Ik liet een kort briefje voor mijn vrouw achter, stapte voor de deur in mijn oude autootje en reed als een razende naar het bureau. Ik was ervan overtuigd dat ik tijdens mijn rit een paar verkeersovertredingen beging, maar dat kwelde mij niet. Iets dreef mij.
Ik rende het bureau binnen.
‘Waar is Pepi?’ vroeg ik aan de wachtcommandant. ‘Waar is ie?’ Hij keek mij verbaasd aan. ‘Boven,’ gebaarde hij. ‘De Wilde is met hem bezig.’
‘Hoe lang?’
‘Een goed halfuur.’
Ik stormde de twee trappen op. Nog hijgend kwam ik de recherchekamer binnen. Vanuit het verhoorkamertje klonk de harde stem van De Wilde. Ik bleef staan en luisterde gespannen toe.
‘Jij hebt die vrouw de hersenen ingeslagen. Weet je wat dat betekent?’ De Wilde schreeuwde zoals altijd. ‘Dat betekent moord.’ Zijn stem klonk hard, doordringend. ‘Moord, hoor je, moord.’ De woorden van De Wilde zwiepten als geselslagen. Steeds feller, steeds heviger en minder beheerst schreeuwde hij zijn beschuldigingen uit. Het was een donderende waterval van klanken. ‘Zo gaat het met jongetjes als jij, zo gaat het. Kleine diefjes, vunzige kleine diefjes, ratjes… steeds verder de misdaad in… totdat… totdat ze niet verder kunnen… totdat ze het ergste hebben gedaan dat er maar is… moord. Jij hebt haar de hersens ingeslagen, jij…’
Om mij te kalmeren stak ik een sigaret op. De hand waarin ik de lucifer hield, beefde. En de stem van De Wilde zaagde maar door.
‘Zeg het, zeg dat je het hebt gedaan. Wees voor één keer een vent… toon voor één keer dat je nog ergens karakter in je body hebt… of heb je dat niet… ben je werkelijk een rat… een…’ Het bloed stuwde naar mijn hoofd en in mijn maagstreek voelde ik een vreemde pijn. Ik had naar binnen willen stormen om die stem te snoeren… die indringende, doorhamerende stem, die bonsde tegen mijn slapen. Ik wist mij te beheersen. Het kostte mij alles. Ik wilde geen scène in het bijzijn van Pepi. Ik hoopte alleen dat hij het uithield, dat hij de stortvloed zou weerstaan. Ik stond nog nerveus aan mijn sigaret te trekken, toen De Wilde met een rood hoofd uit het verhoorkamertje kwam. Hij schrok toen hij mij zag.
‘O… o,’ stamelde hij, ‘ben jij er ook? Ik… ik wist niet, dat je er was.’
‘Ja,’ zei ik met een grijns, ‘ik was er en ik heb je gehoord… elk woord. Het was weer fraai.’ Ik liep langzaam naar hem toe, een verbeten trek om mijn mond. ‘Was het nodig? Was het nodig om zo tegen hem tekeer te gaan?’ Mijn stem trilde van ingehouden emotie.
Hij keek mij aan. In zijn ogen las ik een mengeling van haat en schuwe angst.
‘Dat… dat gaat je geen bliksem aan. Daar heb je niks mee te maken.’
‘Het is anders mijn zaak,’ antwoordde ik fel.
Om zijn lippen verscheen een nerveuze grijns.
‘Als ik het aan jou zou overlaten… als ik het aan jou zou overlaten, kwam er geen bliksem van terecht.’ Hij streek met zijn vingers tussen zijn boordje. ‘Jij met je slappe maniertjes.’ Ik balde mijn handen tot vuisten. Slechts ten koste van al mijn energie hield ik mijn spieren in bedwang. Ik had hem kunnen vermorzelen, op dat moment. In mij woelde een wilde drift. Mijn lichaam tintelde van ingehouden kracht en beteugelde emotie. Blijkbaar las hij de spanning van mijn gezicht en voelde de dreiging. Hij schuifelde van mij weg. Steeds verder. Aan de andere zijde van de kamer bleef hij staan, beschut, achter een barrière van bureaus. Zijn ogen stonden angstig. De grijns was van zijn gezicht verdwenen.
‘Je moet die lui nu eenmaal wel hard aanpakken,’ zei hij weifelend. ‘Dat is de enige manier om het hun duidelijk aan het verstand te brengen.’
‘Wat?’
Hij keek mij verward aan.
‘Dat… eh, dat ze niet zomaar kunnen stelen, moorden en roven.’
‘Wie?’
‘Pe… pe… Pepi.’
Ik knikte grijnzend.
‘Zo vriend De Wilde, zo…’ mijn stem droop van puur sarcasme, ‘jij hebt je oordeel dus al geveld… jij weet het allemaal al… jij hebt Pepi al veroordeeld.’ Ik snoof. ‘Hoeveel straf krijgt-ie van je? Tien, twintig jaar, levenslang?’
Hij stond naar adem snakkend aan de andere kant van een bureau. Ik stak waarschuwend een vinger naar hem uit.
‘Luister eens goed naar me, De Wilde,’ siste ik dreigend. ‘Ik breek je elke bot in je gore lijf als je het van nu af aan nog één keer waagt die jongen onder verhoor te nemen. Je bewaart je zo perfecte pedagogie maar voor je eigen kinderen. Heb je dat goed begrepen? De wet geeft je volkomen het recht om die te verpesten, maar van Pepi blijf je af.’
Ik zag dat hij nog iets wilde zeggen, maar ik draaide mij om en liep naar het verhoorkamertje. Met de kruk in mijn hand bleef ik staan en wachtte geduldig tot mijn hart weer zijn regelmatige cadans had gevonden. Ik voelde hoe mijn innerlijke spanning langzaam wegebde. Ik zuchtte diep en stapte naar binnen. Op een stoel, met zijn rug tegen de radiator, zat Pepi. Hij zag bleek, angstig bleek. Zijn haar hing verwilderd voor zijn ogen. Bij de deuropening bleef ik staan en keek op hem neer. Plotseling kroop in mij een verbitterd gevoel. Ik wist niet waarom. Ik kon het niet verklaren. Het zien van die ineengedoken jongen, schichtig, angstig als een pas gevangen dier, gaf mij een gevoel van opstandige machteloosheid. Vreemd. Ik wist niet tegen wie ik dat gevoel moest richten. Tegen de samenleving, tegen de maatschappelijke orde, tegen Pepi, of tegen mij zelf? Ik wist het niet. Maar de bitterheid bleef.
Mijn blik gleed langs hem heen.
Hij droeg een blauwe spijkerbroek en, zoals zovelen van zijn soort, een zwart leren vest met gevlochten epauletten. Braniekleding, zonder branie. Uiterlijk vertoon om innerlijke onrust te verbergen.
Pepi was eigenlijk nooit volwassen geworden. Ondanks zijn zesentwintig jaren kon ik geen man in hem zien. In mijn gedachten was hij nog altijd dezelfde jongen, met wie ik negen jaar geleden voor het eerst te maken kreeg. In die negen jaar had ik hem ettelijke keren ontmoet. Ik had hem verhoord, wanneer hij weer eens was gegrepen. Ik had lange gesprekken met hem gevoerd, vermanende toespraken gehouden en… processen-verbaal tegen hem opgemaakt. Dat had ik gedaan. Dat was mijn aandeel in zijn leven. Dat was mijn bijdrage aan zijn onvolwassenheid. En wat zou ik nu doen? Ik had al gezien dat zijn blauwe spijkerbroek was gescheurd en dacht aan het blauwe draadje katoen, dat ik in het huis van Anna Bentveld aan een glassplintertje had gevonden. Het was dezelfde stof. Zonder twijfel. Ik wist nu al dat de pientere luitjes van het laboratorium mij dat zouden bevestigen. Ik keek naar zijn rechterhand, steunend op zijn knie. Met die hand had hij het breekijzer vastgehouden. De geeldoortrokken vingers met de afgekloven nagels hadden er hun afdrukken op achtergelaten. Een duidelijk en onweerlegbaar spoor. Elke rechter zou het als bewijs aanvaarden en geen advocaat, hoe geslepen, hoe knap ook, zou maar de geringste twijfel kunnen zaaien. Pepi was kansloos, volkomen kansloos. Zelfs een leek kon dat bezien. Wat viel er nog te overdenken?
Ik hoefde mijzelf toch geen enkel verwijt te maken? Waarom zou ik mij kwellen? Ik was altijd heel vriendelijk voor hem geweest. Ik had hem altijd keurig behandeld. Daar viel niets van te zeggen. En verder? En verder had ik normaal mijn werk gedaan. Daar stak toch niets verkeerds in? Bovendien… wat had ik eigenlijk met die jongen te maken? Niets… totaal niets. Hij had een inbraak gepleegd en een vrouw vermoord. Dat kon niet. Dat mocht niet. De samenleving eiste vergelding. Zo was het. Waarom zou ik het anders willen zien?
Ik wreef nadenkend met mijn hand door mijn haar en besloot tot een kort en sluw verhoor, gericht op een snelle bekentenis. Hij richtte zijn hoofd iets op en keek mij onderzoekend aan. Hij had tot nu ineengedoken naar de vloer zitten staren. Zijn ogen stonden wat angstig. Om zijn dunne lippen gleed een zenuwachtig lachje, een spoortje blijdschap over de herkenning.
‘Dag, meneer Peeters.’
Ik knikte hem vriendelijk toe.
‘Dag Pepi,’ zei ik warm, ‘dag Pepi, m’n jongen. Hoe is het er nou mee?’
Hij slikte iets weg. De warmte van mijn stem had hem zichtbaar ontroerd.
‘Hoe is het nou?’ herhaalde ik.
Hij schudde langzaam het hoofd.
‘Besodemieterd, meneer Peeters.’ Het klonk benepen, alsof hij moeite had zijn tranen te bedwingen. ‘Besodemieterd.’
‘Hoezo, Pepi?’
Hij grijnsde droevig.
‘Ik weet best dat ik niet veel kansen heb, geloof me, ik heb er heel goed over nagedacht.’
‘Nou en?’
Hij keek op.
‘Ik behoef u toch niets te vertellen, meneer Peeters. U weet verdomd goed hoe ik ervoor sta.’
‘En wat zegt dat?’
Hij haalde mistroostig zijn schouders op en liet zijn hoofd weer zakken. Hij antwoordde niet.
Opnieuw gleed mijn blik over zijn kleding.
‘Ga eens staan,’ zei ik.
Hij keek mij aan, maar bleef zitten.
‘Ga eens staan,’ herhaalde ik strenger.
Traag, wat verlegen, stond hij op.
‘Waar heb je je vanavond omgekleed?’
‘Omgekleed, meneer Peeters?’
Ik knikte.
‘Je wilt me toch niet vertellen, dat je zó, in je kapotte broek en leren vest naar het graf van je moeder bent geweest?’ Hij keek mij met grote ogen aan.
‘Graf?’
‘Ja, Pepi.’
Ik zag, dat hij nadacht.
Zijn wenkbrauwen trokken iets naar elkaar toe.
‘Ik ben gaan kijken,’ loog ik. ‘Er waren meer bloemen dan vorig jaar.’
Hij kauwde op de binnenzijde van zijn wang.
‘Pepi, hoe kwam je aan zoveel geld?’
Hij antwoordde niet.
‘Pepi,’ drong ik aan. Hij staarde naar de punten van zijn schoenen. Ik zuchtte.
‘Het is al goed, m’n jong,’ zei ik gelaten. ‘Je behoeft het mij niet te vertellen. Echt niet. Ik weet het ook zo wel. Het is altijd nog beter dat je zwijgt, dan dat je mij een leugen vertelt.’ Ik betrapte mij er op, dat ik tegen hem sprak als tegen een kind. Het bezorgde mij een weemoedig gevoel.
‘Ga maar weer zitten,’ zei ik.
Wat schuchter nam hij tegenover mij plaats.
Hij hield zijn hoofd voorover, zodat ik tegen zijn warrige kruin aankeek. Ik pakte hem voorzichtig aan zijn haren vast en tilde zijn hoofd iets op. Hij liet het zich gewillig doen, stribbelde niet tegen. Zijn grote blauwe ogen waren vochtig. Ik keek hem aan. Een golf van medelijden spoelde door mij heen.
‘Pepi,’ zei ik zacht, ‘waarom heb je je gemeld?’ Hij deed zijn ogen dicht en schudde heftig zijn hoofd. Ik liet zijn haar weer los. ‘Pepi,’ herhaalde ik, ‘Pepi, waarom… waarom heb je je gemeld?’ Hij liet zijn hoofd voorover op het tafeltje vallen en begon te snikken.
‘Omdat u…’ snotterde hij, ‘omdat ze zeiden, dat u mijn zaak zou behandelen.’
Het antwoord verwarde mij. Ik stond langzaam op en legde mijn hand op zijn schouder.
‘En…’ vroeg ik achterdochtig, ‘wat verwacht je daarvan?’
Hij richtte zich op en keek mij aan.
‘Ik heb het niet gedaan, meneer Peeters,’ zei hij hoofdschuddend. ‘Ikke niet. Ik… eh, ik heb die vrouw niet vermoord.’ Ik reageerde niet direct, beet op mijn onderlip, staarde hem onafgebroken aan, probeerde de waarheid van zijn gezicht te lezen. ‘Je weet wat je zegt?’
Hij knikte heftig, de haren op zijn kruin dansten mee. ‘Ik heb die vrouw niet vermoord.’
Ik wreef met mijn hand langs mijn ogen. De jongen bracht mij in de war. Zijn woorden maakten mij nerveus, onzeker. Ik wilde wel geloven wat hij zei. Natuurlijk. Ik wilde het graag geloven. Ik stond er voor open. Inwendig had ik zelfs gehoopt dat hij mij zou zeggen dat hij Anna Bentveld niet had vermoord. Maar mijn verstand, mijn koel verstand, kwam er tegen in verweer. De bewijzen, de feiten, de nuchtere feiten, spraken een andere taal. De jongen loog. Bekennen is zitten: in de penose een gevleugeld woord. Pepi wilde geen moord bekennen. Dáárom zei hij dat hij het niet had gedaan. Maar hij had het wél gedaan. Natuurlijk had hij het gedaan. Het kon niet anders. Hij rekende alleen op mij. Hij gokte, speelde met dat sprankje genegenheid dat ik voor hem voelde. Dat was het. Ik speelde niet met hem, maar hij met mij.
‘Jij,’ schreeuwde ik wild, onbeheerst, ‘jij hebt haar vermoord, vermóóórd!’
Op dat moment kwam De Wilde het verhoorkamertje binnen. Van schrik liet ik Pepi los.
Op het gezicht van De Wilde lag weer die vervloekte grijns. Hij keek mij spottend aan.
‘Pedagogie?’
De vraag droop van sarcasme.
Ik sloeg mijn beide handen tegen mijn gezicht. Een lichte duizeling kroop langs mijn benen omhoog. Ik voelde mij moe, leeg, uitgeput.
‘Wat is er?’ vroeg ik zacht.
Hij wees naar de recherchekamer.
‘Telefoon.’
Met gebogen hoofd verliet ik het verhoorkamertje. Ik had in mijn leven nog nooit zo’n nederlaag geleden.
Ik pakte de hoorn op.
‘Met Peeters,’ zei ik loom.
‘Heeft Pepi Meijer zich al gemeld?’
Het was dezelfde stem van vanmiddag, hetzelfde geluid. Ineens wist ik het. Ineens wist ik van wie die stem was.
‘Visser,’ zei ik nadrukkelijk, ‘ouwe Visser, vanwaar die belangstelling?’
Ik hoorde een paar onverstaanbare klanken.
‘Hallo!’ riep ik. ‘Visser.’
De hoorn werd op de haak gelegd.
Ik bleef in gedachten staan. Wat moest die ouwe Visser? Ik had mij niet vergist. Het was zijn stem. Wat wilde hij van Pepi? Ik begreep het niet. Van een relatie Visser-Pepi had ik nooit gehoord.
De Wilde kwam naar mij toe. Ik zag geen grijns. Ook las ik geen afkeer of verachting. De uitdrukking op zijn gezicht was zelfs vriendelijk.
‘Heeft Pepi nog iets losgelaten?’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Niets. Hij zei, dat hij die moord niet heeft gepleegd.’ De Wilde knikte.
‘Dat dacht ik wel,’ zei hij. ‘Het zat er nog niet in. Ze bekennen nooit direct.’ Hij glimlachte. ‘Laat hem er maar eens lekker een nachtje over slapen. Misschien denkt hij er morgenochtend anders over. Een nachtje in de cel doet soms wonderen.’
‘Ja,’ zei ik wat afwezig, ‘soms wel.’
Hij wees in de richting van het verhoorkamertje.
‘Pepi is al meer met zijn water bij de dokter geweest. Hij kent de slagen van de zweep, moet je rekenen, hij zal niet zo gauw doorslaan.’
‘Nee,’ zei ik.
Hij klopte mij vriendschappelijk op mijn schouder.
‘Enfin,’ zei hij, ‘ik wil ook wel eens naar huis. Ik heb nog niet eens gegeten.’
‘Is de Ouwe al op de hoogte gebracht? Ik bedoel, weet hij al dat Pepi binnen is?’
‘Ja, ik heb hem onmiddellijk gebeld.’
‘Mooi,’ zei ik, ‘laten ze Pepi dan maar naar zijn celletje brengen.’
Hij belde de wachtcommandant.
‘Ga jij ook naar huis?’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Nee, ik wacht nog even of er iets binnenkomt. Je kan nooit weten. En verder ben ik nog van plan om een klein bezoekje af te leggen bij de ouwe Visser. Hij is namelijk de man die vanmiddag belde en vroeg wie van ons de zaak behandelde. Hij belde net weer. Ik herkende nu zijn stem.’
‘Moet ik nog met je mee?’
‘Nee,’ zei ik vriendelijk, ‘ga jij nu echt maar naar huis. Het is mooi genoeg geweest.’
Hij trok zijn jas aan en zette zijn hoed op. Bij de deur wuifde hij. Het was voor het eerst dat hij mij groette. Ik fronste mijn wenkbrauwen en wuifde terug.
Nadat hij was verdwenen, kwamen er twee grote agenten. Ze namen Pepi tussen zich in en leidden hem naar zijn cel. Ik keek hem na. Een nietig figuurtje. De beide agenten torenden hoog boven hem uit. Dienaars der gerechtigheid.
‘Weet u wat fantoompijn is?’
Ik haalde mijn schouders op en keek de ouwe Visser door een mist van rook heen aan. Om zijn lippen speelde een flauwe grijns.
‘Het is een pijn,’ zei hij, ‘die er eigenlijk niet kan zijn, maar die er toch is. Vreemd hè?’
‘Nogal,’ bekende ik.
‘Toch bestaat het,’ zei hij hoofdknikkend, ‘echt. De doktoren hebben het mij uitgelegd. Het zit ’m in de zenuwknobbels… stomme dingen, die zenuwknobbels, ze hebben er soms gewoon geen erg in dat ze zijn afgesneden.’ Hij maakte een mistroostig gebaartje.
‘Fantoompijn. Gewone mensen geloven je niet. Ze denken dat je een geintje maakt. Maar echt hoor, zonder dollen, ik heb soms pijn in de tenen van mijn linkervoet.’ Hij zuchtte. ‘En het is nu toch al zeker vijf jaar geleden dat ze mijn poot hebben geamputeerd.’
Hij schoof op zijn stoel een eindje achteruit en klopte met zijn knokkels op zijn linkerbeen. Het klonk vreemd hol, een sinister geluid.
‘Hoor je het? Kunst.’
Hij frommelde zijn broekspijp iets omhoog en toonde mij een wat vervuilde prothese.
‘Verrot,’ zei hij wrang, ‘gewoon puur verrot… door de suiker.’ Ik trok een bijpassend gezicht.
‘Zie je, en wat verrot is moet eraf.’ Het klonk wijsgerig. Hij schoof zijn stoel wat dichterbij en nipte peinzend aan zijn borreltje.
Mijn blik gleed door het vunzige kamertje. In de hoek op een stoel hing het donkere kostuum van Pepi.
‘Waarom vraag je niet waarvoor ik kom,’ zei ik. ‘Anders ben je altijd zo nieuwsgierig.’
Hij haalde zijn schouders op.
‘Waarom? Ik weet toch waarvoor je komt. Je hebt door de telefoon mijn stem herkend en nu wil je van mij weten waarom ik zo’n belangstelling voor de kleine Pepi Meijer heb. Zo is het toch?’
‘Ja,’ zei ik, ‘zo is het.’
Hij knikte.
‘Ik begrijp het,’ zei hij. ‘Je vraagt je af: wat wil die ouwe Visser? Waarom wilde hij weten wie die moordzaak behandelt? Dat vraag je je af.’
‘Ja,’ zei ik kalm, ‘dat vraag ik mij af.’
Hij zuchtte.
‘Je denkt, wat moet die ouwe met Pepi? Heeft hij misschien de poet van die jongen? En door je achterdochtig politiehoofd zweven al de helingzaakjes die ik bij jullie op mijn lijstje heb staan.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Nou… ik-heb-die-poet-niet.’ Hij boog zich iets naar mij toe. ‘En ik wil ’r ook niet. Ik zou zelfs niet weten waar dat geld zit. Ik wil het ook niet weten, hoor je. Het interesseert me niet. Ik heb het die jongen niet eens gevraagd.’ Hij wachtte even, monsterde de uitdrukking op mijn gezicht. ‘Vreemd hè?’
Ik knikte, omdat hij dat van mij verwachtte.
‘Ja,’ zei hij, ‘net zo vreemd als fantoompijn. Een gewoon mens snapt het niet, maar toch is het de waarheid.’
Hij schoof zijn borrelglaasje iets opzij en leunde met zijn ellebogen op tafel.
‘Geloof me, toen dat joch vanmorgen bij mij binnenstapte en zei dat hij op de Keizersgracht was geweest, toen wilde ik hem van de trap afschoppen. Verdomd, met mijn houten poot. Ik had in de krant van die moord gelezen en je begrijpt dat ik daar niets mee te maken wilde hebben. Zulke zaakjes zijn me te link. Daar trap ik op mijn leeftijd niet meer in. Zie je, een normaal risicootje wil ik nemen. Dat hoort er zo bij. Maar een moord…’ Hij zweeg.
‘Je schopte hem dus niet van de trap,’ zei ik om hem weer op gang te brengen.
Hij schudde zijn hoofd.
‘Ik schopte hem niet van de trap.’ Over zijn gezicht gleed een matte glimlach. ‘Nee, ik kreeg medelijden met dat joch. Je had hem eens moeten zien. Het was zielig. Zo’n brokkie ellende. En toen hij bovendien nog over de sterfdag van zijn moeder begon te wauwelen… nou, toen werd ik gewoon week van binnen.’ Hij verschoof iets op zijn stoel. ‘Weet je,’ zei hij wat kriegel, ‘ze moeten bij mij nooit over hun ouwe moeder beginnen. Daar… daar kan ik niet tegen. In die dingen ben ik nu eenmaal wat gevoelig. Je wilt het misschien niet geloven,’ ging hij verder, ‘maar toen die jongen zei, dat hij per se naar het kerkhof wilde, ben ik zelfs naar het logementje gegaan om zijn pak op te halen.’
‘Welk logementje was dat?’
‘De Veilige Poort. Daar hoorde ik ook voor het eerst, dat hij voor die moord werd gezocht. Ze lieten me daar een krant zien met zijn foto.’
Ik knikte peinzend.
‘Ik begrijp het niet helemaal,’ zei ik. ‘Waarom kwam hij eigenlijk naar jou? Hij had toch overal heen kunnen gaan?’ Hij wreef met de rug van zijn hand langs zijn mond. ‘Ik heb het hem niet gevraagd waarom hij nou speciaal naar mij kwam. Hij kende me van vroeger. Ik had wel eens wat van hem gekocht.’ Hij trok wat nonchalant zijn schouders op. ‘De jongen zat in de knoei. En waar ga je dan naar toe? Ouders heeft de jongen niet.’ Hij grijnsde. ‘Ik denk… ik denk, dat ik wat vaderlijks over me heb.’
Ik keek hem een tijdje aan en probeerde het vaderlijke in hem te ontdekken. Het was er. In die gerimpelde, halfverlopen kop, lag een ingehouden hartelijkheid. Onmiskenbaar. Het was net alsof hij zich voortdurend moeite gaf om een wat ruwe mildheid te camoufleren, terwijl hij tegelijkertijd wist dat die moeite tevergeefs was. Het gaf aan zijn gezicht een uitdrukking die gewoon sympathiek aandeed.
‘Heb jij hem,’ vroeg ik na een poosje, ‘heb jij hem naar het bureau gestuurd?’
Hij zuchtte diep.
‘Ja,’ zei hij gelaten, ‘ik heb hem aangeraden zichzelf te melden.’
‘Waarom?’
Hij trok zijn mondhoeken omhoog.
‘Je moet niet lachen,’ zei hij vreemd verlegen, ‘maar ik heb hem gestuurd omdat ik… eh, omdat ik nog ergens in recht geloof.’ Het klonk onwillig… als een bekentenis.
Ik trok diepe rimpels in mijn voorhoofd.
‘Jij…’ riep ik verbaasd, ‘jij, geloof jij in recht?’ Hij knikte met een droeve grijns op zijn gezicht. ‘Ik geloof in recht ja, het klinkt je misschien vreemd in de oren, maar ik heb daarvoor een gegronde reden.’ Hij gebaarde voor zich uit. ‘Zie je, ik heb in mijn leven zeven jaar gevangenisstraf opgeknapt. Dat is alles bij elkaar toch nog vrij veel, zeven jaar. Maar het hadden er minstens zevenentwintig moeten zijn als ze me alles hadden kunnen bewijzen… begrijp je, daarom geloof ik nou in recht.’ Ik glimlachte.
‘Dat is,’ zei ik vol bewondering, ‘een prachtige stelling voor rechtsgeleerden. Je moet het ze gaan vertellen. Uit zichzelf komen ze er nooit op.’
Hij reageerde niet.
‘Van die zeven jaar,’ ging hij onverstoorbaar verder, ‘heb ik er zowat vier aan jou te danken.’
Ik maakte een verontschuldigend gebaartje.
‘Het spijt me.’
‘Oh,’ zei hij hoofdschuddend, ‘daar kijk ik je niet scheef om aan. Dat weet je wel. Je deed je werk. En ik moet zeggen dat je me altijd eerlijk hebt behandeld. Daar ben ik je nog dankbaar voor. Ik zeg dit uit de grond van mijn hart. Je bent een fatsoenlijke kerel, Peeters. Eigenlijk de enige, die ik ken. Ik heb in mijn leven niet zoveel geluk gehad. Zie je, ik heb in mijn leven niet zoveel fatsoenlijke mensen ontmoet.’
Ik hield mijn hoofd een beetje schuin en keek hem onderzoekend aan.
‘Waar wil je eigenlijk heen, Visser?’ vroeg ik met enige achterdocht. ‘Waarom vertel je me dit? Het is niet de gewoonte dat de mensen me zoveel lof toezwaaien. Ik moet er wel even aan wennen.’ Hij wreef met zijn hand over zijn gezicht.
‘Pepi…’ zei hij wat achteloos, ‘Pepi heeft die moord niet gepleegd.’
‘Zo,’ zei ik gelaten, ‘en hoe weet je dat?’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Ik weet het niet. Ik bedoel, ik weet het niet echt. Ik voel het alleen.’ Hij zuchtte diep. ‘Het gaat er helemaal niet om of die jongen zegt dat hij het niet gedaan heeft. Dat weet jij wel. Ze kunnen zoveel zeggen. Maar het gaat erom wat je op een zeker moment zelf voelt en gelooft.’
‘Er zijn zoveel bewijzen,’ zei ik.
Hij stond moeizaam op en slofte met zijn kunstbeen naar mij toe. Zijn gezicht stond ernstig.
‘Dan zit er iets niet goed met die bewijzen, meneer Peeters. Dan klopt er iets niet. Jij bent rechercheur, het is jouw vak. Zoek uit waar die bewijzen niet kloppen. Die jongen vertrouwt je. Hij vertrouwt eigenlijk alleen jou. Pas toen hij hoorde dat jij zijn zaak zou behandelen, kon ik hem zover krijgen, dat hij zich ging melden.’ Hij legde zijn magere hand op mijn schouder. ‘Ik heb tegen hem gezegd dat, als hij het niet had gedaan… als hij het werkelijk niet had gedaan… dat hij dan zeker op jou kon rekenen en niet voor die moord zou worden veroordeeld.’ Ik stond zuchtend op.
‘Dan heb je heel wat durven zeggen, Visser,’ zei ik somber. ‘Heel wat. Misschien wel veel meer dan ik waar kan maken.’ Hij draaide zich om en keek naar buiten.
‘Jij kunt het,’ zei hij simpel.
Ik staarde naar zijn rug. Ouwe Visser, die door suikerziekte langzaam wegteerde, omdat hij weigerde de adviezen van zijn dokter op te volgen… Ouwe Visser had Pepi geadviseerd zich te melden omdat hij in recht geloofde. Als men het mij een week geleden had verteld, zou ik erom hebben gelachen. Nu belastte het mij met een verantwoordelijkheid die ik mij nog niet bewust was. Ik liep naar de stoel in de hoek, nam het donkere kostuum van Pepi en rolde het in elkaar.
‘Dit is dus alles? Ik bedoel, het geld van die jongen heb je niet?’ Hij schudde zijn hoofd en lachte.
‘Nog steeds niet overtuigd?’
Ik keek nog eens in het oude sluwe gezicht. Toen stapte ik de deur uit. Het pak onder mijn arm.
Een bezoek aan het oude logementje De Veilige Poort leverde niet veel op. Ik had ook niet anders verwacht. De louche logementhouder bevestigde slechts het verhaal van ouwe Visser; hij had die middag het kostuum van Pepi opgehaald. Waren er vandaag geen rechercheurs geweest?
Ja, die waren er geweest.
Had de logementhouder dan niet van het pak verteld? Nee, de rechercheurs hadden alleen naar Pepi gevraagd. En die was er niet.
Er lagen nog wat schamele bezittingen: een paar oude schoenen, wat vuil ondergoed, scheergerei en een draagbaar radiotoestelletje, waarvan de batterijen waren uitgeput. Er was niets bij wat ik voor mijn onderzoek kon gebruiken. Ik gaf alles aan de logementhouder terug.
‘Wat moet ik ermee?’
‘Bewaren,’ zei ik. ‘En als er weer eens iets aan je wordt gevraagd,’ ik keek hem aan, ‘vertel dan geen halve waarheden.’ Hij bromde iets wat ik niet verstond en schoof de spulletjes naar zich toe. Vanaf het logementje met zijn slaapzalen, gangen, trappen, portalen, stinkend naar lysol, en zijn kale gelagkamer vol trieste morsige mannetjes, liep ik over de Walletjes terug naar het politiebureau.
De meisjes hadden het nog druk. Een naamloos legertje schimmige figuren schuifelde langs de hoertjes in zachtroze; een droeve demonstratie van behoeften. De meeste gordijntjes waren dicht. En achter die gordijntjes werd zonder bevrediging de behoefte gestild.
Op de Achterburgwal, voor de open deur van haar werkkamertje, stond Maffe Beppie. Ze pafte rustig aan haar sigaretje en deed geen moeite om nieuwe klanten te lokken. Een mannetje, dat prevelend naar haar toekwam, joeg ze krijsend weg. Ze nam kennelijk een pauze.
Toen ze me zag, riep ze me. Ze riep me altijd. Waarom weet ik niet. Ik denk, dat ze wat in mij zag, of, misschien was het ook wat anders. Ze hield me in ieder geval altijd aan de klets. Als ik geen zin had om met haar te praten, liep ik met een boogje om haar heen. Ik kon haar nu niet meer ontwijken.
Ze zag er uitdagend uit, in een nauwsluitend rokje en een laag uitgesneden blouse. Haar toch al imponerende boezem had ze nog wat opgebonden.
‘Je hebt heel wat in huis,’ zei ik bewonderend.
Ze stak trots haar borsten nog meer vooruit.
‘Voel maar,’ zei ze aanmoedigend, ‘het is echt.’
Ik wees haar aanbod beleefd van de hand.
Ze keek naar het kostuum onder mijn arm.
‘Hoe is het,’ zei ze schamper, ‘begin je een uitdragerijtje? Of heb je bij Sjakie om de hoek een tweedehands pijtje gekocht?’ Ze lachte luidruchtig. ‘Ik heb nooit geweten, dat ze jullie bij de politie zo slecht betaalden.’
‘Maak je geen zorgen,’ zei ik, ‘zo erg is het nu ook weer niet.’ Plotseling trok ze haar gezicht in een ernstige plooi. ‘Het is toch wat van die Anja,’ zei ze meewarig. ‘Het is wat. Ik heb het allemaal in de krant gelezen.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Ze moesten ze ophangen. Hebben jullie die kerel al?’ Ik knikte.
‘Vanavond. Hij heeft zichzelf gemeld.’
Ze zuchtte.
‘Gelukkig maar. Ik heb de hele avond met angst in mijn lijf gewerkt. Je weet het toch nooit. Je kan aan al die kerels hun koppen niet zien of ze eventueel wat met je voor hebben.’
‘Waarom heb je je deur dan niet dichtgehouden? Niemand dwingt je toch?’
Ze keek me verwonderd aan.
‘Niemand dwingt me… nee, niemand dwingt me. Maar wie onderhoudt me?’
Ik had niet zo gauw een antwoord.
‘Kan ik morgen,’ zei ze agressief, ‘bij jullie aan het bureau komen om een paar broodjes, het liefst met wat er op?’ Ik schudde mijn hoofd en lachte.
‘Nou dan.’
Haar hele houding drukte verontwaardiging uit. Ik had blijkbaar een heel teer punt aangeroerd.
Ineens veranderde ze weer van stemming.
‘Kom even mee naar binnen,’ zei ze vriendelijk, vertrouwelijk. ‘Ik heb de koffie warm.’
Ik liep achter haar aan het kamertje binnen. Het was het gebruikelijke werkkamertje van een prostituee. Er waren er honderden zo.
‘Doe de gordijntjes maar open,’ zei ik, ‘anders denken ze nog dat ik een klantje van je ben.’
Ze rukte de gordijntjes open en keek mij aan.
‘Ik zou u als klant niet willen hebben.’
‘Waarom niet? Als ik betaal…’
Ze trok een ernstig gezicht.
‘Nee,’ zuchtte ze, ‘u kwam er als klant niet in. Ik zou me gewoon doodschamen.’
Ik trok mijn voorhoofd in rimpels.
‘Schamen?’
Er gleed een blos over haar wangen.
‘Ja… schamen… begrijpt u dat niet?’ Ik knikte traag. ‘Ik geloof…’ zei ik peinzend, ‘ik geloof dat ik het begrijp.’ Ik keek haar aan. ‘Je zou je schamen… omdat ik het ben… voor mij. Is het niet?’
Ze blikte terug. Een kleine zenuwtrek gleed langs haar mondhoek. Toen draaide ze zich bruusk om en drentelde naar achteren. Even later kwam ze terug met twee koppen koffie op een blaadje. Er lagen koekjes bij.
‘Ik heb er drie schepjes suiker ingedaan,’ zei ze. ‘De meeste mannen houden van zoet.’
Ik ging tegenover haar in een rotanstoeltje zitten en roerde in mijn kopje.
‘Je hebt Anja goed gekend?’
Ze haalde haar mollige schouders op.
‘Wat heet goed? Ze stond wat verderop op de gracht. Ik heb wel eens met haar gesproken. Dat is eigenlijk alles. We waren geen vriendinnen, als je dat bedoelt. In de tijd dat zij daar stond, heb ik niet veel verdiend.’ Ze maakte een nonchalant gebaartje. ‘Zie je, ze was bij de mannen nogal in trek.’
Ze zweeg even en nam een slok van haar koffie.
‘Toch gun je niemand zo’n einde.’
‘Nee,’ zuchtte ik, ‘dat gun je niemand.’
Ze staarde enige tijd peinzend voor zich uit.
‘Ik heb haar op dezelfde avond dat ze werd vermoord nog gezien.’ Het kwam zo plotseling uit haar mond, dat ik er volkomen door werd verrast. ‘Gezien?’
‘Ja.’
‘Dezelfde avond?’
‘Ja.’
‘Waar?’
‘Hier op de gracht.’
‘Hoe laat was dat?’
‘Ik dacht zo om een uur of één.’ Ze knikte nadenkend. ‘Ja, een uur of één.’
Ik schoof naar het randje van mijn stoel.
‘Weet je het zeker. Weet je zeker, dat zij het was?’
Ze knikte zijwaarts weg en snoof.
‘Wat dacht je? Ik kan haar wel uittekenen.’
‘Ja, ja,’ zei ik verward, ‘dat zal wel. Waar ging ze eigenlijk heen?’
Ze maakte een vaag gebaartje in de ruimte.
‘Weet ik veel,’ zei ze onverschillig. ‘Ik zag haar hiernaast de steeg inschuiven.’
Ik keek haar strak aan.
‘Luister eens Beppie,’ zei ik ernstig, ‘het tijdstip interesseert me. Vergis je je niet? Was het zo om een uur of één?’ Ze knikte.
‘Ik dacht van wel.’
‘Zat je nog?’ vroeg ik, om haar geheugen op te frissen. ‘Ik bedoel, had je de deur nog niet dicht?’
Ze greep naar het pakje sigaretten voor haar op het tafeltje. ‘Moet je er ook één?’
Ik bedankte beleefd. Inwendig brandde ik van nieuwsgierigheid. Maar ik wilde haar niet in de war brengen. Ik wilde haar niet haasten. Daarom wachtte ik gelaten af tot ze haar sigaret had aangestoken.
‘En?’
Ze inhaleerde diep.
‘Kijk,’ zei ze, ‘ik was er die avond vroeg mee opgehouden. Altijd op donderdag. Dan heb ik nachtvolk. Een oud mannetje, een keurig oud mannetje, dat al jaren bij mij komt. En meestal komt hij zo tegen enen. Ik keek uit het raam of hij er nog niet aankwam. Ik had alles al voor hem klaar staan. Zie je, de ouwe man moet eerst wat op dreef geholpen worden en daarom geef ik hem vooraf een paar cognacjes en dan…’
‘Ja, ja,’ onderbrak ik haastig. Het interesseerde mij niet zoveel hoe Maffe Beppie haar wat oudere klanten oppepte. ‘En kwam hij?’
‘Ja,’ knikte ze, ‘kort daarna. Anja was nauwelijks in de steeg verdwenen, toen ik hem al in de verte zag aankomen.’ Ik zuchtte.
‘Ik… eh, ik zal…’ zei ik weifelend, ‘ik zal je maar niet naar de naam van het mannetje vragen?’
Ze schudde haar hoofd.
‘Dat zou ik je niet zeggen, al wist ik het. Maar ik weet het niet. Ik ken zijn naam niet. Ik weet niet waar hij woont of waar hij vandaan komt. Ik weet alleen, dat hij goed betaalt.’
‘En dat is het belangrijkste.’
Ze liet haar blikken enige momenten op mij rusten.
‘Ja, dat is het belangrijkste.’
Het was rustig aan het bureau. De brigadier van de wacht keek op van zijn krantje, toen ik binnenstapte.
‘Je bent nog laat, Peet,’ zei hij.
Ik knikte en legde het kostuum van Pepi op de balie.
‘Dit is het kostuum van de verdachte Meijer. Wil je het even laten omruilen voor de spulletjes, die hij nu aan heeft? Ik heb namelijk belangstelling voor zijn spijkerbroek en leren vest.’ De wachtcommandant belde en uit de wachtkamer van de agenten verscheen Klaas Trump. Hij lachte mij vriendelijk toe. ‘Zeg,’ vroeg hij belangstellend, ‘wie was die kerel gisterenavond op de Keizersgracht?’
‘Je hebt hem dus toch gezien? Ik dacht bij mijzelf, dat heeft hij nooit in de gaten.’
Klaas knikte heftig.
‘Ik wilde eerst nog zelf achter hem aangaan. Die vent had zo’n belangstelling voor het huis. Maar plotseling zag ik jou tevoorschijn komen. Toen ben ik maar op mijn post gebleven. Waar kwam je zo opeens vandaan? Ik dacht dat je allang weg was.’ Ik schudde mijn hoofd.
‘Nee, Klaas, ik was nog niet weg. Ik stond wat verderop in de schaduw van een boom.’
Ik gaf hem een vriendschappelijke duw tegen zijn schouder.
‘Schiet wat op. Ruil deze kleren van Pepi Meijer om. Ik wil ze morgenochtend direct naar het laboratorium brengen.’ Hij tikte overdreven beleefd aan zijn uniformpet en verdween met het kostuum naar de cellen. Na een paar minuten kwam hij terug met spijkerbroek en leren vest.
‘Zal ik het nog even voor je inpakken?’
‘Dat is goed, Klaas.’