HOOFDSTUK 22

Alyss luisterde aandachtig toe terwijl Will vertelde over zijn nachtelijk avontuur. Ook Max was geïnteresseerd, merkte Will — want toen hij vertelde hoe de reusachtige gestalte uit de mist naar voren was gekomen, miste hij een paar maten. Will kon het de man niet kwalijk nemen. Hij herinnerde zich maar al te goed hoe zijn eigen hart enkele slagen gemist had, en pas weer normaal was gaan kloppen toen hij dat akelige bos achter zich had gelaten.

Alyss had een paar keer iets opgeschreven in een klein, in leer gebonden notitieboekje. Ze las haar aantekeningen door, met haar kin in haar hand en gefronste wenkbrauwen. Na verloop van tijd keek ze hem aan. ‘Dat moet een bijzonder akelige belevenis geweest zijn,’ zei ze.

‘En of!’ Will had er geen moeite mee toe te geven hoe bang hij geweest was. Hij hoefde tegenover haar niet stoer te doen, daarvoor kende hij haar al te lang. Bovendien was hij erin getraind om naar waarheid te rapporteren, ook over wat hij in bepaalde situaties vond en voelde.

Even trommelde zij met haar lange vingers op de tafel. Ze las nog eens wat ze opgeschreven had. Toen wees ze met haar pen naar een van de punten in zijn verhaal. ‘Je hond…’ begon ze. ‘Hoe heet die eigenlijk?’

‘Uh… eigenlijk heb ik haar nog steeds geen naam gegeven. Hond, zeg ik meestal. Of meisje.’

Alyss ging verder met haar vraag. ‘Nou ja, hoe ze heet doet er ook niet toe. Jij zegt dat ze gromde toen jullie de eerste keer dat bewegende lichtje zagen?’

‘Ja.’ Will was benieuwd waar ze heen wilde.

‘En toen je dat gefluister hoorde reageerde ze ook weer?’

Will dacht terug aan de gebeurtenissen van die avond. Hij probeerde zich voor de geest te halen wat er precies gebeurd was. ‘Ja, inderdaad. Ze hield haar hoofd scheef, zoals honden doen als ze een vreemd geluid horen.’

‘Dus…’ Even hield ze op en keek weer in haar aantekeningen. ‘Eerst zag je de Donkere Ridder, en daarna hoorde je hem iets zeggen, correct?’

Will knikte.

‘Hoeveel tijd zat er tussen dat je de gestalte zag en dat hij begon te praten? Duurde dat even?’

Weer aarzelde Will. Hij pijnigde zijn hersens om de precieze toedracht te achterhalen. Hij wist als geen ander hoe belangrijk zelfs het kleinste detail kon zijn, en hij wilde er absoluut zeker van zijn dat wat hij zei klopte. ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘er zat wat tijd tussen. Twintig seconden? Minder niet. Maar hoeveel precies… Ik was natuurlijk enorm geschrokken.’

Zij knikte vol medeleven. ‘Ja, dat valt je niet kwalijk te nemen, zeg. Ik was in jouw plaats al lang krijsend weggerend.’ En toen wees ze op een klein detail dat niet helemaal leek te kloppen.

‘En toen dat ding begon te praten, toen sprong de hond overeind en begon te grommen, toch?’

‘Ja, precies zo was het.’ En ineens begreep hij waar ze heen wilde, een fractie van een seconde voor Alyss het hardop zei.

‘Dus de verschijning van die reusachtige figuur, dat deed haar niets?’

Will schudde van nee. ‘Echt niet. Ze reageerde pas en gromde pas toen ze de stem hoorde. Toen die gestalte verscheen lag ze gewoon rustig op de grond.’

Alyss knikte. ‘Ze reageerde op de geluiden, op het licht tussen de bomen — dat is normaal voor een hond, als er echt iets gebeurt. Maar die tien meter hoge oude ridder daarentegen…’ Ze maakte haar zin niet af, maar Will verwoordde wat zij dacht.

‘Daar trok ze zich helemaal niets van aan. Ze zag het ding niet eens. Of, als ze het wel zag, dan was ze er niet bang voor.’

Alyss leunde achterover. ‘Weet je, Will, ik ben geen expert in het paranormale, maar voor zover ik weet reageren dieren altijd veel eerder op dat soort zaken dan mensen. In dit geval bleef de hond gewoon liggen, het interesseerde haar helemaal niets dat er zogenaamd een reusachtige ridder in wapenrusting uit de mist kwam lopen.’

‘Denk je dan dat ik het me allemaal ingebeeld heb?’ vroeg Will. Terwijl hij de woorden zei voelde hij zich boos worden. Makkelijk praten had Alyss, hier overdag in de veilige donjon. Hij wist zeker dat hij iets gezien had. Maar zij schudde haar hoofd al en legde even geruststellend haar hand op zijn arm.

‘Nee, nee, ik geloof heus dat je iets gezien hebt. Ik weet dat jij geen hysterisch type bent. Ik zeg je alleen dat het geen echte geestverschijning geweest kan zijn. Het moet een soort illusionistentruc geweest zijn. De hond schonk er geen aandacht aan, omdat ze wist dat het niet echt was. De geluiden, de stemmen, de lichtjes, die waren allemaal echt. Maar die verschijning, dat was een truc — gezichtsbedrog of iets dergelijks.’

Het bleef lang stil terwijl de twee elkaar aankeken. Will wist dat ze beiden hetzelfde dachten.

‘Ik moet er weer heen, en uitdokteren hoe het echt zit, hè?’

‘Wíj moeten er samen heengaan en uitdokteren hoe het zit,’ verbeterde Alyss hem. Will vond het idee van een metgezel heel aanlokkelijk, en vooral als zij het zou zijn, met haar kritische brein, maar toch…

‘Maar dan ga ik nu toch maar liever overdag,’ zei hij en Alyss grijnsde breed.

‘Na wat ik van jou gehoord heb konden geen tien paarden me ’s nachts dat bos intrekken!’ zei ze opgewekt.

Will speelde die avond weer in de eetzaal. Alyss bleef zoals ze al aangekondigd had in haar appartement, zogenaamd om te herstellen van de vermoeienissen van de reis. Zij liet zich dan ook verder niet zien. Terwijl er toch veel belangstelling was voor de nieuwe onbekende gast, vooral onder de dames in het kasteel. Een adellijke jonkvrouw uit het zuiden, die droeg vast en zeker de laatste mode, en de provinciale dames waren dan ook zeer benieuwd. Het viel hun bijzonder tegen dat ze nog een dagje zouden moeten wachten.

De sfeer zat er die avond dan ook niet echt in, vond Will. Orman was al snel na de maaltijd vertrokken, voordat Will begon te spelen. Keren en zijn mannen waren evenmin present, en Will vroeg zich af of de vrolijke jonge krijger ook door zijn neef was gewaarschuwd.

Maar zijn optreden ging verder prima, vond hij zelf. Hij had intussen genoeg ervaring om in te kunnen schatten hoe hij het ervan afbracht op zo’n avond. Deze keer leek zijn publiek zich redelijk te amuseren, zonder staande ovaties, dat wel, maar dat kwam hem wel uit. Alyss en hij hadden afgesproken dat ze elkaar de volgende ochtend in het geheim zouden ontmoeten, en daarom had hij helemaal geen behoefte aan een late avond met veel drank en jolijt.

Een uur na zonsopgang reed hij onder de valpoort door het kasteel uit. De grote poort ging elke dag omhoog zodra de zon op was, nadat men zich er eerst vanaf de muren en torens van vergewist had dat er geen vijand in zicht was. De wacht keek naar hem op toen hij langs hem kwam gereden.

‘Ga je op jacht, speelman?’ vroeg hij, met een knikje naar de kleine jachtboog die Will over zijn schouder had gehangen. Aan de zadelknop hing een koker vol pijlen.

‘Niets lekkerder dan een paar sneeuwhazen, of een mals korhoen, toch?’ zei Will.

De man wees met enig ongeloof naar de boog. ‘Nou, dan moet je wel heel dichtbij zien te komen met dat ding,’ zei hij. ‘En er is trouwens haast geen wild in dit seizoen.’

Will lachte opgewekt. ‘Ach, je weet wat ze zeggen: Jagen is dé manier om een prettig uitje te verzieken!’

De man moest lachen om die oude grap. ‘Nou, ik wens je veel geluk dan. Maar pas op. Ik heb horen zeggen dat er een beer in de buurt is gesignaleerd.’

‘Beer, dat lust ik niet,’ antwoordde Will serieus. Even begreep de wacht niet dat hij een grapje maakte. Maar toen begon hij te grijnzen.

‘Pas maar op dat hij jóú niet lust!’ riep hij Will hoofdschuddend na.

Will nam buiten het kasteel het noordwestelijke pad en verbaasde zich erover hoe anders de mensen met hem omgingen, sinds hij zich voordeed als een artiest. Als Grijze Jager praatte hij weinig met het gewone volk, alleen als het noodzakelijk was. Grapjes maakte hij al helemaal nooit. Zo had hij het geleerd — dat hielp de geheimzinnigheid van de Grijze Jagers in stand te houden. En praktisch was het ook: mensen die niet praatten konden beter luisteren naar wat anderen te zeggen hadden. En zonder informatie kon een Grijze Jager zijn werk niet doen. Maar als speelman verwachtten de mensen niet anders van hem dan dat hij bij de minste of geringste gelegenheid een grap maakte. Hoe slecht ook. Hoe slechter hoe beter, eigenlijk, bedacht hij.

Hij reed een paar kilometer naar het noordwesten. De hond liep rustig naast hem, of rende een paar meter voor hen uit, af en toe omkijkend om er zeker van te zijn dat Trek en Will er nog steeds waren. Het kleine paardje keek goedaardig naar zijn kleine gids.

De avond daarvoor hadden zij afgesproken hoe ze elkaar zouden ontmoeten. Ze hadden er een kaart van de streek bij gepakt, die Alyss uit haar bagage tevoorschijn toverde. ‘Ik vertrek zodra het licht is,’ zei ze, ‘en ik rijd in oostelijke richting. Jij moet een uur later gaan, en dan naar het noordwesten. Je kan dan dit pad nemen om met een grote bocht bij mij uit te komen, daar aan de rand van het Grimsdalwoud.’

Will kwam nu bij dat smalle pad aan, dat ze op de kaart had aangewezen, en hij stuurde Trek naar het oosten. Het was bewolkt, en er stond een straffe wind die door de kale boomtakken floot. Toen er een waterig zonnetje tevoorschijn kwam kon Will de tijd inschatten, en hij besloot dat hij iets achterliep op de tijd die ze hadden afgesproken. Hij gaf Trek een teken met zijn kuiten en het paard ging van draf over in een kalme galop. De hond hoorde dat het paard van gang wisselde en ging ook harder lopen. Will zag met interesse hoe zuinig de herder omsprong met haar krachten. Ze liep nooit harder dan noodzakelijk. Zij kon net als Trek dit tempo met gemak een hele dag volhouden.

En het was ook de hond die als eerste opmerkte dat Alyss in de buurt was, toen ze het Grimsdalwoud aan de horizon zagen opduiken. Haar dikke, witgepunte staart ging vervaarlijk heen en weer terwijl hij recht op het meisje afrende, dat zich in een paar struiken naast de weg verborgen had.

Trek maakte een beweging alsof hij wilde zeggen: ‘Huh, ik had haar ook wel in de gaten, hoor!’ Will klopte haar geruststellend op de nek. ‘Ja, hoor, dat weet ik heus wel,’ zei hij.

Gisteren was Alyss nog in vol ornaat gekleed, in een dure deftige jurk. Nu stond er iemand anders voor hem. Ze droeg een kort jak, een strakke grijze broek en knielaarzen. Over haar schouders hing een korte cape, en haar glanzende blonde haren had ze weggestopt onder een jagerspet met een fazantenveer. Die strakke broek liet weinig aan de verbeelding over en Will dacht eens temeer dat hij Alyss veel aantrekkelijker vond dan die tut van een Gwendolyn. Haar lange dolkmes, in een prachtig bewerkte leren schede, hing aan een brede riem die haar tuniek om haar slanke taille insnoerde. Ze grijnsde naar hem terwijl hij op haar af kwam rijden.

‘Je bent te laat,’ zei ze en stak haar hand naar hem uit. Will greep haar bij de pols en trok haar omhoog terwijl zij een lichte sprong maakte. Ze ging zitten op Treks achterhand en sloeg haar armen om zijn middel.

‘Waar is je eigen paard gebleven?’ vroeg Will — al vond hij het helemaal niet erg dat zij bij hem was komen zitten, laat staan dat ze haar armen om hem heen sloeg.

‘Dat rijdt braaf verder met mijn gevolg,’ antwoordde ze, ‘en met een best aardig lijkende pop van Gwendolyn in het zadel vastgebonden, met een flinke mantel met een capuchon.’

Will draaide zich half om en keek haar aan. ‘Is dat niet wat overdreven?’ Alyss haalde haar schouders op.

‘Misschien. Maar kort nadat ze verder gereden waren en ik hier stond te wachten, kwamen er een paar ruiters van het kasteel langsgereden. Misschien toeval, maar je weet maar nooit. Is dit Grimsdalwoud?’ Ze wees naar de ongastvrije donkere bosrand een paar honderd meter verderop en Will knikte bevestigend.

‘Dat is het bos,’ antwoordde hij en hij voelde al een steen in zijn maag zakken.

Ze reden langs de bosrand naar het zuiden, tot ze de gespleten eik zagen opdoemen die Will onthouden had als de plek waar hij de vorige keer het woud was ingereden. Het was dag nu, dus steeg hij niet af van zijn paard. Samen reden ze de duisternis in, af en toe vooroverbuigend om de overhangende takken en klimplanten te ontwijken die het smalle pad versperden. De hond liep stil voor hen uit.

Wills training nam het weer van hem over. Ondanks zijn zenuwen kostte het hem weinig moeite om het pad terug te vinden dat hij twee nachten daarvoor gevolgd had.

‘En waar zag je nou die lichtjes?’ vroeg Alyss.

Will aarzelde even voordat hij wees. ‘Ze gingen die kant op,’ zei hij. ‘Geen idee eigenlijk hoe ver van de weg ze waren.’

Alyss keek kritisch naar de dichte begroeiing. ‘Nou, ver weg kan het niet geweest zijn, als je het nog kon zien door al die takken. Kom.’ En ze liet zich van de paardenrug glijden. Will steeg ook af.

‘Laten we daar maar eens gaan kijken,’ zei ze, en ze wees in de richting die hij aangegeven had.

Will gebaarde Trek op het pad te blijven wachten. Daarna knipte hij met zijn vingers naar de hond en wees haar hen voor te gaan. Zij had weinig moeite met de dichte begroeiing en glipte gemakkelijk onder de laaghangende takken door. Will en Alyss hadden aanzienlijk meer problemen. Na een paar meter moest Will zijn kapmes tevoorschijn trekken om zich door het dichte struikgewas een weg te banen.

‘Dat is een handig wapen,’ zei Alyss en Will gromde bevestigend, terwijl hij een flinke tak afhakte en opzij gooide.

‘Een wapen, en een werktuig,’ zei hij. En ineens hield de begroeiing op.

‘Kijk nou eens… Wat zeg je daarvan?’ vroeg Alyss, tevreden knikkend.

De hond zat op hen te wachten, midden op een smal maar duidelijk door mensenhanden gebaand pad, dat dwars door het bos liep, evenwijdig aan het bredere pad dat zij een paar minuten daarvoor achter zich gelaten hadden.

Загрузка...