4

Ik heb u bij uwen naam geroepen, gij zijt Mijn.

De Cock las de tekst nog een paar maal hardop, steeds met een andere intonatie. Het was alsof hij zocht naar een openbaring. Hij hield het briefje tegen het licht. Daarna bekeek hij de letters aandachtig. ‘Als ik mij niet vergis,’ sprak hij aarzelend, ‘is het hetzelfde papier en hetzelfde schrift als van de dreigbrieven.’

Hij wendde zich tot Ben Kreuger. ‘Lag het ónder de Pierrot?’

De dactyloscoop knikte wat weifelend.

‘Ik zag het pas toen ik de Pierrot optilde om hem op vingerafdrukken te onderzoeken. Misschien stak het wel een stukje onder de Pierrot uit. Dat weet ik zo niet. Maar als Bram van Wielingen zijn werk goed heeft gedaan, dan moet dat op de foto’s te zien zijn.’

De Cock gebaarde om zich heen.

‘Heb je nog wat gevonden?’

Ben Kreuger grinnikte.

‘De werkster is een sloddervos en de slaapkamer is bijzonder in trek.’

‘Hoe bedoel je?’

De dactyloscoop wees over zijn schouder.

‘Ik heb daar in die slaapkamer zo’n grote verscheidenheid aan afdrukken gevonden, dat het lijkt of wel tien echtparen van de sponde gebruikmaken.’

De Cock lachte hartelijk.

‘Een gemeenschapsbed.’

Ben Kreuger gromde.

‘Maar zonder kindervingertjes.’

De Cock blikte om zich heen.

‘Die verwacht ik hier ook niet.’

De bedaagde dactyloscoop borg zijn spulletjes op en klapte zijn aluminiumkoffer dicht. Hij trok een zorgelijk gezicht. ‘Dit is een vies zaakje, De Cock,’ sprak hij ernstig. ‘Op een of andere manier stinkt het. Volgens mij krijg je er nog een hele klus aan.’ Hij sjokte met zijn koffer de kamer af. Bij de deur draaide hij zich nog even om. ‘Ik zal de greepjes{Groepjes vingerafdrukken van één hand.} uitzoeken. Je hoort nog van me.’

De grijze speurder wuifde hem na.

Vledder nam het briefje met de tekst uit de hand van zijn oude leermeester en rook eraan. ‘Geen parfum,’ stelde hij vast. ‘Wie zou dit hier hebben neergelegd… en met welk doel?’

De Cock antwoordde niet.

‘Het wordt tijd dat je Carla van Heeteren bij de buren weghaalt voor een openhartig gesprek.’

Vledder aarzelde, bleef voor De Cock staan.

‘Die tekst… door wie… waarom?’

Het klonk dwingend.

De Cock trok zijn gezicht strak.

‘Door iemand,’ sprak hij grimmig, ‘die per se wilde dat wij een verband zouden leggen tussen de doopplechtigheid in de Westerkerk en de dood van de heer Vanderbruggen.’


Ze kwam aarzelend binnen. Een fraaie bontmantel gleed van haar schouders. Vledder bukte zich en legde de mantel over zijn arm. Uit het bleke gezicht van Carla van Heeteren straalde angst. Haar grote blauwe ogen dwaalden door het vertrek, bleven rusten op het tapijt, in de kegel van licht waarin het lijk van Vanderbruggen had gelegen. Vledder duwde haar zachtjes verder de kamer in.

De Cock trad op haar toe. De lijnen rond zijn mond lagen in een vriendelijke plooi. Hij stak zijn hand naar haar uit. ‘Mijn naam is De Cock,’ sprak hij beminnelijk, ‘De Cock met ceeooceekaa.’ Hij strekte zijn arm in de richting van de jonge rechercheur schuin achter haar. ‘U hebt al kennis gemaakt met mijn collega Vledder.’

Ze knikte traag en drukte de haar toegestoken hand. Daarna schudde ze aanhoudend haar hoofd. ‘Ik heb het niet gedaan,’ sprak ze afwezig, bijna toonloos. ‘Ik heb het niet gedaan.’

De Cock glimlachte en leidde haar naar een fauteuil.

‘Ga eerst rustig zitten,’ sprak hij vaderlijk. ‘U woont hier?’ Haar tong gleed langs haar lippen.

‘Dit is mijn flat.’

‘U woont hier al lang?’

‘Bijna vijf jaar.’

De Cock wees om zich heen: naar het bankstel, naar de met tapijt beklede wanden.

‘De inrichting… het interieur… hebt u zelf bedacht?’

Carla van Heeteren ontweek zijn blik.

‘Mijn vriend.’

‘Die woont hier ook?’

Ze schudde haar hoofd.

‘Ik woon hier alleen.’

‘Wat is uw beroep?’

Ze antwoordde niet.

‘Uw beroep?’ herhaalde De Cock vriendelijk.

Ze verschoof iets in haar stoel.

‘Ik ben een… eh, een callgirl.’

De Cock knikte begrijpend.

‘En de heer Vanderbruggen bezocht u als klant?’

Ze stond geëmotioneerd uit haar fauteuil op.

‘Hij bezocht mij niet. Ik bedoel, ik wist het niet. Ik wist helemaal niet dat hij zou komen.’

‘U kende hem wel?’

‘Ja.’

‘In… eh, in uw hoedanigheid van callgirl?’

Ze liet zich weer in haar fauteuil terugzakken.

‘Albert… de heer Vanderbruggen, bezoekt mij al jaren. We konden het samen heel goed vinden. Ik heb hem leren kennen door Jean-Paul Devoordere. Op een zekere dag bracht hij hem mee. Dat was ruim een week nadat zijn vrouw hem had verlaten.’

‘U troostte hem?’

Carla van Heeteren keek hem verbolgen aan.

‘Ik weet niet of u het spottend bedoelt, maar Albert kon in die dagen begrip en vrouwelijke genegenheid bijzonder waarderen.

Zijn vrouw scheen de gevoelens van haar man… zijn terechte verlangens… nooit op prijs te hebben gesteld.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Devoordere,’ sprak hij nadenkend, ‘Jean-Paul Devoordere… directeur van International Electronics?’

Er brak een glimlach bij haar door. Ze trok haar schouders iets naar achteren en drukte haar borst naar voren.

‘Ik heb een uitgebreide en vooral… invloedrijke kennissenkring.’

De Cock keek haar wat schuins aan. Hij had in haar stem plotseling een ondertoon van dreiging beluisterd.

‘Albert… de heer Vanderbruggen,’ ging hij verder, ‘kwam dus onaangekondigd bij u binnen?’

Carla van Heeteren schudde heftig haar hoofd. Haar blonde haren waaierden uit.

‘Hij kwam niet binnen. Ik bedoel… ik was er niet. Ik vond hem pas een paar uur geleden, toen ik thuiskwam.’

Ze wees naar de plek onder de schemerlamp. ‘Daar lag hij. Op zijn zij. Ik heb geen moment getwijfeld. Ik zag direct aan zijn ogen dat hij dood was.’

‘Toen hebt u onmiddellijk de politie gewaarschuwd?’

Carla van Heeteren liet haar hoofd iets zakken.

‘Ik heb eerst mijn vriend gebeld.’

De Cock keek haar verwonderd aan.

‘Waarom?’

Weifelend trok ze haar schouders op.

‘Het is nooit zo goed voor iemands reputatie… voor de eer en het aanzien van de familie… wanneer een man dood in de flat van een callgirl wordt aangetroffen. Voor de pers om van te smullen.’ Ze keek naar de grijze speurder op. ‘Ik wilde niet ondoordacht handelen.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Hebt u… eh, buiten uw vriend… nog met andere mensen gebeld?’

‘Nee.’

De Cock wreef zich nadenkend in de nek.

‘Waar was u gisteren… zondag?’

‘Bij mijn vriend. Ik ben elk weekend bij hem. Alleen tijdens de werkdagen ontvang ik bezoek. Daar heb ik deze flat voor.’

‘En dat wist de heer Vanderbruggen?’

‘Zeker.’

‘Toch kwam hij… waarom?’

Carla van Heeteren maakte een hulpeloos gebaar.

‘Dat weet ik toch niet.’ Het klonk wat wrevelig. ‘Ik weet niet wat hem heeft bezield.’

‘Hoe kwam hij binnen?’

Ze zuchtte diep.

‘Albert heeft een sleutel van de flat. Al mijn… eh, betere relaties hebben een sleutel van mijn flat.’

‘Bent u niet bang voor verrassingen?’

Ze schudde haar hoofd.

‘Ik heb daar geen problemen mee. Ze mogen de sleutel zelfs… uiteraard tegen vergoeding… naar believen uitlenen aan vrienden en kennissen.’

‘En dat wordt gedaan?’

‘Soms.’

De Cock nam een adempauze. Intussen nam hij haar scherp in zich op. De jonge diender had gelijk. Carla van Heeteren was een mooie vrouw. Lang goudblond haar golfde glanzend over haar ronde schouders. Haar gelaat was fraai gevormd, ovaal, bijna klassiek, met een matbleke huid. Nog sprekender dan de blauwe ogen, waren in dat gelaat de volle, sensuele lippen, scherp aangezet in ceriserood. De oude rechercheur bezag het met een glimlach. Onbeschaamd gleed zijn blik van haar hals naar beneden en hechtte zich aan de wulpse welvingen van haar lichaam.

‘Een verrukkelijk vrouwtjesdier,’ concludeerde hij zonder enige terughouding. ‘U bent als het ware geschapen om mannen te behagen.’

In haar blauwe ogen vonkte een vervaarlijk vuur. Ze perste haar lippen op elkaar. ‘Ik zal mij over u beklagen,’ sprak ze fel. ‘Uw opmerkingen zijn beledigend.’

De Cock schonk haar zijn beminnelijkste glimlach.

‘Ik heb ze als een compliment bedoeld.’

Op haar wangen kwam wat kleur. Het maakte haar nog aantrekkelijker. ‘U zult hier meer van horen. Ik ken een officier…’ Ze stokte plotseling.

De Cock grijnsde breed.

‘Kunt u typen?’

Ze snoof verachtelijk.

‘Typen… ik heb het langgeleden wel geleerd.’

‘Toen u nog dacht een eerbaar bestaan op te kunnen bouwen.’

Carla van Heeteren reageerde furieus. Ze boog zich fel naar hem toe. ‘Eerbaar,’ schreeuwde ze wild, ‘wie is er tegenwoordig nog eerbaar? Die hooggeachte heren die mij regelmatig bezoeken?’

De Cock keek haar onbewogen aan.

‘Hoe heet je vriend?’

‘Jimmy… Jimmy de Munnick.’

De rechercheur kneep zijn lippen iets samen.

‘De Munnick… heeft die niet een paar veroordelingen achter de rug voor… eh, voor afpersing?’

Carla van Heeteren sprong uit haar fauteuil omhoog. Ze had duidelijk haar zelfbeheersing verloren. Ze balde haar vuisten. Haar fraaie lichaam beefde. ‘Jimmy was het niet.’ Haar stem sloeg over en haar onderlip trilde. ‘Jimmy heeft er niets mee te maken. U kunt hem niets aanwrijven. Nu niet. Jimmy was bij mij.’


Ze reden vanuit de Molenwijk naar de Coentunnelweg. Het was al donker en het regende een beetje. Vledder zette de mobilofoon in de wagen op ‘luisteren’. Er was druk radioverkeer over een verkeersongeval op de Haarlemmerweg. De Cock draaide de volumeknop op nul. Het gekakel hinderde hem. In zijn gedachten bouwde hij constructies uit vluchtige gedachtespinsels, waarin de moord op de bankier Vanderbruggen paste.

Vledder verbrak zijn overpeinzingen.

‘Je was niet bepaald hoffelijk tegen Carla.’

‘Ik wilde haar tot wat uitspraken verleiden. Bovendien bestaat er geen enkele reden om bijzonder hoffelijk tegen haar te zijn.’ Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

‘Ik begrijp je niet.’

De Cock drukte zich wat omhoog.

‘Toen ik haar goed bekeek, besefte ik ineens dat ik haar al eens had ontmoet.’

‘Waar?’

‘Bij ons in de Warmoesstraat.’

Vledder keek hem van opzij aan.

‘Als verdachte?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ze was getuige in een zaak waarin haar vriend een dubieuze rol speelde.’

‘Ken jij die Jimmy de Munnick?’

‘Vluchtig. Ik heb persoonlijk nooit een zaak tegen hem behandeld. Ik heb hem… en ook die Carla, een paar maal in de recherchekamer gezien, terwijl ze bij een collega onder verhoor zaten.’

‘Hoe werkt Jimmy?’

‘Och, met mooie Carla als lokaas manoeuvreert hij invloedrijke mannen in netelige posities.’

‘Het oude recept.’

De Cock knikte.

‘Chantage.’

Vledder reed de politiewagen van het Damrak naar de Oudebrugsteeg en parkeerde op de steiger achter het politiebureau. Ze stapten uit. Het regende flink. De druppels spatten van de grond omhoog. De Cock trok de kraag van zijn jas wat op en drukte zijn hoedje naar voren. Met Vledder aan zijn zij slenterde hij naar de Warmoesstraat.

Voor de deur van het bureau was een oploopje. Te midden van een groepje mensen stond, wat onvast, een oudere man. Hij was slechts gekleed in een broek en een wit doorweekt overhemd. Hij was duidelijk dronken. Telkens probeerde hij het bureau binnen te komen. Een paar agenten hielden hem tegen.

Toen de man de grijze speurder in het oog kreeg, liet hij zich op zijn knieën vallen. Uit de goot sijpelde regenwater langs de pijpen van zijn broek. Smekend bracht hij zijn beide handen omhoog.

‘Meneer De Cock… ze hebben kleine Wimpie opgepakt.’

‘Je zoon.’

De man knikte heftig.

‘Ze zeggen dat hij heeft gestoken. Maar zo is Wimpie niet. U kent hem toch. Die jongen heeft nog nooit iemand iets aangedaan. Hij heeft niet eens een mes.’

Met hulp van Vledder tilde De Cock de man weer op de been. ‘Ga naar huis, Bertus,’ sprak hij rustig. ‘Ik ga straks wel even bij Wimpie kijken.’ Hij wendde zich tot de beide dienders aan de deur. ‘Breng hem even weg. Hij woont hier op de gracht, pal om de hoek van de Lange Niezel.’

De beide mannen in uniform knikten welwillend en namen Bertus tussen zich in. De rechercheurs stapten het bureau binnen. Achter de balie troonde Meindert Post. De Cock liep op de wachtcommandant toe. ‘Heb je Wimpie de Vlerk ingesloten?’ Meindert Post knikte.

‘Hij heeft een paar uur geleden in De Veilige Haven een vent neergestoken. Een Zweed. Ze hadden ruzie om een meid. Het slachtoffer is naar het Binnengasthuis gebracht. Ik wacht nog op bericht, maar de verwondingen vallen, geloof ik, nog wel mee.’

De Cock knikte met zijn hoofd naar de ingang van het pand.

‘Bertus was aan de deur.’

Meindert Post grijnsde breed.

‘Hij is met zijn dronken kont vanavond al vijfmaal komen vertellen dat zijn Wimpie het niet heeft gedaan. Hij werd op het laatst vervelend. Toen heb ik hem buiten de deur laten zetten.’ De brigadier-wachtcommandant graaide onder zijn dienstboek en pakte een blocnotevelletje met een haastig neergekrabbeld telefoonnummer. ‘Dit moet je even bellen.’

De Cock gaf het velletje aan Vledder. ‘Bel jij? Dan ga ik even naar Wimpie de Vlerk kijken.’

De oude rechercheur waggelde de gang in naar het cellenhuis. Bij cel drie maakte hij het luikje open. ‘Je vader maakt zich ongerust,’ riep hij naar binnen.

Aan de andere kant van het luikje verscheen een bleek gezicht met daarop een glimlach van herkenning.

‘Dag meneer De Cock.’ Hij grinnikte wat verlegen. ‘Als u die ouwe nog ziet… zeg hem dat hij zich geen zorgen moet maken. Die vent had het gewoon verdiend.’

De grijze speurder knikte en deed het luikje weer dicht.

Vledder kwam hem in de gang tegemoet. Zijn jong gezicht stond ernstig. De Cock keek hem onderzoekend aan.

‘Wat is er?’

‘Stella la Croix is weg.’

‘Weg?’

Vledder knikte.

‘Ze is uit het ziekenhuis weggelopen.’

‘Naar huis?’

‘Nee.’

‘Naar Laren?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Daar is ze wel geweest.’

‘En.’

‘Ze heeft de baby uit zijn wiegje gegrist en is met de Bentley van haar vader vertrokken.’

‘Waarheen?’

Vledder spreidde zijn beide handen.

‘Henri la Croix heeft stad en land afgebeld. Hij is wanhopig. Stella is spoorloos.’

Загрузка...