10

Ongeveer in het midden van de kamer, in de lichtkring van een roze schemerlamp, lag op het witte berbertapijt het lichaam van een man.

De Cock keek om zich heen. Het decor was hem vertrouwd.

Omzichtig trad hij naderbij.

De heer Jean-Paul Devoordere, machtig directeur van International Electronics, lag op zijn linkerzijde, steunend op een gebogen arm. De beide benen waren tot op gelijke hoogte opgetrokken.

De grijze speurder hurkte bij hem neer en blikte in een paar dode bruine ogen. Hij bleef er even naar kijken. Er was iets vreemds aan die ogen. Het leek alsof de pupillen in pure angst waren verstard. De smalle mond met de dunne lippen hing halfopen. Een spoortje geronnen bloed liep vanuit de mondhoek over de linkerwang naar beneden. Onder de kin, in het halskuiltje, even boven de rand van de coltrui, een gat… een bijna ronde wond van ongeveer een centimeter middellijn. Uitgelopen bloed had op de beige glansgaren trui tot aan de oksel van de linkerarm in een grillig patroon een donkerrode vlek gevormd.

Vledder hurkte naast hem neer.

‘Doodgeschoten?’

De Cock knikte met samengeperste lippen.

‘Op precies dezelfde manier,’ sprak hij bitter, ‘het lijkt wel een ritueel.’

‘Weer een nekschot?’

De Cock antwoordde niet. Hij keek naar de onderpijpen van de lichtbruine pantalon en ontdekte daarop kleine grijswollen pluisjes tot aan de knie. Hij blikte nog eens in de dode ogen en drukte zich toen moeizaam uit zijn gehurkte houding omhoog. Op zijn brede gezicht lag een zorgelijke trek.

De dood van Jean-Paul Devoordere had hem volkomen verrast. Het paste niet in het beeld. De moord op de bankier Vanderbruggen had plotseling een extra dimensie gekregen. Van de theorieën die hij zich omtrent die moord had gevormd, hadden vele geen fundering meer… zakten als een kaartenhuis ineen.

Wie was de man of de vrouw, die zo veel koelbloedigheid bezat om twee mensen op precies dezelfde manier en op precies dezelfde plaats te vermoorden? Een idioot… een maniak? Wat dreef hem of haar tot zo veel cynisme. Hij knikte voor zich uit. Nauwelijks waarneembaar. Dat was het… cynisme. De moorden droegen een koel, kil, cynisch karakter.

Hij keerde zich om en staarde secondenlang naar de stijlvolle hoekkast… naar de droeve Pierrot in wit keramiek. Hij dwong zich erheen te gaan. Maar onder die Pierrot wist hij een briefje… een briefje met een Bijbeltekst die hij kende.

Rechercheur Fons IJpinga stapte de kamer binnen. Hij liep dreunend op De Cock toe.

‘Ik heb dat mannetje maar zolang naar het politiebureau aan de Waddenweg gebracht.’

‘Welk mannetje?’

IJpinga gebaarde naar de dode op de vloer.

‘Die hem hier ontdekte. Dan kun je hem straks op je gemak even verhoren. Hij zit daar goed. Hier loopt hij je toch maar voor je voeten.’

De Cock keek naar hem op.

‘Een mannetje met een sleutel?’

Fons IJpinga lachte.

‘Inderdaad. Hij had een sleutel van deze flat. Al een paar jaar. Het schijnt dat hij hier iedere woensdag komt voor een nummertje.’

De Cock schudde afkeurend zijn hoofd.

‘Dat heet een “erotisch intermezzo”.’

De rechercheur keek hem beteuterd aan.

‘Hoe?’

‘“Erotisch intermezzo”… dat klinkt veel netter.’

Fons IJpinga wuifde het onderwerp weg.

‘Toen ik aan de Waddenweg de melding kreeg dat er in dezelfde flat weer een dooie vent was gevonden, heb ik onmid dellijk jullie gebeld. Het zal wel met elkaar te maken hebben, denk ik.’

De Cock grinnikte.

‘Op welke manier?’

Fons IJpinga maakte een nonchalant armgebaar.

‘Dat zijn jouw zorgen.’

In zijn stem trilde leedvermaak.

‘De officier wilde dat jij het deed. Dus…’

Hij maakte zijn zin niet af, maar wees naar de dode in het schijnsel van de lamp. ‘Ken je hem?’

De Cock knikte vaag.

‘Wij hebben hem vanmiddag nog bij het Paleis van Justitie gezien. Toen had hij haast.’

Fons IJbinga grijnsde.

‘Om hier te sterven.’

Dokter Den Koninghe stapte tussen twee geüniformeerde broeders van de Geneeskundige Dienst de kamer in. De Cock liep op hem toe en begroette hem hartelijk.

De oude lijkschouwer nam zijn garibaldi af en keek rond. Zijn ogen achter de dikke brillenglazen spraken van herkenning en verbazing.

‘Ik was hier toch al een keer?’

De Cock knikte.

‘Dat hebt u goed onthouden, dokter. Een dag of tien geleden.’ Hij wees op de dode man op het tapijt. ‘Maar dat is wel een andere man.’

Den Koninghe trok aan de vouwen de pijpen van zijn pantalon iets omhoog en knielde bij de dode neer. Het duurde slechts een paar seconden. Toen kwam hij overeind. Zijn oude botten kraakten.

‘De man is overleden,’ sprak hij laconiek. ‘En nog niet zo langgeleden.’

‘Hoelang?’

‘Een goed uur… misschien iets langer. Er is nog geen sprake van lijkstijfheid.’

‘Wat vindt u van de pupillen?’

De lijkschouwer tuitte zijn lippen.

‘Daar heb ik niets bijzonders aan gezien. De doodsoorzaak is dezelfde als tien dagen geleden… een gericht nekschot.’ Hij pakte de witzijden pochet uit de borstzak van zijn colbert en wreef de glazen van zijn bril schoon.

‘Hoeveel krijg ik er nog op die manier?’

De Cock maakte een verontschuldigend gebaar.

‘Zolang ik de moordenaar niet heb gevonden… is steeds herhaling mogelijk.’

Dokter Den Koninghe wees naar de hal.

‘Waarom vergrendel je deze flat niet? Dan ben je van al dat gelazer af.’

De Cock glimlachte beleefd.

‘Het feit dat hier tweemaal een man is vermoord, geeft mij niet het recht om deze woonruimte aan het maatschappelijk verkeer te onttrekken. Dat kan niet. Bovendien kan de moordenaar overal toeslaan. Het heeft geen zin…’

Hij stokte plotseling en keek naar Vledder. ‘Wanneer heb jij deze flat vrijgegeven?’

De jonge rechercheur raadpleegde zijn notitieboek.

‘Dat was dinsdag,’ zei hij na enig geblader. ‘Dinsdag na de moord op Vanderbruggen. Toen de jongens van de Technische Dienst met hun detector de dodende kogel in het tapijt hadden gevonden, heb ik Carla van Heeteren gebeld dat zij de flat weer in gebruik kon nemen.’

‘En dat is gebeurd?’

‘Dat neem ik aan.’

De Cock wendde zich tot Fons IJpinga.

‘Het mannetje dat deze moord ontdekte, kwam hier elke woensdag?’

Fons knikte instemmend.

‘Dat zei hij, al jaren. Hij schrok zich wezenloos toen hij die dooie vent zag liggen en is in paniek de gaanderij op gevlucht.’

De Cock beet nadenkend op zijn onderlip. Zijn gezicht stond ernstig.

‘Waar?’ vroeg hij toonloos. ‘Waar was dan Carla?’

Vledder keek hem wat onnozel aan.

‘Hoe bedoel je?’

De Cock sloeg met de volle hand tegen zijn voorhoofd.

‘Gebruik je hersenen,’ riep hij kriegel, ‘dat mannetje kwam hier niet om met knikkers te spelen.’

Vledder keek hem geschrokken aan.

‘Je hebt gelijk… ze had hier moeten zijn.’


De Cock slenterde door de gangen van het nieuwe politiebureau aan de Waddenweg. Hij keek wat onwennig om zich heen. De Cock hield niet van moderne gebouwen. Ze waren vaak zo sfeerloos, zo steriel. En de muren waren nog stom; fluisterden niet van hoop, geluk en leed, zoals in het oude politiebureau aan de Warmoesstraat.

Een jonge diender liep voor hem uit en wees naar de deur van een verhoorkamer.

‘Daar zit hij.’

De Cock bedankte met een hoofdknik en ging naar binnen.

Op een stoel aan een tafeltje zat een man. De Cock schatte hem achter in de vijftig. Hij droeg een keurig donkerblauw kostuum, compleet met vest. Stijf, gedegen, als een koster op zondag. De Cock stak hem begroetend zijn rechterhand toe.

‘Mijn naam is De Cock… met ceeooceekaa. Ik ben rechercheur van politie. Ik kom even met u praten over uw… eh, uw ontdekking vanmiddag.’

De man reageerde geagiteerd. Zijn gezicht zag rood. Nerveus tikte hij op het glas van zijn polshorloge.

‘Ik zit hier al bijna drie kwartier. Ik ben geen gevangene, geen arrestant.’

De Cock glimlachte beminnelijk.

‘Ik heb mijn onderzoek in de flat in Molenwijk afgebroken om u hier niet langer te laten wachten.’

Hij pakte zijn notitieboekje uit zijn binnenzak en legde dat voor zich op tafel.

‘Wie bent u?’

De man stak zijn kin iets vooruit.

‘Charles… Charles Broosschaert.’ Hij gebaarde wat aarzelend naar het notitieboek. ‘Ik wil uiteraard niet dat mijn naam in verband met deze affaire wordt genoemd. Mijn relatie met juffrouw Carla heeft een… een heimelijk karakter.’

‘Dat begrijp ik.’

‘Eerlijk gezegd, heb ik er achteraf spijt van dat ik de politie heb ingelicht. Het was misschien beter geweest als ik gewoon was weggewandeld.’

‘Om later voor de moordenaar te worden aangezien?’

Charles Broosschaert keek De Cock verschrikt aan.

‘Dat is dwaas. En dat weet u. De man was dood toen ik binnenkwam.’

‘Hoe laat was dat?’

‘Vijf uur. Ik kom altijd om vijf uur. Elke woensdag. Dan zit Carla op mij te wachten.’

De Cock boog zich iets naar hem toe.

‘Hoe lang komt u al bij Carla?’

‘Bijna drie jaar. Ik heb haar leren kennen via een zakenrelatie. Die nam mij op een avond mee en stelde mij aan haar voor.’

De Cock plukte aan zijn onderlip.

‘U moet vanmiddag de moordenaar bijna hebben overlopen, zo dicht was u bij het tijdstip van de daad. Hebt u iets bijzonders gezien… iets dat afweek van de gebruikelijke gang van zaken?’

‘Nee.’

De Cock knikte. ‘Toch… Carla was er niet.’

Charles Broosschaert slikte.

‘U hebt gelijk… Carla was er niet. In plaats van haar lag er die dode man op het tapijt.’

‘Was de buitendeur op slot?’

‘Ja.’

‘Hebt u nog iets aangeraakt… de dode beroerd?’

Charles Broosschaert schudde heftig zijn hoofd.

‘Ik heb me alleen even over hem heen gebogen. Ik zag vrijwel onmiddellijk dat hij dood was.’

‘En verder was er niemand?’

Hij maakte een onzeker armgebaar. ‘Dat kan ik niet zeggen. Dat weet ik niet. Ik bedoel, ik heb niemand gezien. Normaal komt Carla mij in de hal tegemoet. Toen ze niet verscheen ben ik de kamer ingelopen. Verder ben ik niet geweest.’

De Cock strekte zijn armen voor zich uit.

‘Het is dus mogelijk dat iemand in een van de andere vertrekken was… bijvoorbeeld de slaapkamer?’

Charles Broosschaert knikte vaag.

‘Ik heb uiteraard in de flat geen onderzoek ingesteld.

Toen ik die dode man had gezien, was mijn enige gedachte… weg, politie.’

De Cock glimlachte beleefd.

‘Heel begrijpelijk.’ Hij zweeg even, keek de man voor zich onderzoekend aan. ‘U weet dat er al eens een man in de flat van Carla is vermoord?’

Broosschaert verschoof iets op zijn stoel. Hij pakte een zakdoek en wreef over zijn voorhoofd.

‘Ik… eh, ik heb het gelezen,’ hakkelde hij. ‘Vrij recent. In de krant.’

‘U was vorige week ook op bezoek?’

‘Ja.’

‘Heeft Carla toen niets van de moord verteld?’

Charles Broosschaert schudde zijn hoofd.

‘Ik vond wel dat ze nerveus was. Onrustig.’

‘En u heeft het onderwerp “moord” ook niet aangesneden?’

‘Nee.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Buiten die zakenrelatie… kent u nog andere mannen die Carla wel met een bezoek vereren?’

Charles Broosschaert drukte zijn lippen opeen.

‘Nee,’ reageerde hij plotseling fel. ‘En ik wil ze ook niet kennen.’

De Cock borg met trage bewegingen zijn notitieboekje op. Daarna leunde hij met beide armen over de tafel. Het gezicht van Broosschaert was dichtbij.

‘Hebt u dreigbrieven ontvangen?’

Charles Broosschaert antwoordde niet. Een zweetdruppel gleed vanonder de haarrand over zijn voorhoofd en bleef hangen aan zijn wenkbrauw boven het linkeroog.

De Cock voelde de spanning.

‘Hebt u dreigbrieven ontvangen?’ herhaalde hij dwingender.

Charles Broosschaert tastte bevend naar de binnenzak van zijn colbert en reikte De Cock een bruine enveloppe.

‘Als ik… eh… als ik niet betaal,’ stamelde hij, ‘word ik… net als Vanderbruggen… vermoord.’

Загрузка...