13

De Cock reageerde verbijsterd.

‘Ontvoerd?’

Marjan Dijke knikte.

‘Ontvoerd… gewoon ontvoerd, meegenomen… weg.’

Ze wreef in een nerveus gebaar met de rug van haar hand langs haar mond, smeerde vuurrode lipstick over haar gezicht. ‘Elke morgen,’ ging ze zuchtend verder, ‘kijk ik in zijn kamertje, naar zijn bed, dat niet is beslapen. En daarna maak ik zijn ontbijt klaar… alsof hij er nog is… een glas melk en boterhammen met pindakaas.’

Ze greep met haar beide handen naar haar hoofd.

‘Ik weet niet hoelang ik dit nog volhoud.’

De Cock zweeg geruime tijd. De wanhoopskreet van Marjan Dijke echode in zijn hersenen. Het bericht van de ontvoering had hem diep geschokt. Hij had het kereltje wel eens ontmoet, langgeleden in dezelfde recherchekamer van bureau Warmoesstraat… een vrolijke kleuter aan de hand van zijn vader Geert Dijke.

De grijze speurder keek de vrouw voor zich onderzoekend aan. De vroeger zo stralende Marjan zag er, zo constateerde hij verdrietig, intriest en ontredderd uit. Ze friemelde met plukkende vingers aan de zoom van haar mantel. Haar lichaam beefde. Tranen hadden haar make-up verveegd.

‘Hoe weet je het?’

‘Wat?’

‘Dat hij is ontvoerd… dat hij niet van huis is weggelopen. Kinderen doen dat… soms… om onbegrijpelijke redenen.’

Marjan Dijke schudde haar hoofd.

‘Zijn vriendje van school heeft hem in een grote zwarte auto zien stappen.’

‘Nummer?’

Marjan Dijke slikte.

‘Het kereltje was te verbouwereerd om daaraan te denken.’

‘Stapte jouw zoon vrijwillig in die auto? Ik bedoel… daar ging geen geweld aan vooraf?’

Marjan Dijke sloot haar ogen en zuchtte.

‘Ik vermoed,’ sprak ze zacht, ‘dat ze hem met een of andere smoes in hun wagen hebben gelokt. Appie is een lieve, behulpzame jongen… altijd bereid om iemand te helpen. Het is misschien onze eigen fout. Geert en ik hebben hem nooit enig wantrouwen jegens anderen bijgebracht.’

De Cock boog zich naar voren.

‘Hebben jullie al contact met de ontvoerders gehad?’

Marjan Dijke knikte vaag.

‘Geert.’

‘En?’

Marjan Dijke spreidde haar handen.

‘Geert wil mij niets vertellen,’ antwoordde ze klagend. ‘Hij zegt steeds tegen mij: “Hoe minder je weet, hoe beter dat is.”’

De Cock maakte een wrevelig gebaar.

‘Is er losgeld gevraagd?’

Marjan Dijke schudde haar hoofd.

‘Daar heeft Geert niets van gezegd. Bovendien… wij hebben geen geld. Wij zijn niet rijk. Die paar duizend gulden die wij op de bank hebben staan, stellen niets voor.’

‘Heeft je vader geld… kostbare bezittingen?’

Marjan Dijke schudde opnieuw haar hoofd.

‘Nee… niet noemenswaardig.’

De Cock voelde het ongeduld in zich kriebelen.

‘De ontvoerders zullen toch eisen hebben gesteld?’ riep hij opgewonden. ‘Dwingende voorwaarden, waaraan jullie je zouden moeten houden. Zo’n ontvoering zet men toch niet voor niets op touw? Dat is een ernstige zaak met veel risico’s.’

Marjan Dijke maakte een hulpeloos gebaartje.

‘Ik denk,’ sprak ze zacht, ‘dat men vader en Geert onder druk wil zetten.’

‘Wie is mén?’

‘Weet ik niet.’

‘Hoezo… onder druk?’

Marjan Dijke wuifde voor zich uit.

‘Iets te doen… of niet te doen.’

Het klonk onzeker.

De Cock strekte zijn wijsvinger naar haar uit.

‘Jij denkt,’ formuleerde de oude rechercheur voorzichtig, ‘dat de ontvoering van jouw zoon verband houdt met… eh, met het onderzoek dat jouw vader en Geert onder handen hebben?’

‘Dat… eh, dat denk ik, ja.’

‘Het onderzoek naar malversaties bij het transportbedrijf Scheltema & Haantjes?’

Marjan Dijke knikte.

‘Dat moet het wel zijn. Vader en Geert hebben volgens mij geen andere zaak in behandeling.’

De Cock kauwde op zijn onderlip.

‘Hebben Geert en jij de ontvoering van jullie zoon bij de politie in Rotterdam gemeld?’

Marjan Dijke schudde haar hoofd.

‘Dat wil Geert niet.’

‘Waarom niet?’

Marjan Dijke liet haar hoofd zakken.

‘Geert is bang… net als ik… bang dat ze wat met de jongen doen.’

De Cock tastte naar zijn voorhoofd.

‘Je bedoelt dat ze de jongen iets zullen aandoen… als jullie de politie bij de ontvoering inschakelen?’

‘Precies.’

De Cock wreef zich achter in zijn nek. Hij wist met de nieuwe ontwikkeling niet goed raad. Hij was in zijn lange loopbaan als rechercheur nog nooit bij een ontvoering betrokken geweest.

‘Weet jouw vader wat er met jouw zoon is gebeurd?’

Marjan Dijke trok haar schouders iets op.

‘Dat neem ik aan,’ sprak ze zuchtend. ‘Ik heb vader al meer dan veertien dagen niet gezien of gesproken. Maar Geert zal het hem wel hebben verteld. Ik zei u al… ze hebben zo nu en dan telefonisch contact met elkaar.’

‘En daar ben jij nooit bij?’

‘U bedoelt dat telefonisch contact?’

De Cock knikte nadrukkelijk.

‘Dat je,’ legde hij geduldig uit, ‘brokstukken opvangt van zo’n gesprek.’

Marjan Dijke schudde haar hoofd.

‘Dat gebeurt op zijn bureau. En ik ben altijd thuis.’

De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

‘Albert Versteegh… jouw vader, gaat ermee akkoord dat de politie niet wordt ingeschakeld?’

In zijn stem trilde ongeloof.

Marjan Dijke keek hulpeloos naar hem op. Haar ogen vulden zich weer met tranen.

‘Daar kan ik u toch geen antwoord op geven,’ antwoordde ze jammerend. ‘Ik weet niet wat hun overwegingen zijn. Geert wil er niet met mij over praten. Hij ontwijkt elk gesprek. Maar ik ken hem… ik voel dat hij doodsbang is.’

De Cock leunde in zijn stoel achterover. Secondenlang staarde hij strak voor zich uit. Onbewogen. Zijn gezicht was een stalen masker. Intussen draaide het mechanisme van zijn denken op volle toeren.

Hij wendde zich weer tot Marjan Dijke.

‘Heb je een spiegeltje in je tas?’ vroeg hij vriendelijk. ‘Maak je make-up in orde. Je kunt zo niet over straat.’ De oude rechercheur kwam rustig overeind. ‘Ga terug naar Rotterdam,’ ging hij op afgemeten toon verder. ‘Zeg tegen Geert dat ik wil dat Albert Versteegh zich binnen vierentwintig uur met mij in verbinding stelt. Zo niet… dan zet ik na die vierentwintig uur de ontvoering van jouw zoon bij ons op de telex.’


Toen Marjan Dijke was vertrokken, keek Vledder de grijze speurder ontsteld aan.

‘Dat… eh, dat kun je niet doen,’ stamelde hij.

De Cock veinsde onbegrip.

‘Wat niet?’

De jonge rechercheur maakte een vertwijfeld gebaar.

‘De ontvoering van hun zoon op de telex zetten… tegen hun wil.’

‘Waarom niet?’

Vledder grinnikte vreugdeloos.

‘Je brengt misschien het leven van die jongen in gevaar. Je hebt zelf gezegd dat de luitjes met wie wij van doen hebben meedogenloos zijn.’

De Cock bracht zijn beide handen naar voren en drukte zijn vingertoppen tegen elkaar. ‘Ik wil de overwegingen van Albert Versteegh en Geert Dijke kennen,’ legde hij op een doceertoontje uit. ‘Er loopt een rode draad tussen die twee en de moorden op Katja Anna Solarsky en directeur Scheltema. Ik ben ervan overtuigd dat zowel Albert Versteegh als Geert Dijke mij die rode draad kunnen wijzen… dat zij beiden mij de sleutel tot de oplossing van die moorden kunnen geven.’

Vledder stak in een gebaar van wanhoop zijn armen omhoog.

‘Waarom doen ze dat dan niet?’

De Cock zuchtte.

‘De ontvoering van de oudste zoon van Geert Dijke heeft hen beiden monddood gemaakt. Dat verklaart ook hun vreemde gedrag ten opzichte van ons… hun weifelingen… hun gebrek aan openhartigheid.’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Dat kan toch niet zo blijven? We komen op die manier geen steek verder. Dit is een… eh, een patstelling… uitzichtloos.’

De Cock knikte instemmend.

‘Vandaar mijn dreigement. Albert Versteegh zal opening van zaken moeten geven.’

Vledder keek naar hem op.

‘Dat kun jij makkelijk zeggen,’ sprak hij afkeurend. ‘Van jou is geen zoon of kleinzoon in de macht van een stel gewetenloze schurken.’

De Cock spreidde zijn armen.

‘Albert Versteegh is een oud-politieman… in zijn tijd een kundig rechercheur. In feite werken we nu opnieuw samen… aan dezelfde zaak… hebben min of meer dezelfde belangen. We kunnen gegevens uitwisselen… samen overleggen wat ons te doen staat… een strategie uitwerken. Ik ben geen vijand.’

‘Ze wantrouwen ons toch.’

De Cock knikte.

‘Het is verdrietig dat ik Marjan met zo’n dreigement naar Rotterdam moest terugsturen.’

‘Denk je dat Albert Versteegh zich meldt?’

De Cock knikte traag. Hij klemde zijn lippen op elkaar en stak zijn kin iets omhoog.

‘Versteegh kent mij.’

Het klonk bitter.

De grijze speurder keek op naar de grote klok boven de toegangsdeur van de recherchekamer. Hij kwam moeizaam overeind en slenterde naar de kapstok.

Vledder kwam hem na.

‘Waar ga je heen.’

De Cock draaide zich half om.

‘Naar Schermerhorn.’

Vledder fronste zijn wenkbrauwen.

‘Schermerhorn… wat wil je daar doen?’

‘Katja Anna Solarsky wordt straks begraven. Daar wil ik bij zijn.’

‘Waarom?’

De oude rechercheur schoof zijn hoedje over zijn grijze haren.

‘Uit piëteit.’


De Cock had moeie voeten.

De pijn kroop van zijn tenen over zijn wreef langs zijn enkels omhoog. Daar leek het alsof duizend kleine duiveltjes met even zovele spelden in zijn kuiten prikten.

Het stemde hem droevig. Hij wist wat die pijn betekende.

Telkens wanneer een onderzoek slecht verliep, wanneer hij het onbehaaglijke gevoel had steeds verder van de oplossing weg te drijven, gaven zijn voeten acte de présence en speelden de duiveltjes hun satanisch spel.

Met een verwrongen gezicht tilde hij zijn beide benen omhoog en legde ze voorzichtig op een punt van zijn bureau. Een zucht van verlichting ontsnapte aan zijn mond.

Vledder keek hem bezorgd aan. Hij kende het beruchte kwaaltje van zijn oudere collega.

‘Is het weer zover?’

De Cock wees naar zijn voeten.

‘Duiveltjes.’

Vledder grijnsde.

‘Jouw voeten hebben volgens mij volkomen gelijk… ons onderzoek zit muurvast. Ik ben echt bang dat we er dit keer niet uitkomen.’

De Cock trok zijn schouders op, maar reageerde verder niet. Hij kneep met duim en wijsvinger zachtjes in zijn kuiten. Soms hielp het.

‘Ik had vanmiddag,’ sprak hij nadenkend, ‘op dat kleine intieme kerkhofje in Schermerhorn medelijden met Klaas van het Hogereinde.’

Vledder knikte traag voor zich u it.

‘Ik ook,’ sprak hij somber. ‘Ik heb een hekel aan kerkhoven en begraafplaatsen. Het zijn de meest sombere oorden, waar ik niet graag heen ga. Maar met die slordig dichtgetimmerde ramen van de Nederlands Hervormde kerk maakte dat oude kerkhofje in Schermerhorn op mij wel een bijzonder verlaten indruk.’

De Cock zuchtte.

‘Je hebt gelijk,’ sprak hij instemmend. ‘Het was troosteloos. Ik hoor nog het knarsen en piepen van dat scheve roestige hek toen de doodgraver de weg voor ons vrijmaakte.’

Vledder kneep zijn wenkbrauwen bijeen.

‘Het verdriet van Klaas van het Hogereinde over de dood van Katja Anna Solarsky leek mij oprecht.’

De Cock knikte.

‘Toen de lijkkist langzaam in die open groeve zakte, was ik een moment bang dat hij zijn zelfbeheersing zou verliezen.’

Vledder beet op zijn onderlip.

‘Ik zag het.’ De jonge rechercheur wees voor zich uit. ‘Het was achteraf wel een goed idee van jou om de begrafenis van zijn vrouw bij te wonen. Klaas van het Hogereinde had in zijn eenzaamheid duidelijk behoefte aan steun.’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

‘Dat verwachtte ik ook. Toen de begrafenisondernemer aan de adjudant had gemeld dat er niemand was verwittigd, besloot ik te gaan.’

Vledder trok zijn gezicht in een ernstige plooi.

‘Zittend op die oude waterput heb ik nog even met hem gesproken waar jij niet bij was. Ik vroeg hem hoe het met Anuschka ging. Hij vertelde mij dat hij nog weinig contact met haar had. Ze had vanmorgen wel iets gegeten. Maar verder had ze geen enkele belangstelling voor haar omgeving getoond. Ze zat maar en staarde apathisch voor zich uit.’

De Cock tuitte zijn lippen.

‘Klaas van het Hogereinde had wel duidelijke reacties bij haar waargenomen, toen hij Anuschka een japon en wat lingerie had aangereikt, die Katja op de boerderij had achtergelaten.’

De oude rechercheur glimlachte vermoeid.

‘Hij had het nog niet aangedurfd om Anuschka een paar foto’s te laten zien, die hij destijds van haar zuster had gemaakt.’

Vledder trok een pijnlijk gezicht.

‘Ik hoop,’ sprak hij bezorgd, ‘dat onze brave agrariër in Schermerhorn voorzichtig te werk gaat. Het zal best wel enige tijd duren voordat Anuschka de gevolgen van haar gevangenschap geheel te boven is. Ze zal er psychisch een fikse dreun aan hebben overgehouden.’

De jonge rechercheur zweeg even, dacht na. Hij keek zijn oudere collega schuins aan.

‘En als het niet lukt… als ze medische begeleiding nodig heeft?’

De Cock voelde nog eens aan zijn pijnlijke kuiten en kreunde.

‘Laten we er het beste van hopen,’ verzuchtte hij. ‘Ik heb in deze ellendige affaire het gevoel dat ik als een prima ballerina voortdurend op de toppen van mijn tenen loop. Ik word gedwongen om de meest vreemde maatregelen te treffen.’

Vledder knikte.

‘We nemen met die Anuschka,’ sprak hij ernstig, ‘in feite onaanvaardbare risico’s… vooral als ons onderzoek nog lang duurt.’

‘Je bedoelt haar nierziekte?’

‘Precies.’

De Cock nam zijn benen van zijn bureau. De prikkelende pijn vloeide langzaam uit zijn kuiten weg. Het bracht hem in een zonniger humeur.

‘Ik heb dokter Van Aken uit Purmerend gevraagd om een dezer dagen eens naar Schermerhorn te rijden om te zien hoe ze het maakt.’

Vledder reageerde verschrikt.

‘Weet Klaas van het Hogereinde dat?’

Er verscheen een glimlach op het gezicht van De Cock.

‘Hij vond het goed, maar achtte de komst van een arts totaal overbodig. Volgens hem groeiden er rondom de boerderij genoeg kruiden om elke aandoening te bestrijden.’

Vledder keek hem ongelovig aan.

‘Ook de apathie van Anuschka en haar slecht werkende nieren?’

De Cock knikte.

‘Zijn vader en hij, zo vertelde hij mij, hadden in hun hele leven nog nooit een dokter geraadpleegd.’

Vledder lachte vrolijk.

‘Geen Klazien uit Zalk,[8] maar Klaassie uit Schermerhorn. Je moet hem eens vragen… misschien heeft hij ook wat voor jouw moeie voeten.’

De Cock gniffelde.

‘Daar is geen kruid tegen gewassen. Bovendien wil ik mijn moeie voeten niet kwijt. Het is een barometer, die ik niet kan missen en…’

De grijze speurder stokte. Op zijn bureau rinkelde de telefoon. Vledder boog zich ver naar voren en nam de hoorn op.

De Cock keek hem fronsend aan.

‘Albert Versteegh?’ vroeg hij hoopvol.

Vledder schudde zijn hoofd. Na korte tijd legde de jonge rechercheur de hoorn op het toestel terug.

‘Het was de wachtcommandant.’

‘En?’

‘Of wij belangstelling hebben.’

‘Voor wie… voor wat?’

‘Bij een oude molen op de Duivendrechtsekade is een dode man gevonden… doorzeefd met kogels.’

Загрузка...