12

Vledder onderbrak hem enthousiast. Zijn ogen straalden.

‘Dat is hem,’ riep hij blij, ‘dat is de man die wij zoeken. Dat kan niet missen. Hij vormt de schakel tussen de beide moorden.’

Jean-Baptiste Devoordere keek de jonge rechercheur verrast aan. ‘Het is een al wat oudere man,’ legde hij uit. ‘Ongeveer van dezelfde leeftijd als mijn vader. Misschien nog wel iets ouder.’

Vledder gebaarde naar De Cock.

‘Wij zijn dezelfde man in ons onderzoek al een keer tegengekomen. Hij sprak toen dezelfde dreiging uit… in dezelfde bewoordingen… maar toen ten aanzien van de bankier Vanderbruggen.’

Jean-Baptiste reageerde verwonderd.

‘U… eh, u kent hem?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Een vrouwtje van lichte zeden, met wie Vanderbruggen destijds contacten onderhield, vertelde van hem. Zijn identiteit kennen wij niet.’

Jean-Baptiste Devoordere zuchtte.

‘Ik weet ook niet wie hij is. Toen wij het bericht van vaders dood kregen, dacht ik onmiddellijk aan hem. Ik heb aan mijn moeder gevraagd of zij met betrekking tot mijn vader ene Pieter kende, maar die naam zei haar niets.’

De Cock wuifde in zijn richting.

‘U heeft ook destijds niet aan uw vader om een uiteenzetting gevraagd? Blijkbaar wist hij onmiddellijk wie u bedoelde.’

Jean Baptiste knikte.

‘Dat wist hij. En ik kreeg ook het idee dat het niet de eerste keer was dat vader die bedreiging hoorde. Hij deed er echter zo nonchalant, zo luchthartig over dat ik niet verder heb gevraagd.’

De jonge rechercheur Raap kwam de recherchekamer binnen. Over zijn schouder droeg hij een grijze plastic zak. Met een zwaai liet hij de zak op een lege tafel ploffen.

De Cock begroette hem met een glimlach.

‘Wat heb je daar, Frans?’ vroeg hij vriendelijk.

De jongeman grijnsde.

‘De spullen van dat lijk… die Devoordere. Uit het sectielokaal.’ Hij zwaaide misprijzend naar Vledder. ‘Meneer had geen zin om met de broeders van de Geneeskundige Dienst mee te rijden en vroeg via de mobilofoon of ik het wilde doen.’

‘Jij was op pad?’

‘Ja, ik was toevallig in de buurt van Molenwijk.’

‘En jij wilde wel?’

Frans Raap lachte wat verlegen.

‘Als ik iemand helpen kan.’

De Cock wees naar de plastic zak op tafel.

‘Had Devoordere brieven bij zich?’

De jonge rechercheur schudde zijn hoofd.

‘Nadat de broeders hem in het sectielokaal hadden uitgekleed, heb ik al zijn zakken binnenstebuiten gekeerd. Een portefeuille met wat geld en creditcards. Een mapje met autopapieren. Geen enkele brief.’ Hij zweeg even. ‘O ja, dat moet ik je nog zeggen. Kort voor ik van de flat wegging, sprak ik met Ben Kreuger van de Dactyloscopische Dienst. Hij vertelde dat hij onder de witte Pierrot opnieuw een briefje had gevonden met dezelfde tekst. Hij zou het meenemen naar het laboratorium voor een onderzoek met jodiumdampen.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Ben hoopt op vingerafdrukken.’


Rechercheur Raap tastte naar de binnenzak van zijn nylon jack en trok een pistool tevoorschijn. Het was een fraai klein wapen, verchroomd met kolfplaten van parelmoer. Hij draaide het om. Aan beide zijden stonden in goud de initialen JRS.

De Cock keek vragend naar hem op.

‘Hoe kom je daaraan?’

‘Die zat in de rechterzak van zijn colbert.’

De Cock nam het wapen over.

‘Bij Devoordere?’ vroeg hij verbaasd.

Frans Raap knikte nadrukkelijk.

‘Wees er maar voorzichtig mee,’ sprak hij bezorgd. ‘Het ding is geladen. Er zit een patroon in de kamer en nog vijf in de houder. Kaliber 7.65… net als onze kleine politie-FN.’

De Cock wendde zich naar Jean-Baptiste en toonde hem het vuurwapen.

‘Kent u dit?’

Het gezicht van de jonge Devoordere zag heel bleek. Hij schudde traag zijn hoofd. ‘Dat is niet van vader,’ sprak hij zacht, bijna fluisterend. ‘Vader… vader droeg nooit een wapen.’


Toen Jean-Baptiste Devoordere was vertrokken en ook Frans Raap afscheid had genomen, nam De Cock het pistool opnieuw ter hand. Het fraaie wapen intrigeerde hem. Hij keek naar Vledder, die zijn schrijfmachine naar zich toe had getrokken om een rapport van zijn bevindingen te maken.

‘Waarom,’ vroeg hij aarzelend, wat bedachtzaam, ‘heeft een man, die nooit gewapend is… die volgens zijn oudste zoon nooit in dienst is geweest en niet eens weet hoe zo’n apparaat werkt… plotseling een pistool op zak?’

Vledder schoof zijn onderlip vooruit.

‘Uit voorzorg… omdat hij bang is… een aanval vreest.’

‘Van wie?’

De jonge rechercheur gebaarde boven zijn schrijfmachine. ‘Een aanval van de man of de vrouw die hij verwacht te ontmoeten.’ De Cock knikte traag, nadenkend.

‘Jean-Paul Deveordere ging dus… net als zijn vriend Vanderbruggen tien dagen tevoren… naar een afspraak… een afspraak, zo mogen wij aannemen, met zijn toekomstige moordenaar.’ Hij stond van zijn stoel op en begon met grote passen door de recherchekamer te stappen. Bij het bureau van Vledder bleef hij staan en stak zijn rechterwijsvinger omhoog. ‘En hij besefte het gevaar.’

Vledder knikte instemmend.

‘Vandaar dat hij zich bewapende.’

De grijze speurder kneep beide ogen dicht. ‘Toch ging hij,’ dacht hij hardop. ‘Toch ging hij.’ Toen hij zijn ogen weer opende keek hij Vledder vragend aan. ‘Wij hebben ook op het lijk van Vanderbruggen geen brieven gevonden?’

‘Nee.’

‘Toch had Vanderbruggen een brief ontvangen… die zondag. De brief die voor hem de aanleiding vormde om naar Molenwijk… naar de flat van Carla van Heeteren te gaan. De vraag is… ontving ook Jean-Paul Devoordere zo’n brief… zo ja, waar zijn beide brieven gebleven?’

Vledder grinnikte droog.

‘De moordenaar zal ze na zijn gruweldaad hebben teruggenomen.’

‘Waarom?’

De jonge rechercheur trok zijn schouders op.

‘Dat… dat moet je de moordenaar vragen.’

De Cock negeerde de opmerking.

‘Omdat,’ antwoordde hij zichzelf, ‘de brieven voor hem belastend waren.’

Vledder schudde vertwijfeld zijn hoofd.

‘Waarom laat hij voor ons wel die tekst achter?’

‘Je bedoelt: Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn?’

‘Ja.’

Zijn leermeester gebaarde afwerend.

‘Die tekst liet hij niet voor óns achter.’

‘Voor wie dan wel?’

De Cock grijnsde boosaardig. De grillige accolades rond zijn mond dansten macaber.

‘Voor zijn volgend slachtoffer.’

Op het bureau van De Cock rinkelde de telefoon. Vledder nam de hoorn van het toestel en luisterde. Even later gebaarde hij met de hoorn in zijn hand.

‘Beneden aan de balie staat Smalle Lowietje.’

‘Laat hem onmiddellijk boven komen.’

Vledder herhaalde de kreet en legde de hoorn op het toestel terug. Het duurde enkele minuten, toen ging de deur open en verscheen een spits muizensnuitje boven de kruk. De blik van de tengere caféhouder dwaalde schichtig door de recherchekamer. Het constateren dat alleen De Cock en Vledder aanwezig waren, luchtte hem zichtbaar op. Glimlachend trad hij naderbij.

‘Ik heb niet zo veel tijd,’ sprak hij gehaast. ‘Ik heb zolang Blauwe Japie bij mij achter de tap gezet. Als ik te lang wegblijf, heeft hij mijn hele voorraad drank opgezopen.’

De Cock lachte hartelijk.

‘Je moet Blauwe Japie niet nemen… je moet een geheelonthouder achter de tap zetten.’

Smalle Lowietje grinnikte.

‘Blauwe knopen zijn er in de omgeving van de Walletjes niet veel te vinden.’ Hij trok zijn tengere schouders wat op en grijnsde. ‘Gelukkig, anders kon ik mijn etablissement der dorstigen wel sluiten.’

De Cock keek hem met geveinsde verbazing aan.

‘Lowie, je wordt lyrisch.’

De caféhouder negeerde de opmerking en liet zich op de stoel naast het bureau van De Cock zakken. Vertrouwelijk boog hij zich naar de grijze speurder toe.

‘Toen je de laatste keer bij mij was,’ sprak hij zacht, samenzwerend, ‘had je het over Jimmy de Munnick… en of hij nog brieven schreef.’

De Cock knikte.

‘Daar had ik het over.’

Smalle Lowietje gebaarde met gespreide vingers.

‘Ik heb eens hier en daar voor je geïnformeerd… hij doet het nog steeds… brieven schrijven. En het schijnt hem geen windeieren te leggen. Er zijn blijkbaar nog steeds rijke stinkerds, die er veel geld voor over hebben om Jimmy te laten zwijgen. Hij heeft een flat in Zandvoort. Bovendien heeft hij kortgeleden op het Spaanse Mallorca, niet ver van Las Palmas een kapitale bungalow met een grote lap grond gekocht.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Hoe weet je dat?’

Smalle Lowietje glimlachte geheimzinnig.

‘Van Ome Cor… Ome Cor de timmerman uit de Molsteeg. Er moet aan die bungalow nog het een en ander worden opgeknapt en nu heeft Jimmy aan Cor gevraagd of hij dat wil doen. Zie je, Jimmy de Munnick heeft van de Spaanse bouwvakkers geen hoge hoed op.’

‘Dus vroeg hij Ome Cor.’

‘Precies. Ome Cor krijgt er zijn geld voor en mag bovendien met zijn gezin in de bungalow wonen tot het karwei helemaal klaar is.’

De Cock knikte begrijpend.

‘En dat gestudeerde dametje,’ vroeg hij argeloos, ‘dat hij aan de hand had?’

Smalle Lowietje trok zijn muizensmoeltje in een ernstige plooi. ‘Die heet Carla… Carla van Heeteren. Ze heeft een mooie flat in Molenwijk en…’ Plotseling stokte hij. Met open mond keek hij De Cock aan. In zijn ogen glansden verwondering en verwarring. ‘Ma… maar,’ stotterde hij, ‘daar zijn toch die twee mannen neergeschoten? Met die zaak ben jij toch bezig?’

De Cock lachte hartelijk. Van de expressie op het gezicht van de kleine caféhouder genoot hij intens.

‘Jij denkt dat Jimmy de Munnick die bungalow heeft gekocht van chantagegeld?’ vroeg hij zakelijk.

Smalle Lowietje blikte verontwaardigd naar hem op.

‘Waarvan anders?’

De Cock gebaarde nonchalant.

‘Van het geld dat die Carla binnenbrengt.’

De tengere caféhouder snoof.

‘Dat stelt niets voor… zeker niet in verhouding tot wat chantage oplevert.’ Hij schudde misprijzend zijn hoofd. ‘Ik heb nog nooit een niesse{Niesse: bargoens voor meisje.} van pezen{Pezen: prostitutie bedrijven.}echt rijk zien worden. Bovendien schijnt die Carla een typetje te zijn dat nog wel eens een gozertje aan de hand heeft.’

‘Hoe bedoel je?’

Smalle Lowietje grijnsde.

‘Wel, een knap gozertje om eens lekker vreemd mee te gaan. Ik heb gehoord dat ze nu weer met zo’n jochie van een sportschool voost{’Vozen: buiten de vaste relatie beleven van een niet-commerciële seksuele verhouding.}.

De Cock keek hem onderzoekend aan.

‘Ken je hem?’

Smalle Lowietje streek met de nagels van zijn rechterhand over zijn morsige vest.

‘Mooie Robbie… echt een knap gozertje, een bodybuilder, je weet wel, zo’n vent die de godganselijke dag met zijn eigen lijf bezig is. Hij komt veel hier verderop in de sportschool. Vroeger vond ik hem wel een aardig kereltje… een echte sportjongen, maar sinds hij weet dat de vrouwen van hem gecharmeerd zijn, is hij gewoon onuitstaanbaar geworden.’

‘Ken je zijn echte naam?’

De tengere caféhouder trok een bedenkelijk gezicht.

‘Niet zo direct. Maar dat zal ik wel eens voor je uitvogelen. Ik heb zo’n idee dat hij tegenwoordig puur op de criminele toer is.’

‘Hoezo?’

Smalle Lowietje gebaarde met beide handen.

‘Hij rijdt sinds een paar weken in een snelle super-de-luxe sportwagen. Laatst kwam hij ermee over de gracht. En wie denk je dat er naast hem zat?’

‘Nou?’

Smalle Lowietje gniffelde.

‘Jimmy de Munnick.’

De Cock slikte.

‘En dat is de… eh, de man van Carla.’

De tengere caféhouder knikte bedaard.

‘Ze hadden veel gein samen in de wagen. Bovendien heeft hij een blaffer gekocht.’

‘Wie?’

‘Mooie Robbie.’

‘Wat voor een blaffer?’

‘Een revolver… een negen millimeter Smith & Wesson.’

De Cock trok zijn donkere wenkbrauwen samen.

‘Een negen millimeter?’ herhaalde hij verrast.

Smalle Lowietje spreidde zijn beide handjes.

‘Azen Appie heeft het mij zelf verteld. Hij heeft de blaffer op bestelling geleverd.’

Загрузка...