De Cock slenterde bedaard van het politiebureau door de Warmoesstraat naar de Lange Niezel. Vledder liep enkele passen schuin voor hem uit. De oude rechercheur riep hem terug.
‘Heb je haast?’
Vledder reageerde nerveus.
‘Daar is een moord gepleegd!’ riep hij opgewonden.
De Cock grijnsde.
‘Daar ligt een dooie vent in een kamertje,’ sprak hij achteloos. ‘En dood is dood. Daar veranderen jij en ik niets meer aan.’
Vledder hield zijn pas in.
‘Ik vind het vreemd,’ sprak hij hijgend. ‘Witte Gijssie had een halfuurtje geleden de melding van de moord toch ook aan de wachtcommandant kunnen doen?’
De Cock trok zijn schouders iets op.
‘Witte Gijssie wist dat wij belangstelling hadden voor de man die zo haastig het peeskamertje van Charmaine Dupuitrain had gehuurd.’
‘Als je toch in jouw huis een moord ontdekt,’ riep Vledder geëmotioneerd, ‘dan… dan…’
De jonge rechercheur maakte zijn zin niet af.
De Cock trok een grimas.
‘Ik denk dat Witte Gijssie geen opschudding wilde met geüniformeerde agenten voor de deur van zijn bordeel. Twee lijken achter elkaar in hetzelfde peeskamertje is niet goed voor de business.’
Vledder gromde.
‘Business, business… denken die lui nergens anders aan.’
De Cock reageerde niet.
Het was bijzonder rustig op de Achterburgwal. Veel hoerenpandjes waren op dit vroege middaguur wegens te magere belangstelling nog gesloten. Een paar bedaagde prostituees zaten wat verveeld met een breiwerkje achter het raam. De meest opwindende hoertjes gingen pas ’s avonds aan het werk als het voltallige leger van behoeftigen voorbijtrok.
Bij Achterburgwal 1017 hing een laken voor het raam. Witte Gijssie stond voor de deur. Hij zag bleek en had roodomrande ogen. De bordeelhouder duimde over zijn schouder.
‘Ik ben mij rot geschrokken van die dooie vent. Ik zou even boodschappen gaan doen. Toen zag ik de deur van het kamertje op een kier staan. Ik dacht dat hij al vroeg was begonnen. Uit nieuwsgierigheid ben ik gaan kijken. Toen vond ik hem.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Wie, dacht jij, dat er al vroeg was begonnen?’
Witte Gijssie knikte.
‘Die… eh, die Bertus van het Hooft.’
‘Waar moest hij aan beginnen?’
Witte Gijssie ademde diep.
‘Gisteravond kwam hij bij mij en vroeg de sleutel van het kamertje dat hij gehuurd had. Ik zei hem dat hij die niet kreeg omdat ik het kamertje nog een paar dagen gesloten wilde houden uit piëteit met dat vermoorde vrouwtje.’
‘Dat had je hem toch verteld?’
‘Zeker.’
De Cock keek hem onderzoekend aan.
‘Je hebt die sleutel toch gegeven?’
Witte Gijssie zuchtte.
‘Die vent zei dat het niet de bedoeling was dat zijn vriendin al ging zitten. Hij wilde de sleutel om het kamertje wat op te knappen… een nieuw behangetje en een kwast verf.’
De Cock keek hem verwonderd aan.
‘Waarom? Het zag er toch netjes uit?’
‘Netjes?’ vroeg Witte Gijssie kwaad. ‘Het kamertje zat vol vieze grijze vlekken van het poeder waarmee jullie dactyloscoop had gekwast.’
De Cock haalde zijn schouders op.
‘Een sopdoekje was voldoende geweest.’
Witte Gijssie zwaaide geagiteerd.
‘Die vent wilde het voor zijn vriendin. Toen die vriendin van hem hoorde dat in het kamertje dat zij zou gaan betrekken, een vrouwtje was vermoord, eiste ze dat het kamertje eerst werd opgeknapt. Anders ging ze er beslist niet in.’
De Cock maakte een berustend gebaar.
‘Het klinkt aannemelijk. Ik kan mij voorstellen dat het geen prettige gedachte is.’
Witte Gijssie knikte.
‘Dat vond ik ook. Daarom heb ik hem de sleutel van het kamertje maar gegeven… onder voorwaarde dat het laken bleef hangen.’
De Cock wees naar het raam.
‘En het laken hangt er nog.’
Het klonk bijna spottend.
De oude rechercheur liep langs Witte Gijssie en duwde de deur open. Door het witte laken viel voldoende licht het kamertje binnen. Naast het peesbed lag op zijn rug het lichaam van een korte gedrongen man met zwart haar en een volle zwarte snor. Zijn tong hing half uit zijn mond en zijn ogen waren wijd opengesperd. Het bood een gruwelijke aanblik.
De Cock knielde bij hem neer. Dun, wit, tweesnoerig elektriciteitsdraad was diep in de vlezige hals gedrongen. Een uiteinde van de draad lag in een kleine bocht een paar centimeter boven de linkerschouder. Het andere einde liep achter het hoofd van de dode om. De moordenaar had zijn slachtoffer duidelijk van achteren benaderd en de draad over zijn hoofd getrokken.
De oude rechercheur boog zich over de dode heen en bekeek de rug van zijn rechterhand. De hijgende adem van Vledder kriebelde in zijn nek.
‘Een klein rood zonnetje.’
De Cock knikte.
‘Hier ligt de angst van Charmaine.’
Bram van Wielingen zette zijn aluminium koffertje op het peesbed en keek rond.
‘Verrek,’ riep hij verrast, ‘hier waren wij van de week toch ook?’
De Cock knikte.
‘Toen was het een vrouwtje.’
‘Ben je daar al verder mee?’
De Cock schudde zijn hoofd en wees naar de dode op de vloer. ‘En hier,’ sprak hij somber, ‘snap ik helemaal geen draad van.’
‘Weet je wie hij is?’
De Cock wees omhoog. ‘Hij heeft aan de bordeelhouder opgegeven dat hij Bertus van het Hooft heet, maar ik ben bang dat het een valse naam is. In onze administratie is hij niet bekend en aan zonnetjes heeft onze TOHD niets.’
‘Zonnetjes?’
De Cock wees naar de tatoeage op de rug van de rechterhand van de dode.
‘Ik wil dit goed in beeld en een duidelijke foto van hem voor een mogelijke herkenning.’
‘Met die tong uit zijn bek?’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
‘Ga morgenochtend maar met je camera naar het sectielokaal op Westgaarde. Misschien kan dokter Rusteloos voor hij aan het werk gaat iets aan die tong doen.’
‘Terugstoppen?’
De Cock keek hem afkeurend aan.
‘Neem dan Ben Kreuger mee… kan hij rustig een slip van zijn vingers maken. Misschien dat wij wel ergens zijn vingerafdrukken hebben.’
Bram van Wielingen pakte zijn koffertje en monteerde een flitslicht op zijn Hasselblad.
‘Wat kwam hij hier doen?’
‘Doodgaan.’
Bram van Wielingen schonk hem een blik vol verwijt.
‘Voor hij doodging?’
De Cock gebaarde om zich heen.
‘Dit kamertje opknappen voordat zijn vriendin hier als hoer ging zitten.’
‘Ken je die vriendin?’
‘Ook niet.’
Bram van Wielingen keek hem meelijwekkend aan.
‘Ik wens je mazzel.’
Toen flitste hij in het dode gelaat.
Dokter Den Koninghe, de lijkschouwer, kwam met driftige pasjes het peeskamertje binnen. Achter hem, in de deuropening, verschenen twee zwaargebouwde broeders van de Geneeskundige Dienst met hun brancard.
De Cock schudde de lijkschouwer hartelijk de hand.
‘Het spijt me dat ik u weer lastig moet vallen.’
Dokter Den Koninghe bromde.
‘Ik word ervoor betaald.’
De Cock liep aan de lijkschouwer voorbij naar de beide broeders en vroeg hen vriendelijk nog even buiten te blijven. Uit ervaring wist hij dat het in zo’n kleine peeskamer snel benauwd wordt en mogelijke sporen worden vertrapt.
Dokter Den Koninghe trok aan de vouwen van zijn keurige streepjespantalon de pijpen iets omhoog en knielde bij de dode neer. Met de rug van zijn hand voelde hij even aan de wang van het slachtoffer. Daarna drukte hij in een routinegebaar de oogleden toe. Al na enkele seconden kwam hij weer overeind en nam zijn bril af.
De Cock bezag geduldig de ceremonie van het poetsen van zijn brillenglazen.
Dokter Den Koninghe keek naar hem op.
‘Hij is dood.’
De Cock knikte gelaten.
‘Dat vermoedde ik,’ reageerde hij nuchter.
De oude lijkschouwer wees naar het slachtoffer.
‘Al enkele uren. Het lichaam is flink afgekoeld en er is een begin van lijkstijfheid. De doodsoorzaak is zonder meer duidelijk. De insnoeringen in de hals zijn diep. De wurger moet een krachtig man zijn geweest.’
Dokter Den Koninghe wuifde.
‘Tot kijk, tot jouw volgende lijk.’ Er kwam een zoete grijns op zijn gezicht. ‘Soms denk ik dat jij erin grossiert.’
De Cock wuifde terug, maar reageerde verder niet. Toen de lijkschouwer het kamertje had verlaten, richtte hij zijn aandacht weer op Bram van Wielingen.
‘Ben je klaar?’
De fotograaf hield zijn Hasselblad omhoog.
‘Nog één opname: een plaatje van het fonteintje.’
‘Fonteintje?’ vroeg hij verwonderd. ‘Zie je daar wat aan?’
Bram van Wielingen gebaarde.
‘Als ik mij goed herinner,’ sprak hij traag, ‘dan stond die roestige pedaalemmer de vorige keer aan de andere kant.’
Ze liepen zwijgend en met sombere gezichten over de Achterburgwal terug naar de Kit. Een miezerige motregen gaf een extra accent aan hun somberheid.
Vledder bromde.
‘Ik begrijp best dat Ben Kreuger niet opnieuw een dactyloscopisch onderzoek in het kamertje wilde instellen. Hij heeft nog een la vol van de vorige keer. En buiten die pedaalemmer is er niets veranderd.’
De Cock zuchtte.
‘Jammer dat bij zijn vorig dactyloscopisch onderzoek het knopje van het licht geen vingerafdruk heeft opgeleverd.
Het was een kleine mogelijkheid geweest om de moordenaar van Charmaine te identificeren.’
Vledder keek hem van terzijde aan.
‘Hoe denk je de identiteit van dit slachtoffer te achterhalen?’
De Cock gebaarde voor zich uit.
‘Als Bram van Wielingen morgen een redelijke foto van hem kan maken, dan kunnen we dat op het televisiescherm brengen… compleet met een vermelding van de kleding die hij droeg.’
‘Verder?’
‘Verder hoop ik dat wij zijn vingerafdrukken in ons systeem hebben.’
‘Dan zou hij een crimineel verleden moeten hebben.’
De Cock knikte.
‘Dat is niet ondenkbaar. We hebben alleen weinig tijd voor de identificatie.’
‘Hoezo?’
‘Volgens de begrafeniswet moeten we hem binnen vijf dagen onder de grond stoppen. Voor een wetsgeldige herkenning kunnen we hem dan niet meer aan mogelijke getuigen laten zien.’
Ze liepen een tijdje zwijgend verder. Vledder blikte opzij.
‘Zie jij een verband?’
‘Tussen deze moord en de moord op Charmaine?’
‘Dat bedoel ik.’
De Cock trok een mistroostig gezicht.
‘Gepleegd in hetzelfde kamertje. Dat is voorlopig de enige overeenkomst die ik zie. Verwurging met de handen of met een snoer is een totaal verschillende modus operandi.’
‘Twee verschillende daders?’
De Cock knikte.
‘Daar lijkt het op.’
‘Verschillende motieven?’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
‘Geen flauw idee.’
Vledder grinnikte.
‘Zullen we samen naar een ander beroep uitzien?’
De opmerking fleurde De Cock zichtbaar op. De somberheid gleed van zijn gezicht.
‘Ik ben te oud… kom nergens meer aan de bak. Bovendien heb ik nooit een vak geleerd.’
‘Ben je daarom rechercheur geworden?’
‘Precies.’
Aan het einde van de Lange Niezel liep De Cock niet de Warmoesstraat in, maar sjokte rechtuit naar de Oudebrugsteeg.
Vledder keek hem verrast na.
‘Waar ga je heen?’
De Cock keek achterom.
‘Naar de steiger, naar onze Golf. Ik wil naar de Bilderdijkkade.’
‘Bilderdijkkade? Wat is daar?’
De Cock lachte.
‘Ben je het vergeten?’ vroeg hij licht spottend. ‘Daar woont onze vriend Gerard van Kastelen. We gaan hem plechtig condoleren met het verlies van zijn ex-vrouw. En verder heb ik nog een paar vragen in mijn hoofd.’
Op de Bilderdijkkade bij het Kwakersplein vonden ze aan de wallenkant tussen de bomen met moeite een parkeerplaatsje voor de Golf. Ze stapten uit en slenterden de kade af. Bij nummer 975 bleven ze staan. De Cock bekeek de smalle plastic naamplaatjes aan de muur. Naast G. van Kastelen drukte hij op de knop. Tegelijk keek hij omhoog. Even later verscheen het gezicht van een man in het spionnetje op de eerste etage. Het duurde daarna nog enkele seconden voor de buitendeur werd opengetrokken.
De Cock hees zijn negentig kilo langs een krakende trap omhoog.
Vledder volgde.
Op het portaal van de eerste etage stond de man van het gezicht. De Cock schatte hem op achter in de dertig. Hij droeg een verschoten spijkerbroek met een grijze slobbertrui en hij had zich in dagen niet geschoren. De oude rechercheur nam zijn hoedje af.
‘Mijn naam is De Cock,’ sprak hij vriendelijk. ‘De Cock met… eh, met ceeooceekaa.’ Hij duimde over zijn schouder. ‘Dat is mijn collega Vledder. Wij zijn rechercheurs, verbonden aan het bureau Warmoesstraat.’
Hij keek de man schuins aan.
‘U… eh, u bent Gerard van Kastelen?’
‘Ja, dat ben ik.’
De Cock liet zijn hoofd iets zakken.
‘Wij condoleren u,’ sprak hij plechtig, ‘met het verlies van uw ex-vrouw.’
‘Dank u.’
De Cock gebaarde voor zich uit.
‘Kunnen we daar verder praten?’
Gerard van Kastelen liet de rechercheurs binnen en ging hen voor naar een schaars gemeubileerde woonkamer. De Cock keek rond. Er was geen enkele vorm van luxe. Gerard van Kastelen had het geld van Charmaine niet aan de inrichting van zijn woning besteed. De oude rechercheur liet zich in een fauteuil zakken en legde zijn hoedje naast zich op de vloer. Hij wachtte tot de man was gaan zitten.
‘U weet wat haar is overkomen?’
Gerard van Kastelen knikte.
‘Ze hebben haar gemold. Ik hoorde het op de Wallen. Iemand heeft haar strot dichtgeknepen. Daar had ik haar al voor gewaarschuwd.’
‘Wanneer?’
‘Nog een dag voor haar dood. Ik kwam erachter dat ze op de Wallen zat. Ik kreeg spijt van mijn scheiding en wilde het weer goedmaken.’
‘U wilde haar souteneur zijn?’
Gerard van Kastelen schudde zijn hoofd.
‘Charmaine was te schuchter. Ze deugde niet als hoer. Ik wilde juist dat ze ermee ophield.’
De Cock glimlachte.
‘Wat dan? Ze kon niet meer terug naar de IJsselsteinse Bank. Daar had ze… door u daartoe aangezet… fraude gepleegd.’
Gerard van Kastelen grijnsde.
‘Dat ik haar daartoe heb aangezet,’ sprak hij hoofdschuddend, ‘dat kunt u nooit hard maken… nooit bewijzen. Zeker niet nu Charmaine nooit meer tegen mij kan getuigen.’
De Cock boog zich iets naar hem toe.
‘U had dus een redelijk motief om haar van het leven te beroven. Zolang Charmaine leefde kon zij een aanklacht tegen u indienen.’
Gerard van Kastelen grinnikte.
‘Zolang een vrouw geld voor je kan verdienen… geld waard is… maak je haar toch niet van kant. Dat is stom.’
De uitspraak prikkelde Vledder. De jonge rechercheur grijnsde breed.
‘U zag dus wel degelijk iets in haar… als prostituee?’
Gerard van Kastelen keek van Vledder naar De Cock en leunde achterover in zijn fauteuil.
‘U neemt mij toch niet kwalijk dat ik daar geen antwoord op geef.’
De oude rechercheur negeerde de opmerking.
‘Wat hebt u met die tweehonderdvijfenzeventigduizend gulden gedaan, die Charmaine u als afkoopsom heeft betaald?’
Gerard van Kastelen stak zijn rechterhand omhoog en knipte met duim en middelvinger.
‘Vergokt.’
‘Alles?’
‘Alles. Van al dat geld heb ik geen rooie cent meer over.’
‘Dat noem ik stom,’ zei Vledder schamper.
De Cock bekeek de man voor zich aandachtig… het korte voorhoofd, de smalle neus en de wat ingevallen wangen.
‘U lijkt sprekend op uw vader.’
‘Hebt u die ouwe gekend?’
De Cock knikte.
‘Toen hij nog niet in de drugs zat en af en toe een kraak pleegde.’
De oude rechercheur boog zich vertrouwelijk voorover. ‘Laten we met elkaar geen spelletjes spelen, Gerard. Daar schieten jij en ik niets mee op. Je hebt wel degelijk geprobeerd om souteneur van Charmaine te worden. Niet zo vreemd. Je vader had vroeger ook een hoerenkast. Bijna dagelijks zwierf je om haar heen, begluurde haar, keek wat voor klanten ze kreeg. Daarbij zal het je zeker zijn opgevallen dat er nog een andere man belangstelling voor Charmaine had, een kleine, gedrongen man met zwart haar en een snor.’
Gerard van Kastelen lachte.
‘Haagse Bertus.’
De Cock bedwong zijn emotie.
‘Ken je die?’
‘Een gabber van mijn vader… langgeleden, toen die ouwe van mij nog niet in de drugs zat.’
‘Wat wilde hij van Charmaine?’
Gerard van Kastelen lachte opnieuw.
‘Hij wilde niets van Charmaine. Hij wilde het pandje kopen en onderzocht wat het opbracht.’