7

Vledder bracht de Golf even tot stilstand en wees over het water naar de andere kant van de gracht.

“Eenzelfde situatie,” riep hij gespannen.

“Exact hetzelfde als gisteravond bij het pand van Peter van Gulpen.”

De Cock knikte.

“De vrees het ergste.”

“Een nieuwe moord?”

“Ja.”

“Dat kan toch niet waar zijn.”

In de stem van Vledder trilde ongeloof. De jonge rechercheur reed de oude Golf snel naar de andere kant van de gracht. Hij vond voor de wagen nog een plekje tussen de bomen aan de wallenkant.

Toen hij uitstapte gaf hij een snerpende gil. Een grote zwarte rat tippelde over de neus van zijn rechterschoen. De Cock keek hem breed grijnzend aan.

“Je zult toch aan die gore Amsterdamse ratten langs de grachten moeten wennen. Het is al eeuwen hun domein.”

Hij wachtte even tot Vledder van de schrik was bekomen. Toen zijn gezicht weer kleur kreeg staken ze de rijbaan van de Herengracht over en beklommen het bordes. Boven op het bordes bleef De Cock staan. Rechts van de open deur was een zware koperen plaat met grote in zwart verzonken letters: Edward van der Poorten. Daaronder in kleinere letters impresario.

“Wat is een impresario?” vroeg Vledder terwijl hij naar het woord wees.

De Cock maakte een schouderbeweging.

“Aanvankelijk het hoofd van een toneelgezelschap. Tegenwoordig iemand die iets met en voor artiesten doet.”

“Nogal vaag,” snoof Vledder.

De Cock reageerde niet. De grijze speurder inspecteerde nauwkeurig de in traditioneel groen gelakte buitendeur. De zware deur vertoonde geen sporen van braak of verbreking. Omzichtig liep de oude rechercheur via een brede hal een met wit marmer beklede gang in. Hij keek omhoog en zag aan het plafond eenzelfde soort wulpse engeltjes als in het pand van Peter van Gulpen.

Vledder volgde in zijn kielzog.

Links in de gang vond De Cock een halfopen deur met op het bovenpaneel in witte sierlijke schrijfletters het woord Privé. Opnieuw bleef de oude rechercheur staan en inspecteerde de deur en de sponningen. Ook hier trof hij geen sporen van braak of verbreking.

Met zijn rechterknie drukte hij de deur verder open en liet zijn blik door het rechthoekig vertrek erachter dwalen. De kamer had een hoge, door zware balken gedragen zoldering en was schaars verlicht. Twee smeedijzeren schemerlampen met donkere kappen verspreidden een gelig licht. Ook hier, net als in het pand van Peter van Gulpen, was een eikenhouten lambrisering tot ongeveer schouderhoogte. Boven de lambrisering hingen enkele kleurrijke schilderijen van Franse impressionisten. De Cock herkende een Monet, een Renoir en een Toulouse-Lautrec.

De schouw in het midden van het vertrek was niet zo monumentaal als die in de woning van Peter van Gulpen; deze was sierlijker, minder pompeus. De forse fauteuils in een halve cirkel om de schouw waren gebloemd in overwegend rode en paarse tinten.

In de middelste fauteuil zat scheef weggezakt een man. Op zijn rug, net onder zijn nek, hingen twee houten greepjes van een wurgkoord.

De Cock nam even de tijd om het lugubere tafereel in zich op te nemen. De gelijkenis met het beeld van de dode Peter van Gulpen drong zich direct aan hem op.

Voorzichtig liep hij verder het vertrek in, schoof een van de gebloemde fauteuils enigszins opzij en keek het slachtoffer in het gezicht. Het hart van de oude rechercheur stokte een tel.

Twee wijd opengesperde dode ogen staarden hem aan. De Cock slikte even iets weg. De dode blik uit die ogen leek een verlaat verwijt.

De oude rechercheur bande het idee uit zijn gedachten. Een verwijt leek hem ongegrond. Hij had deze moord niet kunnen voorkomen.

Hij keek naar de halfopen mond, waaruit een gedeelte van de iets opgezette tong stak. Op het voorhoofd van de man, ongeveer een centimeter boven het begin van de rug van zijn neus, was een brandmerk…twee rechtopstaande ruiten met de punten tegen elkaar.

De oude rechercheur nam het beeld van de twee ruiten scherp in zich op. De gelijkenis met het brandmerk op het voorhoofd van Peter van Gulpen was treffend. Hij bukte zich iets om ook de insnoeringen van het wurgkoord aan de hals te bekijken. Vledder, achter zijn rug, boog zich over hem heen en ademde in zijn nek.

“Het is,” hijgde hij ontsteld, “Edward van der Poorten.”

De Cock schoof opzij en wees naar de dode in de gebloemde fauteuil.

“De moordenaar van Peter van Gulpen?”

Vledder bleef het antwoord schuldig.


Bram van Wielingen kwam dreunend het vertrek binnen. Hij zette zijn aluminium koffer in een van de gebloemde fauteuils en liep op De Cock toe.

“Dit is de tweede nacht,” snauwde hij.

“Twee nachten achter elkaar. Waarom ga jij niet als een nette rechercheur op tijd naar je bed.”

De Cock grijnsde hem vriendelijk toe.

“Goedenavond, Bram…blij, dat je even tijd voor mij kon vrijmaken.”

De fotograaf maakte een wegwerpgebaar.

“Barst.”

De Cock plukte even glimlachend aan zijn neus en wees toen naar de dode.

“Kijk even naar het slachtoffer,” sprak hij minzaam.

Van Wielingen liep op het slachtoffer toe. Van schrik deinsde hij even terug.

“Allemachtig,” riep hij geschrokken.

“Allemachtig…net als gisteravond. Het is alleen een andere vent.”

De fotograaf wendde zich weer tot De Cock.

“Is er een idioot met een brandijzer op pad?”

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

“Of het een idioot is, weet ik niet. Hij of zij is in ieder geval een moordenaar of moordenares die een brandijzer hanteert. En dat ben ik in mijn lange loopbaan bij de recherche nog niet tegengekomen.”

“Weet je wie hij is?”

“Ja, de man heet Edward van der Poorten. Hij is een vroegere vriend van Peter van Gulpen.”

“Het slachtoffer van gisteravond.”

“Precies.”

“Weet je al iets meer?”

De Cock grijnsde.

“Het ellendige is dat wij over aanwijzingen meenden te beschikken, dat deze Edward van der Poorten het slachtoffer van gisteren had vermoord.”

Bram van Wielingen snoof.

“Die aanwijzingen,” grinnikte hij, “kun je nu wel in de prullenbak gooien. De man of vrouw die deze man heeft vermoord, is ook verantwoordelijk voor de moord op die Peter van Gulpen. De werkwijze is identiek…een professioneel wurgkoord…het slachtoffer vanaf de rugzijde benaderd. Ook het brandmerk op het voorhoofd wijkt geen millimeter af.”

De Cock schudde zijn hoofd en zuchtte.

“Het vreemde vind ik,” sprak hij met lichte ergernis, “dat beide slachtoffers zich vrijwel niet hebben verweerd. Er is geen enkel spoor van een worsteling of verzet. Ze zijn rustig in hun fauteuil blijven zitten. Zo rustig, dat de fauteuils nauwelijks zijn verplaatst. Ze staan nog keurig in een halve cirkel om de schouw.”

Bram van Wielingen liep naar zijn koffertje, maakte het open en pakte zijn Hasselblad. Hij keek nog even naar De Cock op voor hij het flitslicht op het dode gelaat richtte.

“Vergeef mij mijn dolle uitval van zo-even. Ik heb oprecht met je te doen. Zo’n zaak. Ik ben blij dat ik niet in jouw schoenen sta.”

De Cock trok een grijns.

“Ze zouden jou niet passen,” gniffelde De Cock.

“Jij leeft op grote voet.”

Hij keek blij op toen de oude dokter Den Koninghe in de deuropening verscheen. Zoals gebruikelijk torenden hoog boven hem uit twee geüniformeerde broeders van de Geneeskundige Dienst met hun brancard.

De Cock begroette hem hartelijk en leidde de lijkschouwer naar de dode in de gebloemde fauteuil. Den Koninghe leek ook even geschrokken.

“Weer een brandmerk,” stotterde hij.

“Ik hoop niet dat dit een epidemie wordt.”

De lijkschouwer boog zich over het slachtoffer en drukte met duim en wijsvinger de oogleden toe. Daarna nam hij ruimschoots de tijd voor een onderzoek. Toen hij daarmee klaar was, volgde het bekende ceremonieel met bril en witzijden pochet.

“Ik heb,” sprak hij met krakende stem, “nog eens enkele oude geschriften over dat brandmerken van vroeger geraadpleegd. Volgens de voorschriften van destijds diende het brandijzer — het ijzer waarmee het brandmerk werd aangebracht — roodgloeiend te zijn.”

Hij blikte om zich heen.

“Is hier ergens een open vuur?”

De Cock trok zijn schouders op.

“Ik heb dit pand nog niet bekeken, maar in de keuken van de woning van het vorige slachtoffer werd elektrisch gekookt. Er was geen gas. We hebben nabij de fauteuil waarin het vorige slachtoffer zat, op de vloer een gestolde druppel soldeer gevonden.”

“Soldeer?”

De Cock knikte.

“Een klontje soldeer.”

Dokter Den Koninghe verzonk in gepeins.

“Dat duidt op koper. Zou iemand van koper een soort brandijzer in elkaar hebben geprutst?”

De Cock schoof zijn onderlip vooruit.

“Mogelijk. Dan zou tijdens het verhitten iets van het soldeer van het brandijzer zijn gegleden.”

Den Koninghe keek hem schuins aan.

“Verhitten…waarmee?”

Zonder op antwoord te wachten draaide de oude lijkschouwer zich om en strekte zijn arm in de richting van het slachtoffer in de fauteuil.

“Apropos…hij is dood.”

De Cock knikte.

“Dat begreep ik al,” reageerde hij bedaard. Dokter Den Koninghe wees opnieuw.

“Niet lang. De dood is nog niet zo lang geleden ingetreden. Ik schat hooguit een tot anderhalf uur.”

Hij zweeg even.

“Vraag morgen aan dokter Rusteloos tijdens de sectie of hij wat urine, een bloedmonster en een deeltje van de lever naar het laboratorium wil opsturen. Ook monstertjes van de inhoud van maag en darmen.”

De Cock keek de schouwarts verrast aan.

“Waarom?”

Dokter Den Koninghe wuifde tot afscheid.

“Ouwe rot, denk daar nog maar eens even over na.”


De Cock wenkte de broeders van de Geneeskundige Dienst met hun brancard naderbij en liet het lijk van Edward van der Poorten afvoeren. Daarna riep hij Vledder, die elders in het vertrek bezig was een oud bureau te doorzoeken.

“Kijk jij eens rond de fauteuil waarin het slachtoffer zat of er op de vloer spoortjes van soldeer zijn te vinden. Jij hebt betere ogen dan ik.”

Vledder bukte zich en gebruikte het licht van zijn zaklantaarn als strijklicht. Hij vond niets. De jonge rechercheur kwam uit zijn gebukte houding omhoog.

“Ik heb beneden in het souierrain in de keuken naar gas gekeken.”

Hij schudde zijn hoofd.

“Er wordt hier elektrisch gekookt.”

De Cock knikte begrijpend.

“Dokter Den Koninghe heeft voor ons in oude boeken gesnuffeld. Volgens de voorschriften van destijds diende het brandijzer bij het gebruik roodgloeiend te zijn.”

“Griezelig.”

“Soldeer duidt volgens Den Koninghe op een brandijzer van koper.”

Vledder glimlachte.

“Brandijzer is in dit geval dus een verkeerd woord. Het wordt een brandkoper.”

“En de verhitting?”

Vledder stak zijn wijsvinger op.

“Ik heb vanmorgen vroeg over dit facet al contact opgenomen met onze technische dienst aan het hoofdbureau. Er schijnen tegenwoordig brandertjes in de handel te zijn, niet veel groter dan een forse vulpen, die in korte tijd al een temperatuur van twaalfhonderd graden Celsius weten te bereiken.”

“De brandstof?”

Vledder grijnsde.

“Simpel, hetzelfde gas dat ook voor aanstekers wordt gebruikt.”

De Cock gebaarde.

“Er loopt dus ergens een man of een vrouw rond met een…eh, brandkoper en vulpen met gas.”

Vledder lachte.

“We fouilleren op straat eenvoudig iedere man en vrouw en hij of zij die deze attributen bij zich draagt, arresteren wij voor moord.”

De Cock wuifde afwerend.

“Onrechtmatige daad.”

Vledder zuchtte.

“Ik heb soms het idee dat wij tegenwoordig alleen nog via een onrechtmatige daad tot een sluitende bewijsvoering kunnen komen.”

De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

“Je moet morgen tijdens de sectie aan dokter Rusteloos vragen of hij monstertjes van maag- en darminhoud, monstertjes van urine en bloed, alsmede een stukje van de lever naar het Gerechtelijk laboratorium in Rijswijk wil sturen voor onderzoek.”

Vledder keek verrast.

“Wie zegt dat?”

“Dokter Den Koninghe.”

“Waarom?”

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

“Toen ik het hem vroeg, zei hij: ouwe rot…denk daar nog maar eens even over na.”

“En?”

“Wat?”

“Heb jij daar over nagedacht?”

De Cock trok zijn schouders op.

“Wat heeft dat met een verwurging te maken?”

“Het komt omdat jij al in geen jaren een gerechtelijke sectie hebt bijgewoond.”

“De snap je niet.”

Vledder grijnsde.

“Wanneer gaan maag- en darminhoud, urine, bloed en stukjes van de lever naar het laboratorium?”

De Cock kneep zijn ogen even dicht.

“Bij een vergiftiging.”

“Precies.”

“Maar bij een verwurging?”

Vledder schudde zijn hoofd.

“Dat is niet gebruikelijk.”

De Cock ging in een van de gebloemde fauteuils zitten. Na een korte overdenking stak hij zijn wijsvingers omhoog.

“Ik begrijp het,” riep hij blij.

“Ik begrijp waar dokter Den Koninghe aan dacht. Beide slachtoffers hebben zich tijdens de verwurging in het geheel niet verweerd. Ze hebben zich blijkbaar zonder enig protest laten doden.”

Vledder zuchtte diep.

“Die oude lijkschouwer met zijn garibaldihoed is toch pienterder dan wij dachten. Hij vermoedt dus dat de slachtoffers vooraf zijn gedrogeerd…vergiftigd…weerloos gemaakt.”

Загрузка...