind wel kende en vroeg aan haar man of ze eens met die vrouw mocht praten. Van Breugelen stemde na enige aarzeling toe.’

De Cock leunde achterover. ‘Je kunt er achteraf over discussiëren of dat een goede beslissing was. Misschien had Van Breugelen de geestelijke weerstand van zijn vrouw beter moeten schatten. Ik weet het niet. Persoonlijk ben ik bereid het gedrag van de architect volkomen te rechtvaardigen.’

Vledder knikte. ‘Ik ben het met je eens. Hoewel Ferdinand van Breugelen uit eigen ervaring wist dat de sluwe, bijna gewetenloze Georgette de Mirabeau voor zijn eigen vrouw geen partij was.’

Robert Antoine van Dijk schoof ongeduldig in zijn fauteuil heen en weer. ‘Mevrouw Van Breugelen ging dus naar Georgette,’ stelde hij kil, ‘en sloeg haar de hersens in.’

De Cock knikte traag. ‘Met de wandelstok van haar man,’ sprak hij langzaam. ‘Ze had die al in haar hand om mee te nemen. Uit het proces-verbaal heb je kunnen lezen dat “het inslaan van de hersenen” niet zo… zonder meer gebeurde, maar dat daar een heftige woordenwisseling aan voorafging. Georgette tartte haar, zei dat ze een kind van een havenarbeider had grootgebracht en dat haar werkelijke zoon een slappe vent was, die voor niets deugde. Mevrouw Van Breugelen raakte overstuur. Ze riep alsmaar: je-liegt-mens-je-liegt-mens je-liegt. En Georgette, op het hoogtepunt van haar triomf, lachte-lachte-lachte.’

Mevrouw De Cock knikte begrijpend. ‘Toen sloeg ze.’ De oude speurder zuchtte. ‘Ze liet de stok vallen en vluchtte in paniek. Met bebloede kleren kwam ze thuis en vertelde haar man wat ze had gedaan. Van Breugelen was radeloos. Hij begreep dat de wandelstok met de zo bijzondere zilveren knop voor de recherche een duidelijk spoor zou zijn… een spoor in de richting van de Van Breugelens. Hij wachtte een dag en toen hem uit de kranten bleek dat de moord nog niet was ontdekt, ging hij terug om de stok en… het zwarte cahier. Toen hij in de woning kwam, zag hij tot zijn verbazing dat alles overhoop lag. De laden en kasten waren doorzocht en het zwarte cahier was weg. Hij nam zijn wandelstok, waste die in de keuken schoon van bloed, deed uit piëteit een doek over het hoofd van Georgette en ging weg.’

Vledder grijnsde. ‘Zo was het dus.’

De Cock gebaarde. ‘Ferdinand van Breugelen begreep dat er maar één man was die belang had bij het cahier en die van het bestaan op de hoogte kon zijn… Maarten Jan Boucharde; een naam die Georgette hem terloops had genoemd. Hij deed navraag, ontdekte dat Maarten Jan bij een inbraak was gepakt en kwam erachter dat hij samen met een meisje aan de Kromboomsloot woonde.’

Vledder glimlachte. ‘Toen stuurde hij zoon Ferry om daar naar het cahier te zoeken.’

De Cock krabde zich achter in de nek. ‘Ik geloof dat ik toen een fout heb gemaakt.’ Vledder keek hem verbaasd aan. De Cock knikte. ‘Ik vertelde Maarten Jan tijdens een verhoor dat iemand bij Ineke Peeters had ingebroken en het hele huis had doorzocht.’

Vledder fronste zijn wenkbrauwen. ‘Maarten Jan begreep toen dat de rijke Van Breugelens er veel voor overhadden om het zwarte cahier te bezitten.’

De Cock kauwde op zijn onderlip. ‘Het was een directe aanleiding tot zijn vlucht.’

Robert Antoine boog zich naar voren. ‘Ferry van Breugelen voerde onderhandelingen over het zwarte cahier. Waarom maakte hij die onderhandelingen niet af? Ik bedoel… waarom ging op die fatale avond mevrouw Van Breugelen naar de schuit aan de Kromme Waal?’


De Cock wreef over zijn gezicht. ‘Het was haar uitdrukkelijke wens,’ zei hij zacht. ‘ “Ik wil de bedrieger wel eens zien die beweert mijn zoon te zijn.” ’

‘En Van Breugelen weigerde niet?’

De Cock keek Robert Antoine aan. ‘Het gebeurde buiten Van Breugelen om. Toen de architect na zijn valse bekentenis werd vrijgelaten, ging hij niet direct naar huis, maar bezocht een advocaat aan wie hij de hele situatie uiteenzette. Toen hij vrij laat in de avond in Bergen aankwam, had zijn vrouw de jonge Ferry al overreed haar het adres van Maarten Jan te geven en was ze al onderweg.’

De Cock zweeg even. ‘We zullen wel nooit precies weten,’ ging hij verder, ‘wat er zich in de kajuit van die oude schuit heeft afgespeeld. Mevrouw Van Breugelen zegt in haar verklaring dat ze plotseling overspoeld werd met zulke haatgevoelens, dat ze die jongeman voor haar niet meer wilde zien, dat ze die bedrieger wilde vernietigen… wegmaken.’

Vledder schudde het hoofd. ‘Ik heb dat woord “wegmaken” in haar verklaring niet helemaal kunnen begrijpen.’

De Cock schoof zijn onderlip vooruit. ‘Ik geloof dat je het zo moet zien… Maarten Jan bestond niet voor haar…. ze loochende zijn bestaan. Er bestond voor haar maar één zoon… Ferry. Voor een ander was in haar gedachten… in haar geest geen plaats.’ De Cock kwam loom uit zijn fauteuil overeind. Hij legde zijn hand op de schouder van zijn vrouw. ‘Een sterke kop koffie zou ons goeddoen.’

Mevrouw De Cock stond op en liep naar de keuken. Robert Antoine van Dijk gebaarde naar de oude speurder. ‘Er is nog iets dat ik niet begrijp. Toen ik met Ineke Peeters op het eerste perron de wacht hield bij de bagagekluizen, zei ze dat ze wist dat mevrouw Van Breugelen zou komen.’

De Cock knikte. ‘En ze had gelijk.’

Robert Antoine slikte. ‘Ma… maar,’ stotterde hij, ‘hoe kon ze dat weten?’

De Cock glimlachte. ‘Toen Ineke Peeters en ik, na het ontdekken van de moord op Maarten Jan, de schuit aan de Kromme Waal verlieten, ging ik met haar naar een bevriende Chinees in de Binnen Bantammerstraat. Daar belde ik de wachtcommandant en de spoorwegrecherche. Ik liet ook Ineke bellen… naar Bergen. Ze kreeg de oude Van Breugelen aan de lijn en vroeg op mijn verzoek naar Ferry. Toen die aan de telefoon kwam, liet ik Ineke vragen waarom hij zich niet aan de afspraak had gehouden.’ ‘En toen?’

De Cock hield zijn adem even in. ‘Ferry toonde zich zeer verbaasd en zei… is-mijn-moeder-dan-nog-niet-geweest?’ Vledder keek de oude speurder bewonderend aan. ‘In kritieke ogenblikken ben je nog altijd een meester. Ik zou er niet aan hebben gedacht.’

De Cock liet zich weer in zijn fauteuil zakken. Een tijdlang zaten ze zwijgend bijeen, ieder verzonken in gedachten. Mevrouw De Cock kwam binnen met een blad met koppen dampende koffie. Het gesprek werd algemener. De Cock roerde de beide moorden niet meer aan. Bewust stuurde hij de gesprekken in een andere richting. Het was duidelijk dat hij over het onderwerp niet meer wilde praten.

Het was al laat toen de beide jonge rechercheurs afscheid namen. De Cock begeleidde hen naar de deur en wuifde hen na. Toen hij in de zitkamer terugkwam, keek zijn vrouw hem wat schuin, onderzoekend aan. ‘Ik wilde er niet over beginnen waar zij bij waren. Maar ben je dat zwarte cahier echt kwijt?’ De Cock antwoordde niet. Hij liet zich in zijn fauteuil zakken. Zijn vrouw nam een poef en schoof die bij.

‘Waar is het cahier?’

De Cock streek over het grijze haar. ‘Ineke Peeters,’ zei hij traag, ‘heeft het dagboek nooit gelezen. Ik heb het haar gevraagd. Ze weet niet wat er in staat… niet precies. Er waren twee mensen die de inhoud van het cahier volledig kenden… Georgette de Mirabeau en Maarten Jan Boucharde.’

‘Ze zijn beiden dood.’

De Cock keek zijn vrouw aan. ‘Geloof jij dat mevrouw Van Breugelen haar eigen zoon doodde?’

Ze beet op haar onderlip. ‘Het… eh, het was haar eigen zoon.’ De Cock streek langs zijn voorhoofd. ‘Mevrouw Van Breugelen wil het niet geloven.’ Hij pauzeerde even; keek peinzend langs haar heen. ‘En ook ik… ik ben bereid het niet te geloven. Begrijp je… er zijn nooit baby’s verwisseld. Het was alles een verhaaltje… boos opzet van het bedrieglijke duo Georgette de Mirabeau en Maarten Jan Boucharde.’

Mevrouw De Cock slikte. ‘En het dagboek dan… het cahier?’ Hij schonk haar een milde glimlach. ‘Het kostte mij bijna ’n uur om er kleine snippertjes van te maken. Geloof me, het was een heerlijk gezicht toen de wind ze over het IJ verspreidde.’

Загрузка...