11

De Cock monsterde het gezicht van Vledder toen hij wat loom de grote recherchekamer binnenstapte.

“Hoe was de sectie?” vroeg hij opgewekt. De jonge rechercheur liet zich in zijn bureaustoel zakken en leunde achterover.

“Verschrikkelijk,” verzuchtte hij.

“Het wordt echt vervelend. Hoe vaak heb ik al niet zo’n gerechtelijke sectie meegemaakt? Met mijn neus erbovenop. Steeds hetzelfde ritueel. Met een lancet een snee van de borst naar de schouderkoppen, daarna het verwijderen van het zwaardvormig borstbeen, vervolgens het…”

De Cock maakte een afwerend gebaar.

“Stop maar. Ik ken het.”

Vledder blikte om zich heen.

“Je hebt hem laten gaan?” vroeg hij verbaasd.

“De wachtcommandant beneden zei dat hij geen arrestanten voor ons in het cellenhuis had.”

De Cock knikte.

“Dat klopt. Ik zag geen reden om Anthonius Josephus Ruiten voor zijn vergrijp te arresteren.”

“Neem je de aanklacht van Willem Alexander van Overveen niet serieus?”

De Cock spreidde zijn handen.

“Zeker, zeker,” sprak hij nadrukkelijk.

“Die gaat gewoon door. Jij zet straks de aanklacht van Van Overveen op papier. De dicteer jou een samenvatting van het verweer van de heer Ruiten…compleet met zijn bekentenis. Dan zoeken we hem thuis op en laten hem de samenvatting ondertekenen. Daarna kan het volledige proces-verbaal naar de officier van justitie voor een eventuele vervolging.”

Vledder snoof.

“Ik vraag mij af of Ruiten daarmee instemt.”

“Wat bedoel je?”

“Dat jij een samenvatting maakt van zijn verweer.”

De Cock tuitte zijn lippen.

“Dat zijn wij reeds overeengekomen. Na zijn stormachtig begin was hij uiteindelijk zo mak als een lammetje.”

Vledder trok een vies gezicht.

“Ik vond die Ruiten maar een onsympathiek individu. Ik ben weggegaan. Ik kon het niet langer aanhoren. Bidden om een moord…alsof hij op zijn blote knietjes een privé verbinding had met Onze-Lieve-Heer.”

De Cock glimlachte.

“Die indruk gaf hij. Inderdaad. Sommige mensen hebben een vreemde gedachte over hun relatie met God.”

“Heb je hem van de gepleegde moorden beschuldigd?”

De Cock knikte.

“Ondanks zijn geuite bedreigingen ontkent hij persoonlijk iets met de moorden op Peter van Gulpen en Edward van der Poorten van doen te hebben gehad. Hun dood berouwt hem niet. Hij was er niet echt kapot van. Integendeel. De heer Ruiten beschouwt deze moorden als een soort godsgeschenk.”

“Een verhoor van zijn gebeden?”

“Zoiets. Maar voor een echte executie, voor een werkelijke moord, acht hij zichzelf te laf.”

“Dat geloof jij?”

De Cock knikte traag.

“Mannen die zich op papier in stoere bewoordingen uiten, gaan meestal een directe confrontatie uit de weg. Dat durven ze in de regel niet aan.”

Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

“Waarom beschuldigde Edward van der Poorten hem van de moord op Peter van Gulpen?”

“Het brandmerk.”

“De twee ruiten?”

De Cock knikte.

“De heer Ruiten had vroeger samen met zijn oudste broer Jan een groot transportbedrijf. Op al hun vrachtwagens stond een ruit voor en na de naam Ruiten. Toen Edward van der Poorten het brandmerk op het voorhoofd van Peter van Gulpen zag, was hij er onmiddellijk van overtuigd dat Ruiten de dader was…ook al, omdat Tinus Ruiten tevoren Peter van Gulpen openlijk had bedreigd.”

Vledder schudde zijn hoofd.

“Het is toch frappant. Waarom gebruikte de moordenaar dat embleem? Om een link te leggen naar die dreigende heer Ruiten en beschuldigend in zijn richting te wijzen?”

De Cock trok zijn schouders op.

“Ik hoop dat wij met dit onderzoek eens zover komen, dat wij die vragen aan de echte dader kunnen voorleggen.”

Vledder grijnsde.

“Naar mijn gevoel zijn wij zover nog lang niet. Alle lijnen van ons onderzoek breken voortdurend af.”

De Cock gebaarde voor zich uit.

“Wat heb jij gedaan toen jij bij het verhoor van de heer Ruiten wegliep?”

Hij grinnikte.

“Ik bedoel, voor je naar die voor jou zo verschrikkelijke gerechtelijke sectie vertrok?”

Het gezicht van Vledder versomberde.

“Het lukte mij om Jasper van Houweningen aan de lijn te krijgen.”

“En?”

“Angela Molenpad heeft, toen zij Jasper van Houweningen verliet, alle foto’s van zichzell meegenomen. Hij heeft geen enkele afbeelding meer van haar.”

De Cock trok zijn neus op.

“Geen enkele afbeelding?”

In zijn stem trilde ongeloof. Vledder snoof.

“Dat zegt hij. Angela Molenpad heeft ook nog steeds geen contact met hem opgenomen.”

“En zijn zoektocht naar haar?”

“Heeft niets opgeleverd.”

“Vreemd.”

Vledder knikte.

“Jasper van Houweningen is wel bereid om mee te werken aan een compositiefoto van haar.”

De jonge rechercheur keek naar De Cock op.

“Een compositiefoto…is dat een optie?”

De oude rechercheur reageerde niet. Hij stond met een zuur gezicht van zijn stoel op en slenterde naar de kapstok. Vledder kwam hem na.

“Waar ga je heen.”

De Cock draaide zich naar hem om.

“Naar Smalle Lowietje. Mijn dorstige keel snakt naar het fluweel van een cognackie.”

Vanuit de Warmoesstraat slenterden ze door de Lange Niezel. Het was druk in het smalle straatje naar de Wallen. Bij het seks-theater stonden mannen voor de kassa in de rij en bij de sex-shop giechelden vrouwen om de uitstalling van penissen in de etalage.

Uit een café dwarrelden flarden muziek. Ze namen na de Lange Niezel een stukje Voorburgwal en sloften via de Oude Kennissteeg naar de Achterburgwal. Op de hoek van de Bamdesteeg schoven ze door de bruine, met leer afgezette gordijnen het schemerig intieme lokaaltje van Smalle Lowietje binnen.

De tengere caféhouder veegde zijn handjes langs zijn morsig vest en kwam achter de tapkast vandaan. Zijn vriendelijk muizensmoeltje glom van genegenheid.

“Konden jullie de weg naar mijn etablissement nog vinden?” kirde hij.

“Het lijkt mij toe dat ik jullie in jaren niet heb gezien.”

De Cock grijnsde.

“Drie dagen.”

Smalle Lowietje trok een verongelijkt gezicht.

“Dat is lang.”

De Cock liep aan hem voorbij naar zijn vaste plek en hees zich daar op een kruk. Vledder schoof naast hem en Smalle Lowietje nam zijn plaats achter de tapkast weer in.

“Hetzelfde recept?” jubelde hij.

Zonder op een antwoord te wachten dook hij aalglad onder de tapkast, pakte de fles fijne cognac met de naam ‘Napoleon’, die hij speciaal voor De Cock hield gereserveerd, en stak hem triomfantelijk omhoog.

“Nog van mijn oude voorraad.”

Hij bedekte de bodem van drie diepbolle glazen, want Lowietje dronk er altijd eentje mee.

Ze namen voorzichtig hun glas op, warmden de cognac in de holte van hun handen, snoven en proefden met kleine teugjes. Het was een ernstige, ingetogen ceremonie, die de kleine caféhouder en de twee rechercheurs bij elk samenzijn opvoerden; devoot, als gold het een religieuze gebeurtenis.

“Druk aan de kit?”

De Cock glimlachte.

“Misdaad is van alle tijden. Kaïn sloeg Abel. Het is altijd zo geweest. Met een baan bij de recherche ben je continu verzekerd van werk.”

De oude rechercheur zweeg even.

“Toch heb ik het idee dat in ons lage landje steeds meer criminelen huizen. Vooral de agressiviteit neemt toe. In het hoofdbureau wordt gefluisterd dat wij binnenkort prioriteiten moeten gaan stellen.”

Smalle Lowietje grinnikte.

“Wat zijn dat voor dingen?”

“Prioriteiten?”

“Ja.”

“Zaken, die wij met voorkeur moeten behandelen.”

“En de andere zaken?”

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

“Die moeten we laten liggen,” verzuchtte hij.

“Mijn oude collega’s noemden dat vroeger marktpolitie…handjeklap, die zaak wél en die zaak niét behandelen. Zij waren daar fel op tegen. Volgens hen bestond er geen verschil tussen grote en kleine criminaliteit. Een oud vrouwtje dat van haar AOW-centjes was beroofd, diende net zoveel aandacht te krijgen als een kraak bij een bank.”

De tengere caféhouder knikte overtuigend.

“Terecht,” reageerde hij instemmend. De Cock lachte.

“Lowie,” riep hij blij, “je bent een man naar mijn hart.”

Smalle Lowietje glunderde.

“Jij denkt daar ook zo over?”

“Precies.”

“Waar zijn jullie nu mee bezig…die drie dagen dat ik jullie hier niet heb gezien?”

De Cock aarzelde even.

“Vermoorde mannen met een brandmerk op hun voorhoofd.”

Smalle Lowietje keek hem nadenkend aan.

“Daar heb ik iets van gelezen en ik heb hier in mijn etablissement een man voor de tap gehad, die de slachtoffers persoonlijk kende.”

“Wat voor een man?”

Smalle Lowietje reageerde geprikkeld.

“Ja, wat voor een man? Ik schat hem op achter in de dertig. Hij wordt hier in de buurt Rudy Sleurkeet genoemd.”

“Is dat zijn echte naam?”

Smalle Lowietje schudde zijn hoofd.

“Zijn bijnaam. Weet je wat een sleurkeet is?”

“Geen notie.”

De tengere caféhouder gniffelde.

“Zo noemen ze hier in de buurt een caravan. Rudy Sleurkeet woont hier iets verder op de gracht. Waar, weet ik niet precies. Hij is niet vaak thuis. Hij sleurt in zijn wagen met caravan het hele land door.”

De Cock trok een bedenkelijk gezicht.

“Moeilijk te vinden.”

“Absoluut.”

“Weet je niets meer van hem?”

Smalle Lowietje gebaarde.

“Hij is een klantje van Keetje Plus.”

De Cock knikte begrijpend.

“Wat zei hij over de moorden?”

Smalle Lowietje maakte een hulpeloos gebaar.

“Niet veel,” verzuchtte hij.

“Hij vertelde dat hij vroeger goed bevriend is geweest met de slachtoffers…een vriendenclub uit hun puberteit. Daarna zijn ze uit elkaar gegroeid.”

De tengere caféhouder zweeg even.

“Volgens Rudy Sleurkeet waren het schoften.

“Geloof me, er vallen nog meer doden. Ik ken ze…ze maken uit nijd elkaar af,” zei hij.”


Voldaan, met de warme gloed van twee cognackies in hun aderen, verlieten de rechercheurs het gezellige etablissement van Smalle Lowietje.

Het was zachtjes gaan regenen. Druppels sloegen kringetjes in het water van de gracht. De Cock trok de kraag van zijn regenjas omhoog en schoof zijn oude hoedje iets naar voren. Ze slenterden verder over de Achterburgwal in de richting van de Oude Kennissteeg.

Het begon al te schemeren en de sex-business was in vol bedrijf. In een trage stoet slenterde het leger van behoeftigen langs de vele etalages met vrouwen van allerlei fatsoenen…verleidelijk lonkend in het zachtroze licht, dat barmhartig kleine oneffenheden in schoonheid en make — up verhulde. Via de Oude Kennissteeg liepen ze naar het Oudekerksplein. Bij de Sint Annendwarssti aat bleef De Cock staan.

“We gaan eens kijken of Catharina Bleekemolen nog in bedrijfis.”

Vledder keek hem aan.

“Wie is Catharina Bleekemolen?”

De Cock wees.

“Ze woont en werkt verderop in de Dollebegijnensteeg.”

“Wat betekent zij voor ons onderzoek?”

“Zij is de Keetje Plus over wie Smalle Lowietje sprak.”

Vledder knikte begrijpend.

“De prostituee bij wie Rudy Sleurkeet wel eens op bezoek kwam?”

De Cock knikte.

“Ze wordt Keetje Plus genoemd omdat ze altijd beweerde dat de klanten bij haar net iets meer begrip en aandacht kregen dan bij een gemiddelde hoer.”

“Vandaar Plus?”

“Ja.”

“Is dat waar?”

De Cock lachte.

“Geen flauw idee. Ik heb nog nooit een prostituee als klant bezocht.”


Gehuld in een zwartzijden kimono, waarop een reeks fleurige geborduurde flamingo’s, deed Keetje Plus op het kloppen van De Cock de deur van haar woning open. Toen ze hem herkende, lachte ze blij.

“Ouwe speurneus,” jubelde ze, “dievenjager, begenadigd rechercheur, trots van de Warmoesstraat…”

De Cock stak afwerend zijn handen omhoog.

“Zo is het wel genoeg, Keet. Mogen we even binnenkomen?”

Keetje Plus deed een stap opzij. Ze wees naar een paar fauteuils.

“Ga zitten. Niet daar op de rand van mijn bed. Dat is mijn werkbank. Op die plek moet ik mijn brood verdienen.”

Ze deed de deur achter zich dicht.

“Ik heb je een tijdje niet gezien,” kirde ze.

“Ik dachtdat ze je al met pensioen hadden gestuurd.”

Ze blikte van De Cock naar Vledder.

“Je hebt een knap gozertje bij je.”

De Cock knikte.

“Door de hoofdcommissaris persoonlijk voor mij uitgezocht.”

Keetje reageerde niet. Ze ging tegenover De Cock in een fauteuil zitten.

“Ik denk niet dat je naar de Dollebegijnensteeg bent gekomen om in mijn mooie blauwe ogen te kijken.”

De Cock glimlachte.

“Ook. Het is een lust om daarvan te genieten.”

Keetje schudde haar hoofd.

“Zonder dollen. Wat heb je op je lever?”

De Cock reageerde niet direct. Hij nam een kleine pauze voor het effect.

“Iemand heeft mij zachtjes in het oor gefluisterd, dat bij jou wel eens een man op bezoek komt, die Rudy Sleurkeet wordt genoemd.”

Keetje Plus keek hem onderzoekend aan.

“Ik zal je niet vragen wie zijn of haar mond zo dicht bij jouw oor heeft gehouden. Voorzover ik je ken, zeg je mij dat toch niet.”

De Cock knikte.

“Zover ken je mij.”

Keetje zuchtte diep.

“Oké. Rudy Sleurkeet is een klantje van me…al vele jaren. In mijn blauwe ogen is hij een geweldige vent. En dat niet alleen in bed.”

“Ken jij zijn werkelijke naam?”

Keetje schudde haar hoofd.

“Ik heb het hem wel eens gevraagd, maar daar ging hij niet op in.

“Rudy Sleurkeet is mij voldoende,” zei hij.”

Ze zweeg even.

“Zoek je hem?”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Niet zoals jij bedoelt. Ik heb niets tegen hem. Ik wil alleen met hem praten. Er zijn kort achter elkaar twee mannen vermoord…op exact dezelfde manier.”

Keetje drukte haar ogen halfdicht.

“Die kerels met een brandmerk op hun voorhoofd.”

De Cock knikte.

“Die kerels. Ik weet uit betrouwbare bron dat jouw Rudy Sleurkeet beide slachtoffers heeft gekend.”

Keetje vouwde haar handen in haar schoot.

“Dat klopt. Rudy Sleurkeet heeft ze gekend…heeft ze goed gekend. En Rudy is bang.”

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

“Bang?”

Keetje Plus knikte.

“Hij zei tegen mij: ‘Als ze te weten komen wie ik ben, zijn ook mijn dagen geteld’.”

De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

“Zei hij ze, als ze te weten komen wie ik ben…”

Keetje knikte opnieuw.

“Ik ben gewend om goed naar mijn klanten te luisteren. Hij zei duidelijk ze. Hij zei ook dat hij wist waarom de slachtoffers een brandmerk kregen.”

Keetje nam haar handen uit haar schoot en strekte haar wijsvingers naar De Cock uit.

“Volgens mij weet Rudy Sleurkeet exact welke mensen verantwoordelijk zijn voor die moorden.”

Ze schudde haar hoofd.

“Maar of hij je dat wil vertellen…”

Загрузка...