14
Toen Smalle Lowietje uit de grote recherchekamer was verdwenen, viel er tussen Vledder en De Cock een diepe stilte. Ze namen de tijd om de nieuwe aanwijzingen te verwerken. Het was Vledder die de stilte verbrak.
“Het is jammer dat jij vandaag naar de sectie op Westgaarde wilde.”
“Waarom is dat jammer?”
Vledder zwaaide om zich heen.
“Als jij hier op het bureau was gebleven, had je via het telefoontje van Smalle Lowietje die Rudy Sleurkeet kunnen opvangen.”
De Cock wuifde de opmerking weg.
“Zulke dingen kun je niet plannen,” sprak hij afwerend.
“Het was niet te voorzien op welk tijdstip die Rudy weer zou opduiken. Ik vind dat Smalle Lowietje zich heel goed heeft geweerd. Hij heeft toch voor een paar belangrijke aanwijzingen gezorgd.”
“Zoals?”
“De kreet van Rudy Sleurkeet: hun verdiende loon…een afrekening met een aanwijzing. En als het aan de familie ligt volgt gauw een derde.”
“Slachtoffer?”
De Cock knikte.
“Dat bedoelt hij. Smalle Lowietje merkte terecht op, dat Rudy Sleurkeet blijkbaar nog niet wist dat het derde slachtoffer al was gevallen.”
Vledder spreidde zijn handen.
“Hun verdiende loon…hoe interpreteer je dat?”
De Cock trok zijn schouders op.
“Blijkbaar hebben de drie slachtoffers in het verleden iets gedaan wat Rudy Sleurkeet tot de overtuiging heeft gebracht dat zij een gruwelijke dood verdienden.”
“Wat zou dat zijn geweest?”
De Cock trok een grijns.
“Als we dat wisten, dan konden wij waarschijnlijk nu al op pad gaan om de daders te arresteren.”
“Meen je dat?”
De Cock knikte.
“Ons struikelblok is het motief. Over het motief voor de drie moorden tasten wij nog volkomen in het duister. We weten in de verste verte niet waarom de slachtoffers zo’n gruwelijke dood verdienden.”
Vledder snoof.
“Rudy Sleurkeet weet dat blijkbaar wel. Ik heb al een paar maal opgemerkt dat hij een ideale verdachte is. Hij had als vroegere vriend onbelemmerd toegang tot de slachtoffers. Voor hem openden zij hun deuren.”
De jonge rechercheur zweeg even voor het effect.
“Jij reageert helemaal niet op mijn redenering. Jij gaat daar achteloos aan voorbij. Het is alsof ik tegen een dove sta te praten.”
De Cock glimlachte.
“Ik heb je wel degelijk verstaan, maar jouw redenering klopt niet. Volgens mij is de man die wij als Rudy Sleurkeet kennen, geen ideale verdachte. Integendeel. Ik zie hem veel meer als een mogelijk vierde slachtoffer.”
Vledder reageerde verward.
“Vierde slachtoffer?”
“Ja.”
“Waar baseer je dat op?”
“De baseer dat op zijn vriendschap met de drie andere slachtoffers.”
Vledder grinnikte vreugdeloos.
“Dat volg ik niet.”
De Cock ademde diep.
“Peter van Gulpen, Edward van der Poorten en Anthonius Josephus Ruiten waren in het verleden vrienden van elkaar. Tot diezelfde vriendenkring behoorde ook de man die wij als Rudy Sleurkeet kennen. Blijkbaar zijn er lieden, die menen een motief te hebben om deze vriendenkring op een bijna rituele manier uit te roeien.”
Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
“En jij denkt dat die Rudy Sleurkeet dat weet en het gevaar beseft?”
De Cock knikte.
“Zeker,” reageerde hij overtuigend.
“Hij is zich van dat gevaar beter bewust dan zijn drie vroegere vrienden. Hij leeft nog. Weliswaar met angst. Dat is volgens mij de reden waarom hij er voortdurend met zijn caravan op uit trekt…voor de moordenaars die hem zoeken, is hij op die manier bijna niet te traceren.”
De oude rechercheur zweeg even en wreef zich nadenkend in zijn nek.
“Het lijkt mij belangrijk,” ging hij verder, “dat wij hem zo snel mogelijk opsporen…voor wij ook hem gewurgd en met een brandmerk op zijn voorhoofd vinden.”
“De vierde afrekening met een aanwijzing?” vroeg Vledder. De Cock knikte.
“Inderdaad…een vierde afrekening. En de aanwijzing…daar ga ik vanuit…schuilt in het brandmerk. Die dubbele ruit moet iets betekenen.”
Hij aarzelde.
“Als het aan de familie ligt…dat is een kreet van Rudy Sleurkeet waar ik nog niets van begrijp. Welke familie bedoelt hij?”
Vledder maakte een schouderbeweging.
“Misschien is er wel sprake van een ernstige familievete…een soort vendetta…bloedwraak om de eer van de familie te redden. Er zijn genoeg landen waar dat nog regelmatig voorkomt.”
De Cock trok een bedenkelijk gezicht.
“Nederland…onder Nederlandse families?”
“Wie zal het zeggen? In ons vriendelijke landje zijn de laatste jaren culturen opgenomen met voor ons vreemde familietradities.”
“Dat gaat niet op,” sprak De Cock hoofdschuddend.
“Peter van Gulpen, Edward van der Poorten en Anthonius Josephus Ruiten waren geen familie van elkaar. Familietradities spelen in deze affaire geen enkele rol.”
De oude rechercheur stond van zijn stoel op en slenterde naar de kapstok. Vledder kwam hem na.
“Waar ga je heen?”
De Cock draaide zich naar hem toe.
“Naar Smalle Lowietje.”
“Voor een cognackie?”
De Cock knikte.
“Ook dat…maar ik ben vergeten om Lowie naar een signalement van die Rudy Sleurkeet te vragen.”
“Stom.”
De Cock glimlachte.
“Jij zat erbij, keek ernaar en zei niets. Je had mij er best attent op kunnen…”
De oude rechercheur stokte.
De deur van de grote recherchekamer ging met veel kabaal open en in de deuropening verscheen Keetje Plus. Ze keek naar de hoed op het hoofd van De Cock.
“Ga je weg?”
De Cock toverde een beminnelijke glimlach op zijn gezicht.
“Nu jij hier bent, Keetje,” sprak hij zacht en liefjes, “blijf ik. Uiteraard. Ik ben van mening dat men een goed bezoek hogelijk moet waarderen.”
“Vleier.”
Met zijn hoed nog op loodste De Cock Keetje Plus naar de stoel naast zijn bureau.
“Wat verschaft ons het genoegen van jouw gezelschap?” vroeg hij hoffelijk. Keetje Plus gniffelde.
“Rudy Scheurkeet.”
De Cock liet zich in zijn stoel achter zijn bureau zakken.
“Wat is daar mee?”
“Hij is er weer.”
“Waar?”
“In de buurt.”
De Cock keek haar onderzoekend aan.
“Jij hebt hem gesproken?”
“Hij is bij mij geweest voor een afspraak.”
“Een afspraak?”
Keetje knikte.
“Rudy Sleurkeet is geen gewone hoerenloper. Hij wil meer…het onderste uit de kan, zal ik maar zeggen. En daar hebben we samen wel wat tijd voor nodig.”
De Cock knikte begrijpend.
“Vandaar een afspraak.”
“Precies.”
“Hoe laat?”
Keetje schudde haar hoofd.
“Dat zeg ik je niet. Ik bedoel, dat zeg ik je niet voor je mij iets hebt beloofd.”
De Cock glimlachte.
“Wat moet ik jou beloven?”
“Om het je eerlijk te zeggen…”aarzelde Keetje, “ik wil hem als klantje niet kwijt. Ik beleef er met hem ook zelf veel plezier aan…als je begrijpt wat ik bedoel. Bovendien sta ik niet graag als versliecheraarster te boek.”
“Logisch.”
Keetje zwaaide met een opgestoken wijsvinger.
“Rudy Sleurkeet mag ook niet weten…of begrijpen dat ik jou heb getipt.”
“Ook dat snap ik.”
“Zie je, dan ben ik hem kwijt en bezorg ik mijzelf in de buurt een slechte naam.”
De Cock knikte begrijpend.
“Je bedoelt dat wij niet in de Dollebegijnensteeg bij jou voor de deur moeten gaan staan.”
“Precies. En ik wil ook niet dat jullie hem aanspreken voor hij bij mij op tournee is geweest…dan mis ik mijn pretje en mijn poen.”
De Cock legde zijn hand op haar arm.
“De beloof je dat wij niet in de Dollebegijnensteeg gaan staan en ik beloof je dat wij hem niet zullen benaderen voor hij bij jou op bezoek is geweest.”
De oude rechercheur wees naar Vledder.
“Jij geeft straks aan dat knappe gozertje een zo goed mogelijk signalement van Rudy Sleurkeet en wij zorgen voor een geruisloos optreden.”
Keetje maakte een berustend gebaar.
“Oké. De vertrouw je.”
“Hoe laat komt hij?”
“Acht uur.”
“En hoe lang heb je nodig?”
Keetje Plus grijnsde breed.
“Dat hangt van zijn ausdauer af.”
De Cock keek de man die hij op de stoel naast zijn bureau had laten plaatsnemen, onderzoekend aan. Hij schatte hem achter in de dertig. De man had gemillimeterd blond haar, een smal, iets gebruind gezicht en rustige grijze ogen. Hij droeg een vaalblauwe spijkerbroek waarop een lichtblauw jack zonder uitbundige letters of schreeuwende uit monsteringen. De scherpe ontledende blik van De Cock onderging hij gelaten. Toen hij meende dat de oude rechercheur zijn observatie had voltooid, vroeg hij scherp: “Wat betekent dit? Ben ik nu door u gearresteerd?”
De Cock ontweek de vraag.
“Op basis waarvan zou ik dat hebben kunnen doen? Waarvan bent u verdacht?”
De man trok zijn schouders op.
“De politie vindt altijd wel iets.”
De Cock gebaarde naar de deur.
“U bent vrij man. Als u wilt vertrekken, kunt u dat.”
De oude rechercheur zweeg even en glimlachte.
“Ik zou het u alleen niet aanraden,” ging hij vriendelijk verder.
“Waarom niet?”
“Omdat ik dan mogelijk juridisch iets zal moeten vinden om uw vertrek te verhinderen.”
De man grijnsde.
“Dus toch een vrijheidsbeneming.”
De Cock vouwde zijn handen en liet zijn ellebogen op zijn bureau rusten.
“Ik zou een lang en goed onderbouwd betoog kunnen houden waarom ik van u medewerking verwacht…ja, zelfs verlang.”
De man grinnikte.
“Dat is hoog gegrepen.”
De Cock knikte.
“Bewust. Om het kort te houden. Drie van uw vroegere vrienden, Peter van Gulpen, Edward van der Poorten en Anthonius Josephus Ruiten, zijn op een gruwelijke manier aan hun eind gekomen.”
De man keek hem geschrokken aan.
“Ook Tinus Ruiten?”
De Cock knikte opnieuw.
“We hadden gisteravond een afspraak met hem. We kwamen te laat.”
“Verschrikkelijk.”
De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.
“Ik verwacht dat de moordzucht van de daders nog niet is geluwd en ik acht het niet geheel ondenkbaar dat u als hun volgende slachtoffer staat geboekt.”
De man keek hem strak aan.
“Wat is de basis van uw veronderstelling?”
De oude rechercheur glimlachte.
“Moet ik u dat uitleggen?”
“Graag.”
De Cock schudde zijn hoofd.
“U weet zelf deksels goed,” sprak hij bestraffend, “dat er serieuze plannen bestaan om u te doden. De enige kans die u nog hebt, is tegen mij openhartig te zijn, zodat ik de daders kan arresteren voordat ze hebben toegeslagen. Met drie gruwelijke moorden op hun kerfstok bent u beslist jaren van hen verlost.”
De man grijnsde.
“Het is mij tot nu toe aardig gelukt om uit hun buurt te blijven. De andere drie vroegere vrienden van mij zijn blijkbaar minder voorzichtig geweest. Ik ben geen man die zijn tegenstanders onderschat.”
De Cock strekte zijn wijsvinger naar hem uit.
“U erkent dus dat u gevaar loopt.”
“Zeker.”
“Waarom?”
“Wat bedoelt u?”
De Cock zuchtte diep.
“Peter van Gulpen, Edward van der Poorten en Anthonius Josephus Ruiten zijn niet voor niets gestorven. De daders hadden een motief…een motief, dat kennelijk ook voor u geldt.”
De man knikte.
“Dat is juist…van hun standpunt uit bezien.”
“En van uw standpunt bezien?”
“Onjuist. Naar mijn gevoel draag ik geen schuld.”
“Waaraan?”
De man tastte naar zijn voorhoofd.
“Het is voor mij zo moeilijk om erover te praten. Ik…eh, ik heb het verdrongen…verbannen uit mijn geheugen. Maar ik…”
De man stokte.
De Cock wachtte geduldig tot hij zich weer enigszins had hervonden.
“Wat is hun standpunt…wat is hun motief?”
De man aarzelde.
“Een…eh, een brand.”
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
“Een brand?”
De man knikte.
“Een brand…vijfentwintig jaar geleden.”
“Waar…waar heeft die brand gewoed?”
De man schudde zijn hoofd.
“Dat…eh, dat vertel ik u niet. Ik wil aan die brand niet meer worden herinnerd. Hij heeft al veel te lang in mijn hoofd gespookt…mijn denken beheerst.”
De Cock boog zich iets naar voren.
“U wordt Rudy Sleurkeet genoemd,” sprak hij vriendelijk.
“Een bijnaam, die de mensen uit de buurt u hebben gegeven. Wat is uw werkelijke naam?”
“Die openbaar ik u liever niet.”
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
“Ik heb uw medewerking nodig,” sprak hij bijna smekend.
“Als u hetzelfde lot ondergaat als uw drie vroegere vrienden, dan zal ik waarschijnlijk nooit meer in staal zijn om de daders te achterhalen. U bent nog de enige die mij opheldering kan verschaffen. U bent nog de enige man die mij kan helpen deze zaak op te lossen.”
“Dat is uw belang.”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Niet alleen mijn belang,” sprak hij met enige stemverheffing.
“U kunt niet ten eeuwigen dage met een sleurkeet…sleurhut, achter uw auto op de vlucht blijven. Trekken van camping naar camping. Angstig. Gespannen. Hopend dat uw ware identiteit nooit zal worden achterhaald.”
De oude rechercheur stak waarschuwend zijn wijsvinger omhoog.
“Gelooft u mij, mister Sleurkeet,” vervolgde hij grimmig, “de moordenaars van uw vroegere vrienden zijn u veel dichter genaderd dan u denkt. Het is voor u de hoogste tijd…vijf voor twaalf. Als u mij nu niet uw vertrouwen schenkt, dan is het te laat. Uw enige alternatief is dat u binnen afzienbare tijd ook gewurgd en met een afschuwelijk brandmerk op uw voorhoofd wordt gevonden.”
Hij keek de man strak aan.
“Is dat uw wens?”
“Nee.”
De Cock nam een kleine pauze.
“Hebt u een verklaring voor dat brandmerk op het voorhoofd van uw vroegere vrienden?”
“Ja.”
“En?”
“De brand, waarover ik u sprak. Het brandmerk is een symbool…een aanwijzing dat de moorden verband houden met die brand van vijfentwintig jaar geleden.”
De Cock kneep zijn ogen halfdicht.
“Vertel wat meer over die brand.”
“Nee.”
“Zijn er nog meer mensen bij die brand betrokken dan u en uw drie vroegere vrienden?”
“Nee.”
De Cock zuchtte omstandig.
“Vijfentwintig jaar geleden was u veertien à vijftien jaar oud.”
De Cock maakte een wanhoopsgebaar.
“Als u alleen met ja en nee antwoordt, komen we geen steek verder.”
De man keek hem onbegrepen aan.
“Moet dat? Waarmee wilt u verder komen?”
De Cock kneep opnieuw zijn ogen even dicht.
“Als er met u wat gebeurt, voel ik mij daaraan mede schuldig…mede schuldig aan uw dood.”
“Waarom?”
De Cock boog zich verder naar hem toe.
“Omdat ik u blijkbaar niet heb kunnen overtuigen van de noodzaak om met mij samen te werken.”
De Cock tikte met de toppen van zijn vingers op zijn borst.
“Dat doet pijn van binnen.”
De man keek hem enkele seconden aan. Toen liet hij zijn hoofd zakken.
“Ik ben Rudolf Leeuwenhoek,” sprak hij hees.
“Vijfentwintig jaar geleden waren Peter van Gulpen, Edward van der Poorten, Tinus Ruiten en ik op een camping…”