5

De beide rechercheurs verlieten het domein van de wachtcommandant en bestegen met lome tred de twee trappen naar de grote recherchekamer. De Cock wierp zijn natte regenjas over zijn rechterschouder en schoof zijn oude hoedje naar achteren. Hij voelde zich moe. Afgetobd. De loop van de gebeurtenissen zinde hem niet. Het verlammende was dat hij de samenhang niet kon vatten. Waar lag het verband… het causale verband tussen de vreemde dreigbrieven, de doopplechtigheid, de gewelddadige dood van de bankdirecteur en de plotselinge vlucht van Stella met haar baby? Was het inderdaad een vlucht? Zo ja… voor wie, voor wat?

Onder in het gebouw krijste een jonge vrouw en beukte zonder pauzes tegen haar celdeur. Het verstoorde zijn denken.

Vledder grijnsde.

‘Dat is er alweer een die haar logies bij ons niet op prijs stelt.’ De Cock negeerde de opmerking.

‘Dat telefoonnummer is van Henri la Croix?’

De jonge rechercheur knikte.

‘Hij kreeg van het Wilhelmina Gasthuis bericht dat zijn vrouw haar kleren had aangetrokken en via de poort aan de Helmersstraat het ziekenhuis had verlaten. Hij verwachtte dat ze direct naar huis zou komen.’

‘Naar de villa aan de Churchilllaan?’

Vledder knikte opnieuw.

‘Maar toen ze na ruim anderhalf uur nog niet was verschenen, werd hij ongerust en belde naar Laren. De bejaarde huishoudster vertelde hem toen dat Stella nog geen kwartier geleden met de baby in de Bentley van de heer Vanderbruggen was vertrokken.’

‘Hoe?’

Vledder keek hem niet-begrijpend aan.

‘Wat bedoel je?’

De Cock wenkte wat wrevelig.

‘Bepakt en bezakt? Leek het erop of ze langere tijd zou wegblijven?’

Vledder keek wat hulpeloos.

‘Dat heb ik allemaal niet gevraagd.’

Ze stapten de recherchekamer binnen. De Cock wierp zijn regenjas en hoed op een lege tafel en ging achter zijn bureau zitten. Hij trok het briefje met de dooptekst uit het borstzakje van zijn colbert en wierp het achteloos in een lade van zijn bureau. Daarna blikte hij naar Vledder tegenover zich.

‘Heb je een omschrijving van de wagen?’

Vledder pakte zijn notitieboekje.

‘Een chocoladebruine Bentley met het kenteken 62-JV-08. Met als bijzonderheid een deuk links voor, boven de koplamp. Ik heb beneden aan Meindert Post al gevraagd of hij de opsporing van Stella la Croix met de baby en de wagen op de telex wilde zetten. Hij zou er een bericht “aan allen” van maken plus “de grensposten”.’

De Cock schonk hem een glimlach.

‘Heel goed.’ Zijn gezicht versomberde. ‘Ik moet er niet aan denken dat wij ook haar met een kogel in haar lijf zouden terugvinden.’ Hij zweeg even.

‘Was Stella al op de hoogte van de dood van haar vader?’

De jonge rechercheur knikte traag. ‘Henri had het haar tijdens het bezoekuur zo voorzichtig mogelijk verteld. Uit zekerheid… om geen brokken te maken, had hij tevoren even contact opgenomen met de behandelende arts.’

‘Hoe reageerde ze?’

‘Volgens Henri la Croix verwerkte ze het bericht redelijk goed. Geen overdreven scènes, geen heftige reacties.’

De Cock plukte peinzend aan zijn onderlip.

‘Toch moet de dood van haar vader haar hebben doen besluiten om het ziekenhuis te verlaten en met haar kind te vluchten.’

‘Denk je dat?’

‘Ik kan tot geen andere conclusie komen.’

Vledder keek hem verschrikt aan.

‘Dat zou kunnen betekenen dat zij achtergronden kent of vermoedt, die tot de dood van Vanderbruggen hebben geleid.’

De Cock reageerde niet direct. Hij leunde wat naar achteren en staarde een tijdje naar een zoemende tl-balk aan het plafond.

Plotseling kwam hij met een ruk naar voren.

‘Heb je het telefoonnummer van Laren?’

‘Dat heb ik.’

De Cock wees met een breed gebaar naar de telefoon.

‘Bel onmiddellijk de huishoudster en vraag haar het adres van mevrouw Vanderbruggen.’

Vledder keek hem wat verward aan.

‘Mevrouw Vanderbruggen?’ herhaalde hij vragend.

De Cock knikte.

‘Eens schonk ze onze bankdirecteur een dochter… herinner je je nog?’

Vledder blikte vertwijfeld naar de klok aan de wand. ‘Het is bijna tien uur.’

Zijn leermeester stond op en slenterde naar de tafel. Hij wurmde zich in zijn oude regenjas en drukte zijn hoed op zijn hoofd.

‘Het is nooit te laat, m’n jong, voor een condoléancebezoek.’

‘Heb je het?’

Vledder antwoordde niet. Het woelige stadsverkeer vergde al zijn aandacht. Hij grabbelde in de rechterzijzak van zijn colbert en gaf De Cock een blocnotevelletje. De grijze speurder drukte de binnenverlichting van de auto aan.

‘Louise van Kolfsschoten,’ las hij hardop. ‘Aan de Kruidenomgang 765 in Duivendrecht.’ Hij frommelde het briefje terug in de zak van Vledder. ‘Wie… eh, wie is Louise van Kolfsschoten?’ Vledder grijnsde.

‘Eens was zij mevrouw Vanderbruggen, die haar man een dochter schonk… herinner je je nog?’ Het klonk spottend.

De Cock glimlachte fijntjes.

‘En nu is zij Louise van Kolfsschoten.’

Vledder knikte.

‘Na haar echtscheiding heeft ze onmiddellijk haar meisjesnaam weer aangenomen.’

‘Onmiddellijk?’

‘Dat zei de huishoudster.’

De Cock drukte de binnenverlichting uit.

‘Wist ze verder nog iets?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Er viel bijna niet met haar te praten. De gebeurtenissen van de laatste dagen hadden haar totaal van streek gemaakt. Ze jammerde honderduit over de dood van de heer Vanderbruggen en over die stoute meid, die zomaar de baby had meegenomen.’

De Cock keek naar hem op.

‘Ze noemde Stella… een stoute meid?’

De jonge rechercheur grinnikte.

‘Ik ben er maar niet op ingegaan. Ik was allang blij dat ze mij het adres kon bezorgen.’

De Cock knikte instemmend.

‘We moeten vandaag of morgen toch maar eens een babbeltje met haar maken,’ sprak hij achteloos. ‘Ik zou wel eens willen weten of Stella veel bagage heeft meegenomen.’

Vledder kneep zijn beide ogen even stijf dicht en klapte toen met zijn vlakke linkerhand tegen zijn voorhoofd.

‘Wat stom… dat is nu al de tweede keer dat ik het vergeet te vragen.’

De grijze speurder liet zich genoeglijk onderuit zakken.

Hij hield van die momenten. Ze deden hem denken aan de tijd dat hij zelf zijn eerste wankele schreden op het glibberige recherchepad zette. Hij streek langzaam met zijn pink over de brede rug van zijn neus. Hoe vaak was hij uitgegleden?


De Kruidenomgang in Duivendrecht bleek een stille laan met rijen robuuste drive-inwoningen en bescheiden blokken vierkante flatgebouwen. Een goede vijftig meter voorbij het nummer 765 parkeerde Vledder de politie-Volkswagen aan de rand van het trottoir. Ze stapten uit en slenterden terug.

In de met zware spoorbiels afgezette tuin bloeiden gele narcissen onder een fraaie dennenboom. De Cock liep eraan voorbij en keek omhoog. Op de eerste etage brandde licht. Hij keek op het naamplaatje en drukte wat schuchter op de bel. Het duurde geruime tijd, toen klonk er: ‘Wie is daar?’ Het geluid kwam links uit een metalen plaat met gaatjes aan de muur. De Cock boog in die richting en nam gewoontegetrouw beleefd zijn hoedje af.

‘Mijn naam is De Cock,’ sprak hij vriendelijk. ‘De Cock met ceeooceekaa. Naast mij staat mijn collega Vledder. Wij zijn rechercheur van politie uit Amsterdam… verbonden aan het bureau Warmoesstraat.’

‘Recherche?’

In de vrouwenstem klonk verbazing en achterdocht.

‘Wij willen even met u spreken.’

‘Waarover?’

De Cock lachte bescheiden.

‘Het onderwerp leent zich niet zo voor een onpersoonlijke discussie met… eh, met een muur.’

Het was even stil.

‘U hebt gelijk,’ sprak de stem kordaat. ‘Ik kom naar beneden.’

Het duurde enkele minuten. Toen ging het licht in de hal aan en opende een vrouw de deur. De Cock schatte haar achter in de veertig. Ze was groot, slank, statig. Boven een zwartfluwelen pantalon droeg ze een donkere trui met een col. Ze hield haar hoofd wat schuin en schonk de grijze rechercheur een minzaam lachje.

‘U neemt het mij niet kwalijk dat ik zorgvuldig ben met bezoekers die zich op dit uur nog aandienen?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Integendeel, het siert u.’ Hij keek naar haar op. ‘U bent mevrouw Van Kolfsschoten?’

‘Ja.’

‘Gescheiden van Albert Cornelis Vanderbruggen?’

‘Inderdaad.’

De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.

‘U zou het ons kwalijk hebben genomen als wij ons bezoek naar een ander uur hadden verschoven.’

Ze keek hem een paar seconden peilend, tastend aan. Daarna stapte ze opzij en gebaarde uitnodigend. Toen ze de deur achter de rechercheurs had gesloten, ging ze hen voor door een met plavuizen belegde hal naar een hardhouten trap. Ze glimlachte verontschuldigend.

‘Het bezwaar van deze huizen is dat men altijd omhoog of omlaag moet.’

De woonkamer op de eerste etage was uiterst gezellig ingericht. Er hingen fraaie landschapsschilderijen aan de wanden en om een open schouw van rode baksteen, stonden vier leren clubfauteuils.

De Cock liet zich in een van de clubs zakken en legde zijn hoedje naast zich op de vloer. Toen ook Vledder en mevrouw Van Kolfsschoten zaten, stond hij weer op. Hij boog zijn hoofd in haar richting.

‘Het is onze droeve plicht,’ sprak hij plechtig, ‘om u te vertellen dat uw ex-man is… is overleden.’

Ze keek naar hem op.

‘Albert?’

De Cock knikte traag.

‘Wij vonden hem vanmiddag. Uw ex-man bleek geen natuurlijke dood te zijn gestorven. Hij is vermoord.’

Ze vouwde haar handen in haar schoot.

‘Vermoord,’ herhaalde ze toonloos.

De Cock liet zich weer in zijn stoel zakken.

‘De officier van justitie, meester Schaaps, heeft het onderzoek naar de moord aan ons opgedragen.’

Ze keek hem scherp aan.

‘Wat heeft Jules hiermee van doen?’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Wie is Jules?’

Mevrouw Van Kolfsschoten gebaarde heftig.

‘Jules… Jules Schaaps.’ Ze snoof verachtelijk. ‘Wat een man… een wolf in schaapskleren.’

‘U kent hem?’

Om haar lippen gleed een matte glimlach.

‘Ik ken uiteraard de hele kliek rondom mijn man.’

De Cock reageerde niet direct. Hij keek haar onderzoekend aan. ‘Dat… eh, dat klinkt niet prettig,’ sprak hij na een poosje. ‘Ik bedoel… het woord kliek heeft bepaald een ongunstige klank.’

Mevrouw Van Kolfsschoten schudde droef haar hoofd.

‘Ik kan er geen ander woord voor vinden. Mijn man heeft… had gewoon een misdadige aard en de figuren waarmee hij zich omringde, hadden dezelfde louche instelling.’

‘De officier van justitie incluis?’

Mevrouw Van Kolfsschoten maakte een loom gebaartje.

‘Een façade… net als mijn man… directeur van de zo betrouwbare en solide IJsselsteinse Bank.’

De Cock wreef in zijn nek. De uitspraken van de vrouw verwarden hem. Het kostte hem moeite ze te verwerken.

‘De dood van uw… eh, uw ex-man schijnt u weinig te beroeren.’

Hij sprak voorzichtig om haar niet te kwetsen.

Ze vouwde haar handen weer in haar schoot.

‘Ik onderga op dit moment niets… geen verdriet of zo. Maar misschien komt de reactie later nog. Ik ben bijna twintig jaar met die man getrouwd geweest. En ik heb van hem gehouden.’

Ze zweeg even. ‘Naar mijn gevoel is hij al zeven jaar geleden gestorven.’

‘Toen u zich van hem liet scheiden.’

Ze boog haar hoofd.

‘De maat was toen vol. Ik kon het echt niet langer verdragen. Albert had geen… geen geweten. Zoiets bemerk je niet van de ene dag op de andere. Het is een proces van herkenning… van bewustwording. Daar heb je jaren voor nodig.’

Er viel een stilte. Mevrouw Van Kolfsschoten scheen in gedachten verzonken. Haar gezicht had vrijwel geen expressie.


De Cock nam haar scherp in zich op. Ze was geen lelijke vrouw, stelde hij vast. Integendeel. De jaren hadden haar figuur nauwelijks aangetast. De huid van haar gezicht was nog strak. Alleen rond de mond begon een krans van ragfijne rimpeltjes zich te manifesteren. In de haarinplant, de kleur en de stand van de ogen ontdekte hij enige gelijkenis met mevrouw La Croix.

Hij kuchte om haar aandacht.

‘Uw… eh, uw dochter Stella koos de zijde van uw man?’

De vraag bracht haar tot de werkelijkheid terug.

‘Stella,’ antwoordde ze zacht, bijna fluisterend, ‘Stella nam het mij kwalijk dat ik mij van Albert liet scheiden.’

‘Waarom?’

Om haar mond gleed een trieste glimlach.

‘Stella heeft zo haar eigen principes. In dat opzicht lijkt ze heel veel op haar vader. Je hebt bijna twintig jaar lang heel comfortabel van de opbrengst van zijn gewetenloze praktijken geleefd, zei ze. Het is laf en oneerlijk om hem nu in de steek te laten.’

‘Ze ging niet met u mee?’

‘Nee, ze bleef bij Albert in Laren.’

‘En trouwde Henri la Croix.’

Opnieuw gleed langs haar mond die trieste glimlach.

‘Ik heb hem een paar maal ontmoet. Stella bracht hem mee om kennis te maken. Ik heb echt mijn best gedaan, maar ik kon geen gevoelens van sympathie voor die jongen opbrengen. Ik heb mij ook tegen het huwelijk verzet. Maar mijn man was erg met hem ingenomen. Hij wilde geen kwaad woord over Henri horen.’

‘Wat waren uw bezwaren?’

Mevrouw Van Kolfsschoten antwoordde niet direct. Met nerveuze bewegingen trok ze aan de zoom van haar donkere trui. ‘Ik wilde mijn dochter een leven besparen, zoals ik dat had geleid.’

De Cock keek haar schuins aan.

‘U bedoelt, dat Henri net zo gewetenloos is als…’ Hij maakte zijn zin niet af.

Ze schudde haar hoofd.

‘Niet gewetenloos of louche… maar gedreven door een onverzettelijke wil om maatschappelijk heel hoog te reiken.’

‘Ten koste van alles?’

Ze knikte traag voor zich uit.

‘Zelfs ten koste van Stella.’ Op dat moment kwam, gestoken in een hemelsblauw joggingpak, een stevig gebouwde jongeman de kamer binnen. Even voorbij de deur bleef hij staan. In zijn ogen glansde verwondering. Mevrouw Van Kolfsschoten kwam uit haar stoel overeind en gebaarde in zijn richting.

‘Dat is Marius… mijn zoon.’

Ze liep naar hem toe.

‘Dat zijn twee heren van de recherche.’

De adamsappel van de jongeman schoof op en neer.

‘Recherche?’

Mevrouw Van Kolfsschoten knikte.

‘De heren zijn bezig met een onderzoek. Ze hebben je vader vermoord.’

Een moment scheen de jongeman verbijsterd. Maar de uitdrukking op zijn gelaat veranderde snel. Zijn lippen klemden zich opeen tot een dunne lijn. Zijn neusvleugels trilden.

‘Vermoord?’ Hij grinnikte. Zijn mond trok scheef in een bijna duivelse grijns. ‘Nu pas?’

Mevrouw Van Kolfsschoten keek haar zoon geschrokken aan.

‘Marius!’

De jongeman kwam een stap naderbij.

‘God weet, dat ze dat al zeven jaar geleden hadden moeten doen.’

Загрузка...