12

Na een hartelijk afscheid van Keetje Plus en haar toezegging, dat ze De Cock zou waarschuwen wanneer Rudy Sleurkeet weer in de buurt opdook, verlieten ze de Dollebegijnensteeg en sjokten naar de Warmoesstraat. Het regende nog steeds. Ondanks deze weersbelemmering floreerde de business. Vledder blikte opzij.

“Die man verbergt zijn ware identiteit.”

“Je bedoelt Rudy Sleurkeet?”

“Ja.”

De Cock knikte traag.

“Dat is duidelijk. In zijn ware identiteit schuilt voor hem blijkbaar een groot gevaar.”

“Heb je ook Smalle Lowietje op zijn hart gedrukt dat hij ons moet waarschuwen wanneer die Rudy Sleurkeet weer eens in zijn etablissement verschijnt?”

“Uiteraard. De Smalle heeft mij zelfs beloofd dat hij zal proberen hem in zijn zaak te houden tot wij gearriveerd zijn.”

“Prachtig.”

De Cock gebaarde.

“Als we Keetje Plus moeten geloven, dan is die man voor ons een sleutelfiguur. Rudy Sleurkeet kan ons ongetwijfeld de weg naar de daders wijzen.”

“Je bedoelt zijn uitspraak: als ze te weten komen wie ik ben, zijn ook mijn dagen geteld?”

De Cock knikte.

“Hij kent ze blijkbaar…weet wie ze zijn en wat hen drijft. Er is duidelijk sprake van meerdere daders.”

De oude rechercheur tikte met zijn wijsvinger op zijn borst.

“Het vermoeden,” ging hij verder, “dat er sprake is van meerdere daders, heb ik al enige tijd. Ik ben er nagenoeg van overtuigd dat Peter van Gulpen en Edward van der Poorten waren verdoofd voordat ze werden gewurgd en van dat idiote brandmerk voorzien.”

Vledder gebaarde voor zich uit.

“Kan…kan,” vroeg hij weifelend, “alles niet door een en dezelfde dader zijn uitgevoerd?”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Dat lijkt mij in de praktijk bijna onuitvoerbaar. De man of vrouw die een slaapmakend of verdovend middel toediende, moet toch een vertrouwensrelatie met de slachtoffers hebben gehad. Ze moeten samen iets hebben gegeten of gedronken. Geen gezond mens laat zich vrijwillig bedwelmen.”

De oude rechercheur zweeg even.

“We hebben nog geen bericht van het laboratorium in Rijswijk of er in het bloed en de urine van Peter van Gulpen sporen van een verdovend middel zijn gevonden?”

Vledder schudde zijn hoofd.

“Dat kan nog wel even duren. Zo’n onderzoek vergt tijd…vooral als men in het laboratorium niet weet naar welk middel men moet zoeken. Dan moet er met de monsters een hele reeks proeven worden genomen.”

De jonge rechercheur plukte aan zijn neus.

“Weet je dat ze in het verhaal van die Rudy ook kan betekenen, dat er sprake is van een bende.”

De Cock gniffelde.

“Een moordend drietal?”

“Bijvoorbeeld.”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Ik ben dat in de praktijk nooit tegengekomen. Drie is te veel. Met z’n tweeën kan men een geheim bewaren. Met drie wordt dat veel moeilijker. Er is dan vrijwel altijd sprake van een spanningsveld.”

“Onderling wantrouwen?”

“Precies.”

Vledder zuchtte omstandig.

“De vraag is; hoe vinden we die…eh, die geheimzinnige Rudy Sleurkeet? Die man schijnt alles van de moorden op Van Gulpen en Van der Poorten te weten. Volgens Keetje Plus kent hij ook het hoe en waarom van de brandmerken.”

De jonge rechercheur blikte opzij.

“Is ze betrouwbaar?”

“Keetje Plus?”

“Ja.”

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

“Ze…ze staat niet als een echte sensatiehoer te boek,” reageerde hij weifelend.

“De keren dat ik met haar in contact ben geweest, kon ik op haar woorden vertrouwen. Ik heb haar destijds op geen leugens of onwaarheden kunnen betrappen.”

Hij zweeg even.

“Het blijft altijd oppassen met verklaringen van getuigen.”

Vledder snoof.

“Rudy Sleurkeet…wat een naam. We kunnen moeilijk alle campings in Europa afgaan om te vragen of ze ene Rudy Sleurkeet binnen hun territorium hebben.”

De jonge rechercheur maakte een theatraal gebaar.

“Hoe vinden we die man?”

De Cock knikte traag.

“En hoe krijgen we hem aan de praat?”


Toen ze de hal van het oude politiebureau binnenstapten, wenkte de wachtcommandant vanachter de balie De Cock met een kromme vinger.

De oude rechercheur liep quasi dreigend op hem toe.

“Als je nog een moord voor ons hebt, dan ga je er zelf maar heen.”

Jan Rozenbrand knikte.

“Als jij hier mijn plaats inneemt,” reageerde hij kalm, “doe ik dat met het grootste plezier.”

De wachtcommandant schudde zijn hoofd.

“Ik heb geen nieuwe moord voor je,” sprak hij geruststellend.

“Wel heeft een halfuurtje geleden een heer Ruiten gebeld. Hij vroeg naar jou. Toen ik hem zei dat jij op pad was, vroeg hij of ik wist of jij vanavond nog kwam…niet te laat, want hij kreeg nog bezoek.”

De Cock knikte.

“Meneer wordt op zijn wenken bediend.”

Jan Rozenbrand wees omhoog.

“Boven zit al enige tijd een paragnost op jou te wachten. Hij wil jou per se behulpzaam zijn bij het oplossen van de brandmerk-moorden.”

De Cock maakte een grimas.

“Geloof jij in paragnosten?”

De wachtcommandant schudde zijn hoofd.

“Die man gelooft in zichzelf en ik wilde hem niet zomaar wegsturen.”

De Cock wendde zich tot Vledder.

“Maak jij de aanklacht van Van Overveen af en zet ook mijn samenvatting van de bekentenis van Anthonius Josephus Ruiten op papier.”

Vledder sputterde tegen.

“Ik weet niet wat hij tijdens zijn verhoor allemaal heeft gezegd,” jammerde hij.

“De helft van de tijd was ik er niet bij.”

De Cock glimlachte.

“Het hoeft niet zo uitgebreid,” sprak hij sussend.

“Je schrijft dat ik hem zijn brief aan Van Overveen heb getoond…dat de heer Ruiten bekent dat hij die brief met dreigende inhoud heeft geschreven en naar Van Overveen heeft gezonden. Moreel meende hij daartoe het recht te hebben omdat Van Overveen hem op een schandelijke wijze had opgelicht. Punt. Dat is alles.”

“Wat ga jij dan doen?”

De Cock wees naar de trap.

“Terwijl jij werkt, houd ik mij een poosje met de paragnost bezig.”


De paragnost bleek een man met lang wit golvend haar tot op zijn schouders, een imposante grijze baard en een melancholieke blik uit grote, glanzende, donkerbruine ogen. De Cock schatte hem op achter in de veertig. Hij droeg sandalen onder een donkergrijze broek. Zijn omvangrijke borstkas werd in toom gehouden door een zwarte, grofgebreide kabeltrui. Regenwater drupte uit de paraplu, die hij gevouwen naast zijn stoel had gezet.

“Ik ben helderziende,” opende hij met omfloerste stem, “een gave die ik al sinds mijn prille jeugd koester. Ik behoef mij daarop niet te concentreren. De beelden komen spontaan bij mij op.”

De Cock glimlachte.

“Er zijn momenten, dat ik mij als rechercheur een dergelijke gave toewens.”

De paragnost knikte.

“Begrijpelijk…hoogst begrijpelijk. U botst vaak tegen een muur van onwetendheid.”

De Cock trok een grijns.

“Inderdaad. Soms heel onplezierig.”

De man schudde zijn hoofd.

“Maar ik zou met mijn gave niet graag een rechercheur willen zijn.”

De Cock keek hem verwonderd aan.

“Waarom niet?”

“De mij toegezonden beelden zouden mij kwellen. Ik zou wellicht op onderzoek gaan naar zaken waarmee ik ambtelijk niets van doen had.”

De Cock liet het onderwerp rusten.

“Wie bent u?” vroeg hij na een kleine pauze.

“Mijn naam?”

“Ja.”

De paragnost schudde zijn hoofd.

“Die geef ik u niet,” sprak hij gedecideerd.

“Mijn naam is niet belangrijk. Ik zoek geen bekendheid, geen roem, geen populariteit. Het is ook niet mijn bedoeling om met mijn gave naar het shjk der aarde te zoeken. Als ik met de beelden die bij mij opdoemen, mensen kan helpen, dan zal ik dat con amore niet nalaten.”

De Cock gebaarde in zijn richting.

“Hebt u met uw gave al eens mensen kunnen helpen?”

De man knikte.

“Diverse keren. Heel succesvol. Maar als referentie zal ik ook hun namen niet noemen.”

De Cock boog zich iets naar hem toe.

“Ik heb van de wachtcommandant begrepen, dat bij u beelden zijn verschenen die mij bij mijn onderzoek zouden kunnen helpen?”

De paragnost knikte traag.

“Toen ik van de gebrandmerkte doden las, verscheen vrijwel onmiddellijk in mijn geest het beeld van een fel brandende caravan tegen de achtergrond van een donkere hemel. En bij die fel brandende caravan stonden twee huilende kinderen in nachtgewaad.”

De Cock keek de man secondenlang aan.

“Dat is het?”

De paragnost knikte. Zijn handen gleden tastend langs zijn lange grijze baard.

“Dat is het,” herhaalde hij.

“Verdere beelden heb ik niet gekregen. Het was ook maar een moment. Het beeld vervaagde heel snel.”

De Cock bleef hem onderzoekend aankijken.

“U bent ervan overtuigd dat die brandende caravan verband houdt met de moorden?”

De man zuchtte diep.

“Dat kan ik u niet met zekerheid zeggen. Het beeld verscheen op het moment dat ik in de krant het bericht over de gebrandmerkte doden las. Ik vond het belangrijk genoeg om u daarover in te lichten. Het is aan u om daaruit uw conclusies te trekken. Mijn advies: zoek de brandende caravan en u kent de daders.”

Vledder schoof het kleine dossier, dat hij voor zich op zijn bureau had liggen, naar De Cock.

“Ik ben ermèb klaargekomen. Lees de zaak nog even door of het jouw goedkeuring kan wegdragen.”

Hij blikte op zijn polshorloge.

“Hebben we nog tijd genoeg om bij heer Ruiten een handtekening te haleft.”

De oude rechercheur trok het dossier verder naar zich toe.

“Dat heb je vlug gedaan.” sprak hij bewonderend.

“Ik was met mijn dikke vingers nog niet tot de helft gekomen.”

Vledder lachte.

“Hoe was jouw paragnost?”

“Een aardige man.”

“Kon hij jou nog iets vertellen?”

De Cock knikte.

“Toen hij in de krant een verslag van de gebrandmerkte doden las, verscheen bij hem tegen de achtergrond van een donkere hemel het beeld van een fel brandende caravan.”

“Een caravan?”

“Ja.”

Vledder lachte.

“Een sleurkeet.”

De Cock trok zijn schouders op.

“Hij sprak van een caravan.”

“Dat is toch hetzelfde.”

De Cock glimlachte.

“Jij denkt aan Rudy Sleurkeet.”

Vledder knikte.

“Dat is de enige man met een caravan die tot nu toe in ons onderzoek is opgedoken. Zou jouw paragnost die vent bedoelen?”

De Cock grijnsde.

“Geen idee.”

“Geloof jij in helderziende figuren?”

De oude rechercheur leunde iets in zijn stoel achterover.

“Ik heb jaren geleden,” sprak hij somber, “eens een onderzoek gedaan naar een vermist meisje. Het kind liep op een avond uit huis weg en kwam niet meer terug. Haar vader en moeder geloofden onvoorwaardelijk in mensen met paranormale, bovenzintuiglijke waarnemingen. In hun wanhoop consulteerden zij eenieder die beweerde over paranormale begaafdheden te beschikken.”

De Cock spreidde zijn handen.

“Al die mensen kreeg ik op mijn dak. En om de ouders gerust te stellen trok ik al die helderziende beelden na. Ik kon ook moeilijk anders.”

“En?”

De Cock zuchtte.

“Na veertien dagen is het lijkje van het kind gevonden…maar niet op een plek waar de paranormale begaafden haar hadden gezien.”

Vledder glimlachte.

“Dus jij gelooft er niet in?”

De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.

“Dat beweer ik niet.”

Vledder stak zijn handen omhoog.

“Er is,” declameerde hij op dramatische toon, “meer tussen hemel en aarde dan wij vermoeden, Horatio.”

“Dat is niet juist,” sprak De Cock. Vledder keek hem verwonderd aan.

“Dat is toch van Shakespeare in Hamlet?”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Shakespeare wordt in de regel verkeerd geciteerd. Hij schreef letterlijk: There are more things in heaven and earth, Horatio, than are dreamt of in your philosophy. En dat is in redelijk Nederlands: Er is meer in de hemel en op aarde, Horatio, dan waarvan uw wijsheid droomt. Het woord between, dus tussen, komt in de tekst van Shakespeare helemaal niet voor.”

Vledder maakte een verontschuldigend gebaar.

“Ik zal mij voortaan beter in de klassiekers verdiepen.”

Hij zweeg even.

“Maar dit terzijde…wat zou jij nu doen als je weer een onderzoek naar een vermist kind zou krijgen?”

“Dezelfde tactiek volgen.”

Vledder glimlachte.

“En de beelden van alle paragnosten natrekken?”

“Absoluut. Ik zou het risico niet willen lopen dat ik aan het advies van een waarlijk paranormaal begaafde man of vrouw zou voorbijgaan.”


Vledder wees naar het dossier.

“Zullen we de heer Ruiten bellen, dat wij naar hem op weg zijn?”

“Waarom?”

“Wel zo netjes…kan hij wellicht nog iets regelen met het bezoek dat hij verwacht.”

“Ga je gang.”

Vledder pakte een notitieboekje uit de binnenzak van zijn colbert.

“Ik heb ergens zijn telefoonnummer genoteerd.”

De jonge rechercheur legde het boekje open naast zich neer en trok het telefoontoestel naar zich toe. Hij nam de hoorn op en toetste een nummer. Na enige tijd versomberde zijn gezicht. De Cock keek hem gespannen aan.

“Wat is er?”

“Hij neem niet op.”

Als door een wesp gestoken kwam De Cock uit zijn stoel overeind en liep in een komische draf naar de kapstok. Hij schreeuwde naar Vledder, die de hoorn op het toestel smeet.

“Kom, snel, misschien zijn we nog op tijd.”


Met loeiende sirene ranselde Vledder de oude Golf door het drukke stadsverkeer.

De Cock hield zich met moeite vast…tuimelde tijdens een bocht bijna door de voorruit.

“Heb je het adres,” riep hij boven het motorgeronk uit. Vledder knikte.

“Keizersgracht tweeduizend zeven.”

Toen ze na een dolle rit het einde van de Keizersgracht naderden, minderde Vledder de snelheid vim de Golf. Plotseling, met gierende remmen, bracht hij de wagen tot stilstand.

“Daar,” wees hij over het water, “aan de overkant van de gracht…een bordes met een open deur en er brandt licht in het hele pand.”

De jonge rechercheur slikte.

“Eenzelfde situatie!” riep hij gespannen.

“Precies hetzelfde als bij de grachtenpanden van Peter van Gulpen en Edward van der Poorten.”

De Cock knikte.

“De vrees ook het ergste.”

“Een nieuwe moord?”

“Ja,” antwoordde De Cock somber.

“Gewurgd met een wurgkoord en zijn eigen embleem van twee ruiten als brandmerk op zijn voorhoofd.”

Загрузка...