Op het Stationsplein stapte De Cock uit een overvolle tram en liep in een stroom van reizigers naar het brede trottoir van het Damrak. Na een donkere regenperiode liet de zon zich weer eens uitbundig zien. Ze straalde in het hemelsblauw met hier en daar een wulps schapenwolkje voor het decor.
Zonnig zomers Amsterdam bood een vrolijk vriendelijk aanzien. De niet langer in regenplastic verpakte meisjes en jonge vrouwen toonden luchtige kleurrijke toiletjes, waarin hun bekoorlijke vormen volledig tot hun recht kwamen.
De Cock keek om zich heen en genoot. Verholen. Zijn puriteinse ziel liet hem niet toe zich onbeschaamd aan al dat schoons te vergapen. Toch voelde hij zich ineens jong… jonger dan zijn jaren telden.
Bij de Oudebrugsteeg stak hij met tintelend plezier voor een juist aanstormende tramtrein van lijn 9 de rijbaan van het Damrak over en zwaaide joviaal naar een onverbeterlijke penozejongen, van wie hij wist dat hij weer net uit de bajes was ontslagen.
In de Warmoesstraat, voor de ingang van het beruchte politiebureau, bleef hij even staan en keek op zijn polshorloge. Hij was ruim drie kwartier te laat. Hij constateerde het met kinderlijk plezier.
Toen hij de hal van het politiebureau binnenstapte, riep Jan Kusters hem vanachter de balie. De Cock liep glimlachend op de wachtcommandant toe.
‘Goedemorgen,’ riep hij jolig. ‘Slecht geslapen? Je hebt een gezicht van oude lappen.’
‘Ik voel mij ook niet prettig.’
De Cock gebaarde naar de straat.
‘Zet je pet op en ga naar buiten. De zon schijnt. Het belooft een fraaie dag te worden.’
De wachtcommandant gromde.
‘Ik ben vanmorgen vroeg al bij de commissaris geroepen.’
‘Waarvoor?’
‘Die razzia van gisteravond.’
De Cock trok een vies gezicht.
‘Razzia?’
Jan Kusters knikte.
‘Zo noemde Buitendam het. Ik moest hem een volledig verslag doen van hoe het was gegaan… Hoelang wij die mensen van hun vrijheid hadden beroofd.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘We hebben die mensen niet van hun vrijheid beroofd. Het was een kort oponthoud voor een verhoor. Dat klinkt heel anders.’
De wachtcommandant zuchtte.
‘Leg hem dat maar eens uit.’
‘Had hij een klacht ontvangen?’
De wachtcommandant trok zijn schouders op.
‘Dat weet ik niet. Ik kreeg het idee dat iemand hem had ingelicht.’
‘Het stond toch in jouw dagelijks rapport?’
Jan Kusters knikte.
‘Dat had hij voor zich liggen.’
De Cock glimlachte.
‘Heb je hem uitgelegd dat ik de aanstichter van die… eh, die razzia was?’
Jan Kusters grijnsde.
‘Hij heeft mij ook niets verweten,’ sprak hij hoofdschuddend. ‘Maar ik ben bang dat jij je borst nat kunt maken.’
De Cock schoof zijn oude hoedje naar voren en krabde zich achter in zijn nek.
‘Razzia… razzia,’ herhaalde hij ongelovig, ‘waar haalt die man dat woord vandaan?’
Het vale gezicht van commissaris Buitendam, de lange statige politiechef van bureau Warmoesstraat, stond op storm. Zijn neusvleugels trilden en de kleine ogen onder zijn borstelige wenkbrauwen fonkelden kwaadaardig. Hij wuifde met een slanke hand wat bruusk naar de stoel voor zijn bureau. ‘Ga zitten, De Cock,’ sprak hij geaffecteerd. ‘Ik moet met je spreken.’
De Cock monsterde het gezicht van zijn chef en koos voor de aanval. ‘Als het u hetzelfde is,’ reageerde hij nonchalant, ‘ik blijf liever staan.’
Buitendam kuchte.
‘Zoals je wilt,’ sprak hij kortaf. Hij schoof het dagelijks rapport naar zich toe, pakte zijn bril en las hardop de namen voor van de zeven mannen, die door een paar dienders van de Wallen waren geplukt. Daarna keek hij vertoornd op.
‘Weet jij nog wat volgens de wet een verdachte is, De Cock?’
De oude rechercheur knikte gelaten. ‘Degene,’ dreunde hij op, ‘te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit.’
Buitendam grijnsde.
‘Ik hoor dat je het nog niet bent vergeten.’ Hij zweeg even. ‘En is het hebben van een snor en zwart haar een redelijk vermoeden van schuld?’
De Cock ademde diep.
‘Er meldde zich gisteravond bij ons een jonge vrouw, die ons vertelde dat een haar bekend hoertje op de Wallen al geruime tijd werd lastiggevallen door een man met zwart haar en een snor. Vledder en ik zijn gaan kijken. Toen wij bij haar peeskamertje kwamen, vonden we haar dood. Gewurgd. Het moet vrij kort voor onze komst zijn gebeurd. Er was nog geen temperatuurverlies. Het slachtoffer was nog zo warm, dat de moordenaar niet ver weg kon zijn. Van de Wallen scheurt men ’s avonds niet weg met een auto. Dat kan eenvoudig niet. Daarvoor is het daar te druk en te vol. Ik gokte erop dat de dader nog in de omgeving was… te voet.’
Commissaris Buitendam grijnsde.
‘Toen heb je alle mannen met zwart haar en een snor maar laten oppakken.’
De Cock knikte met getuite lippen.
‘En ik sta nog steeds achter de beslissing voor deze… eh, deze razzia.’
Commissaris Buitendam snoof.
‘Ik niet,’ brulde hij, ‘en ook onze officier van justitie niet. Meester Medhuizen toonde zich uiterst verbolgen.’
De Cock veinsde verbazing.
‘Heeft de officier een klacht over ons optreden ontvangen?’
Commissaris Buitendam schudde zijn hoofd.
‘Geen klacht. Het is hem ter ore gekomen en daarna heeft hij mij ingelicht.’
De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘Ter ore gekomen?’ herhaalde hij vragend.
Commissaris Buitendam knikte.
‘Iemand uit het publiek heeft hem van jouw actie op de hoogte gebracht.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Iemand uit het publiek?’ herhaalde hij verrast.
‘Zeker.’
De Cock keek hem ongelovig aan.
‘Sinds wanneer,’ vroeg hij met een licht sarcasme, ‘heeft onze officier van justitie infiltranten onder de hoerenlopers?’
Als door een wesp gestoken, kwam commissaris Buitendam met een ruk uit zijn stoel overeind. Zijn gezicht zag rood en zijn handen trilden.
Met een vlammende blik in zijn ogen strekte hij zijn rechterhand naar de deur.
‘Eruit!’
De Cock ging.
Vledder keek hem onderzoekend aan.
‘Jij was bij de commissaris?’
De Cock trok een grimas.
‘Jan Kusters had mij al gewaarschuwd dat Buitendam ons optreden van gisteravond niet kon waarderen. En omdat de aanval de beste verdediging is, ben ik maar direct naar hem toe gestapt.’
‘En?’
De Cock grinnikte.
‘Het was weer mis. Die man kan niet normaal een gesprek afronden. Hij joeg mij, zoals gebruikelijk, met een woest gebaar de kamer af.’
Vledder keek hem schattend aan.
‘Je bent onverbeterlijk. Jij zult best wat hebben gezegd dat hem opwond.’
De Cock wuifde het onderwerp weg.
‘Heb je Lorette de Jong ingelicht dat haar Charmaine is vermoord?’
Vledder knikte.
‘Via de politie in Purmerend.’
‘Denk je aan een herkenning?’
Vledder keek hem geschrokken aan.
‘Moet dat?’
De Cock knikte nadrukkelijk.
‘We hebben geen enkele zekerheid dat die gewurgde vrouw in het peeskamertje inderdaad Juliëtte ofwel Charmaine Dupuitrain is. Je hebt Lorette de Jong nodig voor een confrontatie. En misschien weet zij nog iemand die Charmaine in leven heeft gekend. Met een enkele herkenning neemt de wet geen genoegen.’
Vledder keek op zijn horloge.
‘Dan mag ik wel voortmaken. De sectie is om twee uur. En het lijkt mij niet prettig om de confrontatie te doen nadat dokter Rusteloos Charmaine onder handen heeft genomen.’
De Cock wees naar het telefoontoestel op zijn bureau.
‘Regel het met de recherche in Purmerend,’ adviseerde hij. ‘Misschien kunnen zij ervoor zorgen dat Lorette de Jong en een getuige op tijd op Westgaarde zijn.’
Vledder greep de telefoon. Toen hij na een uitgebreid gesprek de hoorn neerlegde, zuchtte hij diep.
‘Het lukt gelukkig. Stom. Ik heb helemaal niet aan een herkenning gedacht.’
De Cock glimlachte.
‘Ben je nog iets te weten gekomen over Johan-Pieter Berkenhout?’
Vledder knikte.
‘Ik heb Hans Rijpkema gesproken. Hij was de rechercheur die destijds de zaak tegen Johan-Pieter Berkenhout in behandeling had. Het verbaasde hem dat wij hem van de Wallen plukte.’
‘Waarom?’
‘Volgens Hans Rijpkema is Johan-Pieter Berkenhout in jaren niet in Amsterdam gesignaleerd. Tien jaar geleden, na zijn vrijspraak inzake een serie snelkraken, is hij naar Spanje vertrokken. Hij zou aan de Costa Brava een huis hebben gekocht met het doel daar permanent te blijven.’
De Cock trok een grijns. ‘Die serie snelkraken hadden De Shovel dus voldoende opgeleverd.’
Vledder knikte. ‘Hans Rijpkema schat het op enkele tonnen.’
De Cock floot tussen zijn tanden. ‘Misdaad loont.’
Vledder stak zijn wijsvinger omhoog. ‘Mochten er inzake Johan-Pieter Berkenhout nieuwe ontwikkelingen komen, dan werd hij graag op de hoogte gebracht. Hans Rijpkema is nog steeds hevig in die man geïnteresseerd.’
De jonge rechercheur staarde even voor zich uit. ‘Ik ook.’
De Cock lachte. ‘Omdat hij jou gisteravond…’
De grijze speurder stokte. Er werd op de deur van de recherchekamer geklopt en Vledder riep: ‘Binnen!’
De deur ging langzaam open en in de deuropening verscheen de gestalte van een jonge vrouw. De Cock schatte haar op voor in de dertig. Ze droeg een effen bruin mantelpakje van grove tweed en zwarte gebreide kousen. Haar voeten staken in robuuste wandelschoenen. Dreunend stapte ze naderbij.
Bij het bureau van De Cock bleef ze staan. De oude rechercheur voelde niet de behoefte om haar hoffelijk te begroeten. Hij keek vanuit zijn stoel omhoog. Haar helgroene ogen blikten kil op hem neer.
‘Ze is dood,’ sprak ze kort.
De Cock veinsde verbazing. ‘Wie?’
‘Charmaine.’
‘Wie heeft u dat verteld?’
‘Er stond vanmorgen in de krant dat op de Wallen een prostituee was vermoord. Ik wist op dat moment al dat het Charmaine was.’
De Cock liet de woorden even op zich inwerken. Daarna kwam hij uit zijn stoel omhoog en stak haar zijn rechterhand toe. ‘Mijn naam is De Cock,’ sprak hij vriendelijk. ‘De Cock met ceeooceekaa.’
Na de handdruk wuifde hij naar de stoel naast zijn bureau. ‘Gaat u zitten.’ Hij wachtte even tot ze uitgebreid had plaatsgenomen. ‘Met wie heb ik het genoegen?’
Ze vouwde haar handen in haar schoot.
‘Mijn naam is Grietje… Grietje van der Zee. Ze noemen mij Gré.’
De Cock liet zich in zijn stoel zakken.
‘U hebt Charmaine gekend?’
Grietje van der Zee knikte.
‘Wij hebben jaren samengewoond.’
‘U was met haar bevriend?’
De vrouw trok haar lippen in een strakke lijn.
‘Ik hield van haar.’
De Cock plukte aan zijn onderlip.
‘Die liefde is bekoeld?’
Grietje schudde haar hoofd.
‘Niet van mijn kant.’
‘Van de kant van Charmaine?’
‘Ook niet.’
De Cock glimlachte.
‘U had nog steeds contact met haar?’
‘Toen ik erachter kwam dat ze als prostituee op de Wallen zat, bezocht ik haar zo nu en dan.’
‘Waar?’
‘Op haar werkplek.’
‘Toen u erachter kwam dat ze op de Wallen zat?’ herhaalde De Cock vragend.
‘Ja.’
De Cock strekte zijn wijsvinger naar haar uit.
‘Charmaine werkte nog niet als prostituee op de Wallen toen u met haar samenwoonde?’
Grietje schudde haar hoofd.
‘Daar ben ik pas later achtergekomen. Toevallig. Een kennis van mij had haar daar gezien.’
‘Wat deed Charmaine toen ze nog bij u woonde?’
Grietje glimlachte.
‘Charmaine en ik werkten samen op de IJsselsteinse Bank. Daar heb ik haar ook leren kennen. Het klikte direct tussen ons. Na enkele maanden hebben wij besloten om te gaan samenwonen.’
De Cock keek haar niet-begrijpend aan.
‘Hoe… eh, hoe is Charmaine dan,’ stamelde hij, ‘in de prostitutie terechtgekomen?’
‘Door haar!’
‘Wie?’
‘Die meid met wie ze nu optrekt.’
‘Lorette de Jong?’
Grietje reageerde verwonderd. ‘Die kent u?’
De Cock knikte.
‘Gisteravond kwam Lorette de Jong hier op het bureau en zei dat ze zich zorgen maakte om Charmaine. Mijn collega en ik zijn toen gaan kijken en vonden haar vermoord in haar peeskamertje liggen.’
De ogen van Grietje van der Zee vulden zich met tranen.
‘Charmaine,’ sprak ze luid snikkend, ‘was doodsbang voor haar. Die Lorette is zo doortrapt gemeen. Ze heeft allerlei trucs bedacht om Charmaine tot prostitutie te dwingen.’
‘Charmaine wilde niet?’
‘Absoluut niet,’ antwoordde Grietje fel. ‘Ik heb haar wel in haar peeskamertje aangetroffen met rode ogen. Dan had ze zitten huilen.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Wat is de reden dat jij en Charmaine uit elkaar zijn gegaan?’
‘Dat is de schuld van die Lorette,’ snikte de vrouw. ‘Charmaine had haar op een vakantiereisje ontmoet en die meid kreeg onmiddellijk zo veel invloed op haar, dat het leek alsof Charmaine plotseling geen eigen wil meer had. Lorette had haar volkomen in haar macht.’
De Cock keek haar niet-begrijpend aan.
‘Zij was toch uw vriendin… Hebt u niet geprobeerd die macht te breken?’
Grietje liet haar hoofd zakken.
‘Dat ging gewoon niet,’ sprak ze toonloos. ‘Charmaine leek gehypnotiseerd… verdoofd. Het was net alsof mijn woorden niet tot haar doordrongen.’
De Cock kneep zijn ogen half dicht.
‘Naar wie gingen de verdiensten van Charmaine?’
‘Naar Lorette. Die nam alles. Wanneer Charmaine op een avond minder dan driehonderd gulden had verdiend, dan mocht ze niet naar Purmerend naar haar flatje, maar moest in haar peeskamertje overnachten.’
‘Slavin.’
Grietje knikte heftig.
‘Volkomen… tot in het diepst vernederd.’
De Cock nam een kleine pauze en kauwde op zijn onderlip.
‘In het begin van ons gesprek,’ ging hij gedragen verder, ‘zei u dat u vanmorgen bij het lezen van het bericht over de moord op de Wallen al onmiddellijk wist dat het slachtoffer Charmaine was.’
‘Dat wist ik.’
‘Intuïtie?’
Grietje zuchtte.
‘Ik heb geen enkele twijfel gekend. Geen moment. Ik ben ook na het lezen van dat bericht in de ochtendkrant onmiddellijk naar u toe gekomen. Ik wist dat het eens zou gebeuren.’
‘Wat?’
‘Die moord.’
De Cock boog zich naar haar toe.
‘Hoe… hoe wist u dat?’
Grietje van der Zee spreidde haar handen.
‘Het was het enige denkbare einde.’
‘Waarvan?’
‘Van hun relatie.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dat begrijp ik niet.’
Grietje schonk hem een medelijdend lachje.
‘Dat zullen mannen,’ verzuchtte ze, ‘vermoedelijk nooit begrijpen. In de relatie tussen Lorette de Jong en mijn geliefde Charmaine was Lorette zo dominant… had ze zo veel geestelijk overwicht… zo veel… haast wellustige macht over Charmaine, dat ze niet alleen over haar leven, maar ook over haar dood beschikte.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Weet u wat u zegt?’
Grietje van der Zee knikte nadrukkelijk.
‘Lorette de Jong vermoordde Charmaine. En het was niet de eerste keer.’
De Cock tastte haar gelaatstrekken af… zocht naar een zweem van waanzin. Die was er niet. Haar ogen stonden helder en buiten haar betraande gezicht was er geen spoor van emotie.
‘Niet de eerste keer?’ herhaalde hij traag en vol ongeloof.
Grietje van der Zee schudde haar hoofd.
‘Al twee keer eerder,’ sprak ze rustig, ‘heeft Lorette de Jong op het punt gestaan om Charmaine uit machtswellust te wurgen… had ze haar handen al om haar keel. Toen gilde Charmaine en kwam Lorette op tijd tot bezinning. Dit keer ging ze te ver.’