Vledder grijnsde breed.
‘We hebben nog nooit op een zo eenvoudige wijze een moordzaak opgelost. Iemand komt ons even vertellen wie het heeft gedaan… klaar.’
De Cock knikte.
‘We mogen onze Sylvia van Rosmalen wel dankbaar zijn voor haar openhartigheid. Ik denk dat veel vrouwen in haar situatie hadden gezwegen.’
Vledder lachte.
‘En weet je wat mij zo blij maakt,’ riep hij juichend, ‘de moordenaar is dood… morsdood. Geen ellenlange verhoren meer, geen zeurende officieren van justitie… geen rechter-commissarissen om het onderzoek nog eens dunnetjes over te doen. Geen duffe terechtzittingen met vervelende advocaten… geen onleesbare rapporten van psychiaters… geen gedoe met reclassering en een mogelijk cellentekort… gewoon einde.’
De Cock luisterde geamuseerd naar het betoog van zijn jonge collega.
‘Volgens artikel 69 van ons aller Wetboek van Strafrecht,’ vulde hij plechtig aan, ‘vervalt het recht tot strafvordering door de dood van de verdachte.’
Vledder grinnikte.
‘Ik vind het zo stom,’ sprak hij hoofdschuddend, ‘dat dit in de wet staat.’
‘Waarom?’
Vledder reageerde verwonderd.
‘Wat wil je na de dood van de verdachte nog tegen hem ondernemen?’
De Cock gebaarde.
‘Er zijn tijden geweest dat dit niet in de wet was opgenomen. Dan begon de staat na de dood van de verdachte nog een strafzaak tegen hem.’
Vledder grinnikte.
‘Wat had dat voor zin?’
De Cock glimlachte.
‘In een schijnproces werd de dode verdachte alsnog schuldig verklaard en al zijn bezittingen werden gerechtelijk in beslag genomen… geconfisqueerd. Die vervielen dan aan de Staat.’
‘En de erfgenamen?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Die kregen niets. De toenmalige heersers haalden die grap zelfs uit nadat de verdachte al tientallen jaren was overleden en zijn bezittingen allang in andere handen waren overgegaan. Dan werd dat bezit onrechtmatig verklaard en afgenomen.’
Vledder gromde.
‘Dat was pure roof.’
De Cock knikte.
‘Wettelijk toegestaan. We mekkeren wel eens over onze Nederlandse wetgeving, maar in doorsnee is die uiterst zorgvuldig.’
De oude rechercheur staarde even voor zich uit.
‘Al laat de huidige wetgeving,’ ging hij bedachtzaam verder, ‘nog voldoende ruimte voor de roofzucht van de Staat.’
‘Hoe?’
De Cock trok een grimas.
‘Denk maar eens aan de successierechten… In feite een ordinaire confiscatie van een groot deel van iemands vermogen na diens dood.’
Vledder wuifde het onderwerp weg.
‘In ieder geval behoeven wíj niets meer tegen Albertus van Zoggel te ondernemen. En wat de Staat met zijn bezit doet, laat mij Siberisch.’
De Cock glimlachte.
‘Heb jij geen suikeroom?’
Vledder gromde opnieuw.
‘Ik heb welgeteld vier ooms: twee van mijn moeders en twee van mijn vaders kant. Maar alle vier zo arm als de mieren.’
De Cock verzonk enige tijd in gepeins.
‘Ik begrijp alleen niets,’ sprak hij na een poosje, ‘van het motief van de dode Albertus van Zoggel. Zijn gedrag is mij een raadsel. Tegen Gerard van Kastelen zegt hij niet geïnteresseerd te zijn in Charmaine. Zijn interesse gold het pandje dat hij wilde kopen. Maar als Charmaine dood is, onderneemt hij onmiddellijk stappen om haar peeskamertje voor zijn vriendin te huren en vestigt hij de verdenking op zich. Hij geeft dan niet zijn ware naam, Van Zoggel, op, maar noemt zich Bertus van het Hooft… een valse naam.’
Vledder keek hem glimlachend aan.
‘Vind je het belangrijk?
‘Wat?’
‘Het motief en het gedrag van wijlen Albertus van Zoggel… alias Bertus van het Hooft… alias Haagse Bertus. Veel belangrijker vind ik de vraag wie hem om zeep hielp. Dat de moord uitgerekend in het oude peeskamertje van Charmaine plaatsvond, is volgens mij puur toeval.’
De Cock keek hem nadenkend aan.
‘Jij ziet geen enkel verband tussen de moord op Charmaine en de moord op Albertus van Zoggel?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Dat verband is er niet.’
‘En wat denk je van de suggestie van Sylvia van Rosmalen, dat de pooier van Charmaine verantwoordelijk is voor de dood van haar Bertus?’
Vledder antwoordde niet direct.
‘Je hebt zelf gezegd dat je je persoonlijke gevoelens niet met je werk mag verweven, maar als wij die Gerard van Kastelen de moord op Albertus van Zoggel in zijn schoenen kunnen schuiven, dan…’
De Cock schudde afkeurend zijn hoofd.
‘Zo mag je niet denken,’ onderbrak hij kalm. ‘Dat leidt tot dwaalwegen. Je moet zuiver uitgaan van feiten en omstandigheden.’
Vledder trok een nors gezicht.
‘Dan hebben we niets om van uit te gaan,’ riep hij kribbig.
‘Er bestaat,’ formuleerde de oude rechercheur voorzichtig, ‘een theoretische mogelijkheid dat Gerard van Kastelen getuige is geweest van de moord op Charmaine Dupuitrain.’
‘Wat?’
De Cock knikte.
‘Denk maar eens na.’
De blik van Vledder verhelderde.
‘Allemachtig!’ riep hij geschrokken. ‘Daar heb ik nog in het geheel niet aan gedacht. Het is waar… Gerard van Kastelen zwierf voortdurend in de nabijheid van het peeskamertje van Charmaine. Het is niet ondenkbaar dat hij heeft gezien dat Haagse Bertus uit het peeskamertje stapte.’
De Cock knikte.
‘En als hij nog voordat wij kwamen, Charmaine dood in dat kamertje heeft aangetroffen, dan wist hij wie haar had vermoord.’
‘Haagse Bertus.’
‘Precies.’
Vledder slikte.
‘Dan had Gerard van Kastelen,’ sprak hij grimmig, ‘een redelijk motief om Haagse Bertus naar het leven te staan.’
De jonge rechercheur klapte met zijn volle vuist op het blad van zijn bureau. ‘Hoe bewijzen wij het?’ riep hij geëmotioneerd. ‘Hoe zetten wij hem onder druk… hoe maken we…’
Vledder stokte. Er werd op de deur van de grote recherchekamer geklopt en de jonge rechercheur riep: ‘Binnen!’
De deur ging langzaam open en in de opening verscheen de gestalte van een breedgeschouderde man. De Cock schatte hem op achter in de dertig. Hij droeg een lichtgroene trenchcoat over een parelgrijs kostuum. In zijn rechterhand hield hij een hoedje, waaraan regendruppels kleefden. Met een iets slepende tred kwam hij naderbij. De Cock zag dat ook op zijn trenchcoat regendruppels parelden en constateerde dat het buiten weer eens regende.
De oude rechercheur kwam uit zijn stoel overeind en bezag het zongebruinde gelaat van de man. Zijn strak naar achteren gekamde donkerblonde haren, grijs aan de slapen, en de nieuwsgierig rondblikkende lichtblauwe ogen. Ze gleden aarzelend van De Cock naar Vledder en terug.
‘Tot wie mag ik het woord richten?’
De Cock gebaarde naar de stoel naast zijn bureau.
‘Neemt u plaats.’
De man knoopte zijn trenchcoat los en ging zitten. Met een paar wilde bewegingen sloeg hij de regendruppels van zijn hoedje en frommelde het hoofddeksel in een steekzak van zijn jas. Pas daarna richtte hij zijn aandacht op De Cock.
‘Mijn naam is Van Milschot,’ opende hij met sonoor stemgeluid. ‘Charles van Milschot. Ik heb zojuist een bezoek gebracht aan de oude moeder van Albertus van Zoggel in de Jordaan. Daar was ook zijn jeugdige vriendin.’
‘Sylvia van Rosmalen.’
Charles van Milschot knikte.
‘Sylvia van Rosmalen… zo heeft zij zich aan mij voorgesteld. Van haar vernam ik dat Albertus hier in de Amsterdamse binnenstad is vermoord. Ik wil graag nadere inlichtingen over deze moord. De zaak zou in behandeling zijn bij rechercheur De Cock.’
De grijze speurder glimlachte.
‘U bent goed geïnformeerd,’ sprak hij vriendelijk. ‘Ik ben rechercheur De Cock. De Cock met… eh, met ceeooceekaa.’ Hij wees voor zich uit. ‘Dat is mijn collega Vledder. Wij werken samen aan de zaak.’ Hij stak zijn kin iets omhoog. ‘Mogen wij de reden van uw interesse weten?’
Van Milschot gebaarde hoffelijk.
‘Uiteraard. Albertus en ik waren bevriend. Exact zeven jaar geleden zijn wij uit elkaar gegaan. Ik kon mij enig bezit in Spanje verwerven en Albertus van Zoggel hield zich schuil voor de politie.’
‘Om welke reden?’
Van Milschot glimlachte fijntjes.
‘Albertus van Zoggel leidde een turbulent leven… Talloze affaires met vrouwen en zo nu en dan een rooftocht in het land.’
‘Rooftocht?’
Van Milschot zwaaide afwerend.
‘U moet mij niet naar bijzonderheden vragen. Die ken ik niet. Zijn leefwijze was… eh, was verslindend… vergde kapitalen. Daarom moest er, zo hij dat noemde, “zo nu en dan iets gebeuren”.’
‘Rooftocht?’
Van Milschot maakte een verontschuldigend gebaar.
‘Ik deelde zijn levenswijze niet. Die was mij te hectisch. Ook zijn gebrek aan eerbied voor de wet had niet mijn bekoring. Maar ik genoot van zijn onbekommerde levensstijl. Hij leek in vele opzichten op een roofridder uit de vroege middeleeuwen. Ik denk dat ik mij juist daarom zo tot hem aangetrokken voelde. Albertus van Zoggel fascineerde mij.’
De Cock keek de man voor zich onderzoekend aan. Zijn bijna jubelende lofzang op de dode Albertus van Zoggel wekte weerzin bij de oude rechercheur op. Wanneer hij zich de dode, wat gedrongen man met de snor voor de geest haalde… het wat gezwollen gelaat, de uitgestoken tong, de wijd opengesperde ogen, het stuk elektriciteitsdraad om zijn nek… dan paste dat niet bij het beeld dat Charles van Milschot van hem schetste.
De Cock boog zich iets naar hem toe.
‘U bezag hem wel door een roze bril.’
Van Milschot grijnsde.
‘Hoe beziet een man een vrouw op wie hij verliefd is? Mooi, verleidelijk, een nimf. Fantasie reikt verder dan de realiteit.’
De vlot formulerende Charles van Milschot maakte De Cock kriegel.
‘Uw vriendenkring,’ vroeg hij hard, ‘beperkte zich tot Albertus van Zoggel?’
Van Milschot schudde zijn hoofd.
‘Albertus van Zoggel was een exceptie… een uitzondering. De mensen met wie ik gewoonlijk omging, kwamen uit een ander milieu. Ik leerde Albertus bij toeval kennen en bij elke hernieuwde kennismaking genoot ik van zijn verhalen. Hij bracht die met een onvervalst Haags accent. Hij was er trots op van geboorte een Hagenaar te zijn. In penozekringen werd hij ook Haagse Bertus genoemd.’
De Cock knikte instemmend.
‘Dat was ons bekend.’
Van Milschot glimlachte.
‘Ik neem aan dat Albertus ook in recherchekringen enige faam had opgebouwd.’
De Cock negeerde de opmerking.
‘In die zeven jaren van scheiding hebt u geen enkel contact met hem gehad?’
Van Milschot schudde zijn hoofd.
‘Ik wist niet waar Albertus verbleef… waar hij zijn domicilie had. Evenmin was het Albertus bekend waar ik rondhing.’
De Cock keek hem scherp aan.
‘Waarom ging u naar zijn moeder in de Jordaan? Kende u haar?’
‘Zij was mijn enig aanknopingspunt… moeder Van Zoggel… de Jordaan… Lindengracht 812. Dat adres heb ik al die jaren onthouden.’
‘Waarom?’
Van Milschot lachte.
‘Omdat wij elkaar na zeven jaar daar zouden treffen. Dat was de afspraak toen wij uit elkaar gingen… Na exact zeven jaar… rendez-vous in Amsterdam.’
Toen Charles van Milschot de grote recherchekamer had verlaten, vervielen de beide rechercheurs in een diep stilzwijgen. Boven hun hoofden zoemde een defecte tl-balk en via de tochtige, halfvermolmde raamkozijnen drong het straatrumoer tot hen door.
Het was Vledder die het zwijgen verbrak. ‘Je was niet erg mededeelzaam. Je hebt hem niet verteld waar Albertus van Zoggel om het leven kwam en op welke manier hij stierf.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik weet niet hoe ik die Charles van Milschot moet inpassen,’ sprak hij geprikkeld. ‘Is die man zo onnozel als hij zich voordoet? Ik kan mij dat nauwelijks indenken. Zijn ode aan Albertus van Zoggel vond ik ronduit stuitend.’
De oude rechercheur wees naar Vledder.
‘Heb je inzake Haagse Bertus al contact gehad met de recherche in Den Haag?’
De jonge rechercheur schudde zijn hoofd.
‘Daar ben ik nog niet aan toe gekomen. Maar nu we zijn volledige naam weten, is het een stuk gemakkelijker om informatie in te winnen.’
‘Ik wil weten wat die rooftochten inhielden.’
‘Begrijpelijk.’
‘Wanneer is de sectie?’
‘Morgenochtend om elf uur. Ik heb Sylvia van Rosmalen gezegd dat zij met moeder Van Zoggel thuis klaar moet staan voor de herkenning.’
De Cock stak waarschuwend zijn wijsvinger omhoog.
‘Let morgen goed op de fouillering van Haagse Bertus… Welke spulletjes hij bij zich heeft… sleutels bijvoorbeeld. Ik vraag mij nog steeds af of Charmaine Haagse Bertus verraste toen hij al binnen was… of dat hij achter haar aanging en haar daarna wurgde.’
Vledder keek hem onderzoekend aan.
‘Maakt dat verschil?’
De Cock knikte nadrukkelijk.
‘In het eerste geval had Haagse Bertus niet de bedoeling om Charmaine te doden… De verwurging geschiedde, zoals Sylvia van Rosmalen ons schetste, omdat Haagse Bertus zich betrapt voelde en de gillende Charmaine hem in paniek bracht.
‘En in het tweede geval?’
De Cock spreidde zijn handen.
‘Dan ligt het motief anders… dan wilde hij haar dood.’
‘En wat denk je van dat rendez-vous met Charles van Milschot in Amsterdam?’
De Cock ademde diep.
‘Ook zo onzinnig. Een vriend die je adoreert ban je toch niet vrijwillig voor zeven jaar uit je leven… In onze tijd met een overvloed aan communicatiemiddelen zijn er toch wel middelen en wegen te vinden om contact met elkaar te onderhouden?’
De Cock stond van zijn stoel op en slenterde naar de kapstok.
Vledder kwam hem na.
‘Waar ga je heen?’
De Cock draaide zich half om.
‘Naar de Lindengracht. Ik wil weten of ook moeder Van Zoggel in zeven jaar geen contact heeft gehad met haar zoon.’
De kleine huiskamer van mevrouw Van Zoggel bood slechts ruimte voor een tafel met vier stoelen en een dressoir aan de wand. De Cock ging tegenover haar zitten en legde zijn hoedje naast zich op het tapijt. Daarna schoof hij een vaas met bloemen, die zijn uitzicht op de vrouw belemmerde, iets opzij. Hij schatte haar op voor in de zestig. Ze had een lief rond gezicht met kraaienpootjes bij de ooghoeken. Haar dunne haar was grijs geverfd. De oude rechercheur keek zoekend om zich heen.
‘Waar is Sylvia?’
Mevrouw Van Zoggel wees naar de deur.
‘Die is, net voor u kwam, met meneer Charles de stad in gegaan om haar zinnen wat te verzetten.’
‘Ze liet u met uw verdriet alleen?’
Mevrouw Van Zoggel trok haar schouders op.
‘Ik weet echt niet of ik wel verdrietig moet zijn.’ Ze legde haar rechterhand op haar borst. ‘Ik voel niets. Het is hier leeg van binnen.’
De Cock schonk haar een milde glimlach.
‘Dat verdriet komt nog.’
‘Sylvia zegt dat ik morgen met haar mee moet naar de begraafplaats Westgaarde voor de herkenning. Daar zie ik tegenop.’
‘Wilt u uw zoon niet nog eens zien?’
Mevrouw Van Zoggel schudde haar hoofd.
‘Tot zijn veertiende was hij een aardig joch. Daarna is het verkeerd gegaan. En na de dood van mijn man werd hij totaal onhandelbaar. In Den Haag, in de buurt waar wij woonden, maakte hij het zo bont, dat ik uit ellende naar Amsterdam ben verhuisd.’
‘Bent u in Spanje wel eens bij hem geweest?’
Mevrouw Van Zoggel knikte.
‘Vier keer. Dan stuurde hij mij een vliegticket en wat geld om over te komen. Bertus had daar een mooie villa, dicht bij het strand. Maar voor mij hoeft die hitte niet. Ik hield het er maar een paar dagen uit.’
‘Waar leefde Bertus van in Spanje?’
Mevrouw Van Zoggel maakte een graaiende beweging met haar rechterhand. ‘Jatwerk. Die villa heeft hij ook van gestolen geld gekocht. Als mijn overleden man alles wist, dan draaide hij zich om in zijn graf.’ Ze gebaarde opnieuw naar de deur. ‘Nu wilde hij dat jonge vrouwtje voor hoer laten zitten.’
De Cock keek haar quasi-verward aan.
‘Kwam hij daarvoor terug uit Spanje?’
Mevrouw Van Zoggel schudde haar hoofd.
‘Hij had hier een afspraak.’
‘Met Charles van Milschot?’
De oude vrouw knikte.
‘En nog twee anderen.’
De Cock leunde over de tafel naar haar toe.
‘Twee anderen?’
Ze knikte opnieuw.
‘Met z’n vieren.’
‘Kent u ze?’
Mevrouw Van Zoggel zuchtte diep.
‘Meneer Charles… en dan Hendrik Noorddijk. Dat is een ouwe gabber van Bertus… nog uit zijn Haagse tijd. Die kwam ook wel eens in Spanje bij hem langs. De vierde man ken ik niet.’
‘Nooit zijn naam horen noemen?’
‘Nee.’
‘Kent… eh, kent meneer Charles hem?’
Mevrouw Van Zoggel knikte nadrukkelijk.
‘Die moet hem kennen.’