9
Vledder lachte.
“Tegen de wind in piesen is inderdaad niet erg handig. Voor je het weet heb je een natte broek.”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Precies. En ik wil geen nutte broek. Wanneer Buitendam door mijn toedoen een woede-explosie nabij is en met een wilde blik in zijn ogen naar de deur van zijn kamer wijst, ga ik. Ik heb daar gevoelsmatig weinig moeite mee.”
“Ik denk dat Buitendam daar wel problemen mee heeft.”
De Cock kauwde even nadenkend op zijn onderlip.
“De taxichauffeur,” veranderde hij van onderwerp, “die Angela Molenpad die bewuste avond naar de Herengracht bracht, is nog steeds niet boven water?”
Vledder schudde zijn hoold.
“Ik heb nog eens bij de taxicentrale geïnformeerd. Zonder enig resultaat. Ik heb ook met onze collega Appie Keizer gebabbeld. Door verschillende onderzoeken in het verleden kent hij veel snorders. Het ellendige is, dat we geen signalement van die man hebben.”
De Cock spreidde zijn handen.
“Angela Molenpad, de vrouw die ons dat signalement had kunnen geven, is plotseling spoorloos verdwenen.”
Vledder trok een bedenkelijk gezicht.
“Ik vind dat heel vreemd.”
“Inderdaad. Heb je al navraag gedaan bij het AMC, het OLVG en het GAK?”
Vledder zuchtte diep.
“Ik heb tot nu alleen het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis aan de lijn gehad. Volgens de informatie, die ik met veel moeite kreeg, heeft daar nooit een Angela Molenpad gewerkt. Een vrouw van die naam heeft nooit op de loonlijst van dat ziekenhuis gestaan.”
“Dat moet,” riep De Cock geërgerd.
“Jasper van Houweningen heeft haar in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis leren kennen toen hij daar voor een blindedarmoperatie lag.”
Vledder maakte een hulpeloos gebaar.
“Het spijt me. Dat zijn mijn inlichtingen. Misschien houden ze er in het OLVG een slechte administratie op na. Wie weet. Aan het AMC en het GAK ben ik nog niet toe gekomen.”
De Cock grijnsde.
“Een onvindbare Angela Molenpad, een onvindbare taxichauffeur. En de bloemen?”
“Gisteren heeft Joep de Groot, onze wijkagent, op mijn verzoek de bloemenstalletjes en bloemenwinkels in de binnenstad bezocht.”
“En?”
“Niemand heeft die bewuste avond een bos rode rozen aan een taxichauffeur verkocht.”
De Cock trok zijn schouders op.
“Dat zegt niet veel. Niet elke taxichauffeur is als zodanig herkenbaar.”
“Je bedoelt, dat het toch mogelijk is dat er rode rozen zijn verkocht aan de man die zich bij Angela Molenpad als taxichauffeur heeft gepresenteerd.”
“Zeker.”
Vledder schudde zijn hoofd.
“Het zit ons in deze zaak niet mee,” sprak hij mismoedig.
“Elk spoor loopt dood. Ik had een goede hoop dat wij in Edward van der Poorten de moordenaar van Peter van Gulpen hadden gevonden.”
De Cock knikte.
“Tot wij gisteravond ontdekten dat hij hetzelfde lot had ondergaan. De vraag die mij vannacht bezighield voor ik eindelijk in slaap viel, was: waar ligt het verband tussen die twee.”
Vledder grijnsde.
“Zij waren beiden gescheiden.”
De Cock keek naar hem op.
“Een reden voor moord?” vroeg hij gniffelend.
“Dan kunnen we een kwart van de Nederlandse bevolking naar de slachtbank voeren.”
Vledder reageerde onverstoorbaar.
“Wij zouden toch de geschiedenis van die scheidingen eens kunnen opvragen. Volgens Van der Poorten waren hun scheidingen de enige gespreksstof tussen hem en Peter van Gulpen. Het lijkt mij…”
De jonge rechercheur stokte. De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. Vledder boog zich ver voorover en pakte de hoorn op.
Na luttele seconden hield hij zijn hand voor het spreekgedeelte. De Cock keek hem vragend aan.
“Wie is het?”
“De wachtcommandant.”
“Onze nieuwe?”
Vledder knikte.
“Jan Rozenbrand. Volgens mij een pientere vent.”
“Wat wil hij?”
“Voor de balie staat ene Willem Alexander van Overveen. Die wil je spreken.”
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
“Willem Alexander van Overveen,” herhaalde hij.
“Dat is toch de fraudeur die door advocaat Van Gulpen zo sluw en succesvol werd verdedigd?”
“Inderdaad.”
“Laat hem komen.”
Gekleed in een stemmig donkerblauw kostuum, waaronder een glanzend witzijden overhemd, gesierd met een parelgrijze stropdas, stapte de man met een vriendelijke, ontwapenende glimlach om zijn brede mond in een vaste tred vanaf de toegangsdeur verder de grote recherchekamer in. Zijn imposante verschijning straalde van betrouwbare degelijkheid. De Cock herkende met krullende lippen de presentatie van een fraudeur. De oude rechercheur had er in zijn lange loopbaan velen ontmoet. Het opmerkelijke vond hij, dat vervalsers, zwendelaars, fraudeurs en oplichters altijd een lichte sympathie bij hem opwekten. Gevoelens van afkeer, die hem bij andere vormen van criminaliteit soms beheersten, welden bij dergelijke lieden nooit bij hem op. Integendeel, ze amuseerden hem. Voor het bureau van de grijze speurder bleef de man losjes staan. De Cock kwam wat stijf uit zijn stoel omhoog en drukte de hem toegestoken hand.
“U bent de heer Van Overveen?” opende hij. De man knikte.
“Willem Alexander van Overveen. De wachtcommandant beneden zal mij hebben aangekondigd.”
De oude rechercheur gebaarde naar de stoel naast zijn bureau.
“Neemt u plaats. Mijn naam is…”
De heer Van Overveen onderbrak hem glimlachend.
“De Cock, met ceeooceekaa,”jubelde hij.
“Een algemeen geacht en geëerd speurder. U geniet een ongekende reputatie als eerlijk en betrouwbaar man.”
De Cock lachte fijntjes.
“Dat is geen reputatie waarop u kunt bogen.”
Van Overveen schudde zijn hoofd.
“Ik ben in het verleden een paar maal, terecht, veroordeeld terzake oplichting. Maar dat zal u ongetwijfeld bekend zijn.”
“Zeker.”
Van Overveen maakte een nonchalant gebaar.
“Beginnersfoutjes.”
“Al doende leert men,” sprak De Cock met instemming. Het gezicht van Van Overveen versomberde.
“Ik heb vernomen dat meester Van Gulpen op een gewelddadige wijze om het leven is gekomen en dat aan u het onderzoek is opgedragen.”
“Dat klopt.”
“Het verbaast mij niets.”
“Wat?”
“De moord op meester Van Gulpen.”
De Cock veinsde onbegrip.
“Hoezo?”
Van Overveen zuchtte.
“Ik heb in mijn leven heel veel mensen opgelicht. Dat is waar. Daar kom ik rond voor uit. Maar ik deed het op een eerlijke manier.”
De Cock lachte.
“Op een eerlijke manier?”
Willem Alexander van Overveen knikte met een ernstig gezicht.
“Ik heb nooit geweld gebmikt,” sprak hij hoofdschuddend.
“Ik heb nooit mensen onder druk gezet. Geen chantagepraktijken toegepast. Ik heb de mensen altijd gegeven waarom ze hadden gevraagd.”
De Cock keek hem schuins aan.
“En dat is?”
“Bedrogen te worden.”
De Cock glimlachte.
“Dat meent u?”
Van Overveen knikte nadrukkelijk.
“Absoluut. Ze vragen er gewoon om.”
Hij zweeg even voor het effect.
“Waarom ben ik altijd een succesvol oplichter geweest?” ging hij verder.
“Omdat ik speculeerde op de hebzucht. Ik herkende de felle glinstering van dollartekens in hun ogen. Daarom spiegelde ik de mensen voor, dat zij middels mij op een simpele wijze veel geld konden verdienen. Zij behoefden er niets voor te doen…alleer mij hun vertrouwen te schenken.”
De Cock glimlachte.
“En hun geld.”
Van Overveen knikte.
“Vrijwillig. Dat wil ik benadrukken. Ik heb hen nooit een strop om hun nek gelegd. Ziet u…en daarmee verschil ik van mensen zoals meester Van Gulpen.”
“Hij legde u een strop om uw nek?”
Van Overveen knikte opnieuw.
“Figuurlijk. Ik was voor een reeks oplichtingen gearresteerd. Al op de tweede dag van mijn detentie bezocht hij mij in mijn cel.”
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
“Kwam hij op uw verzoek?”
“Ik had voordien nog nooit van ene meester Van Gulpen gehoord.”
“Het was zijn eigen initiatief?”
“Ja. Hij vertelde mij dat hij wist waarvoor ik was gearresteerd. Hij bleek ook goed op de hoogte van mijn revenuen.”
“Het geld dat u middels oplichting had verkregen?”
“Precies.”
“Hij deed u een voorstel?”
Van Overveen knikte.
“Hij vroeg hoeveel het mij waard was om door de rechtbank vrijgesproken te worden. Toen ik een fors bedrag noemde, lachte hij mij uit.”
“Waarom?”
Van Overveen plooide zijn gezicht in een droeve grijns.
“Het was te weinig. Omdat ik mij ervan bewust was dat ik gezien mijn reputatie op een langdurige gevangenisstraf kon rekenen, ben ik met mijn aanbod heel ver gegaan…zover, dat ik in feite een nieuwe reeks oplichtingen zou moeten plegen om in mijn levensonderhoud te voorzien.”
De Cock strekte in een theatraal gebaar zijn arm naar de man uit.
“U bent vrij. Zonder de inspanningen van Peter van Gulpen zat u nu in de gevangenis.”
Willem Alexander van Overveen maakte een afwerend gebaar.
“Toch,” sprak hij zacht, “heb ik na mijn definitieve vrijspraak enige tijd overwogen om een klacht tegen meester Van Gulpen in te dienen.”
“Waarom?”
“Hij was doortrapt gemeen. Een man zonder scrupules. Ik weet niet op welke gronden hij voor mij vrijspraak heeft verkregen, maar het klopte natuurlijk van geen kant.”
“U had veroordeeld moeten worden?”
“Exact.”
De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.
“U bent een merkwaardig mens. U gaat met een louche advocaat in zee en verwijt hem later dat hij louche was…obscuur, onbetrouwbaar. Dat is inconsequent.”
“Ik wil helpen zijn moordenaar te verdedigen.”
De Cock keek hem verrast aan.
“Wat? Wie wil u helpen?”
Van Overveen knikte.
“Zijn moordenaar. Ik wil u duidelijk maken, dat de man die meester Van Gulpen om zeep hielp, daartoe gegronde redenen had.”
De Cock keek hem onderzoekend aan.
“Kent u die redenen?”
Willem Alexander van Overveen maakte een vaag gebaar.
“Die reden is mijn vrijspraak.”
De hersenen van De Cock werkten snel.
“Anthonius Josephus Ruiten?”
“De man die ik zover heb gekregen dat hij mij zijn gehele vermogen toevertrouwde.”
“En verloor.”
Van Overveen grijnsde.
“Inderdaad…verloor. En ik raakte het weer kwijt aan de louche meester Van Gulpen.”
De Cock kneep zijn wenkbrauwen naar elkaar toe.
“Daarom werd hij door Tin us Ruiten vermoord?”
Willem Alexander van Overveen liet zijn hoofd iets zakken.
“Zonder twijfel.”
“Daarvoor kunt u bewijzen aanvoeren?”
Van Overveen schudde zijn hoofd.
“Dat niet. Geen concrete bewijzen, bedoel ik. Mijn zekerheid is het product van mijn logische gedachtegang.”
Hij zweeg even, peinzend.
“Ik ben naar u toe gekomen om aangifte tegen hem te doen.”
“Tegen Anthonius Josephus Ruiten?”
“Ja.”
“Terzake?”
Van Overveen tastte in een binnenzak van zijn colbert, nam daaruit een enveloppe en gaf die aan De Cock.
“Die vond ik vanmorgen in mijn brievenbus,” legde hij uit.
“Ruiten heeft ook mij met de dood bedreigd.”
Toen de heer Van Overveen uit de grote recherchekamer was verdwenen, nam Vledder de enveloppe van De Cock over en nam daaruit een brief.
“Zwendelaar,” las hij hardop, “vraag aan rechercheur De Cock van het politiebureau aan de Warmoesstraat op welke wijze Peter van Gulpen de dood vond. Eenzelfde lot staat ook jou te wachten.”
“Ondertekend?”
Vledder knikte.
“Tinus Ruiten.”
De Cock wees naar het toetsenbord van de computer op het bureau van zijn jonge collega.
“Zet maar een aangifte op papier. Ik wil deze zaak toch wel in behandeling nemen. Die Ruiten is met zijn bedreigingen een vervelend mannetje.”
“Gaan we hem niet arresteren?”
“Wie?”
Vledder wuifde met de brief.
“Tinus Ruiten.”
Hij grinnikte.
“Of wachten wij daarmee tot we ook Willem Alexander van Overveen gewurgd vinden met een geruit brandmerk op zijn voorhoofd.”
Het sarcasme in de toon van Vledder ontging De Cock niet. De oude rechercheur knikte vaag.
“Laten we daar op wachten,” reageerde hij gelaten. Vledder smeet de brief voor zich neer.
“Het is toch niet geoorloofd om met een mensenleven te spelen.”
De Cock keek hem verwonderd aan.
“Doen we dat?”
Vledder zuchtte.
“Anthonius Josephus Ruiten bedreigde Peter van Gulpen en die is dood.”
De Cock glimlachte.
“Jouw redenering: hij bedreigt nu Willem Alexander van Overveen, dus wacht hem de dood?”
“Ja.”
“En hoe pas je de moord op Edward van der Poorten in dat geheel? Heeft Anthonius Josephus Ruiten aanvankelijk ook Edward van der Poorten bedreigd? Ten aanzien van Peter van Gulpen en van Van Overveen had Tinus Ruiten een motief…zij zorgden voor zijn bankroet. Had Tinus Ruiten ook een motief voor de moord op Van der Poorten?”
Vledder trok zijn schouders op.
“Wij zijn verwikkeld in een rotzaak.” sprak hij vermoeid.
“Ik weet ook niet hoe wij de moord op Van der Poorten moeten inpassen. Ik heb geen moment gedacht dat hij slachtoffer zou worden.”
De Cock schudde zijn hoofd.
“De ook niet.”
Vledder keek naar hem op.
“Heb je nog geen moeie voeten?”
De oude rechercheur schudde lachend zijn hoofd.
“Nee. Ik voel nog niets. De stand van ons onderzoek is bhjkbaar nog niet zo dramatisch. Volgens mijn kuiten is er nog hoop.”
“Gelukkig.”
De Cock glimlachte.
“Ik heb mij met die Willem Alexander van Overveen overigens kostelijk geamuseerd.”
Vledder gromde.
“Wat was daar zo amusant aan?”
“De manier waarop hij zijn schurkenstreken toelichtte.”
Vledder schudde zijn hoofd.
“Ik heb er niet om kunnen lachen.”
De Cock imiteerde de stem van de heer Van Overveen.
“Ik heb in mijn leven veel mensen opgelicht…op een eerlijke manier. Ik heb de mensen altijd gegeven waarom ze hebben gevraagd…bedrogen te worden.”
De oude speurder gniffelde.
“Kostelijk. Voor zijn verdediging geldt de Italiaanse spreuk die ook voor sommige religies opgaat: Si non è vero, è ben trovato.”
“Dat is?”
“Als het niet waar is, is het aardig gevonden.”