2

Commissaris Buitendam, de lange statige politiechef van het bureau Warmoesstraat, wuifde met een slanke hand naar de stoel voor zijn bureau. Zijn altijd wat bleek gezicht stond streng.

‘Ga zitten, De Cock.’

De grijze speurder schudde resoluut zijn hoofd.

‘Ik blijf liever staan… dan duurt ons onderhoud misschien wat korter.’

Op het gelaat van de commissaris verscheen een lichte blos. De dialoog tussen hem en De Cock had altijd een spanningsveld van wantrouwen. De grijze speurder was voortdurend beducht voor beknotting van zijn ambtelijke vrijheid. De commissaris maakte een berustend gebaartje. ‘Zoals je wilt,’ sprak hij stijfjes. Hij zweeg even, speelde met een potlood in zijn hand. ‘Ik heb je laten roepen, De Cock.’

De Cock keek hem wat verholen aan.

‘Anders stond ik hier niet,’ reageerde hij laconiek.

De commissaris kuchte.

‘Meester Schaaps, onze officier van justitie, heeft mij benaderd. Hij is bijzonder ontstemd over jouw optreden gistermorgen in de kerk.’

De Cock keek verrast op.

‘Ontstemd?’

Commissaris Buitendam knikte heftig.

‘Onze officier van justitie is zeer begaan met het lot van mevrouw La Croix. Hij kent haar uit haar kinderjaren. Hij is al een eeuwigheid bevriend met haar vader.’

‘Vanderbruggen, de bankdirecteur.’

‘Inderdaad, meester Schaaps heeft mij laten weten dat wanneer de toestand van mevrouw La Croix niet snel verbetert, hij overweegt om onze hoofdcommissaris te verzoeken disciplinaire maatregelen tegen jou te nemen wegens onheus gedrag.’

De Cock grinnikte ongelovig.

‘Onheus gedrag… die vent is gek.’

De commissaris kwam met een ruk uit zijn stoel overeind. ‘ Ik verbied je,’ riep hij streng, ‘om zo over onze officier van justitie te spreken. Dat is onbetamelijk. Volgens meester Schaaps raakte mevrouw La Croix in de Westerkerk in coma nadat jij iets tegen haar had gezegd.’

De Cock spreidde zijn beide handen in onschuld.

‘Ik stelde mij aan haar voor. Meer niet. Onmiddellijk daarna ging ze sierlijk onderuit.’

Commissaris Buitendam sloeg met beide handen op zijn bureau.

‘Dat had niet mogen gebeuren.’

‘Wat niet?’

‘Dat jij je voorstelde.’

De Cock schudde wanhopig zijn hoofd.

‘Ik word op zondagmorgen in allerijl naar de Westerkerk gedirigeerd omdat daar een dopelingetje zal worden geroofd… en ik mag mij niet aan de moeder van het kind voorstellen?’

Zijn stem beefde van onbegrip.

‘Mevrouw La Croix wist niet dat de politie was ingelicht,’ sprak hij mat.

De Cock kneep zijn ogen iets samen.

‘Wist ze dat er was gedreigd haar kind te ontvoeren?’

Buitendam schudde zijn hoofd.

‘Ze wist niets.’

‘Waarom niet?’

De commissaris zuchtte diep.

‘Men achtte het beter haar niet in te lichten.’

De Cock grijnsde breed.

‘Welke idioot heeft dat bedacht?’

Het gezicht van Buitendam kleurde rood.

‘Meester Schaaps… hij wenste rekening te houden met de labiele gezondheidstoestand van mevrouw La Croix.’

De Cock voelde hoe de woede in zijn aderen sloop.

‘Hij was toch in de Westerkerk… de officier van justitie? Hij heeft mij gezien. Waarom lichtte hij mij niet in? Of is hij in zijn heilige hooghartigheid te voornaam om op een zondag met een gewone rechercheur te spreken?’ Hij zweeg even, stak gebarend zijn wijsvinger op. ‘En zeg hem uit mijn naam: als iemand het juiste instinct heeft om een kind te beschermen… dan is het de moeder.’

Commissaris Buitendam brieste. Zijn neusvleugels trilden. Een moment leek hij alle waardigheid te hebben verloren.

‘Ik… ik zeg hem niets uit jouw naam!’ brulde hij.

De Cock schonk hem een milde glimlach.

‘Doe het toch maar.’

Buitendam sprong overeind. Hij strekte zijn rechterarm naar de deur.

‘Eruit!’

De Cock ging.


Vledder keek hem glimlachend aan.

‘Was het weer zover? Het wordt tijd dat commissaris Buitendam een rustige post aan het hoofdbureau krijgt. Bij jou hier in de Warmoesstraat haalt hij zijn pensioen niet.’

De Cock wreef over zijn nek. Zijn woede ebde langzaam weg. Zijn gelaat als dat van een droeve bokser, fleurde op. Rond zijn brede mond dartelden weer vrolijke accolades. Hij tikte met zijn dikke wijsvinger op de stadskalender aan de muur. ‘Men zou door al die ellende,’ sprak hij lachend, ‘bijna vergeten dat vandaag de lente begint.’ Hij zwaaide naar Vledder. ‘Heb je het ziekenhuis al gebeld?’

‘Ja.’

‘En?’

‘Mevrouw La Croix knapt weer aardig op. Men wil haar nog een paar dagen in observatie houden. Dan mag ze weer naar huis.’

‘Verhoren?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Dat achtte de behandelende arts niet raadzaam. Hij wilde niet het risico nemen dat ze opnieuw in een shocktoestand geraakte.’ De Cock knikte begrijpend.

‘En de baby?’

Vledder glimlachte.

‘Die ligt te kraaien in zijn bedje.’ Hij wees naar de telefoon. ‘Ik heb vanmorgen al wat afgebeld. Ik heb eerst met onze collega’s in Laren gesproken. Er heeft zich tot nu niets bijzonders voorgedaan. Voorlopig zullen ze nog een verscherpte surveillance toepassen. Daarna heb ik het huis van de heer Vanderbruggen gebeld. Ik kreeg een vrouw aan de lijn. Ze zei dat met de baby alles prima in orde was. Hij had zijn flesje gekregen en lag vriendelijk te doezelen.’

‘Wat was dat voor een vrouw?’

Vledder trok zijn schouders op.

‘Ik denk dat ze bij Vanderbruggen in dienst is. Ze sprak over “meneer”. Toen ik hem aan het toestel vroeg, zei ze dat “meneer” er niet was. Gisteravond om kwart voor zeven had hij het huis verlaten om zijn dochter in het ziekenhuis te bezoeken. Hij was niet teruggekomen.’ De jonge rechercheur keek naar De Cock op. ‘En weet je wat ik vreemd vind?’

‘Nou?’

‘Hij is ook niet op de bank.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Hoe weet je dat?’

De jonge rechercheur tikte met zijn wijsvinger op de beide dreigbrieven op zijn bureau. ‘Die heb ik vanmorgen uit jouw lade gehaald. Om de prenten, die met de jodiumdampen zichtbaar werden te verifiëren, heb ik de vingerafdrukken van Vanderbruggen nodig. Daarom wilde ik een afspraak met hem maken… ook om eens wat uitgebreider op de zaak in te gaan. Iemand van de bank zei mij dat Vanderbruggen er nog niet was. Toen ik aandrong en vroeg hoe laat hij werd verwacht, werd ik doorverbonden.’ Hij zweeg even voor het effect. ‘En raad eens wie ik aan de lijn kreeg?’

‘Geen idee.’

‘Henri la Croix.’

‘De schoonzoon.’

‘Precies. Het schijnt, dat hij een belangrijke functie op die IJsselsteinse Bank bekleedt.’

‘Wat zei hij?’

‘Hij wist ook niet waar Vanderbruggen was. Het verbaasde hem wel dat hij niet was verschenen.’

De Cock wreef over zijn brede kin.

‘Heb je hem gezegd dat Vanderbruggen ook niet in Laren was teruggekeerd?’

Vledder knikte heftig.

‘Zeker. Dat heb ik gezegd. Maar daar was hij niet zo van onder de indruk. Het gebeurde volgens Henri la Croix wel vaker dat de heer Vanderbruggen de nacht niet in huis doorbracht.’

‘Liefjes?’

Vledder glimlachte fijntjes.

‘Ik wilde niet zo indiscreet zijn om daar onmiddellijk naar te vragen.’

De Cock schudde zijn hoofd. Zijn grove, brede gezicht lag in een ernstige plooi. ‘Ik ben het niet helemaal met je eens. Het is nu eenmaal ons beroep. We worden er voor betaald om indiscreet te zijn.’

‘Als het onverhoopt nodig mocht blijken, kunnen we de seksuele escapades van de heer Vanderbruggen altijd nog nader bezien,’ sprak Vledder geringschattend. ‘Ik vond het niet zo belangrijk. Er is toch niets gebeurd. Meneer de directeur heeft besloten een vrije dag te nemen… een baaldag… so what?’

De Cock plukte nadenkend met zijn duim en wijsvinger aan zijn onderlip. Na enkele seconden strekte hij zijn rechterarm naar de jonge rechercheur uit. ‘Bel nog eens met het ziekenhuis en vraag of de heer Vanderbruggen gisteravond werkelijk bij zijn dochter op ziekenbezoek is geweest. Je moet het proberen, misschien dat de begeleidende arts een kort telefoongesprek met mevrouw La Croix wil toestaan.’

Vledder knikte begrijpend.

Zijn leermeester stond op van zijn stoel en begon in de voor hem typische slenterpas door de recherchekamer te stappen. Hij deed dat graag. In de cadans van zijn tred lieten zijn gedachten zich gemakkelijker ordenen. Het plotselinge verdwijnen van de bankdirecteur zinde hem niet. Hij had het vreemde, onbehaaglijke gevoel dat hij aan het begin stond van een reeks macabere gebeurtenissen. Het benauwende daarbij was, dat hij nog zo weinig wist… alles was nog zo vaag… zo ongrijpbaar… een beeld zonder contouren. Onbegrijpelijke brieven, een doopplechtigheid en een bankdirecteur die niet op zijn bureau verscheen. Was er een samenhang?

Hij kneep zijn ogen even dicht. Ver weg, op de bodem van zijn waarneming hoorde hij Vledder praten. Hoewel de woorden hem niet bereikten, trilden de emoties in de stem van de jonge rechercheur op de gevoelige uiteinden van zijn zenuwen.

Toen Vledder de hoorn had neergelegd, kwam De Cock naderbij. De jonge rechercheur zag er geschrokken uit. Hij zag bleek en op zijn bovenlip parelden kleine zweetdruppels. ‘Als meester Schaaps dit hoort,’ sprak hij nerveus, ‘staat ons nog wat te wachten.’

‘Hoezo?’

Vledder wees naar de telefoon op zijn bureau. ‘Dit gesprek komt haar gezondheid beslist niet ten goede. Mevrouw La Croix was hevig geschokt. Ze had al van haar man vernomen dat haar vader vanmorgen niet op de bank was verschenen. Ze maakte zich daar ernstige zorgen over. De heer Vanderbruggen was altijd ruim op tijd aanwezig. Zonder mankeren. Ze kon zich niet herinneren dat haar vader ooit een minuut te laat aan zijn bureau zat.’

‘Hij was op ziekenbezoek?’

Vledder knikte.

‘Hij was er… gelijk met haar man. De heer Vanderbruggen ging echter al voor het einde van het bezoekuur weg. Hij moest naar een afspraak, zei hij, in verband met zekere brieven die hij had ontvangen.’

‘Wist zij wat voor brieven dat waren?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Toen ik haar dat vroeg, raakte ze over haar toeren. Het was door de telefoon duidelijk te horen. Haar stem sloeg over. Vraag het Henri, schreeuwde ze wanhopig, vraag het Henri.’


Het bijna vierkante vertrek ademde een geur van betrouwbare degelijkheid. Diepe lederen fauteuils leunden tegen het decor van een dofglanzende eikenhouten lambrizering. Door de zwaar getraliede ramen viel een diffuus licht. Hoog, aan dikke goude koorden hing in donkere tinten de beeltenis van een late vijftiger met een strenge blik. De Cock bekeek het schilderij aandachtig. Hij ontdekte er de kenmerken van de Amsterdamse School in.

Henri la Croix glimlachte beleefd.

‘De grootvader van de heer Vanderbruggen,’ expliceerde hij, ‘de stichter van deze bank.’

De Cock liet zich in een van de fauteuils zakken. Hij legde zijn oude hoedje naast zich op de vloer. Daarna leunde hij wat achterover en nam de jongeman voor zich nauwkeurig op. Hij was onberispelijk gekleed in een donkerblauw kostuum met een wit overhemd en een parelgrijze das. Het gitzwarte haar was zonder scheiding strak naar achteren gekamd. De huid van zijn gelaat was wat getint. Hij maakte een rustige, ontspannen indruk. Maar de donkerbruine ogen stonden waakzaam.

De grijze speurder keek hem vriendelijk aan.

‘Het verdwijnen van uw schoonvader heeft, zo vinden wij, een ernstig karakter gekregen. Uw vrouw vertelde ons dat hij gisteravond nog voor het einde van het bezoekuur afscheid nam, in verband met een afspraak die hij had.’

Het gezicht van Henri la Croix verstrakte.

‘U hebt haar verhoord?’ vroeg hij verbolgen.

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Het was geen verhoor. We hebben een kort telefoongesprek met haar gevoerd. Meer niet.’

‘Waarom?’

De Cock glimlachte.

‘We wilden weten of de heer Vanderbruggen inderdaad op ziekenbezoek was geweest.’

Henri la Croix stak zijn kin iets naar voren.

‘Dat had u ook aan mij kunnen vragen.’

De Cock knikte instemmend.

‘Maar het interesseerde ons ook hoeveel uw vrouw van de dreigbrieven wist.’

Henri la Croix boog zich met een ruk naar voren.

‘Stella wist niets. Absoluut niets. Nadat hij die brieven had ontvangen, heeft mijn schoonvader contact opgenomen met meester Schaaps en die vond het beter om Stella voorlopig niet in te lichten. Ik dacht dat de officier van justitie u daarover had geïnformeerd?’

De Cock negeerde de vraag.

‘Uw vrouw vertelde ons dat de afspraak die de heer Vanderbruggen had, verband hield met zekere brieven die hij had ontvangen.’ Hij keek de jongeman scherp aan. ‘De dreigbrieven?’

Henri la Croix maakte een hulpeloos gebaartje.

‘Dat weet ik niet. Ik zat in het ziekenhuis al aan Stella’s bed toen mijn schoonvader binnenkwam en hij is zeker een kwartier voor mij vertrokken. Ik heb er niet over kunnen spreken.’

‘Maar u neemt het aan?’

Henri la Croix trok zijn schouders op.

‘Het ligt voor de hand,’ antwoordde hij wat onwillig. ‘Ik denk dat hij het woord “brieven” noemde om mij in te lichten.’

‘Hebt u enig idee met wie hij die afspraak had… hoe die afspraak tot stand was gekomen?’

‘Nee.’

De Cock boog zich iets naar hem toe. Rond zijn mond dansten vriendelijk accolades.

‘De heer Vanderbruggen is toch vertrouwelijk met u?’

Henri la Croix knikte traag.

‘In zakelijk opzicht… zeker. In de privésfeer is hij veel geslotener. Ik denk toch dat het simpele feit dat ik met zijn dochter ben getrouwd, hem ervan weerhoudt om mij… eh, bijvoorbeeld…. zijn… eh, erotische relaties te openbaren.’

‘Die zijn er?’

Henri la Croix knikte nadrukkelijk.

‘Zeker.’

‘Kent u ze?’

Henri la Croix schudde zijn hoofd.

‘Ik zei u toch al… op dat punt was hij met mij zeker niet vertrouwelijk.’

De Cock gebaarde achteloos.

‘U kunt toch uit andere bronnen…’ Hij maakte zijn zin niet af.

‘Hebt u enig idee van wie die vreemde dreigbrieven komen?’

‘Nee… geen idee.’

‘Hebt u ze gezien?’

‘Ook niet.’

De Cock keek hem verwonderd aan.

‘Ze hadden toch betrekking op uw kind… uw kind zou worden ontvoerd?’

Henri la Croix kwam uit zijn fauteuil omhoog. De vragen van de oude rechercheur maakten hem duidelijk onrustig. Hij zwaaide heftig met zijn armen. ‘Ik weet ook niet wat die ouwe in zijn schild voert.’

‘U bedoelt de heer Vanderbruggen?’

Henri la Croix boog zich naar hem over. ‘Hij had mij toch thuis kunnen bellen? Ik heb daar de hele middag zitten werken. Hij had ook het tijdstip van de afspraak een uur kunnen verschuiven. Dan was er tenminste tijd geweest voor overleg. Maar nee… de grote man moest het weer alleen doen.’

De Cock beluisterde een ondertoon van wrevel.

‘Ik stel voor dat wij per telex, voorlopig nog landelijk, de opsporing van de heer Vanderbruggen gaan verzoeken.’

Henri la Croix maakte een afwerend gebaar. ‘Nee, nee,’ riep hij geschrokken, ‘nog niet! Dat bereikt ongetwijfeld de pers… de gevolgen kunnen voor de bank fataal zijn. Directeur verdwenen… dat schaadt het aanzien… de betrouwbaarheid… die…’

In een hoek van het vertrek, op een tafeltje, rinkelde de telefoon. Henri la Croix liep er driftig heen, nam de hoorn op en luisterde. ‘Het is voor u.’

Vledder kwam overeind om de hoorn van La Croix over te nemen. Zonder iets te zeggen, luisterde hij gespannen. Het duurde zeker een minuut. Zijn gezicht verbleekte. Toen legde hij de hoorn op het toestel terug.

‘We moeten komen,’ sprak hij hees. ‘De heer Vanderbruggen is gevonden.’

De Cock keek hem geschrokken aan.

‘Dood?’

De jonge rechercheur knikte traag.

‘Vermoord.’

Загрузка...