Ze reden opnieuw uit Rotterdam weg. Het schemerde en het begon weer te sneeuwen. Kleine glinsterende vlokjes kleefden aan het wegdek. Soms joeg een wervelende wind ze even tuimelend omhoog.
Vledder deed mopperend de ruitenwissers aan en ranselde de Golf de snelweg op.
De Cock wuifde voor zich uit.
‘Ik zou maar voorzichtig rijden,’ sprak hij bezorgd. ‘Het kon wel eens glad worden.’
De jonge rechercheur reageerde niet. Het toenemend spitsverkeer eiste al zijn aandacht. Pas toen het op de snelweg wat rustiger werd, blikte hij opzij.
‘Hoeveel dagen hebben we nog voor kerst?’ vroeg hij met een ondertoon van spot.
De Cock gromde.
‘Kun je zelf niet tellen?’ antwoordde hij bars, geprikkeld.
Vledder trok een grijns op zijn gezicht.
‘Heb je de smoor in?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Stomme vraag… hoeveel dagen hebben we nog voor kerst… als je niet uit je hoofd kunt rekenen, gebruik je je vingers maar.’
Vledder grinnikte om De Cocks reactie.
‘Je hebt echt de smoor in,’ stelde hij vast. ‘Ik wilde alleen maar zeggen… als we elke dag zo verprutsen als vandaag…’ Hij maakte zijn zin niet af.
De Cock draaide zich met een ruk naar hem toe.
‘Het is geen verprutste dag!’ riep hij verbolgen.
Vledder glimlachte fijntjes.
‘Wat hebben we dan bereikt?’
De Cock hief zijn handen op.
‘Je kunt niet alles en iedereen onmiddellijk naar je hand zetten.’
‘Geert Dijke?’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Ik heb ook geen verklaring voor het vreemde gedrag van Geert Dijke,’ antwoordde hij wat timide. ‘Hij adviseert directeur Scheltema om de verdwijning van zijn schoonvader aan mij te melden en als ik mij daadwerkelijk met het geval ga bemoeien, weigert hij elke medewerking.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Jij denkt dat Geert Dijke meer weet omtrent de verdwijning van zijn schoonvader dan hij ons wil vertellen?’
‘Absoluut.’
‘Waarom?’
De Cock spreidde zijn beide handen.
‘Albert Versteegh en Geert Dijke vormden destijds bij de recherche aan de Warmoesstraat een onafscheidelijk koppel… volkomen op elkaar afgestemd… een gouden duo. Ik kan mij niet voorstellen dat daarin verandering is gekomen.’
‘Jij gaat ervan uit dat zij nog steeds elke actie met elkaar bespreken?’
‘Zeker.’
Vledder keek hem verschrikt aan.
‘Zou… zou,’ stamelde hij, ‘zou Geert Dijke weten waar Albert Versteegh zich mee bezighield?’
‘Daar ben ik van overtuigd. Ik neem zelfs aan dat hij alle details kent.’
‘Zou… zou Geert Dijke ook weten waar Albert Versteegh zich bevindt… zich schuilhoudt?’
De Cock schoof zijn onderlip vooruit.
‘Ik acht die mogelijkheid beslist niet uitgesloten.’
Vledder slikte.
‘Als dat zo is… als Geert Dijke weet waar zijn schoonvader zich ophoudt… dan is er in feite geen sprake van een ver-dwij-ning.’
‘Precies.’
Vledder liet het stuur los en stak zijn beide handen vertwijfeld omhoog.
‘Wat heeft die hele maskerade dan voor zin?’
De Cock zuchtte.
‘Als ik een antwoord op die vraag had, dan waren wij vermoedelijk heel dicht bij de oplossing van de moord op Scheltema.’
‘En Katja Anna Solarsky?’
De Cock maakte een gebaar van wanhoop.
‘Albert Versteegh heeft als beveiligingsman bij het transportbedrijf Scheltema & Haantjes iets ontdekt, dat door Charles van Kinsbergen als een omvangrijk geval van fraude wordt betiteld.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Maar dat klopt niet,’ reageerde hij fel. ‘Gerard Haantjes ontkent dat er sprake is van fraude in zijn bedrijf. Onmogelijk, volgens zijn zeggen. Een gerenommeerd Rotterdams accountantskantoor zou het bedrijf hebben doorgelicht en geen onregelmatigheden hebben geconstateerd.’
De Cock grijnsde.
‘Maar Albert Versteegh is er zelf van overtuigd, dat zijn wetenschap… zijn kennis van die fraude… voor hem gevaar inhoudt.’
Vledder knikte instemmend.
‘Hij komt naar ons aan de Warmoesstraat omdat hij vreest als een stuk wild te worden afgeschoten.’
De Cock kneep zijn lippen op elkaar.
‘Zover ons bekend is… is dat nog niet gebeurd. We hebben daarover geen meldingen.’ De grijze speurder staarde enige tijd nadenkend voor zich uit. Daarna wuifde hij in de richting van Vledder. ‘Wie werden er wél als een stuk wild op straat afgeschoten?’
‘Katja Anna Solarsky en Hendrik Scheltema.’
De Cock keek zijn jonge collega vragend aan.
‘Conclusie?’
Vledder ademde diep.
‘Katja Anna Solarsky en directeur Scheltema droegen omtrent de omvangrijke fraude in het transportbedrijf dezelfde kennis met zich mee… hadden dezelfde wetenschap als Albert Versteegh.’
De Cock glimlachte.
‘Heel goed.’
Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘Maar hoe kan dat? Ik bedoel, wat heeft Katja Anna Solarsky met het transportbedrijf Scheltema & Haantjes te maken?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dat weet ik niet… nog niet. Ze had in ieder geval wel iets te maken met… Albert Versteegh. Ze heeft vermoedelijk in Schermerhorn met hem getelefoneerd… kende zijn naam.’
Vledder klapte met zijn vuist op het stuur.
‘En kan via hem haar kennis over de fraude hebben opgedaan.’
De Cock liet zich onderuitzakken. Met de laatste conclusie van zijn jonge collega stemde hij niet in. Dat Albert Versteegh zijn bevindingen, zo overdacht hij, aan directeur Scheltema rapporteerde, lag voor de hand. Scheltema was zijn opdrachtgever, zijn directe chef. Maar waarom zou hij zijn wetenschap aan een jonge Tsjechische vrouw overdragen?
Na een kleine slip, waardoor de politiewagen even dwars op de weg belandde, verminderde Vledder geschrokken de snelheid van de Golf. Geruime tijd reden ze zwijgend voort. Het was vreemd stil op de weg. De gevallen sneeuw dempte de geluiden van het verkeer.
Ineens blikte Vledder opzij. Zijn jonge gezicht zag bleek.
‘Je vergeet iemand.’
De Cock keek verrast naar hem op.
‘Wie… wie vergeet ik?’
Vledder hijgde.
‘Geert Dijke. Als ook hij kennis draagt van een omvangrijke fraude bij het transportbedrijf Scheltema & Haantjes, dan loopt ook hij de kans om “als een stuk wild te worden afgeschoten”.’
De Cock drukte zich omhoog.
‘Dick Vledder,’ sprak hij bewonderend, ‘mijn lessen aan jou beginnen vrucht te dragen.’
Met hun Golf gleden ze in een matig gangetje aan het bedrijvige Schiphol voorbij, passeerden de woelige verkeersknooppunten Badhoevedorp en De Nieuwe Meer en bereikten de Ring om Amsterdam. Bij afslag Geuzenveld verliet Vledder de A10.
In de drukke Jan van Galenstraat was de sneeuw door het intense verkeer platgereden tot een vieze bruine drabbige brei. De Cock maakte zijn autogordel los, keek om zich heen en grinnikte.
‘Zo ken ik Amsterdam weer.’
Het klonk spottend.
Bij de kruising Admiraal De Ruyterweg zat het verkeer hopeloos vast. Slechts stapvoets kwamen ze vooruit. Vledder schold op wielrijders die sierlijk tussen de auto’s door slalomden.
Toen ze eindelijk via de De Clerqstraat, de Rozengracht en de Raadhuisstraat, achter het Dammonument om, de Warmoesstraat hadden bereikt, slaakte De Cock een zucht van verlichting. Hij wees in de smalle straat voor zich uit. ‘Amsterdam,’ declameerde hij plechtig, ‘is gebouwd voor een sierlijke diligence, een trage trekschuit en een stoere sleperswagen.’
Vledder grijnsde.
‘En dat hadden ze zo moeten houden.’
‘Amen.’
Pal voor de ingang van het politiebureau was nog een krap parkeerplaatsje vrij. Vledder wurmde de Golf botsend tussen andere politiewagens.
De beide rechercheurs gleden licht verkreukeld van hun zitplaatsen. Toen ze de hal van het politiebureau binnenstapten, wenkte Jan Kusters hen vanachter de balie.
De Cock liep op hem toe.
‘Zit er weer iemand op ons te wachten?’
De wachtcommandant schudde zijn hoofd. Hij greep vanonder zijn dienstboek een notitie.
‘Een uurtje geleden was hier een vrouwtje uit de Oude Nieuwstraat.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Uit de Oude Nieuwstraat?’ vroeg hij hoopvol. ‘Een knap hoertje… in suède jas?’
‘Ja.’
‘Annelies de Groot?’
Jan Kusters knikte.
‘Annelies de Groot… zo heet ze… inderdaad een knappe meid. Ze vroeg naar jou, en toen ik zei dat jij er niet was, zei ze dat híj er weer was geweest.’
‘Wie… wie is híj?’
De wachtcommandant raadpleegde zijn notitie.
‘Ene Richard. Hij had weer een vrouwtje bij zich voor achter het raam.’
‘Een buitenlands vrouwtje?’
‘Ja.’
‘En?’
‘Ze heeft dat vrouwtje niet opgenomen. Ze heeft tegen die Richard gezegd, dat ze geen plaats voor haar had.’
De Cock boog zich met een ruk naar hem toe.
‘Heeft Annelies de Groot gezegd… waarom? Waarom ze haar niet nam?’
Jan Kusters knikte.
‘Daar kwam ze voor. Dat moest ik je zeggen… het vrouwtje leek op Katja.’
Met een grimmige trek op zijn gezicht sjokte De Cock van de Warmoesstraat via de Lange Niezel naar de Oudezijds Voorburgwal. Vledder liep zwijgend naast hem. De jonge rechercheur voelde dat de grijze speurder te gespannen was om een gesprek te voeren.
Het was stil op de Wallen. Voor het immense leger der behoeftigen was het nog te vroeg en de vieze kledderige sneeuwbrij hield de anderen van de straat. Bij de meeste bordelen waren de gordijnen nog gesloten. Op het Oudekerksplein zat een forsgebouwde hoer aan een borduurwerkje. Ze zwaaide toen het tweetal aan haar voorbijtrok.
De Cock negeerde haar. Strak staarde hij voor zich uit. Ze sjokten over het bruggetje van de Oude Kennissteeg en gingen de Achterburgwal op. Op de hoek van de Barndesteeg slopen ze bijna heimelijk het intieme café van Smalle Lowietje binnen.
De Cock had echt wel trek in een paar scheuten uit de fles cognac, die Smalle Lowietje speciaal voor hem onder de tapkast had gereserveerd. Cognac stimuleerde zijn denken en hij had het idee dat zijn denken wel enige stimulans kon gebruiken.
Smalle Lowietje kwam opgewekt naar hem toe.
‘Zo gauw had ik jullie beiden niet terugverwacht,’ opende hij blij. ‘Wanneer was het… eergisteren?’
De Cock antwoordde niet. Hij hees zich omstandig op een kruk en keek om zich heen. Het etablissement van Smalle Lowietje was verlaten. Alleen aan een tafeltje bij het raam nipten een paar bedaagde businessvrouwtjes aan een likeurtje.
Met de middelvinger van zijn rechterhand tikte De Cock een paar maal ongeduldig op de tapkast.
‘Doe je plicht.’
Het klonk als een bevel.
De caféhouder gehoorzaamde met de welwillendheid van een goede kastelein. Aalglad dook hij onder de tapkast, greep achter zich naar drie diepbolle glazen en schonk klokkend in.
De Cock keek ernaar. Hij had weinig lust in de ceremonie, die ze gewoonlijk gezamenlijk opvoerden, maar de oude rechercheur wilde de ban niet verbreken. Hij bracht zijn glas omhoog.
‘Op alle kinderen van dorstige vaders,’ proostte hij spottend.
Smalle Lowietje lichtte zijn glas op en nam de toost lachend over. Daarna nam hij voorzichtig een slokje.
‘Ben je er al uit?’
‘Waaruit?’
Op het vriendelijke muizensmoeltje van Smalle Lowietje kwam een sombere trek.
‘De moord op Katja.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik ben in feite nog geen steek verder. En we hebben echt niet stilgezeten.’
De Smalle glimlachte.
‘Dat neem ik ook niet aan.’
De oude rechercheur zette zijn glas op de tapkast terug en keek op. ‘Jij vertelde mij de vorige keer dat Katja een zuster had.’
Smalle Lowietje knikte.
‘Anuschka.’
‘Heb je haar wel eens gezien?’
Smalle Lowietje zuchtte.
‘Eén keer. Ze kwam ’s avonds met Katja mee.’
‘En?’
‘Wat bedoelt u?’
‘Leek ze op Katja?’
De caféhouder maakte een vaag gebaar.
‘Niet helemaal. Anuschka was kleiner, tengerder dan Katja. Maar aan hun gezichten kon je wel zien dat ze zusters waren.’
De Cock trok zijn gezicht strak.
‘Weet je waar ze is?’
‘Wie?’
De Cock zwaaide ongeduldig.
‘Anuschka,’ riep hij geprikkeld. ‘Ze moet toch na de dood van Katja ergens zijn gebleven?’
‘Natuurlijk.’
‘Waar?’
Smalle Lowietje spreidde zijn beide handen in een gebaar van onschuld. ‘Weet ik niet… misschien is ze wel terug naar Tsjechoslowakije. Zoals ik al zei… ik heb haar slechts één keer gezien… hier in mijn etablissement… met Katja… daarna nooit meer.’
‘En je hebt later ook nooit meer iets van of over haar gehoord… verhalen, toestanden?’
‘Nee… niets.’
De Cock trok zijn kin iets op.
‘Lowie… wie is Mooie Richard?’
De tengere caféhouder trok zijn schouders op.
‘Dat weet ik niet.’
De Cock kneep zijn ogen half dicht.
‘Als ik goed ben geïnformeerd, dan loopt Mooie Richard met Anuschka te leuren. Hij wil een plekje voor haar achter een raam.’
Smalle Lowietje slikte.
‘Anuschka?’
De Cock knikte nadrukkelijk.
‘Anuschka,’ sprak hij zalvend, ‘is geen vrouwtje voor achter het raam. Dat weet jij heel goed, Lowie. Kleine, tengere Anuschka is ziek. Ze heeft iets aan haar nieren.’
Smalle Lowietje friemelde met zijn vinger aan zijn morsige vest. ‘Daar kan ik toch niets aan doen?’ jammerde hij. ‘Ik… eh, ik kan… ‘
De Cock onderbrak hem.
‘Lowie… wie is Mooie Richard?’
De herhaalde vraag deed Smalle Lowietje pijn.
‘Dat weet ik niet,’ antwoordde hij benepen. ‘Echt, De Cock, dat weet ik niet. Ik heb die naam Richard wel eens gehoord. Dat is alles.’
De oude rechercheur kneep zijn lippen op elkaar.
‘Ik wil weten wie Mooie Richard is… waar ik hem kan vinden.’
Smalle Lowietje leunde met zijn ellebogen op de tapkast.
‘Het is een gevaarlijke jongen… altijd een blaffer tussen zijn broekriem. En hij deinst er niet voor terug om van dat ding gebruik te maken.’
De Cock grijnsde.
‘Je kent hem dus wel.’
De tengere caféhouder hield even zijn ogen dicht.
‘Het is in de buurt niet meer zoals vroeger, De Cock. Mijn oude gabbers zijn dood of hebben zich teruggetrokken. Het jonge penozespul heeft geen ontzag meer… voor niets en niemand. Kijk om je heen… lees in de kranten… liquidatiemoorden aan de lopende band. Een mensenleven telt voor hen niet. En moet ik dan mijn nek uitsteken om…’
De Cock liet het betoog van Smalle Lowietje over zich heen gaan. Hij nam zijn glas op en proefde aan zijn cognac. Toen de caféhouder was uitgeraasd, keek hij hem bedremmeld aan.
‘Mooie Richard,’ sprak hij zacht, bijna fluisterend, ‘had iets met Katja te maken… en Katja is dood. Mooie Richard heeft iets met Anuschka te maken. Welk lot wacht haar?’
De oude rechercheur zweeg even, zette zijn glas weer neer en zuchtte diep.
‘Ik ken je al zoveel jaren, Lowie,’ ging hij gedragen verder. ‘In mijn ogen ben je een brave man. Ik beschouw je als mijn vriend. En dat meen ik oprecht.’ Hij stak zijn beide handen met gestrekte vingers naar hem uit. ‘Kun jij leven met de gedachte medeschuldig te zijn aan de dood van een jonge vrouw?’