De volgende morgen was ik alweer vroeg op het bureau. Ik had nog even een gesprekje met de dienstdoende wachtcommandant. Daarna ging ik naar boven, naar de recherchekamer. Ze waren er bijna allemaal: De Wilde, De Vries, Bierens en alle anderen. Ze zaten in een kringetje om De Cock, die uitgebreid vertelde van zijn ervaringen bij het onderzoek naar de dood van Mooie Bertus.
Ik nam een stoel en voegde mij in de kring.
De Cock was een levendig verteller, die zijn woorden met hand- en voetwerk onderstreepte. Nu hij zich in het middelpunt van de belangstelling wist, deed hij extra zijn best. De moord op Bertus werd door zijn voordracht een theaterstuk vol komische effecten.
‘…Kom ik daar in die rotsteeg, zie ik Bertus hangen, een beetje scheef aan één oor. Ik dacht direct al: die vent is ziek. Hij keek zo lodderig uit zijn ogen. Ik naar hem toe. Ik zeg; hee, wat doe je aan dat touw? Haal die lus van je nek en kom eraf, dat houdt geen mens zo uit. Straks loop je met een stijve nek…’ In die geest ging hij door, als een pias, als een clown zonder schmink. Ik wist dat het een pose was, een doorzichtige camouflage. Ik geloof dat wij alleen in de kring dit wisten. Het was zijn manier om zijn gevoeligheid te maskeren.
Ontdaan van alle fratsen, kwam het erop neer, dat hij een uiterst grondig onderzoek had ingesteld.
Nadat ik hem op ‘moord’ had gewezen, had hij alles nauwkeurig nagegaan. Bij zijn onderzoek in de woning van Bertus was hij op een losse plank in de vloer gestoten. De Cock, die honderden huiszoekingen had verricht, zocht opgeruimd verder en vond onder de vloer een pakje. Toen hij het openmaakte, zag hij bankbiljetten en telde tot zijn verbazing twintigduizend gulden. De Cock dacht wel, dat het geld iets met de moord op Anna Bentveld had te maken, maar begreep ook nu nog het verband niet. Na mijn telefoontje uit Rotterdam was hij teruggegaan en had alle broeken die hij maar kon vinden naar het laboratorium gebracht. Dr. Boentje had hem gevraagd of Amsterdam aan een hardnekkige broekenmanie leed, maar was toch onmiddellijk aan het werk getogen.
Op een van Bertus’ broeken zaten bloedspatjes en wel daar waar ze behoorden te zijn: aan de voorzijde, een decimeter onder de knie. Ze waren met het blote oog niet zichtbaar. Ook Bertus had ze blijkbaar niet opgemerkt. De broek was niet schoongemaakt. Toen De Cock was uitverteld, trok hij zijn jas aan. Hij moest de gerechtelijke sectie op het lijk van Bertus bijwonen. Ik keek naar zijn gezicht toen hij de deur uitstapte. De pose was verdwenen. Ik sprak met De Wilde over het tweede verhoor van Pepi. Hij liet het mij lezen. Pepi had uitgebreid verklaard.
In verband met de vondst van de twintigduizend gulden in de woning van Bertus, had hij hem de volgende dag op last van de Ouwe nogmaals verhoord.
Pepi bleef bij zijn verklaring: in de tas zaten vijfduizend guldens, niet meer. Hoe Bertus aan die twintigduizend kwam, wist Pepi niet te vertellen. Het bleef een raadsel.
De Wilde scheen zijn houding ten opzichte van mij totaal te hebben veranderd. Hij was uitermate vriendelijk en toonde zich bijzonder enthousiast over het feit dat ik de gefingeerde zelfmoord van Bertus direct had doorzien. Hij kwam naast mij aan mijn bureau zitten en schonk zelfs koffie voor mij in.
‘Je bent fantastisch,’ zei hij. ‘Ik heb eigenlijk altijd al een stille bewondering voor je gehad.’
Hoewel hij daarbij lachte, geloofde ik toch dat hij het meende. Ik grijnsde maar wat om zijn lof. Ik wist zelf heel goed dat ik die lof niet helemaal verdiende. Ik had fouten gemaakt, ernstige fouten. Maar dat zei ik hem niet.
Ik was die morgen toch niet erg spraakzaam. Ik had hem ook het raadsel van die twintigduizend gulden kunnen onthullen, maar zweeg. Ik zweeg over alles wat Van Duuren mij had verteld. Tegen een uur of tien stapte ik naar de commissaris en vroeg een week verlof. Ik had die week nog te goed.
De Ouwe had nogal wat bedenkingen.
‘Je hebt je zin,’ zei hij. ‘De onschuld van Pepi aan die moord staat nu wel vast. We kunnen de zaak Anna Bentveld wel als opgelost beschouwen. Maar we zitten nu met die gefingeerde zelfmoord van Bertus. Ik had graag dat je De Cock daarbij hielp.’
‘Ik wil verlof,’ zei ik nukkig.
De Ouwe keek mij onderzoekend aan.
‘Wat is er de laatste tijd toch met je aan de hand? Je bent zo onhandelbaar, zo dwars. Ik begrijp er geen steek van. We hebben toch altijd heel goed met elkaar kunnen opschieten?’ Een moment overwoog ik om hem mijn moeilijkheden voor te leggen, maar ik wist dat het geen zin had. De Ouwe hield zich aan de regels. Hij kon ook niet anders.
‘U bent een goede chef,’ zei ik rustig. Het was geen mooipraterij. Ik meende het. ‘Ik wil alleen maar verlof. Ik wil ’r eens een paar dagen tussenuit.’
Hij zuchtte.
‘Misschien is het ook wel goed,’ zei hij. ‘Je hebt nogal wat zaakjes gehad, de laatste tijd. Een beetje te veel.’
Hij wuifde mij vriendelijk van zijn kamer.
‘Een paar prettige dagen, Peet.’
Ik glimlachte.
In mijn zak had ik een brief met een verzoek tot ontslag. Die gaf ik hem niet.
Ik slenterde het bureau uit en liep rechtdoor de Heintje Hoeksteeg in. Waarom ik dat deed? Ik wist het niet. Het was niet mijn directe weg naar huis.
Midden in de steeg draaide ik mij om en keek naar de bakstenen gevel met het woord Politie; naar de geelrode lamp, die ’s nachts altijd brandde; naar de ingang, die nooit werd gesloten; naar de blauwstenen stoep, die diep was uitgesleten… en een gevoel van weemoed overviel mij. Het was eigenlijk voor het eerst dat ik naar die gevel keek en dat alles zag. Twintig jaar lang was ik daar in- en uitgegaan, had ik meegeholpen die stoep uit te slijten. Was dat nu allemaal voorbij?
Ik had mijn baan, mijn beroep, in handen gelegd van een man die ik had moeten arresteren omdat hij een moord had begaan. Ik had de keuze aan hem gelaten: een keuze, die ik niet had willen beïnvloeden, waarop ik geen pressie had willen uitoefenen. Ik rekende op zijn persoonlijk gevoel van verantwoordelijkheid. Mocht ik daarop rekenen?
Het was eigenlijk een idiote situatie. Niemand zou het begrijpen. Niemand zou mijn motieven aanvaarden. Ik had mijn plicht verzaakt en daarom had ik die ontslagbrief in mijn zak. Ze zouden denken dat ik was omgekocht. Maar dat was niet waar. Geld was geen motief. Niet voor mij. Ik liep verder. Wat was mijn motief?
Thuisgekomen vertelde ik alles aan mijn vrouw. Ze scheen niet eens bijzonder verbaasd.
‘Ik wist,’ zei ze, ‘dat het eens zou komen. Ik heb er in feite al die jaren op zitten wachten.’ Ik keek haar verwonderd aan.
‘Ja,’ zei ze kalm, ‘het was onvermijdelijk. Al die jaren dat je het recherchewerk nu al doet, heb ik je gadegeslagen. Ik heb je beslissingen zien nemen tegen je gemoed, tegen je gevoel in. En dat alleen omdat je plicht het voorschreef. Als je werkelijk de man was voor wie ik je hield, dan moest je vandaag of morgen wel in een situatie komen, waarin dat woord “plicht” voor jou haar dominerende betekenis zou verliezen. Wel, het is zover.’ Ze glimlachte vertederd. ‘En ik ben er blij om.’
Tegen een uur of acht kwam Klaas Trump. Mijn vrouw ontving hem hartelijk. Voor zijn komst had ik met haar overlegd of ik hem alles zou vertellen.
‘Dat moet je zelf weten,’ had ze gezegd, ‘jij weet in hoeverre je hem kunt vertrouwen.’ We zaten gezellig bijeen.
Mijn vrouw speelde de perfecte gastvrouw met veel allure. Ze serveerde koffie en nam opgewekt aan het gesprek deel. Het gebeurde niet zo vaak dat wij bezoek ontvingen. Ik kende haar in deze rol niet zo goed.
Klaas brandde van nieuwsgierigheid, maar wachtte geduldig tot ik er zelf over zou beginnen. Ik aarzelde nog. We babbelden over allerlei onderwerpen, maar de zaak Anna Bentveld kwam voorlopig niet ter sprake.
Tegen negen uur rinkelde de telefoon. Ik stond op en pakte de hoorn.
‘Ik heb mijn keuze gemaakt en mijn besluit genomen,’ zei een stem, die ik kende. Het klonk theatraal, maar ik wist, dat het een moeilijk besluit was geweest.
‘Het is uw keuze,’ antwoordde ik kalm. ‘U kent mijn standpunt.’ De man aan de andere kant van de lijn zuchtte. ‘Ja,’ zei hij, ‘maar dat ontslaat mij niet van mijn verantwoordelijkheid.’ Toen verbrak hij de verbinding.
‘Wat was dat?’ vroeg mijn vrouw.
‘Een telefoontje,’ antwoordde ik gelaten, ‘een telefoontje, dat ik min of meer verwachtte.’
Ze vroeg niet verder.
Klaas zat er niet-begrijpend bij. Ik glimlachte tegen hem.
‘Wanneer dat telefoontje niet gekomen was, dan had ik je waarschijnlijk niets verteld. Nu kan ik dat wel doen, want wat ik je ga vertellen, kun je morgen grotendeels in de kranten lezen. Ik zeg grotendeels. Over dat deel dat je morgen niet in de kranten leest, vraag ik je te zwijgen.’
Hij knikte ernstig.
‘Natuurlijk Peet, als je dat wilt.’
‘Ja, ik wil het. Want als de Ouwe de ware toedracht weet, zal hij mij niet langer als rechercheur kunnen handhaven. En ik wil en mag er nu niet mee ophouden.’ Ik slaakte een diepe zucht. ‘Maar laten we daar niet langer bij stilstaan. Je wilt de geschiedenis van de beide moorden?’
Hij knikte.
‘Goed Klaas, je hebt er recht op. Laat ik je dan om te beginnen een stukje voorlezen. Voor een beter begrip, geloof ik dat het nodig is. Misschien ligt hier wel de kiem… het begin.’ Ik pakte mijn notitieboekje en las.
Je werkt, je werkt, en iedere minuut word je ouder. Plotseling bemerk je dat je nooit hebt geleefd. Het is een bittere gewaarwording. Je vrouw is van je vervreemd en je kinderen zijn je ontgroeid. Er is een breuk, een onherstelbare breuk. Je kunt geen jaren overbruggen. Ze zijn vergleden, ongemerkt, weg, de eeuwigheid in. Je bent geacht, geëerd en je hebt geld. Veel geld. Geld, dat je zo belangrijk vond dat je er alles voor opofferde. Maar met geld kun je geen jaren van je leven terugkopen. Je kijkt in de spiegel. Het haar is grijs geworden en om te schijnen wat je denkt te zijn — een sportief zakenman — rooster je je hoofd onder een hoogtezon, want je gunt je geen tijd om je in de echte zon te koesteren. Het is alles leugen, leeg, doelloos, want het doel op zich, is geen doel. Wat kun je met geld doen? Je kunt ermee gokken en je kunt er zelfs een vrouw mee kopen. Of eigenlijk, geen vrouw, maar een vrouwenlijf, een lichaam, maar geen ziel. Want in hun hart haten ze je, omdat jouw geld ze tot slaaf heeft gemaakt.
Ik klapte mijn boekje dicht.
‘Nogal triest,’ zei Klaas.
Ik knikte met een ernstig gezicht.
‘Het zijn de woorden van Charles van Duuren. Ik heb ze onthouden en later opgeschreven, omdat ik ze zo kenmerkend vond. Volgens mij vormen ze de feitelijke aanleiding tot het hele drama.’
‘Hoezo?’
‘Wel, toen Van Duuren merkte dat de tijd niet had stilgestaan, meende hij een achterstand te moeten inhalen en begaf zich in kringen die hij vroeger angstvallig zou hebben gemeden. In het huis waar Van Duuren zo nu en dan een gokje waagde, kwamen meer mensen zoals hij; captains of industry en anderen, die wel iets te verteren hadden. Het was het operatieterrein van Anna Bentveld en Mooie Bertus.
Anna drong zich aan Van Duuren op. En Van Duuren was een willige prooi. Hij had in zijn leven weinig liefde ontmoet en was wel gecharmeerd van de attenties van een mooie vrouw. En Anna was mooi, uitzonderlijk mooi.
Aanvankelijk speelden Anna en Bertus hun oude spelletje. Ongeveer een maand na de eerste kennismaking, presenteerde Bertus zich weer als de bezorgde broer van Anna. Van Duuren was echter een man van een ander kaliber dan de tuinderszoon uit het Westland, van wie ik je eens vertelde. Hij beschikte ook over meer mogelijkheden. Toen “broer” Bertus met het beproefde voorstel van het sigarenzaakje kwam, ging Van Duuren daar niet op in. Hij had een ander plan.
Hij installeerde Anna heel comfortabel in dat huis aan de Keizersgracht en verzorgde haar ruim van geldmiddelen. Anna proefde voor het eerst in haar leven iets van “geborgen zijn”. Ze behoefde zich niet meer aan eenieder voor een paar luttele rijksdaalders te verkopen. Het was alsof ze uit een boze droom ontwaakte. Op aanwijzingen van Van Duuren ging ze zich ook anders kleden. Niet meer zo uitbundig. Hij adviseerde haar bij een nieuwe garderobe. Van Duuren heeft smaak. Onder zijn invloed veranderde ze volkomen, en niet alleen uiterlijk. Spoedig speelde ze de rol van een pasgetrouwd vrouwtje. Een rol waar ze in opging. Van Duuren behandelde haar voorkomend en correct. Hij hield haar ook niet op de achtergrond. Hij trad met haar in het openbaar en nam haar mee naar toneelvoorstellingen, opera’s en concerten. Voor Anna ging een nieuwe wereld open en ze genoot ervan met volle teugen.
Van Duuren is een charmant man. Ik kan dat getuigen. Aanvankelijk beschouwde Anna zijn bezoeken nog als een noodzakelijke tegenprestatie voor de luxe waarmee hij haar omgaf. Maar geleidelijk aan veranderde dat. Ze ging naar zijn bezoeken verlangen. Er ontstond tussen hen beiden een band, een intimiteit, met iets van dat subtiele gevoel dat men liefde noemt. De basis van hun verstandhouding lag, hoe vreemd het ook klinkt, in hun beider verleden. Ze hadden ieder voor zich, in hun hunkering naar geld, nooit werkelijk geleefd, nooit iets geproefd van de intense vreugde, die het menselijk contact kan geven. Ik idealiseer dit niet, geloof me, ik ben nuchter genoeg. Maar je moet de verhouding Van Duuren-Anna Bentveld toch niet alleen zien in het licht van haar verleden. Ik bedoel, Anna was op den duur niet meer de hoer die haar gunsten exclusief aan Van Duuren had verkocht. Ze was meer, veel meer. De verhouding was door hen beiden ver boven het niveau van het banale getild. Het droeg zelfs het aureool van liefde.
Je begrijpt dat dit alles Mooie Bertus niet zinde. Anna verschafte hem zo nu en dan wel iets van haar overvloed, maar daar nam Bertus op den duur geen genoegen mee. Anna was voor hem altijd een ruime bron van inkomsten geweest en hij voelde dat ze hem ontglipte.
Op een dag kwam hij met een voorstel. Hij moest twintigduizend gulden hebben, dan zou hij haar verder ongemoeid laten. Anna was wanhopig.
Bij een volgend bezoek van Van Duuren biechtte ze hem alles op. Ze zei hem, dat Bertus geen broer van haar was, maar haar ex-souteneur. Ze vertelde dat Bertus haar altijd had geëxploiteerd en dat ze er nu alles voor over had om van hem af te komen. Van Duuren was wel bereid om die twintigduizend gulden zonder meer te betalen, maar Anna was daar fel op tegen. Ze kende Bertus al jaren en ze wist dat die twintigduizend gulden slechts het begin zouden zijn van een eindeloze reeks afpersingen. Ze had een ander plan. Bertus moest in een situatie worden gebracht, waarin het hem onmogelijk werd om zijn chantageactiviteiten voort te zetten. Ze zou een valletje voor hem opzetten en de nummers van de bankbiljetten noteren.
Na enige bedenkingen ging Van Duuren met het plan akkoord. De volgende avond gingen ze beiden bij Bertus op bezoek. Van Duuren vertelde hem, dat hij onmogelijk die twintigduizend gulden kon geven. Hij had ze niet, althans niet privé. Hij beschikte natuurlijk wel over geld, maar dat was geld van de zaak en daar mocht hij niet aankomen. Bertus begreep. Toch wilde Van Duuren Anna wel vrij kopen. Het was hem die twintigduizend wel waard, zelfs wel meer. Daarom had hij een plannetje. Hij zou in het huis van Anna Bentveld een tas met vijfentwintigduizend gulden achterlaten; geld van de zaak. Die tas kon Bertus krijgen, maar onder één voorwaarde: hij moest die tas uit het huis van Anna weghalen door middel van een inbraak. En het moest een duidelijke inbraak zijn, zodat Van Duuren het verlies van het geld kon verantwoorden.’
Klaas glunderde.
‘Het was een aardig opgezet valletje,’ zei hij. ‘En… ging Bertus erop in?’
‘Ja, hij vond het een goed plan. Hij wilde alleen een kleine verandering. Hij vroeg twintigduizend vooruit en vijfduizend in de tas.’
‘Waarom?’
‘O, de verklaring die hij gaf was heel plausibel. Hij redeneerde als volgt: “Word ik bij de inbraak gepakt en er zitten vijfentwintigduizend gulden in de tas, dan ben ik alles in één keer kwijt. Zitten er slechts vijfduizend in de tas, dan raak ik wel die vijfduizend kwijt, maar dan heb ik nog twintigduizend achter de hand.” ’
‘Een handige redenering,’ grinnikte Klaas.
Ik knikte.
‘Inderdaad. Zeker gezien in het licht van hetgeen later gebeurde. Bertus was opgegroeid in de misdaad. Hij had een lange ervaring. Hij vormde in feite geen partij voor het duo Van Duuren-Anna. Hij was veel sluwer. Toch geloof ik niet, dat hij argwaan had. Hij had op dat moment ook nog geen enkele reden om te wantrouwen. Het voorstel van Van Duuren was heel aanvaardbaar. De kleine verandering die Bertus wenste, kan je beschouwen als een normale risicovermindering.’
Klaas knikte.
‘Ging Van Duuren akkoord?’
‘Ja, Van Duuren had geen bezwaar. De afspraken werden gemaakt. Bertus kreeg twintigduizend vooruit. De tas met de overige vijfduizend zou hij de bewuste avond uit het huis van Anna weghalen en hij zou daarbij zorgen voor een duidelijke inbraak. Het was een gentleman’s agreement. Bertus kreeg zijn geld. Van Duuren kreeg Anna. En de politie werd om de tuin geleid.’
‘En dat,’ onderbrak mijn vrouw, ‘was het voorspel tot het drama.’
Ik knikte traag en zweeg.
Mijn vrouw stond op en pakte de glazen. Ik had nog een klein voorraadje Franse cognac, speciaal bewaard voor bijzondere gelegenheden. Ik vond dat dit zo’n gelegenheid was. Ik strekte mijn benen behaaglijk naar de haard en dronk met kleine teugjes. Klaas zat in zijn fauteuil te wippen. Hij was nog te jong om van een goed glas cognac te kunnen genieten.
‘Verder, Peet,’ drong hij aan.
Ik zette mijn glas neer.
‘Wat er zich die bewuste avond nu precies heeft afgespeeld,’ zo ging ik verder, ‘zal wel nooit geheel opgehelderd worden. We weten, dat Bertus zich niet aan zijn afspraak hield. Hij ging de tas met geld niet zelf halen, maar stuurde Pepi, een tweederangs inbrekertje, die nogal ruw werk afleverde. Bertus nam dus genoegen met de twintigduizend gulden die hij reeds had ontvangen. Ik denk dat hij er weinig voor voelde om voor die extra vijfduizend enig risico te lopen. Er bestond toch altijd de kans, dat hij bij die inbraak werd gepakt. Het spreekt vanzelf, dat Pepi van het hele voorspel niets wist. Hij werd gewoon door Bertus getipt. Meer niet. Volgens de vooraf gemaakte afspraken ging Anna die avond naar de bioscoop en kwam kort na middernacht thuis. De inbraak was toen al gepleegd.’
‘Wat zeg je?’ riep Klaas.
‘Ja, de inbraak was toen al gepleegd. De Wilde heeft dit nagetrokken. Toen hij Pepi voor de tweede keer verhoorde, verkreeg hij zoveel inlichtingen, dat hij een tijdschema kon opstellen en daaruit bleek, dat Pepi zo rond het middernachtelijk uur in het huis van Anna moest zijn geweest. Zeker niet later.’
‘Pepi,’ zei mijn vrouw, ‘kon de moord dus nooit hebben begaan.’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee, want van Maffe Beppie weten we, dat Anna Bentveld een uur later nog in leven was. Ze zag haar op de gracht. Anna kwam toen kennelijk vanuit de Bethlehemsteeg en was op weg naar de Keizersgracht. De afstand te voet bedroeg binnendoor elf minuten. Met een auto doe je het in de binnenstad niet veel sneller. Wanneer Maffe Beppie haar om één uur zag, dan was Anna zo ongeveer tien à elf minuten na énen thuis. Als we vijf minuten rekenen voor het verkleden — ze werd in haar nachtjapon gevonden — dan werd zij zo omstreeks kwart over één vermoord.
Waarom Anna na haar thuiskomst uit de bioscoop nog naar het huis van Mooie Bertus is gegaan, zal wel nooit precies achterhaald worden. Ze kan het zelf niet meer vertellen. Ik heb echter wel een vermoeden, die de waarheid heel dicht zal benaderen en tevens een verklaring geeft voor het motief van de moord.’ Ik pakte mijn glas en nam nog een slokje.
‘Kom, Peet,’ zei Klaas ongedurig, ‘ik ben nieuwsgierig.’
‘Toen Anna bij haar thuiskomst de inbraak ontdekte, was ze ervan overtuigd dat Mooie Bertus in het valletje was gestapt. Ze wist natuurlijk niet, dat hij Pepi had gestuurd, maar meende dat Bertus volgens afspraak de inbraak zelf had gepleegd. Ze voelde zich gespannen en dacht eindelijk van haar kwelgeest te zijn verlost. Met de nummers van de bankbiljetten in haar bezit had ze een machtig wapen tegen Bertus. Ze behoefde de nummers van de bankbiljetten maar aan de politie door te geven en Bertus ging voor de inbraak het hok in. Bertus had een panische angst voor de cel. Ik weet dat van anderen en ook Anna zal hier zeker van op de hoogte zijn geweest.
Ik denk dat ze in een roes van triomf naar Bertus is gestapt en hem honend heeft verteld hoe de vork in de steel zat. Ze zal daarbij beslist wel hebben gezegd, dat ze ook zou praten over al die andere chantagezaakjes uit het verleden, wanneer Bertus het nu nog zou wagen ook maar iets tegen haar en Van Duuren te ondernemen. Bertus zal aanvankelijk te beduusd zijn geweest om direct te handelen. Pas toen hij de zaak overdacht en begreep in welke situatie hij zich bevond, is hij tot actie overgegaan. Het feit, dat hij met die twintigduizend gulden die hij reeds in zijn bezit had, toch niets zou kunnen beginnen, omdat hij ze zonder risico niet kon uitgeven, zal mede een stimulans zijn geweest.
Bertus ging — zoals zijn aard — sluw te werk. Hij begreep dat hij snel moest handelen. De omstandigheden waren gunstig. Wanneer hij Anna in haar huis zou vermoorden voordat de inbraak door anderen was ontdekt, dan zou iedereen, ook de recherche, denken dat de moord door de inbreker was gepleegd. En hij was de inbreker niet, dat was Pepi.
Van Van Duuren meende hij niets te duchten, omdat Van Duuren zich door het plannetje zelf in een bepaald netelige situatie had gewerkt.
Hij ging haar achterna en wachtte tot ze thuis was. Ik denk dat hij normaal heeft aangebeld en dat Anna, die Van Duuren verwachtte, de buitendeur voor hem heeft opengedaan.’
‘Dus Bertus vermoordde Anna.’
‘Ja, de bloedspatjes op zijn broek en de twintigduizend gulden die in zijn woning zijn gevonden, vormen tezamen wel een afdoend bewijs.’
Ik zuchtte.
‘Och, het bewijs van zijn schuld is eigenlijk niet meer zo belangrijk. Bertus is inmiddels voor een andere rechter verschenen.’ Ik grijnsde. ‘Een rechter, die zelfs zonder recherche alles weet.’
Een tijdlang zwegen wij.
Ook Klaas dacht over de dingen na. Ik zag het aan de peinzende uitdrukking op zijn gezicht. Na een poosje had hij het verwerkt en veerde op.
‘Maar wie vermoordde Bertus?’
Ik had die vraag verwacht, natuurlijk had ik die vraag verwacht. Maar ik had haar zo lang mogelijk willen ontwijken.
‘Van Duuren,’ antwoordde ik.
Hij keek mij stomverbaasd aan.
‘Van Duuren?’
‘Ja,’ zei ik gelaten, ‘Van Duuren.’
‘Maar Peet…’
Ik stak mijn hand op.
‘Stil maar,’ zei ik, ‘ik weet wat je zeggen wilt. Waarom arresteerde je hem niet?’
‘Ja,’ zei hij weifelend.
Ik zuchtte.
‘Omdat ik het niet kon.’
‘Niet kon?’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Nee, ik kon het niet. Mijn gevoel van rechtvaardigheid kwam ertegen in opstand.’ Ik beet op mijn onderlip. ‘Ik zal het je proberen uit te leggen. Wie was Bertus?’ Ik haalde mijn schouders op. ‘Een verachtelijke souteneur, chanteur, een parasiet van onze samenleving. Wie was daarentegen Van Duuren? Een belangrijk man, hoofd van een grote onderneming, zevenhonderd gezinnen zijn van hem afhankelijk.
Wie treurt er om de dood van Bertus? Niemand. Zijn dood is in maatschappelijk opzicht een winstpunt. Maar wanneer nu Van Duuren voor zijn, utilistisch gezien, positieve daad zou worden gestraft, dan betekende dit voor de samenleving een verlies, een groot verlies. De keuze was uiteindelijk niet moeilijk. Daarom liet ik…’
‘Peet…!!’
Ik keek op en ontmoette de blik van mijn vrouw. Haar anders zo zachte ogen stonden star, en keken mij fel en doordringend aan.
‘Waarom lieg je, Peet? Waarom vertel je die jongen de waarheid niet? Waarom verschuil je je achter die dorre theorie van de nuttigheid? Het is een leugen, Peet… en je weet het! Je hebt mij vanmiddag datzelfde verhaaltje verteld. Ik heb je daar toen niet over aangevallen. Ik voor mijzelf weet wat de ware reden is. Maar voor je zelf in die malle theorie gaat geloven, is het beter dat je de waarheid onder ogen ziet.’
Ik liet mijn hoofd zakken.
‘Je hebt,’ ging ze verder, ‘toch geen moment gedacht, dat ik jouw verhaaltje over de nuttigheid zou geloven? Peet… heb je dat gedacht?’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Je hebt gelijk,’ zei ik timide. ‘Het was een leugen.’
‘Wat was dan de reden?’ vroeg Klaas.
Ik antwoordde niet direct. Ik wist zijn ogen op mij gericht. Ik kende ook de spanning op het gezicht van mijn vrouw.
‘Ik… eh, ik…’ stamelde ik, ‘ik ben medeschuldig aan zijn daad.’
‘Medeschuldig?’
Het was de stem van Klaas.
‘Ja,’ zei ik langzaam, ‘medeschuldig. Ik had die tweede moord kunnen voorkomen. Van Duuren is het slachtoffer geworden van mijn fouten, van mijn gebrek aan scherpzinnigheid.’ Ik keek opnieuw naar mijn vrouw. Haar ogen hadden weer die zachte uitdrukking, die ik zo goed kende.
Ze knikte mij bemoedigend toe.
‘Het is niet prettig,’ zei ik zacht, ‘om je eigen fouten aan anderen te moeten bekennen. Dat is nooit prettig. Maar het is moreel gesproken een misdaad om een ander voor je eigen fouten te laten boeten. Zo voel ik dat en in die geest heb ik gehandeld.’ Ik zuchtte.
‘Wanneer ik scherpzinniger was geweest, bedachtzamer, oplettender, dan had Van Duuren zijn daad nooit kunnen plegen. Ik had dan zeker — net als De Cock later — reeds een dag na de moord op Anna Bentveld, in het huis van Mooie Bertus de broek met de bloedspatjes en het pakje met de twintigduizend gulden gevonden. Zie je, voldoende aanwijzingen om Bertus te arresteren. Van Duuren had dan geen moord gepleegd en Bertus had nog geleefd. Begrijpen jullie nu hoe groot mijn schuld is? Begrijpen jullie dat?’ Ik sloeg met mijn hand op mijn borst. ‘Ik… eh, ik ben er geweest. Ik was een dag na de moord in de woning van Bertus. Ik had de bewijzen zo kunnen plukken. Maar ik heb niet doorgedacht. Ik… ik heb gewoon niet doorgedacht.’ Ik schudde mijn hoofd en balde mijn vuisten.
‘Ik kan mij nu nog voor mijn kop slaan. Waarom was ik niet scherper? Waarom heb ik het niet gezien? Ik ken toch mijn werk? Ik ben een oude rot in het vak.’
Ik streek met mijn hand langs mijn ogen en slikte.
‘Begrijpen jullie nu waarom ik Van Duuren niet arresteerde? Ik voelde mij zo schuldig aan zijn daad, dat ik het eenvoudig niet kon. Ik kon het niet. De gedachte…’
Ik schudde opnieuw mijn hoofd.
‘Nee, ik ben net zo schuldig aan de dood van Bertus als hij.’ Klaas reageerde fel.
‘Maar jij kon toch nooit weten wat Van Duuren van plan was,’ riep hij geëmotioneerd. ‘Jij kon zijn daad toch niet voorzien?’ Ik keek hem aan.
‘Nee,’ zei ik, ‘zijn daad kon ik niet voorzien. Maar maakt dat enig verschil? Ik had zijn daad kunnen voorkomen.’ Klaas schudde verbeten zijn hoofd.
‘Van Duuren had die moord toch niet behoeven te plegen,’ antwoordde hij heftig. ‘Niemand dwong hem. Het was zijn eigen vrije wil. Ongeacht jouw fouten… die ik overigens nog lang niet als fouten zie… is Van Duuren toch zelf verantwoordelijk voor zijn daad.’ Ik knikte.
‘Je hebt gelijk, Klaas. Ook hij is verantwoordelijk. Maar je begrijpt toch, dat ik hem niet in triomf kon meeslepen. Ik heb de keuze aan hem gelaten.’
‘Keuze?’
‘Ja,’ zuchtte ik. ‘Van Duuren en ik hebben er samen lang over gesproken. Ik heb hem verteld waarom ik hem niet naar een politiebureau bracht. Hij kon zichzelf melden, heb ik gezegd, wanneer hij dat wilde, wanneer hij zich zijn eigen verantwoordelijkheid bewust was. Ik heb hem gezegd dat ik mijn ontslag bij de recherche zou nemen, wanneer hij zich niet zou melden, wanneer ik vandaag geen bericht kreeg, dat hij zich als dader van de moord op Bertus had bekend gemaakt.’
‘En…?’
Ik schonk hem een matte glimlach.
‘Hij is onderweg.’
Zo tegen een uur of elf nam Klaas afscheid. Opnieuw beloofde hij mij te zullen zwijgen over mijn aandeel in de zaak-Anna Bentveld.
Ik glimlachte.
‘Je bent nog zo jong,’ zei ik. ‘We krijgen op den duur zo allemaal onze geheimen.’
Hij schudde ons hartelijk de hand en vertrok. Aan de deur wuifden wij hem na.
Ik ging terug naar mijn fauteuil en schonk mij nog eens in. Mijn vrouw kwam bij mij zitten.
‘Waarom heb je hem niet van de baby verteld?’ vroeg ze. Ik staarde in mijn glas.
‘Er is nog meer, dat ik hem niet vertelde. Ik heb Van Duuren ook nog een belofte gedaan.’
‘Een belofte?’
Ik knikte traag.
‘Hij vroeg mij of ik de opvoeding van het kind op mij wilde nemen, wanneer hij zich voor de moord zou melden. Ik had hem verteld, dat ons huwelijk kinderloos was gebleven.’
‘En…?’
Ik wreef met de rug van mijn hand langs mijn voorhoofd.
‘Ik… eh, ik heb aanvankelijk geweigerd. Ik durfde het niet goed aan. Maar uiteindelijk heb ik toch “ja” gezegd.’
Haar ogen begonnen te schitteren.
‘Bedoel je…’
Ik knikte.
‘We krijgen de baby van Anna in huis.’
Ze zakte weg in haar fauteuil en staarde peinzend in het niets. Ik keek haar vertederd aan. Ze zat daar in een houding die mij zo vertrouwd was. De handen in haar schoot, het hoofd een beetje schuin. Om haar lippen speelde een gelukkige glimlach.