De Cock stapte de volgende morgen op het Stationsplein wat verkreukeld uit een overvolle tram. Hij keek met een somber gezicht omhoog naar een loodgrijze lucht waaruit gestaag een miezerige motregen daalde. De druppels prikkelden zijn huid. De oude rechercheur kon zich niet herinneren in Groot-Mokum ooit een natter voorjaar te hebben meegemaakt. In dit trieste sombere jaar had hij nog geen enkele sprankelende zonnige dag beleefd. De lente was slecht gestart met onophoudelijke depressies, die in een laag tempo donkere wolkenvelden over de Lage Landen dreven.
De Cock schoof zijn hoedje iets naar voren en trok de kraag van zijn regenjas omhoog. Met een slome stroom reizigers uit het Centraal Station slofte hij mee naar het brede trottoir van het Damrak. Hij keek om zich heen. In al de meisjes en vrouwen in regenplastic was geen variatie te ontdekken. Ze leken allen uit eenzelfde eicel te zijn ontsproten. En dat verdroot hem. De Cock was niet ongevoelig voor vrouwelijk schoon. Bij de Oudebrugsteeg stak hij in een venijnig spuitje voor een aanstormende tramtrein van lijn 9 de rijbaan van het Damrak over. Op de hoek van de Beurs van Berlage lachte een huiswaarts kerend hoertje. Terecht. De Cock in draf was een koddig gezicht. In de Warmoesstraat lichtte hij beleefd zijn hoedje voor een bejaarde hoerenmadam, die onder een paraplu aan hem voorbij schoof. Daarna stapte hij het oude politiebureau binnen. In de hal keek hij secondenlang medelijdend naar Jan Kusters. De wachtcommandant deed wanhopige pogingen om vanachter de balie met brede armzwaaien een groepje toeristen iets duidelijk te maken. Het lukte niet. Het onbegrip op de gezichten bleef. De Cock besloot zich er niet mee te bemoeien. Opmerkelijk kwiek besteeg hij de stenen trappen naar de tweede etage. Toen hij de grote recherchekamer binnenstapte, zwiepte hij zijn oude hoedje met een sierlijke boog naar de kapstok. Breed grijnzend van tevredenheid zag hij toe hoe zijn poging slaagde en zijn hoedje tollend aan een haak bleef hangen. Nadat hij zich van zijn natte regenjas had ontdaan, slenterde hij op zijn gemak naar zijn bureau en liet zich in zijn stoel zakken. De oude rechercheur leunde iets achterover en keek geamuseerd naar Vledder achter zijn moderne computer. De rappe vingers van de jonge rechercheur dansten over het toetsenbord. Tijdens een kleine rustpauze keek hij op en blikte op zijn horloge.
“Je bent nog later dan gewoonlijk.”
Het klonk bestraffend. De Cock lachte.
“Mijn vrouw lag op een slip van mijn hemd,” verontschuldigde hij zich.
Vledder toonde zich verrast.
“Draag jij geen pyjama?”
De Cock schudde grinnikend zijn hoofd.
“Een ouderwetse hansop en een puntige slaapmuts met kwasten.”
“Zot.”
De Cock negeerde de opmerking.
“Waar ben je mee bezig?” vroeg hij nieuwsgierig. Vledder gebaarde naar de monitor van zijn computer.
“De recente moord op Edward van der Poorten. Een procesverbaal van onze bevindingen. Een vreemde zaak. Ik verval voortdurend in herhalingen. Het wordt bijna een kopie van de moord op Peter van Gulpen.”
De Cock knikte.
“Het is ook een kopie.”
Vledder schoof zijn toetsenbord opzij, pakte een notitie uit een lade van zijn bureau en boog zich iets naar voren.
“Ik heb een verrassing voor je.”
“Ik houd niet van verrassingen,” bromde De Cock.
“Vooral niet als jij ermee op de proppen komt.”
Vledder tikte met een kromme wijsvinger op de notitie voor zich op zijn bureau.
“Angela Molenpad,” las hij hardop, “geboren in Amsterdam, woonachtig in de Van Boeizelaerstraat, voorheen op de Houtmankade…” de jonge rechercheur pauzeerde even voor het effect, “…bestaat niet.”
De Cock keek hem verbaasd aan.
“Bestaat niet?”
Vledder schudde zijn hoofd.
“Ik heb vanmorgen gebeld met de burgerlijke stand en het bevolkingsregister. Er bestaat geen Angela Molenpad. Op de geboortedatum die Jasper van Houweningen ons van haar heeft opgegeven, is geen Angela Molenpad in het register van geboorten opgenomen.”
Het gezicht van De Cock betrok.
“Haar huidige adres in de Van Boetzelaerstraat?” vroeg hij gespannen.
“En voorheen bij Jasper van Houweningen op de Houtmankade?”
Vledder schudde opnieuw zijn hoofd.
“Volgens het Bevolkingsregister heeft ze nooit in Amsterdam gewoond.”
De jonge rechercheur grijnsde breed.
“Ik zei je toch: ze bestaat niet.”
De Cock reageerde geprikkeld.
“Natuurlijk bestaat ze.”
“Niet officieel.”
De Cock gebaarde voor zich uit.
“Heb je ook bij het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis en het AMC geïnformeerd?”
“Nee.”
“Volgens vriend Jasper van Houweningen heeft ze daar als verpleegkundige gewerkt.”
Vledder maakte een verontschuldigend gebaar.
“Aan die mogelijkheid heb ik nog niet gedacht.”
“En doe ook eens navraag bij het GAK.[6]”
Vledder keek hem niet-begrijpend aan.
“Het GAK?”
De Cock knikte.
“Volgens Jasper van Houweningen was Angela Molenpad al maanden overspannen. Ze zal in die tijd toch een uitkering hebben gehad. Die uitkeringen wegens ziekte worden in de regel door het GAK verzorgd.”
Vledder liet deemoedig zijn hoofd zakken.
“Ik zal al die bronnen aanboren.”
De jonge rechercheur keek op.
“Jij gaat ervan uit, dat zij wel degelijk bestaat?”
De Cock knikte traag.
“Daar ga ik van uit.”
“Angela Molenpad?”
De Cock zuchtte omstandig.
“Misschien heeft ze een andere naam, heet ze anders, heeft ze een verleden, dat zij om welke reden dan ook, voor anderen graag verborgen wil houden.”
De oude rechercheur zweeg even.
“Er bestaat,” ging hij voorzichtig formulerend verder, “in ieder geval een jonge vrouw, die een vreemd en hachelijk avontuur heeft beleefd, waarvan wij de sporen hebben teruggevonden.”
“Het lijk van Peter van Gulpen in een duur grachtenpand aan de Herengracht.”
“Precies.”
Vledder sloeg plotseling zijn rechterhand voor zijn mond.
“Stom.”
“Wat?”
“Commissaris Buitendam.”
“Wat heeft die?”
“Jij moest onmiddellijk bij hem komen.”
“Wanneer was dat?”
“Kort voor negen uur. Ik had net mijn computer aangezet toen hij hier kwam binnenstuiven.”
De Cock keek omhoog naar de grote klok boven de toegangsdeur van de grote recherchekamer.
“Het is bijna,” sprak hij somber, “twee uur later.”
Commissaris Buitendam, de lange statige politiechef van het politiebureau aan de Warmoesstraat, wuifde met een slanke hand naar de stoel voor zijn bureau.
“Ga zitten, De Cock,” sprak hij geaffecteerd.
De oude rechercheur schudde zijn hoofd.
“Ik blijf liever staan.”
Het gezicht van Buitendam betrok.
“Zoals je wilt,” reageerde hij koel. De Cock boog even onderdanig zijn hoofd.
“Mijn oprechte excuses voor mijn lange wegblijven. Ik heb van Vledder begrepen dat ik mij na mijn komst onmiddellijk bij u had dienen te vervoegen…het is inmiddels twee uur later. Dat spijt mij.”
Buitendam trok een zuinig mondje.
“Excuses geaccepteerd,” sprak hij afgemeten. De Cock plooide zijn gezicht in een gewillige trek.
“U wilde iets met mij bespreken?” vroeg hij vriendelijk. Buitendam knikte.
“Een wurgmoord gevolgd door een brandmerk op het voorhoofd van het slachtoffer is toch uniek. Heb je al enige vorderingen gemaakt?”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Het is een duistere zaak. Ik begrijp niet wat de dader met dat vreemde brandmerk heeft beoogd.”
Commissaris Buitendam glimlachte.
“Ik dacht,” sprak hij neerbuigend, “dat iemand jou inmiddels wel duidelijk had gemaakt waar dat verschrikkelijke brandmerk op duidt.”
De Cock keek hem argwanend aan.
“Wie…eh, wie zou mij dat inmiddels duidelijk hebben gemaakt?”
Buitendam glimlachte.
“Edward…Edward van der Poorten. Een man van goede familie. Ik ken hem persoonlijk, al jaren.”
De Cock keek de politiechef schuins aan.
“Wanneer hebt u contact met hem gehad?”
Buitendam wuifde.
“Gisteravond.”
De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
“Hoe laat ongeveer?”
Buitendam keek even peinzend voor zich uit.
“Ik schat zo rond de klok van tien uur. Edward vertelde mij dat hij het besluit om de naam van de dader te noemen na rijp beraad had genomen.”
“Anthonius Josephus Ruiten?”
Buitendam knikte nadrukkelijk.
“Juist. Tinus Ruiten.”
“Ook een kennis van u?”
Buitendam schudde resoluut zijn hoofd.
“Gelukkig niet. Tot mijn kennissenkring behoren geen moordenaars.”
De commissaris zweeg even.
“Overigens…Edward van der Poorten schatte de intelligentie van jou en Vledder niet hoog in. Hij vroeg zich af of jullie wel capabel waren om zo’n ingewikkelde zaak te behandelen.”
De Cock keek uitdagend.
“Wat hebt u toen geantwoord?”
Buitendam wreef even met duim en wijsvinger in zijn ooghoeken.
“Ik heb Edward verzekerd,” sprak hij aarzelend, “dat jij en Vledder een uitstekend duo vormen, dat al vele ingewikkelde zaken tot een goed einde heeft gebracht.”
“En?”
Buitendam maakte een verontschuldigend gebaar.
“Edward van der Poorten vond jullie optreden in de woning van Peter van Gulpen aan de Herengracht niet gepast. Hij diende bij mij een klacht in. Toen hij bij jullie wegliep, heeft een van jullie hem een hooghartige lummel genoemd. Edward heeft dat als beledigend ervaren.”
“En dient een klacht in?”
“Absoluut.”
De Cock grijnsde.
“Die klacht gaat hij nog scliriftelijk bevestigen?”
“Zeker.”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Daar zou ik maar niet op rekenen.”
Buitendam keek hem verrast aan.
“Edward is een rechtlijnige kerel, die zich aan zijn woord houdt.”
De Cock trok zijn gezicht strak.
“Dit keer niet. Edward van der Poorten werd vermoedelijk kort na dat telefoongesprek met u in zijn woning aan de Herengracht vermoord.”
De mond van Buitendam zakte open.
“Vermoord?” riep hij geschrokken.
“Is Edward van der Poorten vermoord? Wanneer is dat gebeurd?”
De Cock knikte.
“Vannacht…of in de late avond.”
“Wist u dat niet?” vroeg hij met gefronste wekbrauwen. In zijn stem het hij verbazing doorklinken.
“Nee.”
De Cock keek op zijn polshorloge.
“Het is kwart over elf,” sprak hij vol verontwaardiging, “en u hebt nog niet eens de mutatierapporten van de afgelopen nacht doorgenomen?”
“Ik had andere zaken aan mijn hoofd.”
De oude rechercheur schudde zijn hoofd.
“Er zijn momenten,” sprak hij somber, “waarop ik mij afvraag of ú wel capabel bent om dit roerige politiebedrijf aan de Warmoesstraat te leiden.”
Commissaris Buitendam kwam met een ruk uit zijn stoel overeind. Zijn gezicht zag grauw en zijn neusvleugels trilden. Bevend strekte hij zijn arm naar de deur.
“Eruit.”
De Cock ging.
Vledder monsterde het gezicht van zijn oude collega.
“Was het weer zover?”
De Cock knikte.
“Hij schopte mij weer eens figuurlijk zijn kamer af.”
De oude rechercheur trok zijn schoutiers op.
“Och,” reageerde hij gelaten, “misschien heb ik dat ook wel verdiend. Ik vroeg mij namelijk openlijk af of Buitendam wel capabel was om dit politiebureau te leiden.”
Vledder lachte vrijuit.
“De Cock, zoiets doe je niet,” sprak hij hoofdschuddend.
“Dat is bepaald niet netjes. Als ondergeschikte mag je zo’n vraag niet openlijk stellen…hooguit entre nous…en dan zachtjes, in het geniep.”
“De kreeg de smoor in.”
“Waarover.”
De Cock zuchtte.
“Edward van der Poorten blijkt een kennis van commissaris Buitendam te zijn geweest. Hij heeft hem gebeld. Van der Poorten had ongezouten kritiek op ons optreden, hij schatte de intelligentie van ons beiden niet hoog in…betwijfelde zelfs of wij wel in staat waren zo’n moeilijke zaak te behandelen.”
Vledder snoof.
“Is die vent eeuwig belazerd?” riep hij woest. De Cock plukte aan het puntje van neus.
“Edward van der Poorten schijnt bovendien te hebben gehoord dat een van ons hem een ‘hooghartige lummel’ noemde. Hij heeft zich daarover bij Buitendam beklaagd.”
“Wanneer?”
“Gisteravond, zo rond een uur of tien.”
“Toen leefde hij dus nog.”
De Cock lachte.
“Uiteraard…doden spreken niet.”
Vledder negeerde de opmerking.
“Hij moet kort daarna zijn vermoord.”
De Cock knikte.
“Het opmerkelijke is…van die moord was Buitendam tijdens zijn onderhoud met mij nog niet op de hoogte.”
Vledder boog zich met een ruk naar voren.
“Die moord hebben wij vannacht toch uitgebreid in het mutatierapport vermeld?”
De Cock knikte opnieuw.
“Dat had hij nog niet gelezen.”
Vledder liet zich in zijn stoel terugzakken.
“Nu vraag ik je toch?” verzuchtte hij.
“Het eerste wat een politiecommissaris ‘s-morgens dient te doen is zich op de hoogte stellen van wat er tijdens de nacht in zijn district is gebeurd?”
De jonge rechercheur pauzeerde even.
“En jij laat je,” vervolgde hij opgewonden, “door zo’n vent van de kamer schoppen?”
De Cock glimlachte.
“Ik wel.”
Vledder schudde zijn hoofd.
“Waarom protesteer je niet eens een keer?” vroeg hij opstandig.
“Waarom loop je steeds gedwee die kamer af als Buitendam in woede zijn arm naar de deur strekt? Blijf toch eens een keer gewoon staan!”
De Cock trok een grijns.
“Buitendam is een commissaris van politie en ik een simpele rechercheur…veel lager in rang.”
“Wat zegt dat?”
De Cock spreidde zijn handen in een theatraal gebaar.
“Homo sapiens,” declameerde hij, “non urinator in ventum.”
“Wat is dat?”
“Latijn.”
Vledder zuchtte.
“Dat snap ik. Maar wat betekent het?”
De Cock gniffelde.
“Letterlijk: een verstandig mens piest niet tegen de wind in.”