4

De Cock liet zich in zijn stoel achter zijn bureau zakken. ‘De commissaris,’ bromde hij, ‘zou zich meer in het Wetboek van Strafrecht moeten verdiepen in plaats van in John le Carré.’

Vledder keek hem niet-begrijpend aan.

‘Wie is John le Carré?’

De Cock grinnikte.

‘Een Engelse schrijver van uiterst spannende spionageverhalen.’

Vledder keek hem onderzoekend aan.

‘Jij hecht er geen bijzondere waarde aan,’ vroeg hij aftastend, ‘dat de pistoolmitrailleur waarmee uit die zwarte auto werd geschoten, vermoedelijk een Russische Kalashnikov is?’

De Cock trok gelaten zijn schouders op.

‘Voorlopig niet meer of minder,’ antwoordde hij rustig, ‘dan dat het een vuurwapen is waarmee een moord is begaan. Misschien dat die Russische makelij enig houvast biedt bij de opsporing. Er zullen in ons land niet zo bar veel Kalashnikovs in omloop zijn.’

Vledder schoof zijn schrijfmachine iets van zich af.

‘Commissaris Buitendam heeft uiteraard wel gelijk als hij meent, dat bij de dood van Katja Anna Solarsky sprake is van een kille liquidatie.’

De Cock knikte.

‘Ik denk,’ sprak hij ernstig, ‘dat wij daarvan moeten uitgaan.’ De grijze speurder kauwde hoofdschuddend op zijn onderlip. ‘Ik ben in mijn lange loopbaan bij de recherche niet eerder een moord met zo’n snelvuurwapen tegengekomen. Amsterdam begint op het Chicago uit de jaren dertig te lijken.’

‘De tijd van de drooglegging?’

‘Precies. Zwaarbewapende gangs bestreden elkaar toen op leven en dood voor hun aandeel in een levendige illegale handel in verboden alcoholische dranken.’

Vledder grinnikte.

‘Zoals er nu bij ons sprake is van een levendige illegale handel in heroïne, cocaïne en andere drugs… met vergelijkbare nevenverschijnselen.’

De Cock tikte met zijn middelvinger op een proces-verbaal voor zich op zijn bureau.

‘Is dat van die Hans van Wageningen?’

‘Ja.’

‘Heb je het gelezen?’

Vledder knikte.

‘Het is een goed proces-verbaal. De opgenomen verklaring bevestigt het relaas, zoals wij dat van Klaas van het Hogereinde kennen. De eerste maal ontkwam Katja Solarsky aan het salvo. Nadat de wagen was gekeerd, volgde de definitieve executie.’

Op het gezicht van De Cock verscheen een droevige grijns.

‘We zijn tegen de doodstraf,’ reageerde hij cynisch. ‘We gruwen van executies, zoals die in sommige landen nog steeds plaatsvinden.’

Vledder keek hem aan.

‘En?’

De grijze speurder spreidde zijn beide handen.

‘We spreken gezwollen over de Rechten van de Mens, maar de onderwereld kent andere wetten. Daar worden zonder enige vorm van proces bijna dagelijks doodvonnissen uitgesproken en uitgevoerd.’

Vledder knikte met een ernstig gezicht.

‘Wie zou het doodvonnis over Katja Anna Solarsky hebben uitgesproken?’

De Cock ademde diep.

‘En waarom?’

Er werd op de deur van de grote recherchekamer geklopt en Vledder riep: ‘Binnen!’

Het klonk geprikkeld.

De deur ging langzaam open en in de deuropening verscheen een jonge vrouw. De Cock schatte haar op voor in de dertig. Ze droeg een met bont gevoerde suède mantel, die tot even boven haar knieën reikte.

Trippelend op smalle schoentjes met te hoge hakken kwam ze naderbij en trok haar hoofddoekje los. Kastanjebruin haar wapperde langs haar ronde gezicht. Zonder uitnodiging liet ze zich op de stoel naast het bureau van De Cock zakken en duimde over haar schouder. ‘Het is koud buiten,’ opende ze rillend. ‘Als het zo doorgaat krijgen we nog een witte kerst.’

De oude rechercheur keek haar glimlachend aan.

‘Komt u als weerbericht?’ grapte hij.

De jonge vrouw knoopte onverstoord haar mantel los en sloeg haar slanke benen over elkaar. ‘Is ze dood?’ vroeg ze bijna achteloos.

‘Wie?’

Ze zwaaide met haar rechterarm.

‘Katja. Ik heb haar gisteravond zien liggen… tegen de muur van het Korenmetershuisje… de schoften… hebben ze haar toch te pakken gekregen.’

De Cock boog zich iets naar haar toe.

‘U… eh, u kent… kende Katja?’

De jonge vrouw knikte.

‘Ze zat bij mij in de Oude Nieuwstraat.’

‘Als… eh, als prostituee?’

‘Ja.’

‘En dat beroep oefent u ook uit?’

De jonge vrouw glimlachte.

‘Dat zegt u mooi.’

De Cock negeerde de opmerking.

‘U bent prostituee?’

‘Ja.’

‘Hoe is uw naam?’

‘Annelies… Annelies de Groot.’

‘Getrouwd?’

De jonge vrouw schudde grinnikend haar hoofd.

‘Nog niet. Ik wacht tot een rijke stinkerd mij uit het leven haalt.’

‘Hoelang zat Katja al bij u in de Oude Nieuwstraat?’

‘Twee dagen.’

‘Heeft zij zichzelf gemeld? Ik bedoel, heeft zij zelf om een plaatsje achter het raam gevraagd?’

Annelies de Groot schudde haar hoofd.

‘Richard heeft haar gebracht.’

‘Wie is Richard?’

‘Een mooie jongen.’

‘Meer niet?’

Annelies de Groot verschoof iets op haar stoel.

‘Richard brengt wel meer meiden aan.’

‘Heeft hij u ook aangebracht?’

Annelies de Groot snoof verachtelijk.

‘Ik moet geen pooier. Ik weet zelf wel hoe ik mijn geld moet opmaken.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Was Richard de pooier van Katja?’

Annelies de Groot trok haar schouders op.

‘Geen idee. Twee dagen geleden kwam hij met haar bij mij aan de deur in de Oude Nieuwstraat. Dat pandje is sinds vorig jaar mijn eigendom. Richard vroeg of ik een plaatsje voor haar had. Ze was een mooie meid… gave huid, mooie buste. Dus waarom niet? Eenieder heeft zijn eigen sores.’

‘Heeft Katja van haar sores verteld?’

Annelies de Groot schudde haar hoofd.

‘Ze was erg gesloten… sprak een beetje Duits. Veel contact heb ik niet met haar gehad.’

De Cock gebaarde in haar richting.

‘Had u het idee dat ze het al vaker had gedaan?’

‘Wat?’

‘Zich prostitueren.’

Om de mond van Annelies de Groot gleed een grijns.

‘Het arme kind wist er niets van… was nog zo groen als gras. Bij haar eerste klantje stond ze te trillen op haar benen. Ik heb haar moeten voordoen hoe je mannen aanpakt en uitpeest.’[2]

De Cock wreef over zijn brede kin.

‘Had ze in die twee dagen die ze bij jou zat nog contact met Richard… met andere mannen?’

Annelies de Groot keek naar hem op.

‘U bedoelt… buiten de gewone klantjes?’

‘Precies.’

Annelies de Groot schudde haar hoofd.

‘Ik heb Richard nadien niet meer gezien.’

‘Weet je waar Katja woonde?’

‘Ik neem aan in zo’n hotelletje… ergens in de oude binnenstad. Katja zei dat ze nog een woning voor haar zochten.’

De Cock keek haar strak aan.

‘Wie zijn “ze?’

Annelies de Groot maakte een hulpeloos gebaartje.

‘Ik zei al, ik heb niet veel contact met haar gehad. Ik weet niet met welke mensen ze omging.’

De Cock boog zich ver naar haar toe.

‘U zei: “De schoften… hebben ze haar toch te pakken gekregen.” Wie… wie kreeg haar te pakken?’

Annelies de Groot friemelde aan de zoom van haar suède mantel. ‘Ik voel mij een beetje schuldig… daarom ben ik ook gekomen. Ik heb haar als het ware de dood ingejaagd.’

De Cock keek haar verward aan.

‘U… eh, u hebt haar de dood ingejaagd?’

Annelies de Groot liet haar hoofd iets zakken.

‘Ik pees nooit langer dan tot elf uur. Zo ook gisteravond. Ik zei tegen Katja: “We gooien de tent dicht… zu machenschluss.” Maar ze bleef zitten, wilde niet weg. Toen ik aandrong, zei ze dat ze bang was… doodsbang voor mannen in een zwarte wagen. Ze vroeg mij of ik buiten wilde kijken of er zo’n wagen stond.’

‘En?’

‘Heb ik gedaan. Ik ken alle auto’s in de Oude Nieuwstraat. Daar was geen vreemde auto bij.’

‘Heb je niets verdachts gezien?’

Annelies de Groot schudde haar hoofd.

‘Er stond alleen een klein gedrongen mannetje met een jekker en een glimmend zwarte broek.’

‘Dat heb je haar verteld?’

Annelies de Groot schudde opnieuw haar hoofd.

‘Ik heb haar gezegd dat ze rustig kon gaan… dat er geen vreemde wagen in de straat stond.’ Ze sloeg haar beide handen voor haar gezicht. ‘Tien minuten later zag ik haar dood tegen de muur van het Korenmetershuisje liggen.’


Toen Annelies de Groot was vertrokken, kwam Vledder achter zijn bureau vandaan en ging achterstevoren op de stoel naast het bureau van De Cock zitten.

‘Ze deed wel stoer, maar was er toch kapot van.’

De Cock glimlachte.

‘De meeste prostituees,’ reageerde hij vertederd, ‘hebben een groot, week hoerenhart. En daar bedoel ik niets rots mee.’

‘Wie is Richard?’

De oude rechercheur grijnsde.

‘Een mooie jongen.’

‘Ken jij hem?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘In het bonte wereldje van de penoze,’ sprak hij somber, ‘doemen steeds nieuwe gezichten op. Ik heb nooit van ene Richard gehoord. En dat hoertje Annelies de Groot had ik ook nooit eerder ontmoet. Maar blijkbaar is ze erg succesvol, anders houdt men er als zelfstandig opererend hoertje geen eigen pandje aan over.’

Vledder trok een bedenkelijk gezicht.

‘Wij komen weinig in die buurt.’

De Cock glimlachte.

‘Ik ben altijd beter op de Wallen thuis geweest. De Oude Nieuwstraat ligt een beetje buiten mijn route.’

Vledder wuifde voor zich uit.

‘Katja liet zich door die Richard blijkbaar heel gedwee in de prostitutie duwen.’

De Cock knikte.

‘Hij moet,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘enige macht over haar hebben kunnen uitoefenen.’

‘Op grond waarvan?’

De Cock plukte aan zijn onderlip.

‘Een goede vraag. Maar ik moet je voorlopig het antwoord schuldig blijven. In ieder geval kende Katja Anna Solarsky de zwarte wagen en de beide mannen die haar dood zochten.’

‘Béíde mannen?’

De Cock knikte.

‘Een chauffeur en een schutter.’

Vledder klapte met zijn vuist op het bureau van De Cock.

‘Stom,’ siste hij verbolgen, ‘dat je aan een dode niets meer kunt vragen.’

De Cock lachte.

‘Vragen kan altijd.’ Hij keek naar zijn jonge collega op.

‘Hoe laat is de sectie?’

Vledder blikte op zijn horloge en stond van zijn stoel op. ‘Ik moet voortmaken. Binnen een halfuurtje is dokter Rusteloos op Westgaarde.’


De Cock staarde enige tijd peinzend voor zich uit. Hij overwoog of hij naar de commissaris zou stappen om de consequenties van de dood van de Tsjechische Katja Anna Solarsky te bespreken, maar bij nader inzien achtte hij het beter het initiatief daartoe aan Buitendam zelf over te laten. De oude rechercheur stak zijn kin iets omhoog.

Eén ding nam hij zich voor: nimmer zou hij toestaan dat ambtenaren van de Binnenlandse Veiligheidsdienst op zijn vingers kwamen kijken.

De grijze speurder keek op. De deur van de grote recherchekamer gleed langzaam open en in de deuropening verscheen de gedrongen gestalte van Klaas van het Hogereinde. Even bleef de man aarzelend staan. Toen sjokte hij met zijn pet in zijn rechterhand op De Cock af en liet zich met een diepe zucht op de stoel naast zijn bureau zakken.

‘Ik heb slecht geslapen.’

De oude rechercheur bracht een moede glimlach op zijn gezicht. ‘Dat kan ik mij voorstellen,’ reageerde hij somber. ‘Na gisteravond.’

Het gezicht van Klaas van het Hogereinde zag grauw. Hij had diepe wallen onder zijn ogen en grijze baardstoppels staken uit zijn kin. ‘Ik ben vanmorgen,’ sprak hij zacht, ‘naar een begrafenisondernemer geweest om Katja bij ons in Schermerhorn begraven te krijgen. Ze is… ze was toch mijn vrouw.’

De Cock beluisterde de toon en in zijn hart groeide medelijden.

‘Lukt het?’ vroeg hij vriendelijk.

Klaas van het Hogereinde legde zijn pet op zijn knieën.

‘Die lui van de begrafenisonderneming zouden nog contact met u opnemen. Het schijnt dat een officier van justitie toestemming moet geven.’

De Cock knikte.

‘Een verlof tot begraven… zo heet dat… op basis van een proces-verbaal van ons… van de recherche. In de regel geeft dat geen moeilijkheden.’

‘Wanneer denkt u dat ze wordt vrijgegeven?’

De Cock glimlachte.

‘Ik houd u wel op de hoogte. Zo gauw ik hier in Amsterdam van de officier van justitie het verlof tot begraven heb, licht ik u en de begrafenisondernemer in. Verder zal ik…’ De oude rechercheur maakte zijn zin niet af. Er kwamen denkrimpels in zijn voorhoofd. ‘Wanneer verdween Katja exact uit Schermerhorn?’

‘Precies een week geleden.’

‘Heeft ze voordien iets gezegd… liet ze geen berichtje achter?’

Klaas van het Hogereinde schudde zijn hoofd.

‘Geen krabbel.’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

‘Zij… eh, zij sliep bij u?’ vroeg hij voorzichtig.

Klaas van het Hogereinde knikte.

‘Vanaf onze trouwdag. Ze was nogal preuts. Voor die tijd wilde ze het bed niet met mij delen.’

De Cock wuifde de opmerking weg.

‘Toen Katja was verdwenen,’ ging hij ernstig verder, ‘hebt u in de boerderij geen sporen van geweld… van een worsteling aangetroffen?’

Klaas van het Hogereinde keek hem verwonderd aan.

‘Hoezo?’

‘Ze werd niet met geweld ontvoerd… tegen haar wil meegenomen?’

Klaas van het Hogereinde keek hulpeloos om zich heen.

‘Daar heb ik niets van gemerkt. Ze had ’s morgens het ontbijt voor vader en mij klaargemaakt… zoals elke morgen. Toen wij een paar uur later uit de stal kwamen was ze weg.’

De Cock knikte begrijpend.

‘U hebt de verdwijning van Katja niet bij de politie gemeld?’

‘Nee.’

‘Waarom niet?’

‘Ik dacht… eh, ik dacht ik vind haar wel weer… in Amsterdam… en dan breng ik haar terug.’

De Cock schudde vertwijfeld zijn hoofd.

‘Er moet toch iets zijn geweest… een aanleiding voor haar plotselinge vertrek?’

Klaas van het Hogereinde trok zijn hoofd tussen zijn schouders. ‘Ik kan niets bedenken,’ sprak hij timide.

De Cock wuifde in zijn richting.

‘U hebt telefoon op de boerderij?’

‘Ja.’

‘Belde ze wel eens met iemand?’

‘Ja.’

‘Met wie?’

Klaas van het Hogereinde haalde zijn schouders op.

‘Dat weet ik niet. Ik heb haar wel eens horen telefoneren. Dan sprak ze in een taal die ik niet verstond… Tsjechisch, denk ik.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Werd ze wel eens gebeld?’

Het gezicht van Klaas van het Hogereinde verhelderde. Hij tastte in de rechtersteekzak van zijn bonkertje en diepte daaruit een grauw stuk verkreukeld papier op. Met bevende hand reikte hij het aan De Cock over.

‘Deze hoek heb ik van het kaft van ons telefoonboek gescheurd,’ sprak hij verklarend. ‘Het is haar handschrift. Ik had het u gisteren al willen geven, maar toen heb ik daar niet aan gedacht.’

De Cock streek met de muis van zijn hand voorzichtig de kreukels glad en boog zich voorover. De adem van de oude rechercheur stokte. In felle hoekige hanenpoten stond…

Albert Versteegh.’

Загрузка...