5

De Cock maakte een lichte buiging en plooide zijn gezicht in aandacht en welwillendheid. ‘Waarmee kan ik u van dienst zijn?’ Charles van Flaenderen, onberispelijk gekleed in een donkerblauw kostuum met parelgrijze das, schonk hem een matte glimlach. Hij zag er moe uit, afgetobd, alsof hij nachten had gewaakt.

‘Ik geloof,’ zo begon hij, ‘dat ik mij bij onze eerste ontmoeting wat dwaas heb gedragen.’ Hij wuifde wat vaag voor zich uit. ‘U moet beseffen… ik was door uw aanwezigheid aan de Oude Schans erg geschokt. Ik was mijzelf niet… wist niet meer wat ik zei. Achteraf heb ik mij gerealiseerd dat ik de vreselijkste beschuldigingen heb geuit.’

De Cock keek hem schuin, onderzoekend aan. ‘Ten aanzien van uw vrouw?’

Charles van Flaenderen knikte. ‘Het was een opwelling… zo moet u het zien… een gemoedsuiting als gevolg van de confrontatie met de plotselinge dood van Georgette. Het was ondoordacht, emotioneel en zonder grond. Ik bedoel… het was dwaas te veronderstellen dat mijn vrouw…’

‘Zij was het niet?’

Charles van Flaenderen schudde heftig het hoofd.

‘Zeker niet. Mijn echtgenote zou zo iets nooit kunnen doen. Zij is daartoe niet in staat.’

‘Wie wel?’

Charles van Flaenderen tastte naar zijn das. Zijn handen trilden. ‘Dat… eh, dat weet ik niet.’

De Cock toonde zijn innemendste glimlach. ‘U… heer van Flaenderen… zou u tot een moord in staat zijn?’

De bankdirecteur verbleekte. ‘U denkt toch niet dat ik Georgette… ‘

De Cock keek hem scherp aan.

‘U had toch motieven?’

‘Ik?’

De Cock grijnsde. ‘Kom, heer Van Flaenderen,’ sprak hij vriendelijk, ‘u wilt mij toch niet zeggen dat u uit pure onnozelheid het veiligheidssysteem van uw bank prijsgaf?’

De bankman keek hem verward aan.

‘Het systeem?’

De Cock knikte nadrukkelijk. ‘Wie opperde het plan Maarten Jan Boucharde in te schakelen? U… of was het Georgette?’ Van Flaenderen greep naar zijn hoofd. ‘Wie is Maarten Jan Boucharde?’

De Cock schoof zijn onderlip vooruit. ‘De jongeman die gisterennacht een ernstige poging ondernam de IJsselsteinse Bank te beroven.’

Charles van Flaenderen kwam met een ruk overeind. Op zijn vale wangen kwam wat kleur. ‘En wat heb ik daarmee te maken?’ Hij schreeuwde.

De Cock trok zijn mond iets scheef. ‘Alles,’ reageerde hij scherp. ‘Toen de jonge Boucharde de bank inging, wist hij hoe hij de tijdklokken kon ontregelen en kende hij de cijfercombinaties van de safe. Er was maar één bron waaruit hij kon hebben geput, heer Van Flaenderen.’ Hij strekte zijn arm beschuldigend uit. ‘En die bron was u.’

Charles van Flaenderen sprong op hem toe, wild, getergd, greep hem vast aan zijn revers. ‘Dat is niet waar.’ Hij schreeuwde opnieuw. ‘Dat… dat is een leugen, een pertinente leugen. Ik ken geen Boucharde… ik heb nog nooit van een Boucharde gehoord.’


Rechercheur Vledder legde een rapport voor de oude speurder neer. ‘Van de sectie,’ legde hij uit. ‘Het lijk is al gekist. De begrafenis is morgen.’

‘Hoe laat?’

‘Twee uur.’

‘Waar?’

‘Op de Ooster.’

De Cock keek naar het rapport en schoof het van zich af. ‘Ik heb geen zin het allemaal te lezen. Vertel maar wat erin staat.’

Vledder haalde nonchalant zijn schouders op. ‘Niet veel bijzonders. De schedel is ingeslagen. De doodsoorzaak was hersenletsel.’

De Cock knikte begrijpend. ‘En het wapen?’

De jonge Vledder maakte een misnoegd gebaar. ‘Dr. Rusteloos kon er niet veel van zeggen. Het kan een klein model hamer zijn geweest met een ronde, wat bolle kop, of een soort staaf met een verdikking, een knobbel aan het slageinde. Er was uit de verwondingen inderdaad niet zoveel op te maken. In ieder geval moet de moordenaar razend zijn geweest.’

‘Hoeveel kwetsuren waren er?’

Vledder zuchtte omstandig.

‘Dr. Rusteloos meende sporen te vinden van wel acht of negen slagen.’

‘Vreemd,’ mompelde hij, ‘heel vreemd.’ Hij keek naar Vledder, een dromerige blik in zijn ogen. ‘Waarom wordt iemand razend op een vrouw?’

De jonge rechercheur blikte verwonderd terug. ‘Bedrog… versmade liefde.’

De Cock gebaarde. ‘Was Maarten Jan haar minnaar?’ Over het gezicht van Vledder gleed een grijns. ‘Dat is nauwelijks aan te nemen. Daarvoor kenden zij elkaar te kort. Bovendien is er een leeftijdsverschil van meer dan twintig jaar.’ ‘Dus is hij de moordenaar niet.’

Vledder stond op; een norse trek op zijn gezicht. ‘Kom, De Cock,’ riep hij kregel, ‘laten we ermee ophouden.’

Hij zwaaide met beide armen. ‘Okee, de moord op zuster De Mirabeau was een emotionele daad… ik geef dat toe… vermoedelijk een uitvloeisel van een emotionele binding. Maar ontlast dat Maarten Jan Boucharde?’

‘Had hij een emotionele binding?’

Vledder schudde geërgerd het hoofd. ‘Wat heb je toch? Waarom zoek je steeds uitvluchten voor die jongen?’

De Cock reageerde fel. Uit zijn grijze ogen schoot vuur. ‘Ik zoek geen uitvluchten,’ brulde hij, ‘voor wie dan ook.’ Hij bonsde met zijn zware vuist op het bureau. ‘Ik zoek de waarheid.’

De jonge Vledder zweeg. De felle reactie van zijn oude leermeester had hem geschokt. Eerst na een poosje vroeg hij: ‘Hoe was het met de minnaar van Brahms?’

De grijze speurder keek op.

De woede was uit zijn blik verdwenen. ‘Je bedoelt Charles van Flaenderen?’

De Cock grijnsde. ‘Hij hield helemaal niet van Brahms.’ De mond van Vledder viel open. ‘Hij hield niet van Brahms?’ In zijn stem trilde verbazing. ‘En de buurvrouw zei…’ De Cock knikte. ‘Zij speelde Brahms, Georgette de Mirabeau… Romance in F… tot hij er gek van werd.’


Commissaris H.G.T.W. Buitendam, de lange statige politiechef van het oude bureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat wuifde met een slanke hand.

‘Ga zitten, De Cock,’ sprak hij wat geaffecteerd. ‘Ik moet eens ernstig met je praten.’

De grijze speurder plooide zijn lippen tot een grijns. ‘U bedoelt,’ verbeterde hij, ‘dat u mij iets wilt zeggen.’

De commissaris keek gestoord op. ‘Ja… ja, precies. Zo is het. Ik moet je iets zeggen.’

Hij klapte met zijn vlakke hand op een dossier voor hem op zijn bureau. ‘Moet Boucharde hiermee naar de officier van justitie?’ De Cock veinsde onbegrip. ‘Is dat niet juist?’

De politiechef keek hem wantrouwend aan. De toon van de oude rechercheur maakte hem waakzaam. ‘Er staat alles over die mislukte kraak in de IJsselsteinse Bank, maar over de moord op die verpleegster wordt met geen woord gerept.’ De Cock knikte traag. ‘Dat klopt,’ zei hij gelaten. De commissaris trok zijn borstelige wenkbrauwen op. ‘En wanneer gebeurt dat?’

‘Wat?’

‘Wanneer leg je die moord ten laste?’

De Cock keek hem quasi-verbaasd aan. ‘Zo gauw ik de moordenaar heb gevonden.’

De ogen van de commissaris vernauwden zich. ‘Boucharde-isde-moordenaar-niet?’

De Cock trok zijn mondhoeken op. Om zijn lippen dartelde een speelse glimlach. ‘Dat heb ik niet beweerd. Het is uw interpretatie van mijn woorden.’ Hij kwam langzaam van zijn stoel overeind. ‘Als u mij toestaat,’ sprak hij vriendelijk, ‘ik zou graag verder gaan met mijn onderzoek.’

Het gezicht van de politiechef verstarde. Een ader klopte in zijn hals. ‘Blijf zitten.’ Hij schreeuwde wild; sloeg met zijn vuist op het dossier. ‘Ik neem hier geen genoegen mee. Dit is onvolledig.’ De Cock bleef staan, groot, breed, onverzettelijk. ‘En ik ben niet van plan mijn proces-verbaal aan te vullen met suggesties en vage aanwijzingen inzake een moord waarvan de achtergronden mij nog volkomen duister zijn.’

De commissaris keek hem aan. Blosjes op de wangen. Een moment leek hij sprakeloos. Toen stond hij op, strekte zijn arm in de richting van de deur en brulde. ‘Er uit!’

De Cock ging.

De jonge Vledder lachte luid. ‘Was het weer zover?’ De Cock plukte aan zijn neus. ‘Ja,’ zei hij timide. ‘Het was weer zover. Hij kan het niet laten.’

Vledder lachte opnieuw.

‘Hoe vaak ben jij nu al door de commissaris van zijn kamer gejaagd?’

De Cock grinnikte vreugdeloos. ‘Bij elke moordzaak minstens één keer.’ Hij schudde droef het hoofd. ‘Het is een onhebbelijke gewoonte van hem.’

Vledder maakte een vaag gebaar. ‘Vind je niet dat hij dit keer gelijk had?’

De Cock keek zijn jonge collega een ogenblik aan. Star, zwijgend. Zonder te antwoorden liep hij langs hem heen naar de kapstok, greep zijn oude jas en hoed en slenterde naar de deur. Vledder beende hem na. ‘Waar ga je heen?’

De Cock draaide zich half om. ‘Naar de Kromboomsloot.’ ‘Wat denk je daar te vinden?’

De oude speurder wurmde zich in zijn jas. ‘Het antwoord op een vraag… waarom werd zuster De Mirabeau vermoord?’ Vledder bleef als getroffen staan. Eerst toen zijn verbijstering was weggeëbd, volgde hij De Cock de trap af.

Ze liepen zwijgend naast elkaar door de Lange Niezel, de Korte Niezel en de Stormsteeg. De Cock nonchalant, zwierig, zijn jas los, fladderend om zijn benen. Vledder keurig, strak, ambtelijk, in een ijzersterke combinatie.


De jonge rechercheur voelde zich niet prettig. De affaire zinde hem niet. In zijn hart smeulde een licht verwijt jegens zijn oude leermeester, die maar bleef wroeten in een zaak die in feite zo simpel lag. De jonge inbreker had de verpleegster vermoord. Zonder meer. Daarvan was hij, Vledder, overtuigd. Maar om een of andere reden scheen De Cock die jongen te sparen, drong hij niet aan. De commissaris had dit keer volkomen gelijk. Er was een duidelijke samenhang. Absoluut. Wanneer in het proces-verbaal contra Boucharde buiten de inbraak ook de moord ten laste was gelegd, dan hadden ze de zaak kunnen afsluiten. Vledder keek opzij. ‘Hoelang woont Boucharde al aan de Kromboomsloot?’

‘Ik heb dat niet nagevraagd. Ik denk vanaf het moment dat hij bij zijn ouders wegging.’

Vledder keek voor zich uit.

‘Denk je,’ zei hij achteloos, ‘dat hij daar zijn buit van de roofmoord op zuster De Mirabeau heeft verborgen?’


De Cock bleef staan. De sarcastische toon van zijn jonge collega had hem getroffen. Hij schoof zijn hoedje wat naar voren en zuchtte diep.

‘Zuster Georgette de Mirabeau,’ sprak hij geduldig, gelaten, ‘werd niet het slachtoffer van een roofmoord. Dat is een misvatting. Zij werd om een heel andere reden vermoord.’ Hij streek met zijn hand over zijn breed gezicht. ‘En voor je nu verder loopt te mokken, denk dan eens grondig na over de vraag waarom een eenvoudige verpleegster, die twintig jaar onafgebroken trouw en toegewijd haar werk verricht en op wier gedrag, zowel in als buiten het ziekenhuis, vrijwel niets valt aan te merken, plotseling een jonge inbreker benadert en hem aanzet een spectaculaire kraak te plegen.’

Vledder slikte. ‘Zette zij hem aan?’

De Cock knikte heftig. ‘Natuurlijk, dat deed zij. Maarten Jan Boucharde kreeg zijn inlichtingen over de IJsselsteinse Bank van haar. Charles van Flaenderen speelt in deze affaire maar een ondergeschikte rol. Georgette de Mirabeau misbruikte haar charmes om de onderdirecteur alles te laten vertellen over het interieur van de bank, het veiligheidssysteem, de cijfercombinaties van de safe. Van Flaenderen gaf de inlichtingen argeloos, blijmoedig en trots, omdat zijn geliefde zoveel belangstelling voor zijn werk had.’

Vledder schudde vertwijfeld het hoofd. ‘Maar waarom?’ De Cock grijnsde. ‘Juist… waarom?’ Hij gebaarde wat wild voor zich uit. ‘Wat dreef de knappe verpleegster? En waarom sloeg men haar de hersens in?’

Vledder staarde hem aan.

‘Maar dat is verschrikkelijk.’

‘Hoezo?’

‘Dan zijn we nog niet veel verder als in het begin.’


Een reeks lage huisjes aan een kronkelende gracht, de Kromboomsloot, met hoge iepen aan de walkant en kleine bruggetjes over een smal water. Bijna aan het eind van het grachtje, bij nummer 26A, bleef De Cock staan en keek. De blauwstenen stoeptreden van het oude huisje waren uitgesleten en het raamkozijn hing scheef. Maar de deuren en kozijnen waren glanzend groen geschilderd en achter helder glas hing een hagelwitte vitrage. Het verbaasde De Cock een beetje. Hij had zich het ‘rovershol’ van de jonge Boucharde anders voorgesteld, grauwer, minder verzorgd.

Hij klom de uitgesleten stoep op en voelde aan de groene deur. De koperen kruk gaf mee, maar de deur bleef dicht. Hij tastte in de achterzak van zijn pantalon naar het zachtleren foedraal waarin hij het apparaatje had geborgen dat hij eens van zijn vriend en inbreker Handige Henkie had gekregen: een koperen houdertje met een keur van uitschuifbare, stalen baarden.

De grijze speurder monsterde het slot en deed een zorgvuldige keuze.

Vledder keek gespannen toe. Het leek hem een eeuwigheid, maar in rond zevenenvijftig seconden had De Cock de deur geopend.

Voorzichtig gingen ze naar binnen. Via een minuscuul portaaltje kwamen ze in een lange, smalle kamer met een lage zoldering en bruin geteerde balken binnen handbereik. Het vertrek was schaars gemeubileerd met een breed divanbed, een ruwhouten tafel en rotanfauteuils met fleurige zittingen. Uit een bolle schemerlamp in de hoek glansde geel, diffuus licht langs grillige plastieken aan de wand. De plavuizen gaven hun voetstappen een holle klank.

Plotseling bleef De Cock staan en greep de jonge Vledder bij de arm. Bijna achter in de kamer, naast een rotanfauteuil dansten sliertjes rook uit een ruwstenen asbak op de vloer. ‘Er is iemand,’ hijgde hij.

Vledder greep naar zijn schouderholster en trok zijn pistool. De blauwstalen loop glansde in zijn hand.

De Cock schudde afkeurend het hoofd. ‘Doe het weg,’ fluisterde hij dwingend. ‘Die dingen maken zo’n lawaai.’ De jonge rechercheur gehoorzaamde onwillig. Hij had het wapen graag in de hand, gebruiksklaar. Beducht voor gevaar van alle kanten sloop hij verder. De Cock volgde. Via de kamer en een afstapje kwamen ze in het achterhuis. Er was een ruime keuken en een toilet, herkenbaar door een ‘Manneke Pis’ in brons. De Cock boog zich naar Vledder. ‘De enige mogelijkheid,’ zei hij zacht.

Vledder knikte begrijpend. Met zijn hand dicht bij de greep van zijn pistool liep hij op de deur toe.

De Cock beduidde hem terug te komen. ‘Ik heb in de kamer een paar gemakkelijke fauteuils zien staan,’ riep hij ineens luid, ontspannen. ‘Daar blijven we wachten.’

Vledder keek hem verbijsterd aan. ‘Maar daar zit een vent,’ fluisterde hij onthutst.

De Cock glimlachte. ‘Het is geen vent… het is een vrouw.’ ‘Een vrouw?’

De Cock knikte. ‘Aan de sigaret in de asbak op de vloer… zat lipstick.’

De jonge Vledder liet zich in een van de rotanfauteuils vallen. Hij keek naar het nog smeulende peukje in de stenen asbak op de vloer en ergerde zich. De Cock zat naast hem, behaaglijk onderuitgezakt, de benen gestrekt vooruit, zijn oude hoedje bijna op de rug van zijn neus. Hij bladerde in een oud GP-romannetje, dat hij op de ruwhouten tafel had gevonden. Om zijn brede mond lag een geamuseerde trek.

‘Zou ze eruit komen?’

De Cock keek opzij. ‘Zeker. Maar als het te lang duurt, mag je ook gaan kloppen en zeggen dat we toch niet van plan zijn weg te gaan.’ Ineens schoof hij zijn hoedje naar achteren en grinnikte. ‘Blijf maar zitten,’ zei hij jolig. ‘Het is niet meer nodig.’

In de deuropening van het achterhuis stond een jonge vrouw op blote voeten. Ze droeg een strakke heupbroek en een wijde doorkijkblouse, die niets verhulde. Lang, blond haar golfde langs haar schouders naar beneden.

De Cock kwam traag uit zijn fauteuil overeind. Zijn puriteinse ziel had even moeite de ‘inkijk’ te verwerken. Toen liep hij op haar toe, een glimlach om zijn lippen. ‘Mijn naam is De Cock.’ Zijn stem klonk vriendelijk. ‘Ik ben rechercheur van politie.’ Hij wuifde wat onzeker naar achteren. ‘En dat is collega Vledder, mijn onvolprezen hulp.’

‘Hoe… eh, hoe kwam u binnen?’

De Cock plooide zijn lippen in onschuld. ‘De deur was open,’ loog hij.

Ze schudde het hoofd. ‘Hij was op slot,’ reageerde ze scherp. De Cock keek haar aan, het hoofd een beetje schuin. ‘U… eh, u weet het zeker?’

Ze knikte heftig. ‘Sinds die…’ Ze stokte plotseling, gebaarde naar het fleurige rotan. ‘Gaat u alstublieft weer zitten. Zal ik gauw even koffie maken?’ Ze glimlachte liefjes. ‘Dom van mij. Ik was haast alle goede lessen vergeten.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen. ‘Lessen?’

Ze lachte vrolijk. ‘Maarten Jan heeft mij geleerd politiemensen altijd vriendelijk te ontvangen.’

De Cock maakte een grimas. ‘Op het toilet?’

Er gleed een schaduw over haar gezicht. ‘Ik was bang.’ ‘Voor de recherche?’

Ze zuchtte diep. ‘Ik dacht dat die vent was teruggekomen.’ ‘Welke vent?’

‘Die vent van vorige nacht.’

De Cock keek haar aan, zag dat ze huiverde. Hij vatte haar bij de schouder en leidde haar naar een van de fauteuils. ‘Vertel het rustig,’ zei hij met een haast vaderlijke bezorgdheid. ‘Om te beginnen… wie ben je?’

Ze ging zitten en stak met nerveuze bewegingen een sigaret op. Haar vingers trilden. ‘Ik… eh, ik ben Ineke… Ineke Peeters. Ik ben negentien jaar. Minderjarig, zoals dat heet. Mijn ouders weten dat ik hier ben.’

‘En?’

Ze staarde naar de vloer. ‘Ze zijn er niet zo gelukkig mee.’ ‘Hoelang ken je Maarten Jan?’

‘Twee… twee en een half jaar.’

‘Trouwen?’

Ze glimlachte wat triest. ‘Daar geloven we niet zo in.’ ‘Je weet wat Maarten Jan doet?’

Ze knikte traag. ‘Hij steelt…’ dan plotseling fel, furieus, ‘… maar nooit van arme mensen.’

De Cock glimlachte. ‘Maakt dat verschil?’

Ze keek naar hem op, verbaasd. ‘Voor u niet?’

De Cock negeerde de vraag, krabde zich wat verlegen achter in de nek. ‘Vertel me van die vent… hij kwam gisterennacht?’ ‘Ja, gisterennacht, om een uur of twee, schat ik. Ik lag al een poosje in bed, doezelde zo’n beetje.’ Ze duwde het blonde haar uit haar gezicht. ‘Ik heb… had de buitendeur nooit op slot. Maarten Jan komt vaak op de meest vreemde tijdstippen thuis. Het is lastig als hij mij steeds uit bed moet bellen.’

De Cock knikte begrijpend. ‘Die vent kwam dus gewoon door de voordeur.’

Ze zoog haar longen vol rook. ‘Ik hoorde hem komen. Ik dacht nog een moment dat het Maarten Jan was. Maar dat kon niet. Ik had in de krant gelezen dat hij bij u vastzat.’

‘En toen?’

‘De man deed de deur achter zich dicht en begon door de kamer te sluipen. Hij kwam naar het bed en bukte zich over mij heen. Ik voelde zijn hete adem in mijn gezicht.’

Ze sloot een moment haar ogen en drukte de angst uit haar herinnering weg. ‘Ik hield mij slapende en ademde zo regelmatig mogelijk. Na een paar seconden scheen hij er van overtuigd dat ik werkelijk sliep. Hij kwam overeind. Het licht van zijn zaklantaarn danste langs de wanden. Toen ging hij op zoek.’ ‘Op zoek?’

Ze knikte. ‘Hij deed alle kasten open en snuffelde overal rond. Hij keek zelfs onder mijn bed.’

‘Je weet zeker dat het een man was?’

Ineke Peeters schonk de grijze speurder een wat medelijdend lachje. ‘Ik weet wel zo ongeveer hoe een man ruikt. Bovendien heb ik zijn silhouet gezien. Vlak voor de deur op de straat brandt een lantaarn.’

‘Hoe oud schat je hem?’

‘Tweeëntwintig… drieëntwintig jaar.’

‘Niet ouder?’

‘Ik dacht van niet.’

‘Heb je zijn gezicht gezien?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Het was te donker. Ik heb niets kunnen onderscheiden. Ik zal wel zijn stem herkennen.’

De Cock keek haar verwonderd aan.

‘Zijn stem?’

Ze knikte kalm. ‘Ik heb hem horen praten. Toen hij na ongeveer drie kwartier ophield met zoeken, stond hij in het midden van deze kamer, rechtop, nog geen anderhalve meter van mijn bed. Hij hijgde zwaar en stonk naar zweet. “Verdomme,” siste hij, “dat rotwijf.” Het kwam uit de grond van zijn hart.’

Загрузка...