6
Vledder kwam met een somber gezicht de grote recherchekamer binnenstappen, sjokte met afhangende schouders naar zijn bureau en liet zich met zijn regenjas nog aan zwaar zuchtend op zijn stoel zakken.
De Cock keek hem onderzoekend aan.
“Hoe was de sectie?” vroeg hij belangstellend.
“Gewoon,” sprak Vledder gelaten, “zoals bij vrijwel elke sectie van een verwurging.”
De jonge rechercheur keek naar De Cock en grinnikte vreugdeloos.
“Hoeveel slachtoffers van een verwurging heb ik al gerechtelijk zien openpeuteren? Ik kan zo langzamerhand het handwerk van dokter Rusteloos wel overnemen. Ik ken ook het geijkte resultaat…gebroken kraakbeenringetjes in de luchtpijp.”
De Cock glimlachte.
“Dat is alles?”
Vledder gleed met de toppen van zijn wijsvingers langs zijn nek.
“Gezien de vrij diepe insnoeringen in de hals moet de dader volgens dokter Rusteloos over vrij veel lichaamskracht beschikken.”
“En het brandmerk op het voorhoofd van Peter van Gulpen?”
Vledder schudde zijn hoofd.
“Daar kon dokter Rusteloos weinig over zeggen. Het was voor het eerst dat hij tijdens een autopsie met zo’n brandmerk werd geconfronteerd.”
“Het is dus heel ongewoon.”
Vledder knikte.
“Rusteloos kwam net als dokter Den Koninghe met het verhaal dat brandmerken in vroeger eeuwen als strafmaatregel heel gebruikelijk was. Dokter Rusteloos vond dat de overheid het aloude brandmerken maar weer moest invoeren. Het werkte volgens hem beter dan de halfzachte gevangenisstraffen van tegenwoordig.”
De Cock keek verrast op.
“Meende hij dat?”
Vledder grijnsde.
“Dat weet ik niet helemaal zeker. Ik dacht, dat hij het als grap bedoelde.”
De Cock lachte.
“Ik ken hem niet als grappenmaker.”
“De ook niet,” zei Vledder.
“Ik heb dokter Rusteloos zolang ik hem ken nog nooit zien lachen.”
De oude rechercheur keek zijn jonge collega peilend aan.
“Had je ruzie met hem?”
“Met wie?”
“Dokter Rusteloos.”
Vledder reageerde verwonderd.
“Nee, hoezo?”
“Je kwam zo-even binnen met een gezicht van zeven dagen onweer.”
Vledder schudde zijn hoofd.
“Dat…eh, dat had niets te maken met dokter Rusteloos en de sectie.”
De jonge rechercheur ademde diep.
“Ik heb een rotbericht voor je.”
De Cock keek hem vragend aan.
“En dat is?”
“Er staan geen vingerafdrukken op de houten greepjes van het wurgkoord.”
De Cock beet even op zijn onderlip.
“Dat is echt een tegenvaller.”
Vledder knikte instemmend.
“Volgens Ben Kreuger van de dactyloscopische dienst droeg de dader leren handschoenen. Daarvan zijn minuscule spoortjes op de houten greepjes gevonden.”
“Heeft Ben Kreuger zelf de greepjes onderzocht?”
“Ja.”
“Heeft hij jou gezegd wanneer hij bij Peter van Gulpen thuis gaat kwasten?”
Vledder knikte.
“Vanavond nog. Hij vroeg of wij de sleutels van het pand op de Herengracht bij de wachtcommandant wilden leggen, zodat hij ze daar kon afhalen en weer terugbrengen, ook als wij er niet waren.”
“Doe dat maar.”
Vledder glimlachte.
“Heb je er al over nagedacht hoe wij Edward van der Poorten gaan aanpakken?”
De Cock trok een vies gezicht.
“Dat is niet eenvoudig. Onze bewijsvoering is tot nu toe flinterdun. Hij heeft zich bereid verklaard om ons de naam te noemen van de zakenrelatie met wie hij op het Rembrandtplein heeft geborreld. Daarover gaan wij vanavond maar even met hem babbelen.”
“Bij hem thuis?”
De Cock knikte.
“Dat lijkt mij het beste.”
“Onaangekondigd?”
“Als verrassing.”
Vledder blikte op zijn horloge.
“Zullen we nu direct gaan? De avondspits is zo goed als voorbij.”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Niet direct.”
De oude rechercheur stond van zijn stoel op en slenterde naar de kapstok.
Vledder kwam hem na.
“Waar ga je heen?”
De Cock draaide zich half om.
“Waar gaan wij heen,” verbeterde hij. Vledder grinnikte.
“Goed…waar gaan wij heen?”
De oude rechercheur wurmde zich in zijn regenjas.
“Naar de Van Boetzelaerstraat. Het plotselinge verdwijnen van Angela Molenpad staat me niet aan. Ik wil eindelijk het verhaal van haarzelf horen. En niet steeds uit de mond van Jasper van Houweningen.”
Vledder laveerde de oude Golf met een kalm gangetje door een eentonige straat met rijen grauwe huizen zonder enige variatie. De jonge rechercheur blikte teleurgesteld om zich heen.
“Is dit de Van Boetzelaerstraat?” vroeg hij geaffecteerd. In zijn stem trilde verwondering. De Cock lachte vrijuit.
“Ik begrijp jouw verbazing en teleurstelling. Bij de naam Van Boetzelaer denk je algauw aan een straat met louter chique villa’s en dure woonpaleizen. Maar dit is de oude Amsterdamse Staatsliedenbuurt en daar kan je geen architectonische hoogstandjes verwachten.”
Vledder frommelde onder zijn regenjas en plukte een notitie uit het borstzakje van zijn colbert.
“Het is duizend zeventien.”
De Cock gebaarde voor zich uit.
“Ik zou de Golf niet voor de deur parkeren. Er zijn mensen die ruiken dat dit een politiewagen is. En ik heb vanavond liever geen pottenkijkers.”
Vledder reed door naar de Van Beuningenstraat en vond daar met enige moeite een parkeerplaats.
Vanaf de Van Beuningenstraat slenterden zij langs de huizen van de Van Boetzelaerstraat. Bij de benedenwoning van nummer duizend zeventien bleven ze staan. De woning had een braingeschilderde toegangsdeur met in het midden op ooghoogte, achter koperen spijltjes, een rechthoekig raampje van groen glas.
Links in de deurstijl zat een witte bouton, daaronder was een nieuw wit naamplaatje aangebracht met verzonken zwarte lettertjes: A. Molenpad.
De Cock drukte op de bouton. Ergens ver weg in de woning rinkelde een bel.
De rechercheurs wachtten geduldig enkele minuten, maar op het bellen kwam geen reactie. De Cock belde voor de tweede maal. Toen reactie uitbleef, pakte hij uit een steekzak van zijn regenjas het apparaatje dat hij eens, lang geleden, van zijn vriend en ex-inbreker Handige Henkie had gekregen toen die besloot om voortaan het smalle pad van de deugd te gaan bewandelen. Het was een koperen houdertje met daarin een keur van stalen sleutelbaarden.
De Cock monsterde het slot en koos met kennersblik de juiste sleutelbaard. In luttele seconden had hij de deur ontsloten. Voorzichtig duwde hij de deur verder open en liep de donkere gang in.
Vledder volgde.
De Cock pakte zijn zaklantaarn.
Ongeveer in het midden van de gang opende hij een deur, die naar een woonvertrek leidde. Hij liet het lichtovaal van zijn zaklantaarn door de ruimte dwalen. De kamer was schaars gemeubileerd. Er was een zitje van stalen meubelen rond een tafel met een matglazen blad.
Buiten een grote kalender met een stoere bodybuilder als blikvanger waren de muren kaal. Tegen een van de wanden stond een secretaire met een stoel.
Vanuit dat vertrek bereikten ze een slaapkamer. De deuren van een vrij forse klerenkast stonden open. De roeden met knaapjes waren leeg. De Cock snoof.
“Ze is inderdaad gevlogen,” sprak Vledder instemmend.
“Alles wijst erop. Ik ben ook bang dat ze hier voorlopig niet meer terugkomt.”
De rechercheurs inspecteerden de keuken en bekeken de inhoud van de vuilnisemmer. Daarna gingen ze terug naar de woonkamer.
De Cock liet opnieuw het licht van zijn zaklantaarn door het vertrek dwalen.
“Weet je wat ik mis?”
Vledder keek hem niet-begrijpend aan.
“Wat zou hier dan moeten zijn?”
De Cock zwaaide om zich heen.
“De rode rozen die de taxichauffeur haar had gebracht. Ze kunnen nog niet zijn verwelkt. In de vuilnisemmer lagen ze niet en ik neem niet aan dat Angela Molenpad de rozen op haar vlucht heeft meegenomen.”
Vledder keek zijn oude collega verrast aan.
“Vlucht?”
De Cock knikte.
“Daar lijkt het op.”
“Voor wie, voor wat zou ze moeten vluchten…Jasper van Houweningen?”
De Cock trok zijn schouders op.
“Het boterde niet meer tussen die twee.”
Vledder grinnikte.
“Maar na haar ontdekking van de moord op de Herengracht vloog ze toch in angst naar hem toe…en sliep zelfs bij hem. Is dat een voorbereiding voor een vlucht?”
De Cock grijnsde breed.
“Die vraag moet jij als jongeman zelf kunnen beantwoorden. Van het intense liefdesleven van moderne jonge mensen heb ik geen enkel benul. De tijden zijn sinds mijn jeugd radicaal veranderd. In mijn jonge jaren heb ik nooit van een knipperlicht- of lat-relatie gehoord. Dat bestond niet. Ongehuwd samenwonen heette vroeger ‘hokken’ en dat was volgens mijn oude moeder een zeer ernstig vergrijp tegen de zeden.”
Vledder lachte.
“Adelheid van Buuren en ik doen het samen heel goed. En dat mag jij van mij best ‘hokken’ noemen. Daar zit ik niet mee.”
De jonge rechercheur gniffelde.
“Dat ‘hokken’ klinkt niet eens ongezellig.”
De Cock liet het onderwerp rusten. Hij wees naar de secretaire aan de wand.
“Kijk eens of er nog iets bijzonders in zit…aantekeningen, brieven, post, adressen. En let goed op. Sommige secretaires hebben geheime laden en kastjes.”
“Ik weet het.”
De Cock wees naar Vledder.
“Jij moet morgenochtend bij de burgerlijke stand en het bevolkingsregister maar eens vragen naar familierelaties. We zullen die Angela Molenpad moeten vinden. Als wij de zaak Peter van Gulpen goed willen onderbouwen, dan hebben wij haar verklaring nodig.”
“Kunnen we niet zonder haar verklaring verder? Ons onderzoek heeft tot nu bevestigd dat zij de waarheid sprak. Peter van Gulpen was vermoord en had een brandmerk op zijn voorhoofd. Dat is als uitgangspunt toch voldoende?”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Ik denk niet dat een Nederlandse rechter daar genoegen mee neemt.”
“Onzin,” gromde Vledder.
De oude rechercheur reageerde niet. Hij draaide zich om en verkende nog eens de woning van Angela Molenpad. In de keuken was de deur naar een klein betegeld plaatsje op slot. Het servies in de kastjes was schoon. De koelkast was leeg en stond op de laagste stand.
Toen hij na zijn speurtocht in de woonkamer terugkwam, zat Vledder voorovergebogen op de stoel voor de secretaire. Voor hem lag een klein model blocnote. Hij wenkte De Cock met een kromme vinger.
“Kom eens kijken!” riep hij gespannen.
“Dit vond ik in een geheim vakje.”
De jonge rechercheur scheen met zijn zaklantaarn op de blocnote. De Cock bukte zich over hem heen en herkende twee met een ballpoint getekende rechtop staande ruiten. Hij ademde diep.
“Het brandmerk,” hijgde hij, “het brandmerk op het voorhoofd van Peter van Gulpen.”
“Exact.”
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
“Wie tekende dit?”
“Zij natuurlijk.”
“Angela Molenpad?”
“Wie anders?”
De Cock staarde voor zich uit.
“De vraag is…wanneer tekende zij dit?”
“Hoe bedoel je?”
“Voor…of na de moord?”
Vledder keek verrast omhoog.
“Na de moord natuurlijk. Ze wilde gewoon vastleggen wat ze had gezien.”
Na enige aarzeling pakte de jonge rechercheur het kleine blocnootje en wilde het in de binnenzak van zijn colbert steken.
De Cock keek hem bestraffend aan.
“Wat doe je?”
“Ik neem het mee.”
“Waarvoor?”
Vledder gebaarde breed.
“Als bewijs,”, riep hij enthousiast.
“Misschien heb jij wel gelijk en tekende zij dit voor dat ze het lijk van Peter van Gulpen ontdekte.”
De Cock keek hem scherp aan.
“En is het ontwerp voor het brandmerk op het voorhoofd van Peter van Gulpen van haar?”
“Kan dat niet?”
“Ik heb het idee dat in deze vreemde zaak van alles mogelijk is.”
De oude rechercheur wees naar de blocnote.
“Leg dat terug waar je het hebt gevonden.”
“Waarom?”
De Cock zuchtte diep.
“We kunnen het niet gebruiken,” sprak hij hoofdschuddend.
“Dat is verrekte jammer. Dat geef ik toe. Maar als wij dat blocnootje als bewijs willen opvoeren, dan moeten wij verklaren op welke wijze wij hier in deze woning zijn binnengedrongen.”
De oude rechercheur zweeg even.
“Had ik…had jij…een bevel tot huiszoeking?”
Vledder schoof in de opbouw van de secretaire een spijltje opzij en legde het blocnootje terug in het geheime vakje. De Cock keek toe.
“Veeg voor alle zekerheid je vingerafdrukken weg.”
Nadat De Cock de woning van Angela Molenpad zorgvuldig had afgesloten, liepen ze terug naar hun Golf. Toen ze waren ingestapt, startte Vledder de motor en blikte opzij.
“En nu?”
De Cock trok een grijns.
“Mijn schrale keel dorst naar een cognackie.”
Vledder schudde zijn hoofd.
“Dat hadden we niet afgesproken. Het etablissement van Smalle Lowietje kan wachten.”
De Cock maakte een berustend gebaar.
“Je hebt gelijk,” sprak hij.
“We gaan naar de Herengracht voor een onaangekondigd bezoek aan Edward van der Poorten.”
Vanaf de Van Beuningenstraat reden ze rechts de Haarlemmerweg op in de richting van het Haarlemmerplein. De Cock gebaarde voor zich uit.
“Pak straks de Nassaukade en de Stadhouderskade tot aan de Vijzelstraat. Als je direct naar de binnenstad rijdt, dan sta je zelfs op dit late uur vast in een file.”
Vledder knikte begrijpend.
“Vanaf de Vijzelstraat rijden we rechts de Herengracht op.”
“Precies.”
“De woning van Edward van der Poorten is volgens mij maar een paar panden verwijderd van het huis waar Peter van Gulpen de dood vond.”
De Cock reageerde niet, hij liet zich wat onderuitzakken. Het was weer gaan regenen en Vledder had de ruitenwissers aangezet. Toen ze de Herengracht hadden bereikt, drukte De Cock zich weer omhoog en keek speurend om zich heen. Plotseling maakte zich een vreemd gevoel van verwarring van hem meester. Een kil gevoel van angstige spanning greep klemmend rond zijn hart en tintelde in de toppen van zijn vingers. Hij stootte zijn elleboog tegen de arm van Vledder.
“Daar…aan de overkant van de gracht…een bordes met een open deur en er brandt licht in het hele pand.”