In het aloude politiebureau aan de Warmoesstraat in Amsterdam heerste een gespannen sfeer. Ik proefde het al toen ik binnenstapte. Voor de balie stonden drukdoende agenten en de wachtcommandant had moeite om boven het rumoer uit te schreeuwen.
Nadat het opsporingsbericht van Pepi via de telex was verspreid, waren er die nacht op diverse plaatsen invallen gedaan en ook de nachtdienstpiket was in actie gekomen. Informatiebronnen waren aangeboord en de oude binnenstad uitgekamd. Een heel stel oude, langgezochte vonnisklanten bleef mokkend in de mazen van het net achter, maar Pepi Meijer werd niet gevonden. Ook de pers was ingeschakeld. In de ochtendbladen stond zijn foto met daarboven in vet cursief wegens moord gezocht. Naar aanleiding van de persberichten kwamen er weldra allerlei telefoontjes van mensen, die meenden Pepi ergens te hebben gezien. Maar de mededelingen waren moeilijk te controleren. De commissaris kwam al vroeg de recherchekamer binnen. Hij leidde de jacht en deelde links en rechts bevelen uit. De Ouwe was een goed organisator. Beslist. Ik had zijn kunnen op dit gebied al dikwijls bewonderd. In operaties waarbij veel mensen waren betrokken, had hij een kinderlijk plezier, dan genoot hij als een generaal bij gecombineerde manoeuvres.
Rechercheur De Wilde werd aangesteld om alle binnenkomende tips te ordenen en op hun waarde te testen. Zo nodig moest hij maatregelen nemen.
Er draafden voortdurend mensen af en aan. Rechercheurs en collega’s in uniform gaven verslag van hun bevindingen en verdwenen weer met nieuwe opdrachten. Het was precies een bijenkorf. Het gonsde.
Het ging alles een beetje buiten mij om, hoewel het toch eigenlijk mijn zaak was. De commissaris had mij voor de jacht niet ingeschakeld. Ik was daar wel blij om. Ik hield niet van de jacht, vooral niet nu Pepi als haas fungeerde. Ik kende Pepi en wist hoe hij was. Hij zou zijn eigen foto wel in de kranten hebben gezien en nu nerveus, als een opgejaagd dier van de ene schuilplaats naar de andere vluchten.
De Ouwe had mij opgedragen het basis-proces-verbaal te maken. Als Pepi was gevangen, dan kon hij worden verhoord en daarna met een afgerond proces-verbaal bij de officier van justitie worden voorgeleid. Zo ging dat.
Ik pakte een schrijfmachine en een stapel papier en begon te typen. Onderwijl vroeg ik mij af waarom Pepi het had gedaan. Moord kwam in zijn carrière niet voor. Hij behoorde niet tot het geweldtype. Nee. Voor zover ik mij herinnerde, had hij bij al zijn inbraken nog nooit geweld gebruikt. Daarom begreep ik het niet helemaal. Sinds gisterenavond, sinds het telefoontje van de Ouwe, had ik erover nagedacht. Waarom had Pepi het gedaan? Waarom had hij het breekijzer genomen om Anna Bentveld de hersenen in te slaan? Natuurlijk, het kon. Pepi was een nerveuze jongen, die zijn vrijheid met hand en tand verdedigde. Het was heel goed mogelijk, dat hij alleen maar aan die vrijheid had gedacht toen Anna Bentveld hem bij zijn inbraak betrapte. Hij was pas vrij.
De herrie in de recherchekamer maakte me kriegel. Ik kon mijn gedachten niet ordenen. Het lawaai overstemde alles. Ik pakte mijn schrijfmachine op en liep de kamer uit. Alles was bezet, ook het verhoorkamertje. Er was in het hele bureau nog maar één rustig plekje. Dat was het kamertje van de ‘brigadier-boek’, een vriendelijke oude baas, die ontspannen tegen zijn pensioen aanleunde. Sinds hij niet meer voor honderd procent valide was, hield hij het grote dienstboek bij. In stille afzondering goochelde hij daar met vlakgummi en zacht potlood, want het is een hele opgave om met een groot tekort aan personeel de politiedienst gaande te houden.
Ik mocht de ouwe baas graag. Wanneer ik eens weinig om handen had, zocht ik hem op en dan babbelden wij over de vergankelijkheid van het leven en dergelijke hoogdravende problemen. Hij had een kijk op het leven die mij intrigeerde.
Toen ik binnenkwam keek hij mij van over zijn bril heen aan.
‘Zo mijn jong,’ zei hij vriendelijk, ‘ben je gevlucht?’ Ik knikte en ging met mijn schrijfmachine aan het bureautje tegenover hem zitten. Zijn grijze ogen namen mij nauwkeurig op. ‘Heb jij die zaak van het vrouwtje aan de Keizersgracht?’ Ik grijnsde.
‘Ja, al zou je het zo niet zeggen. Het lijkt net alsof ik er helemaal buiten sta.’
Hij knikte me vriendelijk toe.
‘Dat is heel niet erg. Gebruik jij nou maar je nuchtere verstand, mijn jong.’
Ik trok mijn schrijfmachine naar mij toe en ging verder met mijn proces-verbaal. In het rustige kamertje, waar het rumoer van het bureau slechts flauwtjes doordrong, vlotte het veel beter. Ik vorderde gestaag. Zo nu en dan raadpleegde ik mijn aantekeningen en aan de hand van de situatieschetsjes, die ik ter plaatse had gemaakt, en de foto’s van Bram, omschreef ik de zaak. Een lugubere moord in strakke ambtelijke zinnen. Plotseling vloog de deur van het kamertje open. Op de drempel stond De Wilde. Briesend. Zijn gezicht was in woede vertrokken.
‘Verdomme,’ riep hij, ‘zit je hier?’
‘Ja,’ zei ik gelaten, ‘ik zit hier.’
Hij snoof en zijn neusvleugels trilden.
‘Dat had je me toch waarachtig wel eens kunnen zeggen,’ riep hij woest. ‘Ik ben het hele bureau doorgeweest. Ik heb overal naar je gezocht.’
Ik keek hem rustig aan, mijn armen leunend op de machine.
‘Dat spijt me dan.’
Hij trok zijn linkermondhoek iets omhoog en grijnsde.
‘Ik wil je alleen nog maar even in herinnering brengen,’ zei hij met puur sarcasme, ‘dat je nog zoiets als een moord onder handen hebt. En de moordenaar, weet je, loopt nog vrij rond.’ Even kwam de gedachte bij mij op om een of andere spottende opmerking te maken, maar ik beheerste me. De Wilde had toch geen gevoel voor humor.
‘Is dat alles wat je mij te vertellen hebt?’
‘Nee,’ snauwde hij, ‘je denkt toch niet, dat ik voor niks achter je aanhol. Er is boven iemand voor je aan de telefoon.’ Ik maakte een gebaartje.
‘Waarom heb je het niet even voor mij opgenomen?’ Zijn ogen schoten vuur.
‘Omdat-die-vent-met-mij-niet-wil-praten,’ schreeuwde hij. ‘Hij vraagt naar. jou.’
Ik liep achter hem aan naar de recherchekamer en pakte de hoorn op.
‘Hallo.’
‘Met rechercheur Peeters?’ vroeg een stem.
‘Ja, met wie?’
‘Dat doet er niet toe.’
De stem kwam mij bekend voor. Het geluid, de intonatie lag ergens in mijn herinnering verborgen.
‘Wat wilt u?’
‘Wie…’ de stem aarzelde even, ‘wie van jullie behandelt de zaak van de Keizersgracht. Ik bedoel, die moord op dat vrouwtje?’ Opnieuw trachtte ik die stem te analyseren. Mijn hersenen werkten op volle toeren. Ik had die stem beslist meer gehoord. Maar waar en wanneer?
‘Waarom wilt u dat weten?’
‘Het is van belang,’ zei de stem plechtig. ‘Het is van groot belang.’
‘Hoezo?’
‘Dat… eh, dat kan ik niet zeggen.’
Ik zuchtte. ‘Maar wie bent u dan?’
‘Ik heb u toch al gezegd,’ zei de stem ongeduldig, ‘dat het er niet toe doet. Ik wil alleen maar weten wie de zaak van de Keizersgracht behandelt. Dat is alles.’
Ik bepeinsde even wat ik zou doen. Wat maakte het tenslotte uit of de man aan de andere kant van de lijn wist wie de zaak behandelde? Ik begreep het niet erg.
‘Ik…’ zei ik aarzelend, ‘ik behandel die zaak.’
‘U, meneer Peeters?’
Het klonk opgelucht, alsof de man blij was met mijn antwoord.
‘Ja, ik.’
Even hoorde ik niets.
‘Hallo,’ riep ik, ‘hallo.’
Er klonk een scherpe klik. De man had de verbinding verbroken. De Wilde stond naast me. ‘Wie was het?’ vroeg hij. Ik haalde mijn schouders op. ‘Dat… dat weet ik niet.’
‘Vertelde hij wat? Ik bedoel, iets waar we wat aan hebben?’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Hij wilde alleen maar weten wie van ons de zaak behandelt.’
Ik ging naar het archief en zocht de afschriften van al de processen-verbaal en rapporten, die ik in de loop der jaren over Pepi had opgemaakt. Het waren er nogal wat. Ik las ze alle zorgvuldig door in de hoop iets te vinden, dat mij kon helpen Pepi op te sporen. Ik vond niets… niets van belang. Alleen kwam het beeld van Pepi weer scherper voor mijn geest. Flarden van gesprekken, reacties bij een verhoor. Hij was er weer… Pepi, zoals ik hem kende. Al zoveel jaren. Op de een of andere manier mocht ik hem graag, zomaar, omdat hij Pepi was… omdat hij appelleerde aan iets in mijzelf… een protest… een protest tegen de maatschappij, waarvan ik, vreemd genoeg, beroepshalve, de normen verdedigde.
Met een zucht wierp ik al die oude stukken in mijn la. Tegen zes uur trok ik mijn jas aan.
‘Wat doe jij?’ vroeg ik aan De Wilde.
‘Ik blijf,’ zei hij nors.
‘Goed,’ zei ik, ‘jij blijft. Ik ga naar huis. Als er wat is, dan kun je mij thuis bereiken.’
Hij knikte.
Ik liep naar de deur en stak mijn hand op.
Hij groette niet terug.
‘Gut,’ zei mijn vrouw, ‘je bent op tijd voor het eten.’ Het klonk ironisch.
‘Ik wilde je verrassen.’
Ze drukte een kus op mijn wang.
‘Dat is lief van je.’ Ik deed mijn jas uit. De kat streek langs mijn broekspijpen. Hij vroeg indringend mijn aandacht. Ik bukte me en aaide hem over zijn zachte pels. Mijn vrouw hing mijn jas weg.
‘Moet je er vanavond nog op uit?’
Ik ging in mijn stoel zitten en nam de krant.
‘Dat hangt ervan af,’ zei ik, ‘hoe de zaken zich ontwikkelen. Als er niets bijzonders gebeurt…’
Ze dribbelde heen en weer van de keuken naar de kamer.
‘Je oudste zuster is vandaag jarig. Wist je dat?’
Ik trok een paar denkrimpels in mijn voorhoofd.
‘Nee.’
‘Het is vandaag de negentiende.’
Haar stem kwam vanuit de keuken.
‘De negentiende,’ herhaalde ik.
‘We konden er vanavond best heen. Vorig jaar is er ook niets van gekomen. Ze heeft vanmiddag opgebeld en vroeg of we kwamen. Ze zei…’
Ik luisterde al niet meer. Haar stem golfde over mij heen. Het werd een soort achtergrondgeluid, dat niet tot mij doordrong. Er was iets… er was iets met de negentiende. Als een mallemolen tolde het getal in mijn gedachten rond. Plotseling had ik het. In een flits begreep ik waarom ze Pepi nog niet hadden gepakt. Het was de negentiende, de negentiende mei. Stom, dat ik daaraan niet eerder had gedacht. Ik legde mijn krant weg en stak nadenkend een sigaret op. Pepi zou zich vandaag niet laten pakken. Niet vandaag, niet voordat hij had gedaan wat hij als zijn grootste plicht beschouwde. Ik herinnerde het mij nog heel goed van de vorige keer.
Hij had een inbraak gepleegd. Ik moet zeggen, nogal onhandig, met veel kraak en sloopwerk en een domme buit. Dom, want een kind weet dat elektrische scheerapparaten zijn genummerd. Binnen een week had ik alles bij een opkoper achterhaald. Ik had daarna niet zoveel belangstelling meer voor Pepi. De zaak was toch rond. En Pepi kwam vanzelf wel binnen. Het politieapparaat is een groot vangnet. Vandaag of morgen liep hij wel in de fuik.
Maar ‘de verrader slaapt nooit’. Ik kreeg een tip dat Pepi zich verborgen hield op een miezerig zolderkamertje ergens in de Jordaan. Om diverse redenen kon ik de tip niet negeren. Dus ging ik op pad om hem te arresteren. Dat was op de negentiende, de negentiende mei, nu vandaag, precies een jaar geleden. Ik zag hem nog voor me, toen ik onverhoeds de deur van zijn zolderkamertje opendeed. In een katachtige sprong was hij bij het raam, dat wijd openstond. En achter dat raam gaapte een verschrikkelijke diepte.
‘Hier ben ik,’ zei ik. ‘Ik kom je halen.’
Hij keek mij met een paar grote verwilderde ogen aan en schudde zijn hoofd.
‘Nee,’ zei hij, ‘niet vandaag.’ Ik haalde nonchalant mijn schouders op en stapte naar binnen.
Hij klemde zijn tanden op elkaar.
‘Als u nog één stap dichterbij doet, dan spring ik uit het raam.’
Ik bleef staan en keek hem aan. Hij zag er voor zijn doen heel netjes uit in een keurig donker pak, een wit overhemd en een paar behoorlijke schoenen.
‘Wat is er Pepi?’ vroeg ik. Zijn mondhoeken trilden. ‘Komt u morgen maar,’ zei hij. ‘Ik zal hier wel op u wachten. U weet nu toch waar ik zit.’
Ik fronste mijn wenkbrauwen.
‘Waarom morgen, Pepi? Ik ben nu toch eenmaal hier.’ Ik waagde nog een stap dichterbij. Pepi zette onmiddellijk een voet in de dakgoot. Zijn gezicht was angstig verwrongen. ‘Ik doe het,’ riep hij dreigend. ‘Ik zweer het je. Ik doe het.’ Hij wees met een gestrekte arm in mijn richting. ‘Nog één stap en ik spring zo het raam uit.’
Hij meende het. Ik zag het.
Ik maakte een gebaartje.
‘Ik begrijp je niet,’ zei ik kalm, ‘dat is toch het risico. Als je inbreekt loop je de kans, dat ze je op een goeie dag komen halen.’
Hij knikte heftig.
‘Mááár niet vandaag,’ stotterde hij. ‘Ik moet nog ergens heen.’
Ik deed weer een stap achteruit en leunde tegen de deur.
‘Waarheen Pepi?’ vroeg ik. ‘Waar moet jij vandaag dan zo nodig heen?’ Hij nam zijn voet weer uit de dakgoot.
‘Dat gaat je geen bliksem aan,’ zei hij fel.
Ik overwoog wat ik zou doen. De afstand tussen hem en mij was te groot. Zelfs bij een bliksemactie zou hij nog ruimte genoeg hebben om uit het raam te springen en dat risico wilde ik niet nemen. Daarvoor was de zaak mij te gering.
‘Als ik nu eens met je meeging,’ stelde ik voor. ‘Dan gaan we er samen heen.’ Hij gluurde naar de uitdrukking op mijn gezicht, scheen mijn aanbod te overwegen. ‘Kan… eh, kan ik van u op aan?’ Ik maakte een gebaartje. ‘Heb ik je wel eens belazerd?’ Hij schudde langzaam zijn hoofd. Even stond hij nog in tweestrijd. Toen kwam hij bedachtzaam naar mij toe en monsterde mijn kleding. ‘U bent er eigenlijk niet op gekleed,’ zei hij kritisch. Een drie kwartier later stond ik met gebogen hoofd en met mijn hoedje in mijn hand op het kerkhof van St. Barbara en staarde naar een wat verweerde grafsteen. Pepi schikte de bloemen en ik las: Maria Johanna Meijer, gestorven negentien mei negentienhonderd tweeënvijftig.
Mijn vrouw had inmiddels de tafel gedekt en ik schikte aan.
‘Hoe is het?’ vroeg ze. ‘Ga je vanavond nog mee naar de verjaardag van je zuster?’
‘Nee.’
‘Je kan toch aan het bureau opgeven waar je te bereiken bent?’ Ik knikte. ‘Dat kan ik. Maar ik heb er geen zin in. Mijn hoofd staat niet naar verjaardagen, echt niet. Ga jij maar. Ik blijf wel thuis.’ Ze trok een pruillipje, maar drong niet verder aan.
Toen we klaar waren met eten, pakte ik de telefoon en belde de centrale post aan het hoofdbureau. Ik kreeg de officier van dienst aan de lijn.
‘Met rechercheur Peeters van de Warmoesstraat. Wilt u even een vijfmaalacht-wagen naar de begraafplaats van St. Barbara laten rijden?’
De officier van dienst grinnikte.
‘Wat moeten ze daar in godsnaam doen?’
‘Bijna achteraan,’ zei ik zo zakelijk mogelijk, ‘bij het tweede zijpad links, ligt Maria Johanna Meijer begraven. Ze vinden het vanzelf. De naam staat op de grafsteen. Laten ze even kijken of er verse bloemen op het graf liggen.’
‘Wat?’
‘Of er verse bloemen op het graf liggen,’ herhaalde ik. Het was even stil.
‘Meen je het?’
Ik ergerde mij een beetje aan die opmerking.
‘Natuurlijk meen ik dat!’ riep ik fel. ‘Ik sta hier geen gebbetjes te verkopen.’
‘Nee, dat zal niet. Moet je onmiddellijk bericht terug hebben?’
‘Graag, ik ben thuis.’
Ik hoorde hoe hij het bericht aan een van de wagens doorgaf. Toen kwam hij terug.
‘Zeg Peet, ik wil niet nieuwsgierig zijn, maar wie is Maria Johanna Meijer?’
‘Maria Johanna Meijer,’ herhaalde ik kalm, ‘was de moeder van Pepi.’
‘O,’ zei hij verontschuldigend, ‘o, zit dat zo. Nou, het komt in orde. Ze zijn onderweg. Ik bel je zo terug.’
Ik grijnsde breed.
We waren net klaar met de afwas toen er werd gebeld. Het was de officier van dienst.
‘Je hebt het goed geraden,’ toeterde hij door de telefoon, ‘er liggen verse bloemen. Het hele graf ligt er bijna onder bedolven.’
‘Ja,’ zei ik, ‘dat zal wel. Het kon er af dit keer. Waren het weer seringen?’
‘Ja,’ lachte hij, ‘hoe weet je dat?’
Ik zuchtte.
‘Elk voorjaar,’ zei ik wat droevig, ‘stond het kamertje vol. Zie je, ze hadden maar één kamertje, een klein pestkamertje met een bedstee. Het stonk er altijd, want ergens onder de grond lekte een rioolbuis. Aan die stank was niks te doen. Maar als het voorjaar was, als de seringen bloeiden, ging Pepi op pad en schuimde alle openbare parken af. Met armen vol kwam hij thuis. Elke vaas werd dan gebruikt. En als er geen vazen meer waren, dan sloeg hij kippengaas tegen de muren en stak daar de seringen in. De hele kamer vol seringen. Zie je, zijn moed…’
‘Nou ajuus,’ onderbrak hij ongeduldig. ‘Er komen weer meldingen binnen. Het is een mooi verhaal.’
‘Het is geen mooi verhaal,’ riep ik geprikkeld. ‘Het is helemaal geen mooi verhaal. Zijn moe…’
Hij had afgebroken.
In een wat lome woede smeet ik de hoorn op de haak. Ik voelde me akelig, verdrietig.
Mijn vrouw stond achter me. Ze had het gesprek gevolgd en legde zachtjes een hand op mijn schouder.
‘Wat… wat wou je nog zeggen, Peet?’
‘Zijn moeder hield van seringen,’ zei ik bars. Mijn stem klonk veel ruwer dan mijn bedoeling was. Het ontglipte me gewoon. Mijn vrouw keek mij onderzoekend aan. Ze had de lichte trilling in mijn stem gehoord en kende nu eenmaal iedere nuance. Ik ontweek haar blik.
‘Zo,’ zei ze, ‘hield zijn moeder van seringen.’ Ik knikte. ‘Zijn moeder… zijn moeder was er gek mee. Het fleurde wat op, weet je, in zo’n goor kamertje, en… dan rook je de stank ook niet zo.’
‘Ik begrijp het,’ zei ze kalm.
‘Pepi…’ zei ik, ‘Pepi jatte seringen voor zijn moeder. Elk jaar… elk jaar weer opnieuw. Zie je… hij is er jammer genoeg nooit mee opgehouden… zelfs niet nadat ze was gestorven.’ Ze knikte met een ernstig gezicht.
‘Je bedoelt Peet, dat Pepi in feite nu nog steeds seringen steelt.’ Ik wreef met mijn hand over mijn gezicht en keek haar enige tijd peinzend aan.
‘Ja, ja,’ knikte ik, ‘zo is het wel ongeveer.’
Ze draaide zich nogal bruusk om en ging naar de slaapkamer om zich te verkleden. Ik liep haar in gedachten verzonken na en zag toe hoe ze van japon verwisselde. Onderwijl leunde ik tegen de slaapkamerdeur.
‘Pepi,’ zei ik, ‘werd eens door een politieagent gegrepen. Die nam hem zijn seringen af. Pepi was toen ongeveer een jaar of acht. Hij stortte zich woedend op de diender en beet hem in zijn hand. Het was een venijnige beet. Onder hevig verzet werd hij naar het bureau gebracht. Dat was de eerste keer dat Pepi met de politie in aanraking kwam. De brigadier van de wacht deed de bloemen in een vaas en zette ze op zijn bureau. Wat kon hij anders? Het had geen zin de bloemen terug te brengen naar het park.
Ze gaven hem geen proces-verbaal. Dat niet. Maar om hem wat te kalmeren, hielden ze hem wel een paar uur vast. Toen hij werd vrijgelaten, vroeg hij zijn seringen terug. De brigadier stond paf. Zoveel brutaliteit had hij nog nooit ontmoet. Natuurlijk kreeg hij ze niet. Pepi keek eens om zich heen en toen hij zijn kans schoon zag, wierp hij de vaas met bloemen omver en rende zo hard hij kon het bureau uit.’
Mijn vrouw glimlachte.
‘Een schattig kereltje,’ zei ze ironisch. Ik schudde mijn hoofd. ‘Je moet dat goed bekijken,’ betoogde ik.. ‘Pepi meende dat hij recht had op de bloemen. Hij had er tenslotte een paar uur voor vastgezeten. Hij had de bloemen daardoor eerlijk “verdiend”. Die brigadier niet. Die had er niets voor gedaan. En die geurde nu met zijn bloemen. In de ogen van Pepi was dat onrechtvaardig, volkomen in strijd met zijn rechtsgevoel.’
Mijn vrouw keek mij verwonderd aan.
‘Dat klonk als een pleidooi.’
Ik knikte ernstig.
‘Zo is het ook bedoeld.’
Ze zuchtte.
‘Hoe oud is Pepi nu?’
Ik dacht even na. ‘Zesentwintig.’
Ze kwam pal voor mij staan en keek mij recht in de ogen.
‘Denk jij dat Pepi Anna Bentveld heeft vermoord?’
Ik antwoordde niet.
‘Denk je dat?’ vroeg ze dwingend.
‘A lles wijst erop.’
‘Je gelooft het niet hè?’
‘Alles wijst erop,’ herhaalde ik.
‘Maar je gelooft het niet.’
Ze trok haar mantel aan en schikte een sjaaltje om haar hoofd. Ze drukte een zoen op mijn wang en liep naar de hal. Ik keek haar zwijgend na.
‘Ga maar lekker zitten lezen,’ riep ze nog. ‘Ik blijf niet te lang.’ Ik luisterde tot de buitendeur dichtsloeg.
Ik pakte een boek en liet me in een fauteuil zakken. Ik had het boek al een paar weken in huis en elke avond weer hoopte ik erin te kunnen beginnen. Steeds kwam er iets tussen. Ik bekeek het omslag en zuchtte. Ik had het nu wel gepakt, maar wist tegelijk dat ik toch niet zou kunnen lezen.
Opnieuw rinkelde de telefoon. Ik hees mij uit mijn fauteuil en slenterde traag naar het zwarte onding.
‘Hallo.’
‘Peet?’
‘Ja’
‘Met de wachtcommandant. Ik heb groot nieuws voor je.’
‘Steek maar van wal.’
‘Pepi is binnen.’
‘Wat?’ riep ik.
‘Ja, hij heeft zich zelf gemeld.’