De Cock leunde achterover in zijn bureaustoel.
‘Was er veel belangstelling?’
Vledder knikte traag.
‘Ik had het idee dat ons gehele Nederlandse management op de begraafplaats Zorgvlied rondliep. Ik heb oud-ministers gezien, gewezen staatssecretarissen en peperdure captains of industry. Van alle multinationals waren topfiguren aanwezig.’
Op het brede gezicht van De Cock verscheen een grijns.
‘De adel van onze tijd.’
Vledder staarde wat peinzend voor zich uit.
‘Gezien de enorme belangstelling moet Vanderbruggen in die kringen een groot aanzien hebben genoten.’
‘In welk opzicht?’
‘Hoe bedoel je?’
De Cock wuifde afwerend.
‘Heeft Bram van Wielingen foto’s gemaakt?’
Vledder lachte bij de herinnering.
‘Bram kende bijna alle aanwezigen. Hij riep voortdurend dat hij nog nooit zo’n stelletje ongeregeld bij elkaar had gezien.’ De jonge Vledder keek wat schuins naar De Cock. ‘Hij herkende zelfs een man van wie hij nog niet eens zo lang geleden na zijn arrestatie de gebruikelijke politiefoto’s had gemaakt.’
‘Wie?’
‘Jimmy de Munnick.’
De Cock kneep zijn wenkbrauwen samen.
‘Tussen al die luitjes?’
Vledder knikte overtuigend.
‘Het leek alsof hij erbij hoorde.’
‘En Carla van Heeteren?’
‘Die heb ik niet gezien.’
De Cock keek naar zijn jonge collega op.
‘Stella la Croix?’
Vledder stak de beide handen voor zich uit.
‘Ik heb heel speciaal naar haar uitgekeken. Ik was er in mijn hart min of meer van overtuigd dat zij op de begrafenis van haar vader zou verschijnen. Ik had in mijn notitieboekje zelfs een rijtje vragen geschreven, die ik haar beslist wilde stellen.’ Hij schudde triest zijn hoofd. ‘Ze was er niet.’
De Cock wreef over zijn kin.
‘Dat is inderdaad opmerkelijk.’ Zijn gezicht stond ernstig. ‘Stella stond duidelijk aan de zijde van haar vader. Ik had het gevoel dat er een sterke band was.’
Vledder knikte.
‘Toch was ze er niet.’
‘En Henri la Croix?’
De jonge rechercheur grijnsde breed.
‘Die was in al zijn stille bescheidenheid uiterst indringend aanwezig. Hij hield in de aula een mijns inziens goed voorbereide toespraak, waarin hij de uitzonderlijke kwaliteiten van de heer Vanderbruggen memoreerde… zijn buitengewone verdiensten voor de IJsselsteinse Bank. En hij besloot zijn speech uiterst indrukwekkend… met de oprechte hoop uit te spreken, dat het de Amsterdamse recherche snel mocht gelukken de lafhartige moordenaar op te sporen.’
‘Applaus.’
Vledder keek zijn leermeester misprijzend aan.
‘Voor ons?’ Hij trok een somber gezicht. ‘Beslist onverdiend. Ik heb het gevoel dat wij in een moordzaak nog nooit zo ver van de oplossing verwijderd zijn geweest als dit keer.’ Hij keek vragend op. ‘Zie jij er een gat in?’
De Cock antwoordde niet. Zolang zijn voeten nog geen pijn deden, zolang het legioen van geniepige kleine duiveltjes nog niet met helse naalden in zijn kuiten prikte, was hij hoopvol gestemd.
‘Was er een treurende ex-vrouw Vanderbruggen?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Ik heb met het oog op Stella la Croix juist alle aanwezige vrouwen nauwlettend bekeken. Mevrouw Van Kolfsschoten was er niet. Wel haar zoon.’
‘Marius?’
Vledder snoof afkeurend.
‘Hij viel helemaal uit de toon. Alle heren waren in stemmig zwart… hij liep in hetzelfde hemelsblauwe joggingpak, waarin wij hem thuis hebben gezien. Het was duidelijk provocerend. Er klonken kreten van schande en iemand wilde hem uit de aula verwijderen. Er ontstond zelfs wat rumoer, toen Marius zich daartegen verzette. De jongeman sloeg wild om zich heen en riep duidelijk overspannen: “Gij hebt het tot een kuil van moordenaars gemaakt.”’
‘En toen?’
‘De begrafenisondernemer is persoonlijk tussenbeide gekomen voordat het een complete rel werd. Hij heeft de jongen wat gekalmeerd en Marius met zijn hemelsblauwe joggingpak toch maar in de aula gelaten. En zo stond hij later ook vooraan bij de groeve.’
De Cock plukte peinzend aan zijn onderlip.
‘De tempelreiniging.’
Vledder keek hem aan.
‘Tempelreiniging?’
De Cock knikte traag.
‘Gij hebt het tot een kuil van moordenaars gemaakt… dat zijn woorden die Jezus sprak, toen hij de handelaren in Jeruzalem uit de tempel joeg.’
Vledder grinnikte.
‘Hoe komt die jongen aan die tekst?’
‘Marius noemt zich “een waarlijk volgeling”.’
‘Van wie?’
De Cock gebaarde met beide handen.
‘Een waarlijk volgeling van Christus.’ Hij zuchtte diep. ‘Ik ben er praktisch de gehele morgen mee bezig geweest. Zie je, het gedrag van Marius tijdens ons bezoek aan zijn moeder intrigeerde mij al. Ik vroeg mij af wat voor een jongen hij was… wat hij deed. Waarom hij bij de scheiding wél de zijde van zijn moeder had gekozen en Stella niet. Marius, zo ontdekte ik, is al jaren een toegewijd lid van een strenge godsdienstige sekte… een soort genootschap dat studie maakt van de Heilige Schrift en dat in navolging van Christus al het kwaad uit de wereld wil bannen.’
Vledder grijnsde.
‘Hij kan beter bij de politie solliciteren.’
De Cock negeerde de opmerking.
‘Marius zit barstensvol haatgevoelens jegens zijn vader. In navolging van zijn moeder, die geen alimentatie van haar man wenste, heeft Marius al zijn aanspraken op een deel van de erfenis van zijn vader afgewezen. Dat is bij notariële akte vastgelegd.’
Vledder keek De Cock nadenkend aan.
‘Wanneer heeft hij dat gedaan?’
‘Vier maanden geleden.’
‘Dan erft Stella alles?’
‘Inderdaad.’
Vledder wreef zich in zijn nek.
‘Een prachtmotief. Het is dat ze een onaantastbaar alibi heeft…’ Hij maakte zijn zin niet af. ‘Marius was dus niet gebaat bij de dood van zijn vader.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Niet in die zin. Hij had er geen financieel voordeel bij. Maar dat sluit hem niet uit. Een lang sluimerende intense haat kan heel goed in een moord ontaarden.’
Vledder kneep zijn ogen halfdicht.
‘Je denkt dat Marius zijn vader heeft neergeschoten?’
De Cock antwoordde niet direct.
‘Die rel,’ sprak hij na een poosje, ‘vanmorgen in de aula, verbaast mij niet. Ik heb van ingewijden vernomen dat Marius Vanderbruggen ook de doopplechtigheid in de Westerkerk had willen verstoren. Hij opperde dat plan tijdens een bijeenkomst. Toen een lid van de sekte opmerkte, dat de ten doop gehouden baby geen schuld trof en dat alleen God het recht had om de misdaad der vaderen te wreken op de kinderen, toonde hij berouw en zag van het plan af.’
‘Een vreemde jongen.’
De Cock knikte. Zijn gezicht stond ernstig.
‘En iemand die de Heilige Schrift kent.’
Vledder staarde hem met grote ogen aan.
‘Dat malle briefje onder de Pierrot… Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn.’