3

Met zijn rug iets gebogen, zijn lange armen slap langs zijn lichaam, bleef de man enige seconden weifelend staan. Hij wierp nog een snelle blik op de dode en liep vervolgens aarzelend en met een blik vol argwaan op de rechercheurs toe.

“Wie…eh, wie bent u?” vroeg hij schor. De Cock toonde zijn beste glimlach.

“Een goede vraag,” antwoordde hij vriendelijk.

“Beslist. Ik had exact dezelfde vraag in gedachten. Maar u was mij voor.”

De oude rechercheur zweeg even. Hij nam met een hoffelijk gebaar zijn oude hoedje af en maakte in de richting van de man een lichte buiging.

“Mijn naam is De Cock,” sprak hij beminnelijk.

“De Cock met…eh, met ceeooceekaa.”

Hij duimde over zijn schouder.

“En deze jongeman is mijn collega Vledder. Wij zijn rechercheurs, verbonden aan het politiebureau in de Warmoesstraat.”

De man keek van De Cock naar Vledder en weer terug. Hij trok zijn hoofd iets in zijn nek.

“U beiden bent,” sprak hij met enige arrogantie, “belast met het onderzoek naar deze afschuwelijke moord?”

De Cock knikte vaag.

“Wij stellen serieuze pogingen in het werk om deze moord op te lossen.”

De man maakte een brede armzwaai in de richting van de dode in de fauteuil.

“Wie heeft u van deze moord bericht?” vroeg hij aanmatigend.

“Ik bedoel, hoe kwam u op de hoogte van het feit dat Peter van Gulpen was vermoord?”

De Cock trok zijn gezicht strak.

“Het is gebruikelijk,” sprak hij uiterst vriendelijk, “dat rechercheurs van politie vragen stellen, niet dat zij vragen beantwoorden.”

Hij pauzeerde even.

“Overigens, wij hebben ons netjes aan u voorgesteld.”

Er gleed een lichte blos over het vale gezicht van de man.

“U hebt gelijk,” sprak hij hoofdknikkend.

“Dat had ik moeten doen. Onmiddellijk. Mijn verontschuldigingen voor deze lompheid. Uw plotselinge aanwezigheid in de deuropening van dit vertrek heeft mij overvallen.”

Hij ademde diep.

“Mijn naam is Van der Poorten…Edward van der Poorten. Ik ben een vriend van Peter.”

“U had een afspraak met hem?”

Van der Poorten schudde zijn hoofd.

“Ik kwam hier langs op weg naar huis. Te voet. De woon ook op de Herengracht. Een paar panden verder. Tot mijn grote verbazing zag ik de buitendeur wijd openstaan. En dat op dit uur. Ook vond ik het merkwaardig dat alle lichten brandden. Uit pure nieuwsgierigheid ben ik naar binnen gegaan.”

Hij zwaaide opnieuw in de richting van de dode.

“Verschrikkelijk, wat ze met hem hebben gedaan!” riep hij geëmotioneerd.

“Ze hebben hem heel professioneel met een koord gewurgd en er zit een vreemd, ruitvormig brandmerk op zijn voorhoofd.”

De Cock keek Van der Poorten verwonderd aan.

“Wat is zo professioneel aan die verwurging?”

“In de tijd dat ik nog de wapenrok droeg en bij de landmacht diende, heb ik met zo’n wurgkoord geoefend. Het was een methode om zonder geluid een man die bij de vijand op wacht stond, uit te schakelen.”

“En het brandmerk?”

Edward van der Poorten schudde zijn hoofd.

“Heb ik nooit eerder gezien.”

De Cock pauzeerde enige seconden om de man in zich op te nemen. Qua uiterlijk en optreden leek hij op commissaris Buitendam. De oude rechercheur begreep plotseling waarom de man hem irriteerde.

“Waar kwam u vandaan?” vroeg hij scherp.

“Hoe bedoelt u?”

“Op weg naar huis?”

Van der Poorten glimlachte.

“Ik heb in een tent op het Rembrandtplein met een zakenrelatie een paar borrels gedronken. Dat doe ik ‘s-avonds wel meer. Het Rembrandtplein is voor mij bijna om de hoek.”

“U bent eventueel bereid mij de naam van die zakenrelatie te noemen?” vroeg De Cock. Van der Poorten keek hem achterdochtig aan.

“Moet ik daaruit concluderen,” reageerde hij fel, “dat u van mij een alibi verwacht?”

De Cock maakte een verontschuldigend gebaar.

“Ik tref u hier onaangekondigd aan op een plek waar een moord is gepleegd. Hoe moet ik dat beoordelen? Welke gedachte moet ik daaraan verbinden? Hoe intiem is uw vriendschap met het slachtoffer?”

Edward van der Poorten maakte een schouderbeweging.

“Peter en ik,” verzuchtte hij, “kennen elkaar al sinds onze prille jeugd. We hadden toen zo’n vriendenclubje. Peter en ik hebben allebei een mislukt huwelijk achter de rug, met alle perikelen die daar zo bij horen. Daarover wisselen wij wel eens van gedachten. Verder onderhouden wij geen nauwe betrekkingen.”

De Cock wees naar de dode in de fauteuil.

“Hebt u enig idee in welke richting wij de dader van deze moord moeten zoeken?”

Van der Poorten knikte traag.

“Ik heb wel een idee, maar ik wil enige bedenktijd om mij te beraden.”

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

“Waarover?”

Van der Poorten trok zijn kin op.

“Of ik het u zal openbaren…of ik u zal vertellen wat ik vermoed dat de achtergrond van deze moord is.”

De Cock keek de man vorsend aan.

“U hebt daarover een idee…een gedachte omtrent de mogelijke dader?”

“Ik wil van u enig respijt,” sprak Van der Poorten afgemeten.

“Morgenochtend, om tien uur, kan ik u dan aan de Warmoesstraat verwachten?”

Van der Poorten strekte zijn rug.

“Hebt u er bezwaar tegen dat ik vanavond nog contact opneem met vrienden of kennissen, en met hen de moord op Peter van Gulpen bespreek?”

De Cock trok zijn schouders op.

“Daar kan ik u niet van weerhouden.”

Van der Poorten schudde zijn hoofd.

“Dat is geen antwoord op mijn vraag,” sprak hij met enige wrevel.

“Ik vroeg u duidelijk of u bezwaren had. Misschien acht u het in het belang van het onderzoek verstandig, dat deze moord nog niet wereldkundig gemaakt wordt. Ik ben geen rechercheur van politie. Ik kan de tactiek van uw speurwerk niet inschatten.”

De Cock beluisterde de toon.

“Ik heb geen bezwaren,” antwoordde hij strak. De oude rechercheur stapte opzij om de man gelegenheid te geven om het vertrek te verlaten.

“Ik hoor morgenochtend wel wat uw rondvraag heeft opgeleverd.”

Van der Poorten liep aan de oude rechercheur voorbij.

“U kunt op mij rekenen,” sprak hij geaffecteerd.

“Om tien uur kunt u mij aan de Warmoesstraat verwachten.”

Vledder wachtte even tot de man buiten gehoorsafstand was.

“Hooghartige lummel,” lispelde hij.

De Cock reageerde niet. De jonge rechercheur tikte hem vertrouwelijk op de schouder.

“De waarschuw de meute voor je.”

Achter Edward van der Poorten aan slofte hij de lange marmeren gang uit.


Bram van Wielingen kwam het vertrek binnen. Hij zette zijn aluminium koffer in een van de lege fauteuils en liep op De Cock toe.

“Het is weer nachtwerk met je,” sprak hij op bittere toon.

“Je leert het nooit. Ik lag al zeker een paar uur in bed.”

De Cock schoof de mouw van zijn regenjas iets terug en keek op zijn horloge.

“Je hebt gelijk,” reageerde hij glimlachend.

“Het is alweer kwart over een. Ik ben inmiddels met deze moord al meer dan twee uur bezig.”

Bram van Wielingen liep naar de dode in de fauteuil en grinnikte.

“Wat hebben ze met hem uitgespookt?”

De Cock spreidde zijn handen.

“Simpel. Gewurgd en gebrandmerkt.”

Van Wielingen schudde zijn hoofd.

“Ik heb als oude fotograaf toch al heel wat doden voor mijn lens gehad, maar dit heb ik nog niet eerder meegemaakt. Dat vreemde brandmerk op zijn voorhoofd lijken wel twee zoute droppen.”

“Ken jij een bedrijf of een maatschappij met zo’n embleem…zo’n logo?” vroeg De Cock.

Van Wielingen trok zijn schouders op.

“Het lijkt een beetje op een verkreukelde V en W van het embleem van de Volkswagen.”

“Daar heeft het inderdaad wel wat van weg,” zei De Cock.

“Je begrijpt dat ik het door jou wel duidelijk in beeld gebracht wil hebben. Het kan later belangrijk worden voor de bewijsvoering. De moordenaar of moordenares moet met dat brandmerken toch een bedoeling hebben gehad?”

Van Wielingen knikte.

“Uiteraard. Hij of zij wil iets uitdragen.”

“Wat?”

“Ik ben maar een eenvoudige fotograaf,” sprak Van Wielingen minzaam.

“Jij bent rechercheur. Het is jouw sores.”

De Cock snoof.

“Blij ben ik ermee.”

Bram van Wielingen pakte zijn fraaie Hasselblad uit zijn aluminium koffer en monteerde een flitslicht.

“Ik zal dat brandmerk vannacht nog extra voor je uitvergroten,” beloofde hij. Daarna flitste hij vol overgave in het dode gelaat. De Cock keek verrast op toen dokter Den Koninghe in de deuropening verscheen. Achter hem torenden twee geüniformeerde broeders van de Geneeskundige Dienst met hun onafscheidelijke brancard.

De grijze speurder liep op de oude lijkschouwer toe en begroette hem hartelijk. De Cock had een zwak voor de excentrieke dokter met zijn ouderwetse slobkousen onder een deftige streepjesbroek, zijn stemmig zwart jacquet en zijn verfomfaaide groen uitgeslagen garibaldihoed.

“Hoe maakt u het?” vroeg hij uitbundig.

“Best.”

De oude rechercheur leidde dokter Den Koninghe naar de dode in de fauteuil.

“Dat kreeg ik vanavond gepresenteerd.”

Het klonk cynisch.

De lijkschouwer boog zich over de dode en bekeek de felle insnoeringen aan de hals. Daarna drukte hij met duim en wijsvinger de oogleden toe. De vreemde brandwond op het voorhoofd van het slachtoffer kreeg al zijn aandacht.

“Merkwaardig,” mompelde hij, “een heus brandmerk.”

Hij draaide zich naar De Cock.

“Dat ben ik in de praktijk nog niet eerder tegengekomen. Nu heel ongebruikelijk. Maar in de Middeleeuwen had praktisch iedere stad een brandmerk voor de berechting van haar misdadigers. In het Caraïbisch gebied bijvoorbeeld kregen dieven de T van Thief in hun voorhoofd gebrand. In de staat Pennsylvania werden overspelige vrouwen tot een brandmerk in de vorm van een A veroordeeld.”

“EenA?”

De oude lijkschouwer knikte.

“De A van Adultery, Engels voor echtbreuk of overspel.”

“Verschrikkelijk.”

Dokter Den Koninghe knikte.

“Onvoorstelbaar.”

Het leek alsof de oude lijkschouwer zich plotseling schaamde voor zijn spontane uiteenzetting. Hij werd ineens weer formeel. Met precieze bewegingen nam hij zijn bril af, pakte zijn witzijden pochet uit het borstzakje van zijn jacquet en poetste de glazen. De Cock kende de handelingen. Het was een reeks gebaren om tijdwinst te boeken.

Dokter Den Koninghe wees naar het lijk in de fauteuil.

“Hij is dood,” sprak hij laconiek. De Cock knikte met een strak gezicht.

“Dat begreep ik,” reageerde hij simpel. De dokter wees opnieuw naar de dode.

“Enkele uren. Niet veel langer. Er zijn nog vrijwel geen sporen van lijkstijfheid.”

Hij zette zijn bril weer op en plooide zijn pochet terug in het borstzakje van zijn jacquet.

“Verwurging met een echt wurgkoord…duidelijk vanaf de rugzijde aangezet. Het brandmerk zal na de dood van het slachtoffer zijn aangebracht. Andersom acht ik vrijwel uitgesloten.”

De Cock onderdrukte een glimlach.

De kleine lijkschouwer keek nog even naar de dode, wuifde daarna ten afscheid en liep het vertrek uit. De Cock keek hem na. Daarna wendde hij zich tot Bram van Wielingen, die zijn Hasselblad behoedzaam in zijn koffertje teruglegde.

“Ben je klaar?”

De fotograaf knikte.

“Heb je nog bijzondere wensen?”

De Cock dacht even na.

“Morgenavond een foto van de gevel van dit pand met open deur en brandende lichten.”

Van Wielingen knikte.

“Als jij het ensceneert, doe ik het.”

De fotograaf pakte zijn aluminium koffertje en hield het omhoog.

“Deze plaatjes heb je morgenochtend op je bureau.”

“Komt er nog een dactyloscoop?”

Van Wielingen knikte.

“Ben Kreuger had nog een klusje. Je kunt hem elk moment verwachten.”

De fotograaf zwaaide met zijn vrije hand en verdween uit het vertrek.

De Cock wenkte de twee broeders van de Geneeskundige Dienst naderbij. Zij tilden de dode vanuit de fauteuil op hun brancard en drapeerden een laken over hem heen. Daarna sloegen zij de canvasflappen dicht en sjorden de riemen vast. Zacht wiegend droegen ze hem liet vertrek uit.

Vledder kwam naast zijn oude leermeester staan.

“Ik heb aan de kapstok voor in de hal het colbert van de vermoorde man gevonden. In een binnenzak stak zijn portefeuille met diverse legitimatiepapieren. Onder meer zijn rijbewijs. Hij is inderdaad Peter van Gulpen. En…het is geen roofmoord.”

“Waaruit maak je dat op?”

Vledder duimde over zijn schouder.

“In zijn portefeuille zat een paar honderd gulden aan baar geld, ook zijn giropas en diverse creditcards waren er nog. In het pand is niets overhoopgehaald.”

“Heb je sleutels gevonden?”

Vledder knikte.

“In een zijzak van datzelfde colbert. Een sleutelbos. Daar zal ook wel een sleutel van de voordeur bij zijn.”

De Cock gebaarde om zich heen.

“We doen alle lichten uit en sluiten het pand. De blijf niet op Ben Kreuger wachten. De dactyloscoop moet hier morgen maar gaan kwasten.”

Vledder hurkte plotseling bij hem neer en boog zich over het eiken parket.

“Kijk.”

“Wat?”

“Een druppel soldeer…pal naast de fauteuil waarin de dode Van Gulpen zat.”

Загрузка...