6

Rechercheur De Cock slenterde door de grote recherchekamer van het oude politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat. Zijn gezicht stond zorgelijk. De rimpels in zijn voorhoofd waren verdiept. De vreemde, nachtelijke bezoeker van Ineke Peeters paste niet in het beeld… of toch? Plotseling bleef hij midden in de kamer staan en riep luid, indringend: ‘Dat rotwijf.’ Hij herhaalde het enige malen, proefde de klank op zijn tong. Daarna keek hij wat verstrooid naar Vledder. ‘Wat denk je ervan?’ De jonge rechercheur maakte een grimas en trok gebarend zijn schouders op.

‘Georgette de Mirabeau.’

De Cock knikte traag. ‘In het licht van ons onderzoek… de meest voor de hand liggende conclusie. Dat “rotwijf” sloeg op haar.’

Hij staarde voor zich uit. ‘Maar daaraan kleeft onmiddellijk een aantal voorwaarden.’

‘Voorwaarden?’

‘Ja, als eerste… de nachtelijke bezoeker van Ineke Peeters kent de verpleegster, en ten tweede… hij weet dat Maarten Jan relaties met haar onderhield.’

‘Hij kent dus beiden.’

De Cock plukte nadenkend aan zijn onderlip. ‘Inderdaad,’ zei hij bedachtzaan, ‘hij kent beiden.’ Hij slenterde naar zijn bureau en liet zich in zijn stoel zakken. ‘Voor, tijdens of na de moord op Georgette de Mirabeau,’ ging hij verder, ‘is in haar woning gezocht, intens, met de grootste zorgvuldigheid. De onbekende die ’s nachts bij Ineke Peeters binnendrong, zocht even zorgvuldig, was kennelijk op hetzelfde uit en vermoedde dat Maarten Jan het had gevonden.’

Vledder veerde op.

‘Dan weet hij ook van de moord.’ De Cock keek hem aan. ‘Hoeveel?’

Vledder slikte. ‘Misschien… misschien wel net zoveel als Maarten Jan.’


De Cock wreef over zijn gezicht. ‘De vraag die onmiddellijk opdoemt… waar zocht men naar? Toen ik Maarten Jan tijdens zijn verhoor ernaar vroeg, zei hij dat hij dat niet wist.’ Vledder grijnsde. ‘Een leugen.’

De Cock schudde het hoofd. ‘Dat weet ik niet zo,’ zei hij weifelend, onzeker. ‘Laten we ons eens in de situatie van de jonge inbreker verplaatsen, zoals wij die nu kennen. Op een kwade dag wordt hij benaderd door een hem volkomen onbekende verpleegster, die hem inlichtingen verschaft inzake een spectaculaire kraak en hem zegt een belangrijke mededeling te doen als hij eenentwintig is. Een paar dagen voor zijn verjaardag vindt hij haar vermoord. Vind je het gek dat hij gaat snuffelen?’ ‘Nee.’

‘En wist hij concreet waarnaar hij zocht?’

Vledder schudde het hoofd.

‘Concreet niet… maar zijn zoeken hield wel verband met de toegezegde mededeling.’

De Cock schoof zijn dikke onderlip naar voren. ‘Het was een normale reactie. De verpleegster had zijn nieuwsgierigheid opgewekt.’

Een tijdlang zwegen beiden. Buiten, in de Warmoesstraat, krijste een hoertje en toeterde een nerveuze chauffeur een dronken sloeber naar het trottoir. De geluiden drongen vervormd naar binnen. Vledder was de eerste die sprak.

‘Wie was die vreemde, nachtelijke bezoeker van Ineke Peeters? Wist hij waarnaar hij zocht? Wat is zijn belang, zijn motief?’ De Cock antwoordde niet. Het scheen dat de laatste vragen van de jonge rechercheur hem niet hadden bereikt. Hij nam een blanco vel papier uit de lade van zijn bureau, pakte zijn pen en schreef, groot, wijd: Welk geheim verborg Georgette de Mirabeau? Hij zuchtte diep, schoof het vel papier van zich af en bekeek de woorden die hij had geschreven. Daarna schudde hij het hoofd. ‘Doden spreken niet,’ sprak hij cynisch. ‘Voor de meeste moordenaars een prettige bijkomstigheid.’

‘Een geheim?’ De oude dr. Den Koninghe keek de beide rechercheurs verwonderd aan. ‘Had Georgette de Mirabeau een geheim?’

De Cock knikte. ‘We hebben gegronde reden aan te nemen dat Georgette de Mirabeau iets wist… iets waarvoor ook anderen belangstelling hadden.’

De oude dokter haalde wat nonchalant zijn schouders op. ‘Ik kan het mij haast niet voorstellen. Georgette was een voortreffelijke verpleegster, een hardwerkende vrouw.’ Hij glimlachte zwakjes. ‘Wat voor een geheim zou zij…’

Plotseling hield hij op, keek de grijze speurder strak, onderzoekend aan. ‘Ik begrijp het niet,’ zei hij onzeker, ‘waarom komt u naar mij?’


De Cock streek met zijn pink over de rug van zijn neus. ‘Ik ken u al jaren, dokter,’ zei hij wat verontschuldigend. ‘Ik heb op u gelet toen u aan de Oude Schans de doodschouw verrichtte. Het kwam mij voor dat het slachtoffer… Georgette de Mirabeau meer voor u had betekend dan… dan de meeste mensen van wie u ambtelijk de dood constateerde.’

De oude lijkschouwer plukte aan zijn baardje. ‘Dat is juist,’ zei hij traag, bedachtzaam. ‘Dat heeft u goed gezien.’

‘U kende haar?’

‘Ja.’

‘Goed?’

De blik van de oude man dwaalde weg. ‘Ik… ik was verliefd op Georgette.’ Er gleed een glimlach over zijn gelaat. ‘Lang geleden.’

‘Hoelang?’

De oude dokter zwaaide wat vaag in de ruimte. ‘Twintig… vijfentwintig jaar. Georgette was in die dagen een erkende schoonheid met een uitgebreide kring van bewonderaars.’ Hij glimlachte opnieuw, wat triest. ‘De concurrentie was voor mij te groot.’

De Cock lachte bescheiden. ‘U heeft haar wel “het hof” gemaakt?’

Hij keek op. ‘Zo heette dat toch?’

De oude dokter knikte wat afwezig. ‘Op mijn simpele manier dan.’ Hij tilde beide handen op en zuchtte. ‘Misschien was ik niet galant, niet onstuimig genoeg.’

‘Het werd geen romance?’

Dr. Den Koninghe schudde het hoofd. ‘Ze zag in mij geen minnaar… meer een oudere vriend. En dat is altijd zo gebleven.’ De Cock knikte begrijpend. ‘Met andere woorden… Georgette schonk u niet haar liefde, maar wel haar vertrouwen.’ ‘Zo zou je het kunnen formuleren.’

‘Geheimen… geheimen liggen in de vertrouwelijke sfeer.’ De oude dokter reageerde langzaam. Hij schoof zijn stoel wat naar achteren; zocht tijd voor een antwoord. ‘Ik heb jouw verhoortechniek altijd bewonderd, De Cock. Ik had nooit gedacht er zelf nog eens het slachtoffer van te worden.’

Om de lippen van de grijze speurder danste een glimlach. ‘Slachtoffer?’

De oude dokter knikte met een ernstig gezicht. ‘Als je zoekt naar een motief voor een moord op Georgette de Mirabeau… ik had een motief.’

De Cock keek verrast op. ‘U, dokter?’

Er gleed een schaduw over het gelaat van de dokter. ‘Georgette heeft mij eens op een vreselijke manier vernederd. Zo iets vergeet je niet. Soms komt het terug.’ Hij zweeg even, tastte in het grijs van zijn herinnering. ‘Ik was in die tijd assistent van professor Van Naegelen. De oude professor was een zwak man. Dikwijls ziek. Feitelijk hield ik zijn colleges. Of een ieder het aan mij kon zien… ik weet het niet. Maar onder de studenten was het een publiek geheim, dat ik verliefd was op Georgette de Mirabeau. De gedachte dat iedereen het wist, maakte mij vaak onzeker. Wanneer studenten onder elkaar stonden te fluisteren, dan dacht ik dat ze het over mij hadden en over Georgette. U begrijpt hoe kwetsbaar ik was. Op een dag, terwijl ik de studenten een dictaat voorlas, stond Georgette op, stapte naar voren en gaf mij een doos bonbons terug die ik haar de dag tevoren had laten bezorgen. Het was een mooie grote doos… U kent dat wel, met een fraai lint in een enorme strik. Ik had er een soort gedicht bij gepleegd… een ontboezeming in een wat kleurrijke taal. Ik was in die tijd nogal bezeten van Willem Kloos en probeerde stuntelig zijn stijl te imiteren.’ De oude man nam zijn bril af, wreef in de ooghoeken. ‘Tot mijn schrik pakte ze het papier en begon mijn gedicht voor te lezen. Niet echt, maar op een spottend toontje.’

Vledder slikte. ‘Wat een rotgriet.’

Dr. Den Koninghe knikte instemmend. ‘U kunt het van mij aannemen… ik had haar op dat moment kunnen vermoorden. Ik werd daar voor het front van al die studenten…’ Hij zuchtte, streek met zijn hand over het hoofd. ‘Ik moet daar als verlamd hebben gestaan. Ik heb het einde niet afgewacht. Ik ben de zaal uitgegaan, de lach van de studenten in mijn oren. Kort daarna nam ik ontslag bij professor Van Naegelen. Ik kon het niet meer. Ik was niet in staat nog colleges te geven.’

‘En Georgette?’

De oude dokter verschoof zijn bril. ‘Ik verloor haar aanvankelijk uit het oog. Een paar jaar later ontmoette ik haar als verpleegster. We hebben toen de oude relaties weer aangeknoopt. Ik zei het u toch… we zijn vrienden gebleven.’

De Cock trok zijn wenkbrauwen op. ‘Ze was medisch studente… heb ik begrepen?’

‘Inderdaad.’

‘Ze is nooit afgestudeerd?’

De oude dokter schudde droef het hoofd. ‘Soms straft het leven zelf.’

‘U bedoelt?’

De oude man ademde zwaar. ‘Het is Georgette niet voor de wind gegaan. Kort na die voor mij zo pijnlijke scène in de collegezaal maakte ze kennis met Freddy… Ferdinand van Breugelen, een jong en veelbelovend architect van goeden huize. De trotse Georgette, die haar minnaars steeds hooghartig afwees, raakte verliefd.’

‘En?’

‘Het was een hevige verliefdheid. Bijna manisch. Ze adoreerde haar Freddy op een manier die je onder onze grauwe luchten niet voor mogelijk houdt. Binnen een paar maanden was het stel verloofd. Georgette gaf haar studie op… wat had je als vrouw van een architect aan een medische opleiding?… en bereidde zich voor op haar taak als vrouw en moeder.’

De Cock keek op. Zijn scherpe blik tastte de gelaatstrekken van de oude dokter af. ‘Ze was zwanger?’

‘Ja.’

‘Ze trouwden?’

‘Nee.’

‘En… en het kind?’

‘Is nooit geboren.’

‘Maar… ‘

De oude dokter likte aan zijn droge lippen. ‘Je jaagt mij op,’ zei hij licht bestraffend. ‘Laat het mij rustig vertellen. Zoals ik al zei… Freddy was van goeden huize… en afhankelijk. Ik bedoel… financieel. Zijn groot opgezet architectenbureau had nog geen naam… een onderneming zonder opdrachten. Zijn ouders hadden nogal wat bezwaren tegen Georgette en een overhaast huwelijk. Ik denk dat die bezwaren voor Freddy van te groot gewicht zijn geweest.’

‘Hij verbrak de verloving?’

‘Ja.’

‘Zonder meer?’

Dr. Den Koninghe knikte. ‘Hij vertrok plotseling naar ZuidAmerika en schreef haar vandaar een briefje dat het “uit” was.’ De Cock snoof verachtelijk.

‘Dat was laf.’

De oude dokter zuchtte diep. ‘Georgette is die vernedering — en dat was het — feitelijk nooit te boven gekomen. Ze kreeg vrij kort daarna een miskraam en stortte zich in de verpleging.’ ‘Een vlucht.’

‘Zo zou je het kunnen noemen.’

‘En de miskraam?’

Dr. Den Koninghe gebaarde met een slanke hand. ‘Volgens haar zeggen was het een gewone, spontane miskraam.’ Hij schudde het hoofd. ‘Ik verdenk haar er sterk van dat zij zich door een van haar medische kennissen heeft laten behandelen.’ ‘Abortus provocatus criminalis.’

De oude dokter keek op.

‘Fraai Latijn,’ zei hij met lichte spot.

‘Het staat zeker nog zo in je oude leerboeken?’

De Cock negeerde de opmerking. ‘Wat gebeurde er met Freddy… Ferdinand van Breugelen?’

Dr. Den Koninghe glimlachte wat wrang. ‘Hij trouwde nog binnen het jaar met de dochter van een rijke makelaar.’ ‘En werd onafhankelijk.’


De oude dokter plukte opnieuw aan zijn baardje. ‘Och,’ zei hij weifelend. ‘Ferdinand heeft zich ontwikkeld tot een bekwaam architect. Hij was ook zonder de financiële steun van zijn ouders en schoonouders tot hoge welstand gekomen. Zijn capaciteiten worden door een ieder erkend. Vele markante gebouwen in ons vaderland dragen zijn signatuur.’

‘Een geslaagd man.’

‘Ongetwijfeld.’

‘Georgette is nooit getrouwd?’

De oude dokter schudde droef het hoofd. ‘Ik heb haar later, toen ik dacht dat alle wonden wel waren geheeld, nog eens een aanzoek gedaan. Ze wees het vriendelijk maar beslist van de hand.’ De oude dokter zweeg. De Cock keek hem aan, bezag de lange, zilvergrijze haren, het kleine, kittige puntbaardje, de milde uitdrukking op het wat vale gelaat. ‘U hebt altijd van haar gehouden?’ Dr. Den Koninghe antwoordde niet. Hij staarde langs de beide rechercheurs naar een plek aan de wand. Zijn hand ging beverig omhoog, nam de bril af en legde die voor hem neer. In zijn ogen blonk een traan.

De Cock stond op, volgde de blik van de oude dokter. In een ovale lijst aan de wand stak de foto van een vrouw. De Cock herkende haar direct… Georgette de Mirabeau met een lachende mond.

‘En nu?’

De Cock keek zijn jonge collega van terzijde aan. De jonge rechercheur gebaarde wat onbeheerst voor zich uit.

‘En nu… ik bedoel, de oude dokter heeft ons ook niet veel verder geholpen. Georgette de Mirabeau had in haar jonge jaren een ongelukkige liefde.’ Hij grinnikte jongensachtig. ‘Het is leuk dat we het weten… maar wat doen we ermee?’ De Cock slenterde naast hem voort, traag, waggelend, zoals gewoonlijk. Zijn vriendelijk plooiengezicht stond somber. Het onderhoud met de oude dokter had hem wat droef gestemd. ‘Misdaad en leed liggen altijd dicht bij elkaar,’ zei hij zacht, peinzend. ‘Het moet voor dr. Den Koninghe een hele schok zijn geweest toen hij als lijkschouwer de dood constateerde van de vrouw van wie hij feitelijk zijn hele leven had gehouden.’ Vledder keek hem onderzoekend aan; een dwarse denkrimpel in zijn voorhoofd. ‘Je denkt toch niet,’ vroeg hij ongelovig, ‘dat de oude dokter iets…?’

De Cock schudde het hoofd. ‘Bij dr. Den Koninghe helen de wonden.’ Het klonk plechtig als een bijbeltekst.

Vledder grijnsde. ‘Zelfs na die vernedering in de collegezaal vroeg hij haar nog ten huwelijk.’

De Cock wreef langs zijn kin. ‘Ze wees hem af… vriendelijk, maar beslist.’ Hij zweeg even. ‘We mogen aannemen dat ze in de loop der jaren vele aanzoeken vriendelijk, maar beslist heeft afgewezen. Georgette was een mooie vrouw.’

Vledder staarde voor zich uit. ‘Ik begrijp wat je zeggen wilt… bij Georgette heelden de wonden niet.’

Ze liepen over de Nieuwezijds Kolk langs het fraaie Korenmetershuisje naar de Nieuwendijk. Het begon te regenen, zacht, miezerig. De grijze speurder trok de kraag van zijn jas omhoog. ‘Heb je al bericht van het lab?’

‘Waarover?’

‘Die handdoeken met bloed uit de keuken. Die had je toch weg laten brengen?’

Vledder knikte. ‘Het is niets geworden. Ik bedoel… het brengt ons geen steek verder. Anders had ik het je wel verteld. Drs. Eskes heeft het bloed aan de handdoeken geanalyseerd. Het is vrijwel zeker van het slachtoffer. Dezelfde bloedgroep. Ook de subanalyses komen overeen.’

De Cock schoof zijn onderlip vooruit. ‘De dader heeft na de moord de bloedspatten van zijn handen gewassen.’

‘Daar ziet het naar uit.’

‘Hij heeft zich kennelijk zelf niet verwond.’

‘Nee.’

‘En het wapen?’

Vledder schudde misnoegd het hoofd. ‘Dat is er nog steeds niet. Omdat ik mijzelf niet helemaal vertrouwde, heb ik voor alle zekerheid ook Robert van Dijk nog eens aan de Oude Schans laten kijken. Hij kwam tot dezelfde conclusie als wij… in de woning was niets dat erop leek. We hebben er nog aan gedacht in de omgeving te laten dreggen. Maar met al die schuiten langs de wal is dat onbegonnen werk.’

De Cock knikte instemmend. ‘Ik denk dat het wapen… wat het ook is geweest, na de moordaanslag is meegenomen.’ ‘Door de moordenaar?’

De Cock haalde zijn schouders op. ‘Mogelijk… mogelijk ook door iemand anders.’

Vledder keek hem verbaasd aan. ‘Iemand anders?’

De Cock knikte traag. ‘Er is na de moord nog iemand in de woning van Georgette geweest… iemand die de aanblik van de dode niet kon verdragen.’

Vledder reageerde wat verward. ‘Je bedoelt die theedoek… die theedoek om het hoofd.’

‘Precies.’

‘Maar dat heeft Maarten Jan toch gedaan?’

De Cock schudde het hoofd. ‘Hij sprak van een dode die hem aanstaarde. Meer niet. Toen ik hem vroeg wat hij aan die starende blik had gedaan, zei hij dat hij zich had omgedraaid. Zie je, hij sprak niet van een doek, hoewel ik hem het woord praktisch in de mond legde.’

Vledder keek hem gespannen aan. ‘Er was dus na Maarten Jan nog een bezoeker?’

De Cock knikte. ‘De man of de vrouw die het bebloede hoofd van Georgette de Mirabeau met een theedoek bedekte.’ Vledder schudde niet begrijpend het hoofd. ‘Waarom heeft hij of zij zich nooit gemeld?’

De Cock haalde zijn schouders op. ‘Misschien was een dode Georgette de Mirabeau bijzonder compromitterend.’ Ze staken bij de Oudebrugsteeg het Damrak over en slenterden langs de Beurs naar de Warmoesstraat. Op de hoek van de Lange Niezel bleef De Cock staan. ‘Ga naar het bureau, bel vandaar de Dactyloscopische Dienst en vraag of Ben Kreuger met je mee gaat naar de Kromboomsloot. Je weet het nooit. Misschien heeft de nachtelijke bezoeker van Ineke Peeters ergens zijn vingerafdrukken achtergelaten.’ Hij krabde zich achter in de nek. ‘En als je daar toch bent… vraag eens langs je neus weg of onze Ineke kort geleden nog kleren van Maarten Jan naar de stomerij heeft gebracht.’

Vledder grijnsde. ‘Nog meer?’

De grijze speurder schudde het hoofd. ‘Voorlopig niet. Als je tijd overhebt, kruip dan achter de machine en verbaliseer onze bevindingen.’ Hij grinnikte. ‘Dan blijft de commissaris ook rustig.’

‘En wat ga jij doen?’

De Cock wreef de regen uit zijn gezicht. Om zijn volle lippen speelde een glimlach.

‘Ik… ik ga Lowietje uitnodigen.’

Vledder trok zijn neus op. ‘Uitnodigen?’

De Cock knikte nadrukkelijk. ‘Voor een begrafenis.’

Загрузка...