8

Het was al bijna halftien toen De Cock de volgende morgen bij het fraaie houten gebouw van het Noord-Zuidhollands Koffiehuis uit de tram stapte. Van de nachtelijke sneeuwbui was niets meer te merken. De straten waren droog en een schriel winters zonnetje streelde de oude gevels.

De Cock bleef even staan en keek rustig om zich heen. De oude rechercheur nam ’s morgens gemoedelijk de tijd. Terecht, meende hij. ’s Avonds en ’s nachts keek hij ook niet op een uurtje.

Te midden van een stroom haastige reizigers uit het Centraal Station slenterde hij op zijn gemak verder langs het Victoria Hotel naar het brede trottoir van het Damrak. Ook al botste men een paar maal tegen zijn brede rug, de grijze speurder voelde er niets voor om zijn tred te versnellen. Hij had nog een hele dag met misdaad voor de boeg en waarom zou hij zich haasten.

Rechts, in een etalage vol geschenken, blikte vanuit een arrenslee een olijk ogende Kerstman op hem neer. Het bracht een rimpel in het voorhoofd van de oude rechercheur. Hij had dit jaar van Sint-Nicolaas niet veel gemerkt. De goedheiligman op zijn schimmel, compleet met krulstaf, mijter en witte baard, leek zijn greep op de commercie te verliezen. Het kwam, zo vermoedde De Cock, doordat zijn zwarte pietermanknecht in een groeiende multiculturele samenleving de verkoop niet bevorderde. De belangstelling voor de blozende Kerstman met zijn arrenslee en een onhollands rendier was duidelijk toegenomen.

Hij stak het Damrak over en sjokte via de Oudebrugsteeg naar de Warmoesstraat. Mijmerend over zijn eigen jeugd, toen men tegen vijf december nog “zijn schoentje klaar zette”, liep hij de hal van het politiebureau binnen, groette in het voorbijgaan de wachtcommandant en danste in een opmerkelijk hoog tempo de twee trappen op naar de recherchekamer.

Vledder zat al aan zijn bureau achter zijn zoevende elektronische schrijfmachine. Rap gleden zijn vingers over de toetsen.

De Cock hing zijn jas en hoed aan de kapstok, liep op de jonge rechercheur toe en boog zich iets over hem heen.

‘Waar ben je mee bezig?’ vroeg hij vriendelijk.

Vledder liet zijn vingers even rusten en keek naar hem op. ‘Een proces-verbaal,’ antwoordde hij somber, ‘voor de politie in Huizen.’

De Cock keek hem verwonderd aan.

‘Kon dat niet wachten?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘De commissaris stond vanmorgen al vroeg met een rood hoofd naast mijn bureau. Een gezicht als een donderwolk. Hij vroeg zich af wat wij in godsnaam gisteravond laat nog in Huizen hadden te zoeken.’

De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi. Het stoorde zijn puriteinse ziel wanneer men Gods naam onnodig gebruikte.

‘Heb je hem verteld,’ reageerde hij geprikkeld, ‘dat wij daar niet van Godswege waren, maar simpel omdat ons onderzoek bij toeval naar Huizen voerde?’

Vledder grinnikte.

‘Niet in dezelfde woorden.’

‘En?’

Vledder keek even op van zijn papieren.

‘Men heeft zich blijkbaar over ons optreden daar beklaagd,’ verzuchtte hij. ‘Buitendam vond het onbehoorlijk, dat wij mevrouw Scheltema in haar villa hebben verhoord voordat de recherche uit Huizen ter plekke was.’

De Cock liet zich in zijn stoel achter zijn bureau zakken. ‘Pure onzin,’ gromde hij. ‘Het is toch te gek om een halve nacht in de sneeuw op de heide te blijven wachten tot ergens een rechercheur uit zijn bed is gehaald?’

Zijn stem droop van sarcasme.

Vledder trok zijn schouders op.

‘Dat had men blijkbaar toch verwacht,’ antwoordde hij gelaten.

De Cock gebaarde theatraal.

‘Het staat die luitjes van de politie in Huizen toch vrij,’ riep hij geëmotioneerd, ‘om mevrouw Scheltema opnieuw te verhoren?’

Vledder wees naar zijn schrijfmachine.

‘Dit proces-verbaal moet vanmorgen nog de deur uit.’ De jonge rechercheur zweeg even, zijn hoofd gebogen. ‘En we moeten het zelf naar Huizen brengen.’

De Cock wond zich zichtbaar op.

‘Wie zegt dat?’

‘Buitendam. We konden dan tevens bij de korpschef van Huizen op het matje komen.’

De grijze speurder slikte. Zijn ogen schoten vuur.

‘Op het matje?’

Vledder knikte.

‘Dat heb ik begrepen.’

Met een ruk kwam De Cock uit zijn stoel overeind en dreunde ziedend van woede de recherchekamer door.

Vledder kwam hem geschrokken na.

De jonge rechercheur kwam te laat. De deur sloeg voor zijn neus dicht.

Wild, zonder te kloppen, stormde De Cock de kamer van de commissaris binnen. Wijdbeens bleef hij voor zijn bureau staan en haalde diep adem. Om zijn woede enigszins te bedwingen, balde de oude rechercheur zijn vuisten en drukte zijn nagels diep in de palm van zijn handen.

Commissaris Buitendam, de lange, statige politiechef van het bureau Warmoesstraat, keek de grijze speurder schattend aan… peilde zijn stemming. Na een pauze van enkele seconden wuifde hij met een slanke hand.

‘Ga zitten, De Cock,’ sprak hij geaffecteerd.

De oude rechercheur schudde zijn hoofd.

‘Ik blijf staan,’ reageerde hij nukkig.

Buitendam maakte een berustend gebaar.

‘Zoals je wilt.’ Hij zweeg even om indruk te maken en strekte zijn rug. ‘Ik neem aan,’ opende hij zalvend vriendelijk, ‘dat je bent gekomen om je excuses aan te bieden.’

De Cock grinnikte.

‘Excuses… waarvoor?’

Buitendam gebaarde voor zich uit.

‘Jouw gedrag, gisteravond, in Huizen. Je kunt je niet ongevraagd mengen in een onderzoek van de politie in een andere gemeente.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Dat heb ik niet gedaan,’ reageerde hij fel, met stemverheffing. ‘In verband met de verdwijning van oud-collega Albert Versteegh had de heer Scheltema mij gevraagd om hem te bellen. Ik achtte het beter om een persoonlijk onderhoud met hem te hebben en trok met Vledder naar Huizen.’ Hij spreidde zijn handen in onschuld. ‘Hoe noemt u dat… zich ongevraagd mengen in het onderzoek van een ander? Ik wist op dat moment toch niet dat de heer Scheltema diezelfde avond nog zou worden vermoord?’

Commissaris Buitendam trok zijn kin iets omhoog.

‘De korpschef van Huizen,’ sprak hij gezwollen, ‘heeft mij vanmorgen gebeld en zijn misnoegen over jouw optreden uitgesproken. Je had nooit zover mogen gaan om mevrouw Scheltema, de vrouw van de vermoorde, te verhoren. Dat was onbehoorlijk.’

De Cock snoof.

‘Het verhoren van mevrouw Scheltema geschiedde in het belang van mijn onderzoek… een onderzoek naar de verdwijning van Albert Versteegh. En als de heer korpschef van de gemeentepolitie in Huizen daar anders over denkt, dan spijt mij dat.’ De oude rechercheur zweeg even. Hij strekte zijn rechterwijsvinger naar de commissaris uit. ‘Net zoals het mij oprecht spijt, dat mijn eigen chef het zotte idee koestert mij en Vledder als twee kwajongens met een proces-verbaal in onze hand naar Huizen te sturen.’ Hij zuchtte diep. ‘Dat kunt u dan ook vergeten.’

Commissaris Buitendam stond op. Hij zag rood tot diep in zijn nek en zijn neusvleugels trilden. Bevend strekte hij zijn hand uit naar de deur.

‘Eruit!’

De Cock ging.


Toen de grijze speurder in de recherchekamer terugkwam, leunde Vledder in zijn stoel achterover en blikte omhoog.

‘Ademt hij nog?’

‘Wie?’

‘De commissaris. Ik was bang dat je hem levend zou villen.’

Op het gezicht van De Cock brak een glimlach door. Hij nam tegenover zijn jonge collega plaats.

‘Ik kon mij nog op tijd bedwingen.’

‘Je hebt hem onbeschadigd achtergelaten?’

De Cock grijnsde.

‘Buitendam was kwaad, maar verder zag hij er nog gezond uit.’ De oude rechercheur zuchtte diep. ‘Ik had toch wel even zwaar de pest in… “op-het-matje”. Het wordt langzamerhand tijd dat het Nederlandse volk de politie krijgt dat het verdient.’

‘En dat is?’

De Cock gebaarde heftig.

‘Een onversplinterde nationale politie met een eigen ministerie.’

‘Daar geloof jij in?’

‘Absoluut. Zoals het nu is… een voortdurende, bijna kinderlijke machtsstrijd tussen de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken… ronduit belachelijk.[5]

De politie moet, naar mijn mening, zonder enige beperking in het gehele land kunnen opereren.’ Hij gniffelde. ‘Zijn we ook eindelijk verlost van de lange tenen van pietluttige korpschefs.’

‘Gaan we nog naar Huizen?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Geen denken aan.’ Hij wees voor zich uit naar de elektronische schrijfmachine. ‘Hoe ver ben je met je proces-verbaal?’

‘Bijna klaar.’

De Cock knikte goedkeurend.

‘Sluit het af. Dan geef ik het voor we weggaan aan Jan Kusters. De wachtcommandant heeft wel iemand die het naar Huizen kan brengen.’

Vledder keek hem schuins aan.

‘Voor we weggaan? Waar gaan wij heen?’

De Cock kwam overeind. ‘Naar Rotterdam. Ik wil met compagnon Haantjes praten voordat men er in Huizen achter komt dat mevrouw Scheltema hem verdenkt.’

Op het knooppunt Prins Clausplein keek De Cock met een wat angstige blik naar het spinnenweb van wegen. ‘Weet je welke kant je uit moet?’ vroeg hij.

Vledder glimlachte.

‘We volgen dezelfde weg als toen wij naar aanleiding van een bekentenis op een menukaart in Rotterdam op zoek gingen naar ene mevrouw Donkersloot.’[6]

De Cock wreef zich achter in zijn nek.

‘Ik was die zaak al bijna weer vergeten,’ bekende hij.

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Ik niet. Ik herinner mij nog dat jij zo blij was dat je in Rotterdam iets miste.’

‘Wat?’

‘Amsterdammertjes.’


Het hoofdkantoor van Scheltema & Haantjes Internationale Transporten bleek een langgerekt modern gebouw met veel glas, ruime parkeermogelijkheden en een reeks immens grote garages. Het had allure.

Vledder reed een keer over het parkeerterrein rond en plaatste hun Golf niet ver van de ingang van het gebouw naast een machtige vrachtwagen met aanhanger.

Ze stapten uit en klapten de portieren dicht. Terwijl Vledder de wagen afsloot, maakte De Cock een paar gymnastische bewegingen om zijn verkreukelde spieren weer op gang te krijgen. Zij aan zij slenterden ze naar een sluis van glazen schuifdeuren.

Een jonge blonde receptioniste in een onberispelijk korenblauw uniform bleek onmiddellijk bereid om de heer Haantjes van hun komst te verwittigen. Na een kort telefoongesprek kwam ze uit haar loge en ging de beide rechercheurs via een brede gang heupwiegend voor naar een sober ingerichte directiekamer.

Een breedgeschouderde man in een slobberig grijs kostuum liep met een joviaal uitgestoken hand op De Cock toe. ‘Haantjes… Gerard Haantjes!’ jubelde hij opgetogen. Om zijn mond gleed een vette lach. ‘Het is mij een waar genoegen om zo’n vermaard speurder in mijn kantoor te mogen begroeten.’

De Cock drukte de hem toegestoken hand. Zijn scherpe blik gleed langs een rond, vlezig gezicht, waarin een paar helblauwe ogen schitterden.

‘U… eh, u kent de reden van onze komst?’ opende hij voorzichtig.

De heer Haantjes gebaarde naar een zitje van stalen meubelen nabij het raam.

‘Ik heb vanmorgen,’ sprak hij gedragen, ‘het tragische bericht van de moord op mijn compagnon Scheltema in het ochtendblad gelezen.’ Hij nam tegenover De Cock plaats en liet zijn hoofd iets zakken. ‘Ik had toch wel even moeite om de schok te verwerken. Zoiets verwacht je niet. Het is onbegrijpelijk.’

Hij zuchtte diep.

‘Inmiddels heb ik ettelijke malen gepoogd om Mies… mevrouw Scheltema, aan de telefoon te krijgen… uiteraard… voor meer bijzonderheden, maar ze weigert mij te woord te staan. Zo gauw ze mijn stem hoort, verbreekt ze de verbinding.’

De Cock glimlachte.

‘Ze zal nog in de war zijn.’ Hij legde zijn hoedje naast zich op de vloer. ‘Hoelang was de heer Scheltema uw compagnon?’

De heer Haantjes staarde even naar het plafond.

‘Eén maart aanstaande zou dat tien jaar zijn geworden. De heer Scheltema heeft mij destijds als zijn compagnon aangenomen om aan het bedrijf wat meer… eh, schwung… elan… expansiedrift te geven.’

‘Dat had het niet?’

De heer Haantjes schonk hem een matte glimlach.

‘Hendrik… de heer Scheltema, is een behoudend man. Een tikkeltje ouderwets.’

De Cock keek hem schuins aan.

‘Er bestonden tegenstellingen?’

De heer Haantjes tuitte zijn lippen.

‘Er waren verschillen van inzicht.’

‘Zoals?’

De heer Haantjes spreidde zijn beide armen.

‘Hendrik wilde een perfect bedrijf met louter perfecte medewerkers.’ Hij bracht een medelijdend lachje op zijn gezicht. ‘Dat kan niet. Dat bestaat niet meer. Perfecte mensen zijn met een lantaarntje te zoeken.’

De Cock knikte begrijpend.

‘U nam genoegen,’ stelde hij, ‘met minder perfecte medewerkers?’

De heer Haantjes streek met zijn beide handen over zijn gladde blonde haren. ‘Ik geloof niet in rechtschapen mensen. Die bestaan niet. Ik ben geen zedenmeester.’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Ik verwacht van mijn personeel geen honderd procent betrouwbaarheid. Het is ook een utopie om dat te verwachten. Ik grijp pas in wanneer een bepaald gedrag van mijn personeel directe schade voor mijn bedrijf betekent.’

‘De heer Scheltema dacht daar anders over?’

De heer Haantjes knikte nadrukkelijk.

‘Absoluut. Dat is ook de reden dat hij een paar jaar geleden die bedrijfscontroleur heeft aangesteld. Een oud-collega van u… een brave man… maar even strak en rechtlijnig als Scheltema zelf.’

‘Albert Versteegh.’

‘Precies.’

‘Hij is verdwenen.’

‘Verdwenen?’

De Cock knikte.

‘In opdracht van de heer Scheltema heeft uw personeelschef Van Kinsbergen gisteravond bij mij op het bureau Warmoesstraat in Amsterdam een verzoek tot opsporing van Albert Versteegh gedaan. Mijn oud-collega zou een omvangrijke fraude in uw bedrijf op het spoor zijn.’

‘Fraude?’

‘Ja.’

De heer Haantjes schudde zijn hoofd.

‘Onmogelijk,’ reageerde hij strak. ‘Ik heb nog geen maand geleden een gerenommeerd Rotterdams accountantskantoor ons bedrijf volledig laten doorlichten. Er zijn geen onregelmatigheden van welke aard dan ook geconstateerd.’

De Cock wreef over zijn kin.

‘Waarom… waarom liet u uw bedrijf doorlichten?’

De heer Haantjes zwaaide geïrriteerd.

‘Omdat Hendrik dat per se wilde. Volgens Hendrik was ons bedrijf van binnenuit verrot… gebeurden er dingen die niet door de beugel konden.’

‘Maakte Albert Versteegh rapporten op?’

‘Dat zal wel.’

‘Hebt u zo’n rapport wel eens onder ogen gehad?’

‘Nee.’

De Cock toonde verbazing.

‘Waarom niet? U bent als compagnon toch medeverantwoordelijk?’

De heer Haantjes zwaaide heftig.

‘Ik… eh, ik…’ stamelde hij geprikkeld, ‘ik interesseer mij niet voor spookverhalen.’

De Cock trok zijn gezicht strak.

‘Ik vermoed,’ sprak hij voorzichtig, ‘dat de heer Scheltema gisteravond omwille van zo’n spookverhaal is vermoord.’

De heer Haantjes klapte met zijn beide handen op zijn knieën. ‘Het spijt mij. Mijn tijd is beperkt. Ik kan u niet langer te woord staan.’ Hij kwam overeind. ‘Neemt u mij niet kwalijk.’

De Cock pakte zijn hoedje van de vloer, stond op en versperde de heer Haantjes de weg naar zijn bureau. Hij hield zijn hoofd iets schuin.

‘Weet u waarom mevrouw Scheltema u niet te woord wil staan?’

‘Nee.’

De Cock grijnsde.

‘Zij meent de moordenaar van haar man te kennen.’

‘Wie?’

‘U.’

Загрузка...