2
Bram van Wielingen, de altijd wat norse politiefotograaf, richtte de lens van zijn fraaie ‘Hasselblad’ op de dode vrouw. Ze zat in een lage fauteuil, vreemd onderuitgezakt, de benen naar voren gestrekt, een blauw geblokte theedoek als een sluier om het hoofd. Op haar glimmend witte jasschort lag een verstard riviertje van donkerrood geronnen bloed. Het liep uit op een plasje in haar schoot.
Rechercheur De Cock liet zijn scherpe blik door het smalle kamertje dwalen. Het zag er wanordelijk uit, alsof er een tornado had gewoed. Stoelen lagen om, kasten waren overhoop gehaald, keurig gestreken linnengoed lag in hoopjes op de vloer. Een glimmend dressoirtje was ruw opengebroken. Bij een van de deurtjes staken verse moeten in het politoer. De vele laatjes stonden open, de inhoud lag her en der verspreid. Felle rechthoekjes in het verschoten behang getuigden dat zelfs schilderijtjes van de wanden waren genomen.
Vledder stapte voorzichtig op de oude speurder toe. ‘Men heeft gezocht,’ stelde hij laconiek vast.
De Cock schoof zijn onderlip vooruit. ‘Ik vraag mij af,’ verzuchtte hij, ‘wat er bij een verpleegster te vinden is?’ Vledder keek verbaasd naar hem op. ‘Verpleegster?’ De Cock knikte nadrukkelijk. ‘Georgette de Mirabeau, gediplomeerd verpleegster, drieënveertig jaar geleden in Heemstede geboren.’
Vledder trok zijn neus iets op. ‘Waar haal je die wijsheid zo plotseling vandaan?’ riep hij verrast.
De Cock strekte zijn hand naar de schoorsteen. ‘Daar hangt haar diploma,’ zei hij gelaten. ‘In een keurig lijstje.’ Bram van Wielingen schoof naderbij en trok De Cock wat ongeduldig aan de mouw van zijn jas. ‘Moet je nog foto’s van haar met die doek eraf?’
De grijze speurder keek verstoord op.
‘Die theedoek?’
Bram zwaaide met zijn ‘Hasselblad’. ‘Het is zo macaber met die lap om haar hoofd. Er kan van alles onder zitten. Misschien is het wel een kerel. Ik wil het mens weleens in haar gezicht zien.’ De Cock knikte. ‘Je hebt gelijk,’ zei hij zacht. Hij liep naar de lage fauteuil en nam de blauwgeblokte theedoek van het hoofd van de dode. Hij deed het voorzichtig, langzaam, als gold het een onthulling.
De aanblik was verschrikkelijk. Uit een masker van geronnen bloed staarden twee grote, verschrikte ogen levenloos in het niets. Ben Kreuger, de oude dactyloscoop, deinsde een paar passen terug. De jonge Vledder zag ineens bleek en Bram van Wielingen vloekte. ‘Verdomme,’ riep hij toonloos, ‘verdomme… verdomme…’ Het leek het enige woord dat hij in zijn vocabulaire voorhanden had. De Cock hijgde zacht. Hij schoof zijn oude hoedje wat naar achteren en veegde met de rug van zijn hand het zweet van zijn voorhoofd. Toen de aanblik hem niet meer schokte, richtte hij zijn aandacht op de blauwgeblokte theedoek. Hij onderzocht hem zorgvuldig. Het was een bijna nieuwe doek, schoon, helemaal schoon, met scherpe strijkvouwen. Hij was kennelijk zo van de vloer geraapt of uit een van de kasten gepakt.
Ben Kreuger kwam naast hem staan. ‘De moordenaar was blijkbaar een gevoelig man,’ zei hij hoofdschuddend. ‘Hij heeft de aanblik van zijn slachtoffer niet kunnen verdragen.’ De Cock keek hem aan, antwoordde niet.
Bram van Wielingen had zichzelf hervonden. Hij duwde de jonge Vledder, die in de weg stond, wat ruw opzij en stelde zijn camera in. Het blitzlicht flitste.
Bij de deur klonk wat rumoer. De Cock keek op. Een jonge agent hield dr. Den Koninghe tegen. De Cock liep haastig toe, lichtte zijn hoedje en begroette de oude lijkschouwer hartelijk. ‘Ik had hem gezegd niemand toe te laten,’ verduidelijkte hij verontschuldigend.
De oude lijkschouwer bromde. ‘Ik dacht dat zo langzamerhand iedereen van het korps mij wel kende.’
De Cock glimlachte beminnelijk. Daarna gebaarde hij achter zich. ‘De bewoonster,’ zei hij zakelijk. ‘Ze werd een half uurtje geleden gevonden door de buurvrouw van de tweede etage. Ze moest boodschappen doen, kwam langs het portaal en vond het vreemd dat de krant nog voor de deur lag en de melk niet was weggehaald.’
Dr. Den Koninghe knikte begrijpend. ‘Goed dat er buurvrouwen zijn,’ grapte hij wat wrang.
Hij liep langs De Cock naar het lijk in de fauteuil. Halverwege bleef hij staan, draaide zich om, stijf, verschrikt. Zijn mond hing half open. Uit zijn gezicht was alle kleur verdwenen. ‘Dat… eh, dat is… eh, dat is zuster De Mirabeau,’ stamelde hij onthutst. ‘Kent u haar?’
De oude dokter knikte traag. ‘Ze is… eh, ze was hoofdzuster aan het Wilhelmina Gasthuis. In de kliniek van professor Van Lijnschoten. Ik heb haar daar dikwijls ontmoet. Een bekwame vrouw, een heel bekwame vrouw…’ Hij draaide zich om, liep op de dode toe. Zijn stap was onzeker. ‘Verschrikkelijk,’ lispelde hij, ‘verschrikkelijk.’
De Cock kwam naast hem staan, wees naar de donkere plekken in het blonde haar. ‘Ze is op het hoofd geslagen,’ zei hij strak. ‘Meerdere malen, schat ik. Ik heb ver weg bloedspatten gezien. Aan het plafond en tegen de wand. Het hersenletsel lijkt mij dodelijk.’
Dr. Den Koninghe staarde voor zich uit. Hij scheen hem niet te horen. ‘Wat heeft dat nu voor zin,’ stamelde hij hoofdschuddend. ‘U bedoelt haar dood?’
De oude dokter keek naar hem op. ‘Ze was een lieve vrouw,’ riep hij ineens fel, ‘een lieve en bovenal zorgzame vrouw, die haar hele leven niets anders heeft gedaan dan zieke mensen verpleegd.’ Hij schudde het hoofd, gebaarde wild voor zich uit. ‘Is moord haar beloning?’
De Cock slikte. Hij wist met de oude, verbitterde dokter niet goed raad. Het viel zo buiten de routine. ‘Ik zal mijn uiterste best doen haar moordenaar te pakken,’ zei hij wat onzeker. ‘Het is het enige dat ik voor haar kan doen.’
Dr. Den Koninghe verschoof zijn brilletje. ‘Haar moordenaar,’ zei hij vaag, ‘haar moordenaar moet een heel dwaas man zijn.’ De Cock keek hem verwonderd aan.
‘Dwaas… hoezo?’
De oude dokter wuifde het weg. ‘Vraag morgen na de sectie dr. Rusteloos naar het wapen,’ zei hij ineens vriendelijk. ‘Misschien dat hij er iets van zeggen kan.’
De Cock knikte. ‘En het tijdstip van overlijden?’
De oude lijkschouwer antwoordde niet, scheen hem opnieuw niet te horen. Hij stond zwijgend voor de dode vrouw. Plotseling boog hij zich iets naar voren en drukte de oogleden toe. Het viel hem zwaar. Zijn gezicht zag grauw. Zijn onderlip trilde. ‘Vaarwel, Georgette,’ lispelde hij zacht. ‘Vaarwel.’
Het was nauwelijks hoorbaar. Hij bleef nog even staan, rechtop, stijf, verkrampt. Toen draaide hij zich om en liep zonder iets te zeggen de kamer uit.
Er viel een vreemde, bijna beklemmende stilte. Allen stonden roerloos, staarden naar de dode vrouw in de fauteuil. Haar aanwezigheid in het kamertje was ineens zo indringend, zo dominant dat het scheen dat haar geest nog steeds aanwezig was… nog niet was weggegaan.
De Cock kneep beide ogen even dicht, probeerde zich aan de betovering te onttrekken. Toen hij weer opkeek, zag hij dat twee broeders van de geneeskundige dienst in het kamertje stonden, een brancard tussen hen in. De Cock knikte toestemmend. Ze kwamen naderbij, tilden de dode vrouw uit de fauteuil en legden haar omzichtig neer. Daarna schoven ze een laken over haar gezicht en trokken de riemen aan. Snel, vakkundig. Zachtjes wiegend droegen ze haar weg.
De Cock keek haar na. Een vreemd gevoel van onbehagen overviel hem. Het stoorde zijn denken, prikkelde de uiteinden van zijn zenuwen. Er was iets… iets dat hij niet vermocht te vatten… een vaag, irrationeel begrip dat de dode vrouw nog iets had willen zeggen… openbaren aan hem en aan al die andere mannen in haar kamertje.
Ben Kreuger liep op hem toe. ‘Ik… eh, ik heb vingertjes gevonden,’ zei hij ongewoon zacht, bijna fluisterend. ‘Hele mooie prentjes met alles erop en eraan.’
‘Waar?’
De oude dactyloscoop gebaarde. ‘Overal… de stoelen, de kasten, op het politoer van het dressoir.’
De Cock haalde zijn schouders op. ‘Ze zullen wel van de vrouw zelf zijn,’ reageerde hij mistroostig.
Ben Kreuger schudde energiek het hoofd. ‘Niet allemaal. Ik heb zeker drie verschillende duimen gevonden.’ Er gleed een glimlach over zijn mager gezicht. ‘En zoveel duimen had ze uiteraard der zaak bepaald niet.’
De Cock grinnikte. ‘Je houdt dus wat over,’ stelde hij simpel. De dactyloscoop knikte.
‘Precies… en als ik de greepjes[1] bekijk, kennelijk van iemand die in haast laden en kasten heeft doorzocht.’ Hij keek de grijze speurder glunderend aan. ‘Als we de gevonden vingertjes in onze collectie hebben, lever ik je vandaag nog de naam van de moordenaar… op een presenteerblaadje.’
De Cock trok een strak gezicht. ‘Het mag ook met een telefoontje,’ zei hij nuchter.
Ben Kreuger grijnsde. ‘Hoe dan ook… zo gauw ik wat weet, hoor je van me.’ Hij klapte zijn koffertje met attributen dicht en wuifde. Ook Bram van Wielingen nam afscheid. ‘Ik zal zien dat je vandaag nog je plaatjes krijgt.’
De Cock glimlachte. ‘Bedankt… en doe de groeten aan je vrouw.’ Hij draaide zich om en wendde zich tot Vledder, die uit het kleine keukentje kwam.
‘Heb je wat gevonden?’
De jonge rechercheur schudde het hoofd. ‘Niets… ik bedoel, geen wapen.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen. ‘Ook niets dat als wapen kan zijn gebruikt?’
Vledder maakte een mistroostig gebaar. ‘Nee, niets. Ik heb alleen bloedspoortjes gevonden in de gootsteen… sterk verdund… alsof iemand zijn bebloede handen heeft gewassen.’ De Cock knikte begrijpend. ‘Handdoeken?’
De jonge rechercheur grijnsde breed. ‘Heb ik al ingepakt voor het laboratorium.’
De Cock krabde achter in de nek. ‘Mooi,’ zei hij goedkeurend. ‘Ik hoop dat drs. Eskes er iets mee kan doen.’
Hij deed een paar stappen terug en liet zijn blik door het kamertje dwalen. Opnieuw bezag hij de bloedspatten aan de wand, de haastig leeggehaalde kasten, het ruw opengebroken dressoirtje. Hij nam alles in zich op, nauwkeurig, scherp, fixerend in zijn gedachten. Zijn hersenen zochten koortsig naar dissonanten, storingen in het beeld, afwijkingen in het grillige patroon van de wanorde. Ze waren er niet. Plotseling draaide hij zich om naar Vledder. ‘Er waren geen sporen van braak?’
‘Nee, de deur was gewoon open.’
‘Grendels?’
‘Zijn er niet.’
‘En de sleutel?’
‘Stak aan de binnenzijde in het slot.’ Vledder gebaarde achter zich. ‘Het is een klavierslot van een simpele constructie… met een onhebbelijkheid.’
‘En dat is?’
Vledder glimlachte. ‘Als de sleutel aan de binnenzijde in het slot steekt, kan de deur vanaf de buitenzijde niet worden opengemaakt. Ik heb het een paar maal geprobeerd.’
De Cock klemde zijn lippen op elkaar. ‘Het ziet er naar uit dat het slachtoffer haar moordenaar zelf heeft binnengelaten.’ Vledder knikte instemmend. ‘Dat is vrijwel de enige mogelijkheid. Tenzij de deur niet was afgesloten. Maar volgens de buurvrouw die haar vond, was dat niet haar gewoonte. Haar woningdeur was altijd op slot. Daarom vond de buurvrouw… buiten de krant en de melk… het ook vreemd dat de deur op een kier stond. Dat gebeurde nooit.’
‘Wist die buurvrouw verder nog iets te vertellen?’
Vledder schudde het hoofd. ‘Buurvrouw noemde haar een eigenheimster… een stiekeme geheimschrijfster.’
De Cock grinnikte. ‘Een wat?’
Vledder lachte om de reactie. ‘Ze bedoelde een vrouw die nogal teruggetrokken leefde… zich vrijwel met niemand bemoeide. Buurvrouw wist dat ze als verpleegster in het Wilhelmina Gasthuis werkte. Maar dat was dan ook alles.’
‘Geen bezoekers?’
‘Alleen als Brahms speelde.’
‘Brahms?’
‘Ja.’
De Cock trok zijn wenkbrauwen op. ‘Vind je het erg,’ zei hij verontschuldigend, ‘als ik zeg dat ik het niet begrijp?’ Vledder lachte opnieuw. ‘Er kwam weleens een heer op visite. Buurvrouw kan geen beschrijving geven. Ze heeft de heer nooit gezien. Maar ze wist wanneer hij er was… dan speelde Brahms.’ ‘De grammofoon, neem ik aan?’
Vledder knikte. ‘Dat klopt ook wel.’ Hij wees naar een oude pick-up in de hoek bij het raam. ‘Ik heb daar platen gezien met muziek van Brahms.’
‘Kent buurvrouw de klassieken?’
Vledder schudde het hoofd. ‘Dat niet. Maar ze ontmoette de verpleegster eens op de trap en vroeg toen ‘wat-buurvrouw-altijd-speelde-als-die-heer-op-bezoek-was.’
‘Brahms.’
Vledder glimlachte. ‘Precies, zo was het. Overigens… het enige lek. Zuster De Mirabeau hield haar privé-wereldje potdicht. Ondanks een duidelijke nieuwsgierigheid is buurvrouw nooit verder gekomen.’
‘Hoelang woont ze hier?’
‘Wie?’
‘Zuster De Mirabeau.’
‘O… zeker vijftien jaar. En misschien zelfs langer. Toen buurvrouw ruim vijftien jaar geleden haar intrek nam op de bovenste etage, woonde zuster de Mirabeau al op nummer tien.’ ‘Geen bijzonderheden… afwijkingen in het gedrag?’ Vledder spreidde beide armen in een hulpeloos gebaar. ‘Een doodgewone vrouw.’
De Cock keek naar hem op. ‘Nu gewoon dood,’ zei hij strak. Het klonk niet grappig. ‘Iemand vond het nodig haar schedel in te slaan. Het lijkt een ordinaire roofmoord.’ Hij kneep zijn lippen op elkaar, schudde kriegel het hoofd. ‘Maar daar geloof ik niet in. Daarvoor is te grondig gezocht… te intens. Ik vraag mij alleen af… wat is er te vinden bij een wat teruggetrokken levende vrouw, die vrijwel haar hele leven niets anders heeft gedaan dan zieke mensen verpleegd.’
Vledder plukte nadenkend aan zijn neus. ‘Misschien is er niet gezocht.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Misschien wilde de moordenaar alleen maar dat wij dachten dat er was gezocht.’
De Cock keek zijn jongere collega bewonderend aan. ‘Soms,’ zei hij vriendelijk, ‘kun je van die verstandige dingen zeggen.’ Vledder glunderde. ‘Begrijp je… het motief ligt dan in de moord zelf.’
De Cock knikte bedachtzaam. ‘De wanorde… de leeggehaalde laden en kasten… zou dan een camouflage zijn… een stunt om ons…’ Plotseling stokte hij. In zijn grijze ogen kwam een waakzame blik. Hij vatte Vledder bij de arm en leidde hem naar een popperig zijkamertje. Op de trap kraakten treden. Het geluid van voetstappen kwam hoger, steeg tot het portaaltje. Daar hielden ze stil. Even maar. Toen klonk het klikken van het slot en schuifelden de voeten verder. De deur ging zachtjes dicht. De Cock kwam groot en breed te voorschijn. Op zijn gezicht vol diepe plooien lag een milde grijns. Vledder volgde, strak, gespannen.
Midden in het kamertje stond een lange, slanke, niet onknappe man in een onberispelijk blauw kostuum. Hij zag bleek en in zijn ogen lag verbazing.
De grijze speurder deed een stap dichterbij. ‘Mijn naam is De Cock,’ zei hij opgewekt, ‘rechercheur van politie.’ Hij wees opzij. ‘En dat is collega Vledder, mijn onvolprezen hulp.’ Daarna weifelde hij even, alsof hij het verder niet meer wist. Ineens verhelderde zijn blik. Bij zijn mondhoeken tintelde een glimlach. ‘Meneer… eh?’
‘Van Flaenderen… Charles van Flaenderen.’
‘Juist… houdt u van Brahms?’
De man keek verwilderd rond. ‘Brahms… nee, ja, ik bedoel… wat is er? Wat doet u hier? Waar is Georgette?’
De Cock antwoordde niet op zijn vragen, maar vroeg koel: ‘Hoe kwam u binnen?’
De man haalde een sleutel uit de zijzak van zijn colbert en hield die omhoog.
‘Hiermee.’
De Cock keek naar Vledder.
‘Kan dat?’
De jonge rechercheur knikte. ‘Toen de anderen weg waren, heb ik de deur op slot gedaan. En de sleutel eruit genomen.’ Charles van Flaenderen keek van de een naar de ander. Hij wond zich zichtbaar op. Zijn neusvleugels trilden en op zijn wangen kwamen blosjes. ‘Wat heeft dit te betekenen?’ Hij schreeuwde onbeheerst. ‘Wat doet u hier?’
De Cock gebaarde losjes om zich heen. ‘Wij zijn bezig met het onderzoek naar het overlijden van Georgette de Mirabeau!’ ‘Georgette.’
De Cock keek de man aan, koel, observerend. ‘Zuster De Mirabeau,’ zei hij strak, ‘is dood.’
Charles van Flaenderen blikte terug, vreemd, verward, met een dwaze grijns om de wat weke mond. ‘Dood?’
De Cock knikte traag.
‘Vermoord.’
De man grinnikte. De dwaze grijns om de mond bleef. ‘Vermoord?’ Zijn stem klonk hees.
De Cock knikte opnieuw, nadrukkelijk. ‘We vonden haar een uurtje geleden. Ze zat dood in haar fauteuil.’
Het was alsof er plotseling in de hersens van de man iets knapte, losbrak, alsof ineens de waarheid tot hem doordrong. ‘Georgette.’ Het was een smartelijke kreet.
De Cock liet de man even begaan, keek toen hoe hij zich op de bank liet zakken.
Charles van Flaenderen leek oprecht ontdaan, geschokt. ‘Hoe is het gebeurd?’
De Cock negeerde de vraag. ‘In welke relatie stond u tot… eh?’ ‘Ik ben een vriend.’
De Cock schoof zijn dikke onderlip vooruit. ‘Vriend,’ zei hij met een zweem van sarcasme, ‘een ruim begrip.’
Van Flaenderen knikte. ‘Ik hield van Georgette.’
‘U had een verhouding met haar.’
De man zuchtte diep. ‘Een verhouding…’ Hij schudde het hoofd. ‘Dat klinkt zo alledaags… zo banaal. En dat was het niet.’ ‘Wat was het dan?’
Charles van Flaenderen keek omhoog. Er blonk strijdlust in zijn donkere ogen. ‘Het was niet smerig.’
De Cock trok zijn wenkbrauwen op. ‘Wie beweert dat?’ reageerde hij verwonderd.
Van Flaenderen slikte. ‘Ik… eh, ik weet toch hoe de politie denkt. Maar zo was het niet. Georgette en ik… we vonden het gewoon prettig bij elkaar te zijn.’
‘Met Brahms.’
De man sprong van de bank op, fel, agressief, zijn vuisten gebald. ‘Is dat zo vreemd?’
De Cock schudde traag het hoofd. ‘Brahms,’ zei hij gelaten, ‘schreef heerlijke muziek.’ Hij plooide zijn lippen in een innemende glimlach. ‘Hoelang kent u zuster De Mirabeau?’ Charles van Flaenderen antwoordde niet direct. Hij staarde langs de oude rechercheur in het niets. ‘Zeven jaar,’ zei hij zacht. Het was alsof zijn herinnering teruggleed. ‘Ik was opgenomen in het Wilhelmina Gasthuis. Een lichte hartaanval.’ ‘En zuster De Mirabeau verpleegde u?’
De man knikte loom. ‘Er was vrijwel onmiddellijk een band, een wederzijds begrip. Vanaf de eerste dag. En dat bleef. Toen ik na enige weken uit het ziekenhuis werd ontslagen, zocht ik haar op, hier, in haar woning aan de Oude Schans.’ Hij weifelde even, peinzend. ‘Vaak blijkt een voortzetting van de verpleegster-patiënt-relatie buiten de ziekenhuissfeer een desillusie.’ ‘Het werd geen desillusie?’
Van Flaenderen schudde het hoofd. ‘Ik geloof dat het geen desillusie werd, juist omdat we ons beiden ervan bewust waren dat we zo weinig kansen hadden.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Zeven jaar,’ zei hij peinzend. ‘Meer dan een “vriendschap” is het nooit geworden?’
De man maakte een hulpeloos gebaar. ‘Ik ben getrouwd.’ ‘Kinderen?’
‘Een zoon en een dochter.’
‘En uw vrouw…?’
Charles van Flaenderen keek naar de grond. ‘Ze weet dat er een ander is.’
De Cock keek hem strak aan. ‘Meer niet?’
Charles van Flaenderen aarzelde. De Cock klemde zijn lippen op elkaar. ‘Wist zij van het bestaan van Georgette?’ Charles van Flaenderen slikte. Een zenuwtrek trilde op zijn bleke wangen. Zijn rechterhand gebaarde wat onbeholpen in de richting van De Cock. Hij deed zijn mond open om iets te zeggen, maar zweeg. Ineens scheen hij al zijn zelfbeheersing kwijt. Hij zonk op de bank terug, bracht zijn hand voor zijn ogen en snikte, luid, erbarmelijk.
De Cock keek onbewogen op de man neer. Hij bezag het zwarte, grijs doorvlochten haar, de brede schokkende schouders. ‘Wist zij van het bestaan van Georgette,’ herhaalde hij fel, dwingend. Charles van Flaenderen keek langzaam naar hem op. Zijn donkere ogen glommen en zijn gezicht was nat van tranen. ‘Zehad-gezegd-dat-ze-het-doen-zou.’
‘Wat?’
Hij snikte opnieuw. ‘Haar vermoorden.’