Ze slenterden vanaf de woning van mevrouw Van Zoggel door een miezerige motregen naar de geparkeerde Golf, stapten in en reden van de Lindengracht weg. Vledder, aan het stuur, zette de ruitenwissers aan en blikte op zijn horloge.
‘Gaan we naar huis,’ stelde hij voor, ‘of pakken wij die Gerard van Kastelen nog even aan? Ik wil hem graag onder zijn neus wrijven, dat hij in de mogelijkheid was en een motief had om Haagse Bertus te vermoorden.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Geen van beide,’ reageerde hij kalm. ‘Ik vind het nog te vroeg om naar huis te gaan en Gerard van Kastelen loopt niet weg. Dat kan morgen nog. Ik ben meer geïnteresseerd in dat vreemde rendez-vous. Heb jij het adres van Charles van Milschot genoteerd?’
Vledder knikte. ‘Die verblijft tijdelijk in Hotel De Roode Leeuw aan het Damrak.’
De Cock gebaarde voor zich uit.
‘We rijden terug naar de Kit, laten daar de Golf staan en gaan te voet naar De Roode Leeuw.’
Vledder grinnikte.
‘Als Charles van Milschot zich met de mooie Sylvia van Rosmalen in het rijke Amsterdamse uitgaansleven heeft gestort, dan is hij voorlopig nog niet in zijn hotelkamer terug.’
De Cock gromde.
‘Dan blijven we bij de portier op hem wachten,’ sprak hij verbeten. ‘Ik ben ervan overtuigd dat de vlotte Charles van Milschot een paar belangrijke zaken voor ons heeft verzwegen.’
‘Zoals?’
‘Dat hij niet alleen een rendez-vous had met Albertus van Zoggel, maar ook nog met twee anderen, onder wie de voor ons nog onbekende Hendrik Noorddijk.’
Vledder keek even opzij.
‘Charles van Milschot deed ons voorkomen of hij alleen geïnteresseerd was in Albertus van Zoggel en alleen met hem een rendez-vous had.’
De Cock knikte. ‘De vraag is waarom hij ons een verkeerde voorstelling van zaken geeft.’
Vledder ademde diep. ‘Begrijp jij iets van dat rendez-vous?’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Daarom ben ik zo benieuwd naar de vierde man… naar het hoe en waarom van dat rendez-vous. Bovendien kan Charles van Milschot morgen bij de herkenning moeder Van Zoggel vervangen. Zij wil niet graag met haar dode zoon worden geconfronteerd.’
Vledder glimlachte. ‘Ik had niet het idee dat ze erg onder de indruk was van zijn overlijden.’
De Cock grijnsde. ‘Albertus van Zoggel was ook bepaald geen voorbeeldig kind. Ik denk dat zijn moeder heel wat met hem heeft afgetobd.’
Vledder schudde zijn hoofd. ‘Hoe meer wij van die Albertus van Zoggel te weten komen, hoe minder ik van die man begrijp.’
‘Hoezo?’
Vledder gebaarde breed. ‘Hij heeft een mooie villa in Spanje… nog steeds… kan daar zeven jaar ongestoord vakantie houden… volgens zijn moeder alles van gestolen geld. Dan moet zijn buit toch aanzienlijk zijn geweest.’
‘Beslist.’
Vledder zwaaide. ‘Als zijn geld opraakte, zoals Sylvia van Rosmalen zegt, dan kon hij toch die villa in Spanje verkopen in plaats van zijn toekomstige vrouw een raam op de Wallen te bezorgen?’
De Cock grijnsde. ‘Dat soort mannen denkt anders over vrouwen dan wij. Het is voor ons ondenkbaar om een vrouw die je zegt lief te hebben, als hoer op de Wallen te installeren.’
De oude rechercheur maakte een schouderbeweging.
‘Ik vermoed,’ ging hij grijnzend verder, ‘dat hij prostitutie een aardige oplossing vond om de vakantie in zijn villa in Spanje zorgeloos en ongestoord te kunnen voortzetten.’
‘Ten koste van die arme Sylvia van Rosmalen.’
‘Precies.’
Vledder trok een vies gezicht. ‘Ik krijg net zo’n hekel aan die man als ik aan Gerard van Kastelen heb.’
De jonge rechercheur reed de Oudebrugsteeg in en parkeerde de Golf op de gladde houten steiger achter het bureau.
De Cock stapte lachend uit. Samen slenterden ze de steiger af.
Ondanks de miezerige motregen was het gezellig druk op het Damrak. Flitsende neonreclames in bonte kleuren weerspiegelden speels in het natte asfalt. Over het brede trottoir flaneerden meest in plastic gehulde toeristen. Ze kakelden tegen elkaar in een kakofonie van vreemde keelklanken.
De Cock trok de kraag van zijn regenjas omhoog en schoof zijn hoedje iets naar voren.
‘Er wordt bij ons in Amsterdam,’ gromde hij, ‘vrijwel geen Hollands meer gesproken.’
Vledder reageerde niet.
Op het overdekte terras van De Roode Leeuw was geen plaats meer vrij. De Cock gebaarde breed naar de vele tafeltjes en stoelen.
Hij liep naar de portiersloge. De oude rechercheur kende de man aan de balie al vele jaren. Hij lichtte beleefd zijn hoedje en gebaarde naar een pluchen bank in de hal.
‘Mogen wij bij u wachten,’ vroeg hij vriendelijk, ‘tot de heer Van Milschot thuiskomt?’
De portier glimlachte. ‘Dan mag u hier wel een kamer bestellen.’
De Cock keek de portier wat verward aan. ‘Ik begrijp u niet.’
De portier wees naar een klok achter zich. ‘Een minuut of tien geleden kwam de heer Van Milschot hier bij mij aan de balie. Hij was in gezelschap van een knappe jonge vrouw. De heer Van Milschot vroeg mij of ik een taxi voor de jongedame wilde bestellen.’
‘En dat hebt u gedaan?’
De portier knikte. ‘Kort nadat de jongedame met de taxi was vertrokken, kwam de heer Van Milschot van zijn kamer met een klein valies en vroeg de rekening.’
De Cock trok zijn neus iets op.
‘De rekening?’
De portier knikte opnieuw. ‘De heer Van Milschot verblijft hier niet meer.’
Toen De Cock de volgende morgen de grote recherchekamer binnenstapte, trof hij Vledder alweer achter zijn elektronische schrijfmachine. Toen hij zijn oude collega in het oog kreeg, keek hij op en liet zijn vingers rusten.
‘Je bent laat.’
De Cock zwaaide zijn oude hoedje missend naar de kapstok.
‘Een goede gewoonte,’ grinnikte hij.
Vledder tikte met een kromme vinger op zijn polshorloge.
‘De gerechtelijke sectie is om elf uur,’ riep hij geïrriteerd, ‘en voor die tijd moet ik Sylvia van Rosmalen en moeder Van Zoggel nog ophalen voor de herkenning.’
De Cock plooide zijn lippen in een tuitje.
‘Dat red je nog wel,’ sprak hij geruststellend. ‘Je hebt nog een uur en drie kwartier.’ Hij trok zijn regenjas uit en drapeerde die over de leuning van zijn bureaustoel. ‘Heb je onze vrienden nog nagetrokken?’
Vledder knikte. Hij trok een lade van zijn bureau open en nam daaruit een A-viertje met aantekeningen.
‘Albertus van Zoggel had een strafblad van hier tot ginder. Moeder Van Zoggel had gelijk. In zijn jonge jaren was Albertus vooral in en om Den Haag berucht. Hij had al veroordelingen op zeer jeugdige leeftijd. Het vreemde is, dat die reeks misdrijven zeven jaar geleden plotseling stopte.’
De Cock grijnsde.
‘Toen had hij genoeg gestolen en ging hij met een rijke buit naar Spanje.’
Vledder verschoof zijn aantekeningen.
‘Van Charles van Milschot hebben we niets… totaal niets. Ik zal vanmiddag na de sectie proberen of ik nog andere kanalen kan aanboren. Bij het bevolkingsregister in Amsterdam is hij nooit ingeschreven geweest. Ook in Den Haag kennen ze hem niet.’
‘En Hendrik Noorddijk?’
Vledder glimlachte.
‘Hetzelfde verhaal als Albertus van Zoggel. Al vrij jong gestart. Een waslijst van misdrijven… meest ernstige vermogensdelicten… waaraan zeven jaar geleden plotseling een einde kwam.’
‘Hebben ze wel eens samen geopereerd?’
Vledder knikte. ‘In hun jonge jaren. Later ben ik geen delicten meer tegengekomen waaraan ze beiden deelnamen. Het lijken individualistische acties.’
De Cock trok een grimas. ‘Het zou mij niets verbazen als ook Hendrik Noorddijk een onderkomen in Spanje heeft gevonden.’
Vledder spreidde zijn handen. ‘Als hij bij de illustere luitjes van het rendez-vous behoort, dan zal ook Hendrik Noorddijk vandaag of morgen wel in Amsterdam opduiken.’
De Cock wreef zich achter in zijn nek. ‘Misschien ziet hij van het rendez-vous af.’
‘Waarom?’
‘Angst.’
‘Waarvoor?
‘Om hetzelfde lot te ondergaan als zijn vroegere gabber in het kwaad.’
Vledder keek hem verrast aan. ‘Jij denkt dat…’
Verder kwam hij niet.
De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. De jonge rechercheur boog zich voorover en greep de hoorn.
De Cock keek toe en zag hoe het gezicht van Vledder verstrakte. Na enkele seconden legde hij de hoorn op het toestel terug.
De oude rechercheur keek hem schuins aan.
‘Wie was dat?’
‘Witte Gijssie.’
‘Wat moest die?’
‘Er is ingebroken in het vroegere peeskamertje van Charmaine Dupuitrain.’
‘En?’
Vledder slikte. ‘Er ligt daar weer een dode man met een stuk elektriciteitsdraad om zijn strot.’
De Cock maakte een berustend gebaar. ‘Ga jij maar naar Westgaarde,’ verzuchtte hij. ‘We hebben die herkenning nodig en je kunt dokter Rusteloos niet laten wachten.’
‘Ga je alleen?’
De Cock knikte. ‘Maak je geen zorgen,’ sprak hij geruststellend. ‘Ik kan het best alleen af.’ De oude rechercheur keek glimlachend naar zijn jonge collega op. ‘Al vind ik het uiteraard plezieriger als jij erbij bent.’
Vledder wees naar de telefoon. ‘Zal ik de meute voor je waarschuwen?’
De Cock nam zijn regenjas over zijn arm en raapte zijn hoedje van de vloer. ‘Doe dat.’
Wuivend verliet hij de grote recherchekamer.
De Cock slenterde vanuit de Warmoesstraat op zijn gemak naar de Lange Niezel. Hij had zijn regenjas aangetrokken. Het was killer dan de voorgaande dagen. Er scheen een waterig zonnetje dat weinig warmte bracht.
Er liepen maar weinig mensen in de Lange Niezel. In de morgenuren maakte het smalle straatje een slaperige indruk. De sekstheaters waren gesloten en de muziek in de cafés was verstomd. De grijze speurder vroeg zich af hoeveel voetstappen hij in dat oude straatje had liggen… Hoe vaak hij erdoorheen was getrokken naar een plaats van misdrijf… Flarden uit tal van oude zaken spoelden door zijn hersenen.
Het vreemde was, dat hij er zich niet over verwonderde dat in het vroegere peeskamertje van Charmaine Dupuitrain opnieuw een lijk lag. Intuïtief had hij aangevoeld dat het zou gaan gebeuren. Hij vroeg zich alleen af wie ditmaal het slachtoffer was en hoopte vurig dat deze nieuwe moord hem eindelijk de ogen zou openen voor het ware motief.
Aan het einde van de Lange Niezel ging hij rechtsaf de Voorburgwal op en liep via de Oude Kennissteeg naar de Achterburgwal.
Bij nummer 1017 hing het laken nog voor het raam. Witte Gijssie stond voor de deur. Hij zag nog bleker dan de vorige keer. De hoogblonde bordeelhouder duimde over zijn schouder.
‘De Cock,’ riep hij fel, ‘hier moet je iets aan doen! Dat kan toch zo niet doorgaan? Het lijkt wel een epidemie. Nog een moord en ik raak dat kamertje aan geen enkele hoer meer kwijt.’
Hij zwaaide wild met zijn armen.
‘Wie wil hier nog gaan pezen?’
De Cock trok zijn linkerschouder iets op. ‘Mensen vergeten snel,’ sprak hij achteloos. ‘Over een paar weken praat niemand er meer over.’
Witte Gijssie grinnikte met een snik. ‘In nog geen week… drie moorden in datzelfde gore kamertje.’
De Cock knikte instemmend. ‘Wanneer ontdekte je het?’
‘Een halfuurtje geleden. Ik kwam naar buiten en zag dat de deur was opengebroken… ruw, onbehouwen, door iemand die er geen sjoege van heeft. Dat slot maak je met een paperclip open. Die Don Quichot heeft de halve deurstijl versplinterd om binnen te komen.’
De Cock bekeek even vluchtig de vernielingen. ‘Wat heb je gedaan?’
Witte Gijssie maakte een vertwijfeld gebaar. ‘Ik begreep er niks van,’ riep hij opgewonden. ‘Iedere idioot weet toch dat er in een peeskamertje op de Wallen niets te halen is. Wat is er van waarde? Je moet toch wel…’
De Cock onderbrak hem. ‘Je bent naar binnen gegaan?’
‘Allicht.’
‘Ergens aangekomen met je handen?’
Witte Gijssie schudde zijn hoofd. ‘Ik ben zo langzamerhand een expert… Handjes in de zakken.’
‘Ken je de man?’
Witte Gijssie schudde opnieuw zijn hoofd. ‘Nooit eerder gezien.’
‘Iets bijzonders opgemerkt?’
Witte Gijssie dacht even na. ‘Er staat een koffertje op het peesbed.’
De Cock wuifde. ‘Ga maar naar boven. We komen straks wel een verklaring van je opnemen.’
‘Waarom? Kun je niet onthouden wat ik je tot nu toe verteld heb?’
De Cock glimlachte. ‘Het is goed, Gijssie,’ sprak hij sussend. ‘En… eh, laat dat laken voorlopig nog maar hangen. Drie doden hebben een lange rouwtijd nodig.’
Het klonk cynisch.
De oude rechercheur duwde met zijn voet de deur van het peeskamertje verder open.
Op de vloer, naast het peesbed, lag op zijn rug een breedgeschouderde man met een zongebruind gelaat. Naast de rechterhand van de dode lag een groot model schroevendraaier. De donkerblonde haren van de man, iets grijzend aan de slapen, waren strak naar achteren gekamd. Zijn tong hing half uit zijn mond en zijn ogen waren wijd opengesperd. Het bood een gruwelijke aanblik.
De Cock knielde bij de dode neer. Dun, wit, tweesnoerig elektriciteitsdraad was diep in zijn hals gedrongen. Een uiteinde van de draad lag in een kleine bocht een paar centimeter boven de linkerschouder. Het andere einde liep achter het hoofd van de dode om. De moordenaar had zijn slachtoffer duidelijk van achteren benaderd en de draad over zijn hoofd getrokken.
De Cock kwam overeind. Getroffen door een golf van verbittering keek hij op de dode neer. Zijn blik gleed van het dode gezicht naar een klein bruin koffertje op het peesbed. Achter het koffertje lag opgevouwen een lichtgroene trenchcoat.
Bram van Wielingen kwam het kamertje binnen, zette zijn aluminium koffertje op de vloer en keek rond. In zijn ogen glansde verbazing.
‘Wat is dit… een slachthuis?’
‘Een voormalig peeskamertje van een hoer,’ antwoordde De Cock laconiek. ‘Meer niet.’
Bram van Wielingen keek hem vertwijfeld aan. ‘Dit is toch van de week de derde?’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar. ‘Ik kan er niets aan doen.’
‘Ben je al iets verder?’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Geen steek.’
Bram van Wielingen keek zoekend om zich heen. ‘Waar is Vledder?’
‘Op Westgaarde. Naar de sectie van het vorige slachtoffer. Heb je hem daar niet ontmoet?’
Bram van Wielingen schudde zijn hoofd. ‘Ben Kreuger is daar wel heen. Ik heb een jonge plaatsvervanger gestuurd… een leerling-fotograaf, die nog nooit een lijk voor zijn lens heeft gehad.’
De Cock grinnikte. ‘Leuk voor die jongen.’
Bram van Wielingen negeerde de opmerking. ‘Weet je inmiddels al wie die dode is?’
De Cock knikte. ‘Albertus van Zoggel, een man met een rumoerig verleden en een groot strafblad.’
Bram van Wielingen wees naar de dode op de vloer. ‘En weet je wie hij is?’
De Cock knikte opnieuw. ‘Ene Charles van Milschot. Een charmante man. En de slechtste inbreker die ik ooit heb ontmoet. Ik heb gisteravond nog met hem gesproken. Als hij mij toen volledige opening van zaken had gegeven, dan had hij vermoedelijk nu nog geleefd.’
De oude rechercheur klemde zijn lippen opeen. ‘Het ergste is, dat ik had gehoopt om via hem tot een oplossing te komen.’
Bram van Wielingen grijnsde. ‘Misschien was de moordenaar daar wel bang voor.’
De Cock zuchtte diep. ‘Naar mijn stellige overtuiging wist deze man waarom en door wie Albertus van Zoggel werd vermoord.’
Bram van Wielingen pakte zijn Hasselblad uit zijn aluminium koffertje en monteerde een flitslicht. Snel en met groot vakmanschap liet hij zijn camera het werk doen.
Plotseling liet hij zijn fraaie Hasselblad verwonderd zakken.
De Cock keek hem verrast aan. ‘Wat is er?’
Bram van Wielingen wees. ‘Die roestige pedaalemmer staat alweer op een andere plek.’