‘Moet het nu?’
Het klonk als een licht verwijt.
‘Ja,’ zei ik kalm, ‘nu.’
Hij schudde zijn hoofd en zuchtte.
‘Ik… ik weet werkelijk niet of ik nog in staat ben om uw vragen klaar en duidelijk te beantwoorden.’ Hij zweeg even en zuchtte opnieuw. ‘Rechercheur,’ zei hij op een smekende toon, ‘kunt u nu echt niet wachten tot ik wat tot mijzelf ben gekomen? Bijvoorbeeld, tot vanmiddag? Een paar uurtjes rust zouden mij goeddoen. Ik… eh, ik heb vannacht…’
Hij maakte zijn zin niet af.
Ik keek hem aan, koel, scherp, ontledend, zonder medelijden De slapeloze nacht, zo zag ik, had zijn gezicht getekend. De ogen hadden rode randjes en bij de neus ontdekte ik diepe groeven. Hij leek nu ouder dan zijn vijftig jaren. De gebruinde huid zag vaal.
‘Het is een moord,’ antwoordde ik.
De heer Van Duuren boog het hoofd en wreef met duim en wijsvinger in de ooghoeken.
‘Ja,’ zei hij zacht, ‘het is een moord.’
Ik maakte een verontschuldigend gebaartje.
‘Het spijt mij echt Van Duuren, maar een moord is nu eenmaal een ernstige zaak, die zo snel mogelijk tot een oplossing moet worden gebracht. We kunnen ons geen vertragingen veroorloven. Vooral de eerste uren zijn belangrijk. Het zou toch ongewenst zijn als de moordenaar lang op vrije voeten bleef, nietwaar?’
‘Ja, ja,’ zei hij traag, ‘dat zou ongewenst zijn.’
Ik zag zijn onderlip trillen. Plotseling verborg hij zijn gezicht achter zijn beide handen. Zijn brede schouders schokten. Het was voor het eerst dat hij een duidelijk teken van emotie toonde. Zo nu en dan ontsnapte hem een onderdrukte snik.
‘Het arme kind…’ riep hij snotterend, ‘het arme, arme kind.’ Ik liep het verhoorkamertje uit en liet hem alleen met zijn verdriet. Aan het eind van de recherchekamer bij het raam zat de oude commissaris op een stoel, achterstevoren, met zijn brede kin rustend op de leuning. Om hem heen stonden en zaten een paar vroege rechercheurs. Ze bespraken enige aspecten van de zaak. De Cock schonk koffie in.
Ik liep wat loom naar het groepje en schoof ook een stoel bij.
‘Ik heb net de pers te woord gestaan,’ zei de Ouwe geeuwend. ‘Vanavond kan je wel een stelletje tips verwachten. Ik heb namelijk om inlichtingen gevraagd.’
Ik grijnsde.
‘Ze komen ook wel zonder dat u om inlichtingen vraagt. Bovendien verwacht ik niet dat het veel zal opleveren. Het was nacht. Het zoeken van de vijfmaalacht heeft ook weinig opgebracht. Begrijpelijk. Wie was er op dat uur nog op straat?’
De Ouwe haalde zijn schouders op.
‘Je kan het nooit weten. Het lijkt mij toch altijd wel de moeite van het proberen waard.’
De Cock zette een kop koffie voor mij neer.
‘Hoe is het met vriend Van Duuren,’ zei hij lachend. Ik lachte om het woord ‘vriend’.
‘Schenk ook voor hem maar een kop koffie in. Het zal hem opkikkeren. Vriend is wat overstuur.’
De Cock klakte met zijn tong.
‘Ik kan wel met hem meevoelen,’ zei hij met een licht sarcasme. ‘Het lijkt me een beroerde geschiedenis als je op zo’n manier je vriendinnetje kwijtraakt.’ Hij trok zijn gezicht in een malle grimas. De anderen lachten.
‘Enfin,’ ging hij verder, ‘het kan mij in ieder geval niet gebeuren. Ik hou er geen liefjes op na.’
De Wilde grijnsde.
‘Je zou het natuurlijk best willen,’ zei hij sarcastisch, ‘als je maar kon. Je hebt er alleen de poen niet voor. Dat is alles.’ De Cock stoof op.
‘Dat heeft met geld niets te maken,’ zei hij. ‘Het is een kwestie van mentaliteit.’
‘Mentaliteit,’ snoof De Wilde, ‘wat weet jij daarvan? Je weet niet eens wat dat woord betekent.’
De Cock kookte van woede. Ik zag het aan hem. Er bestond al zo lang een controverse tussen hem en De Wilde.
Ik greep De Cock aan zijn jasje vast en trok hem naar mij toe.
‘Schiet op met je koffie,’ zei ik, ‘en stoor je niet aan de praatjes van een idioot.’
Onderwijl keek ik De Wilde aan. Hij ging op mijn uitdaging niet in. De Ouwe keek de kring rond, maar zei niets. De Cock schonk mokkend in.
Balancerend met twee koppen koffie ging ik terug naar het verhoorkamertje.
Van Duuren leek wat gekalmeerd. Hij huilde niet meer. Hij zat daar, zomaar, stil, met gesloten ogen.
Ik zette zwijgend de koffie voor hem neer.
‘Het zal u goeddoen,’ zei ik.
Hij knikte gretig en begon met kleine teugjes te drinken. Ik keek rustig toe en observeerde zijn bewegingen. Hij had zich weer volkomen in bedwang. Ik zag het. De hand, waarmee hij het kopje vasthield, trilde niet.
‘U wilt nog iets weten?’
Ik lachte om de vraag.
‘Nog iets,’ grijnsde ik, ‘alles. Ik weet nog niets, bijna niets. Ik ken uw naam en weet dat de melding van de moord door u werd gedaan.’
Hij knikte.
‘Ik had het niet hoeven te doen.’
‘Wat?’
‘De melding. Ik had na mijn ontdekking eenvoudig weg kunnen gaan, gewoon weg, het huis uit.’
‘En dan?’
Hij haalde zijn schouders op.
‘Het is speculatief. Het heeft geen zin daarover te praten. Ik ben gebleven en heb gedaan wat ik als mijn plicht beschouwde. Ik heb de politie gewaarschuwd.’
‘Hebt u er spijt van?’
Hij glimlachte zwakjes.
‘Nee, ik heb er geen spijt van. U had mij waarschijnlijk toch wel gevonden.’
‘Wat hebt u gedaan? Ik bedoel, toen u juffrouw Bentveld vond, hebt u toen nog iets aangeraakt, iets gedaan? Bijvoorbeeld haar pols gevoeld?’
‘Ik heb niets gedaan. Ik zag onmiddellijk dat ze dood was. De schedel was ingeslagen. Ik begreep dat ik nergens aan moest komen.’
‘Wat waren uw eerste gedachten?’
Hij staarde peinzend voor zich uit.
‘Ik geloof niet dat ik heb gedacht, aanvankelijk niet. Later begreep ik dat het een inbreker moest zijn geweest.’
‘Een inbreker?’
‘Ja, dat lag volgens mij het meest voor de hand.’
Ik haalde mijn schouders op.
‘Ik vraag mij dan af wat een inbreker in het huis van Anna Bentveld dacht te vinden.’
‘Geld.’
Hij sprak het woord achteloos uit, alsof hij het niet van belang achtte.
‘Geld?’
Hij knikte.
‘Mijn tas is verdwenen. Toen u net weg was, heb ik erover nagedacht. Mijn tas is weg. Het was een zwartleren tas met een beugel en een slot.’
‘En zat daar geld in?’
‘Ja.’
‘Hoeveel?’
‘Vijfentwintigduizend gulden.’
Ik plooide mijn gezicht in een uitdrukking van verbazing.
‘Dat is veel geld.’
Hij grijnsde wat droevig.
‘Je kunt er geen nieuw leven mee kopen.’
Ik nam nog een slok van mijn koffie en keek hem aan.
‘Nee,’ antwoordde ik gelaten, ‘je kunt er geen nieuw leven mee kopen. Maar het lijkt mij wel genoeg voor een moord. Geloof me gerust, ik ben wel eens lagere prijzen tegengekomen.’
Om zijn mond gleed een matte glimlach.
‘Wat is de prijs van een moord.’ zei hij.
Ik zweeg een poosje en liet hem dwalen in de kringloop van zijn gedachten. Toen vroeg ik:
‘Waar stond die tas met geld?’ Hij keek wat verwilderd op. Het scheen dat de vraag niet tot hem doordrong.
‘Waar…’ herhaalde ik iets luider, ‘waar stond die tas met geld?’ Hij kneep zijn ogen stijf dicht, schudde zijn hoofd en streek met zijn hand over zijn gezicht.
‘Sorry,’ mompelde hij, ‘ik was er even niet bij.’ Hij zuchtte diep. ‘Die tas? Ja, die tas, die stond in dezelfde kamer waar… waar wij haar hebben gevonden. Ik had het geld die middag pas ontvangen. Ik had nog geen tijd gehad om het naar de bank te brengen.’ Het was een antwoord dat mij niet bevredigde. Het leek mij onlogisch. De meeste banken hadden nachtsafes.
‘U liet het geld dus bij haar achter?’
Hij knikte.
‘Inderdaad. Ik had die avond een afspraak met een paar vrienden; een zakelijke bijeenkomst met een dineetje en zo. Het was onzinnig om die tas de hele avond met mij mee te slepen. Ik liet hem bij haar achter. Ik had met haar afgesproken dat ik na het einde van die bijeenkomst bij haar zou terugkomen. Dat was zo gebruikelijk. Als ik hier in de stad was, gebeurde het wel meer dat ik tijdelijk geld bij haar achterliet.’
‘U vertrouwde haar?’
‘Volkomen.’
‘Geen enkele reden om haar te wantrouwen?’
‘Nee, geen enkele.’
Het klonk zo spontaan, dat het mij verbijsterde.
‘Wat wist u van haar achtergronden? Ik bedoel, kende u haar verleden?’
Hij antwoordde niet direct. Hij aarzelde. Zijn hand gleed in een zijzak van zijn colbertje en diepte daaruit een gouden sigarettenkoker met daarop het embleem van een grote, alom bekende, onderneming. Hij knipte de koker langzaam open en hield hem mij voor. Het ging traag, zodat ik de inscriptie Van een dankbaar personeel duidelijk kon lezen. Ik nam een sigaret en vroeg mij af of hij met opzet treuzelde, of hij per se wilde dat ik de inscriptie las. Terwijl ik hem een vuurtje gaf, dacht ik erover na. Ik was niet geïmponeerd.
Hij inhaleerde diep.
‘Ik heb haar leren kennen,’ zei hij door een wolk van rook, ‘bij kennissen. Het is een huis waar meer zakenlieden komen en waar wij zo nu en dan een gokje wagen.’ Hij glimlachte verontschuldigend. ‘Een klein gokje, eigenlijk meer een spelletje.’
‘Een spelletje.’ In mijn stem trilde een licht sarcasme. ‘Ja, ja,’ zei hij weifelend, ‘een spelletje, zo zou ik het willen noemen.’ Hij keek mij onderzoekend aan. ‘Tenzij… eh, tenzij u er per se op staat… anders zou ik de naam van die kennissen niet graag noemen. Ik wil ze niet in moeilijkheden brengen. Begrijpt u, het zijn besloten bijeenkomsten en er bestaat zoiets als geheimhouding.’
‘Ik begrijp het.’
Hij trok wat nerveus aan zijn sigaret.
‘Ik ontmoette haar dus in dat huis. Ze was een nogal opvallende schoonheid en ik voelde mij wel gevleid door de interesse die ze in mij toonde.’ Over zijn gezicht gleed een matte glimlach. ‘Noem het ijdelheid. Mannen op mijn leeftijd hebben dat nog.’ Hij gebaarde wat droevig voor zich uit. ‘Misschien een laatste strohalm.’
Het klonk als een zelfbeklag en dat irriteerde mij. Het kriebelde van binnen. Deze man… deze schatrijke man, had zich niet te beklagen.
‘Gaat u verder,’ zei ik kribbig..
‘Enfin, ze vertelde me, dat ze vaak als zangeresje was opgetreden, maar dat ze de laatste tijd bijna geen engagementen meer kon krijgen.’
‘En toen heeft u haar een engagement aangeboden.’ Hij keek mij strak aan. Het was een harde blik. In zijn ogen ontdekte ik weer dat staalachtig grijs.
‘U hebt de neiging,’ zei hij scherp, ‘om mijn woorden op een onplezierige manier aan te vullen. Het is mij al meer opgevallen.’ Ik negeerde zijn opmerking en glimlachte fijntjes.
‘Engageerde u haar?’ vroeg ik onverstoorbaar.
Om zijn mond verscheen een bittere trek. Zijn mondhoeken trilden.
‘Als u het zo noemen wilt,’ zei hij fel, ‘ja, ik engageerde haar.’ Ik trok een grimas.
‘Niet om te zingen.’
Hij stond geëmotioneerd op. Zijn ogen flikkerden. Mijn opmerking had hem zichtbaar gekwetst.
‘Nee,’ schreeuwde hij uit, ‘niet om te zingen. Niet-om-te-zingen. Verdomme nog aan toe, ik behoef u toch zeker geen uiteenzetting te geven van mijn zedelijk gedrag, is het wel? Wat heeft u daarmee te maken? Niets, niets. Het gaat u geen bliksem aan.’ Ik keek langzaam omhoog.
‘Gaat u zitten,’ zei ik kalm. ‘U hoeft zich niet op te winden. Het heeft geen enkele zin. Ik raak er niet van onder de indruk… ik niet.’
Hij zuchtte diep, sloot even de ogen en liet zich daarna vermoeid op zijn stoel terugvallen.
‘Het spijt me,’ mompelde hij nauwelijks hoorbaar, ‘echt, het spijt me. Ik was… eh, u…’
Ik keek hem eens aan. Het korte verhoor had hem ontluisterd. Ik had zijn zelfbeheersing aangetast. Het had wel even geduurd, maar het was mij uiteindelijk toch gelukt. Van binnen gloeide iets van triomf. Soms haatte ik mijzelf om het behagen, dat ik erin schepte.
‘We zullen het voorlopig hierbij laten,’ zei ik zo vriendelijk mogelijk. ‘Als ik wat onaardig ben geweest, dan moet u daaruit geen verkeerde conclusies trekken. Ik wilde alleen uw reactie peilen.’ Zijn gezicht kreeg een peinzende uitdrukking.
‘Mijn reactie?’
Ik knikte.
‘Dat was alles… voorlopig. Voor het geval ik u nog nodig mocht hebben… u blijft toch bereikbaar?’
Hij keek mij wat dof aan.
‘Betekent dit dat ik onder verdenking sta?’
Ik schudde langzaam mijn hoofd.
‘Niet meer dan wie ook.’ Hij zuchtte.
‘Ik logeer in Victoria.’
Langzaam stond hij op en verliet het verhoorkamertje. Ik liep met hem mee tot aan de deur van de recherchekamer. Daar drukte hij mij zwijgend de hand. Ik liet hem eerst een eindje de gang in lopen, toen riep ik hem terug.
‘Meneer Van Duuren, nog één vraag.’
‘Ja?’
‘Wie wist er dat u die tas met dat vele geld bij Anna had achtergelaten?’
Hij keek mij verwonderd aan.
‘Nie… niemand,’ hakkelde hij, ‘nee, niemand. Niemand behalve Anna.’
‘En Anna is dood.’
‘Ja,’ zei hij toonloos, ‘Anna is dood.’
Hij draaide zich om en liep de gang uit.
De commissaris zat achter zijn bureau en tekende stukken. Hij keek op toen ik binnenkwam.
‘En,’ vroeg hij, ‘heeft het verhoor van de heer Van Duuren nog iets opgeleverd?’
‘Er is een tas weg,’ zei ik loom, ‘een tas met vijfentwintigduizend gulden.’
De Ouwe fronste zijn stoppelige wenkbrauwen.
‘Zo, zo,’ zei hij, ‘dat is niet mis. En komt hij daar nu pas achter?’ Ik glimlachte.
‘Geld schijnt voor de heer Van Duuren niet zo belangrijk te zijn.’
‘Het is dus wel aannemelijk?’
Ik grijnsde.
‘Het klinkt aannemelijk. Maar misschien is het toch wel dienstig om de financiële status van de heer Van Duuren eens na te gaan. Ik bedoel, is hij financieel werkelijk zo gezond als de indruk die hij vestigt.’
De Ouwe knikte peinzend.
‘Ik begrijp wat je bedoelt,’ zei hij, ‘maar ik zou het in die richting toch niet zoeken. Van Duuren is rijk. Ik weet dat uit betrouwbare bron. Ook zijn vrouw heeft een enorm vermogen.’
‘Vrouw?’
De Ouwe knikte.
‘Zeker, Van Duuren is getrouwd. Al leeft hij gescheiden van zijn vrouw, officieel, wettig, is zijn huwelijk nog niet ontbonden.’
‘U zegt “nog niet”. Is er dan sprake van een scheiding?’
‘Ja. Van Duuren heeft twee jaar geleden een procedure aanhangig gemaakt. De zaak loopt nog steeds. Zijn vrouw weigert in een scheiding toe te stemmen.’
Ik keek de Ouwe wat achterdochtig aan.
‘Hoe komt u aan al die wijsheid?’
Hij grinnikte.
‘Vergeet niet, dat ik vannacht al met hem had gesproken voordat jij kwam.’
Hij pakte de telefoon.
‘Ik zal het nieuwtje van die tas met vijfentwintigduizend gulden nog even aan de pers doorgeven. Misschien kunnen ze het er nog bij opnemen.’
Hij wachtte even. Zijn hand op het toestel.
‘Wat denk je, zullen we er vijftigduizend van maken?’
‘Waarom?’
Hij lachte.
‘Misschien kunnen we de inbrekers onder elkaar laten twisten over de verdeling van de buit. Het is weliswaar een heel oud trucje, maar het heeft in het verleden wel meer succes opgeleverd.’ Ik haalde mijn schouders op.
‘Ik geloof niet dat het veel zin heeft. Volgens mij was er maar één. Er is niets dat erop wijst dat er meer dan één inbreker aan het werk is geweest. Ik voel wel iets voor een melding van dertigduizend gulden, al was het alleen maar om eventueel valse bekentenissen te kunnen ontmaskeren.’
De Ouwe knikte.
‘Je hebt gelijk, dertigduizend is mooi genoeg.’
Toen de Ouwe de hoorn neerlegde, zei hij:
‘Ik heb De Wilde opdracht gegeven om vanmiddag naar de sectie te gaan. Hij kan je dan ook verder nog bijstaan.’
Ik schrok.
‘De Wilde?’
‘Ja.’
‘Waarom De Wilde?’
De Ouwe keek mij strak aan. Zijn blik tastte mijn gelaatstrekken af. Hij trachtte iets van mijn gezicht te lezen.
‘De Wilde is een kundig rechercheur.’ Hij zei het op een halfvragende toon. Ik had niets moeten zeggen. Het ging de Ouwe niets aan. Het was een zaak tussen De Wilde en mij. Ik reageerde niet en toonde de commissaris een effen masker.
‘Bovendien,’ ging hij verder, ‘heeft De Wilde op het ogenblik weinig om handen. Het is een nare zaak. Je kunt best wat hulp gebruiken.’
Ik knikte traag.
‘Goed,’ zei ik, ‘De Wilde.’
Ik mocht De Wilde niet. Hij was mij niet sympathiek. En ik was niet de enige die een hekel aan hem had. De meesten van ons werkten niet graag met hem samen. Hij was te hard, te rechtlijnig. In zijn verstard denkpatroon zat te weinig speling. Ik ging veel liever op pad met De Cock, die ondanks, en misschien wel juist door zijn vaak bijtend sarcasme nog ruimte had voor pure menselijkheid. De Wilde bezag de mensen die hij ontmoette, slechts in het licht van wetten, artikelen en paragrafen. En dat was een schel hard licht met weinig nuances.
‘Je moet nu eerst maar eens een paar uur gaan slapen,’ zei de Ouwe vaderlijk.
Ik kon de slaap niet vatten. Het lukte niet. Ik bleef klaar wakker, vreemd helder, hoewel mijn lichaam vermoeid was. Mijn vrouw had de gordijnen van de slaapkamer dichtgeschoven, maar het was toch nog veel te licht.
Ik lag wat te woelen. Door mijn hoofd spookten duizenden gedachten. Ik zag weer die zitkamer met het lijk en al dat bloed en dacht aan Anna Bentveld.
Ik had haar gekend, zoals ik zovele lichte meisjes kende, oppervlakkig. Ze had een tijdje de prostitutie bedreven; een wat exotische verschijning op de Walletjes. Noorse Anja werd ze genoemd. Vermoedelijk had ze die bijnaam te danken aan haar opvallende blonde haar en de algemene opvatting dat alle vrouwen in Noorwegen blond waren. Ze was mooi, op een haast dierlijke manier. Haar weelderige vormenpracht was van een sprankelende uitbundigheid. Eigenlijk te weelderig, te uitbundig, alsof de natuur in speelse gulheid vrolijk buiten haar proporties was gedarteld. Wanneer ze op haar hoge hakjes en in nauwelijks verhullende japonnetjes over de steentjes van de gracht tippelde, dan bleven de mannen staan en keken haar na. Een jaartje later kreeg ik voor het eerst met haar te maken. Beroepshalve. Ik was getipt. Een afgunstige seksegenote had mij gewezen op de twee dure sportwagens die Mooie Bertus in een tijdsbestek van nog geen jaar had gekocht. En Mooie Bertus was de souteneur van Noorse Anja.
Prostitutie is weliswaar een winstgevend bedrijf met weinig exploitatiekosten, maar twee sportwagens van zestien mille, plus een paar exclusieve bontjasjes en daarenboven nog een weelderig leventje, nee, dat was toch wel wat te veel. Dat had mijn tipgeefster gemeend en ik vond dat ze gelijk had.
Omdat ik Mooie Bertus wel een paar jaar rijkswerkinrichting gunde, was ik begonnen om wat gegevens te verzamelen en zo stuitte ik op de tuinderszoon uit het Westland. In eendrachtige samenwerking hadden Anja en Bertus hem totaal geruïneerd. Het was een geraffineerd spelletje, waaraan juridisch niet veel te doen was, vooral ook, omdat de tuinderszoon achteraf zijn medewerking niet wilde verlenen. Hij schaamde zich en zijn familie had de tekorten inmiddels aangezuiverd.
Onze tuinderszoon was op een avond, belust op avontuur, een tikkeltje overmoedig de oude binnenstad van Amsterdam ingetrokken en daar niet ongevoelig gebleken voor de schoonheid, die Anja op de Walletjes in zachtroze etaleerde. Hij had haar langdurig bezocht en bij dat ene bezoek was het niet gebleven. Na ongeveer twee maanden werd hij benaderd door Mooie Bertus, die zich ingetogen presenteerde als een bezorgde broer van Anja. Hij speelde zijn rol goed.
‘U begrijpt,’ zei hij na een korte inleiding, ‘dat ik het niet prettig vind, dat mijn bloedeigen zuster daar op die smerige Walletjes zit. Het is eigenlijk een schande voor de familie. Vooral mijn vader en moeder vinden het heel erg verdrietig. Ze zijn nogal godsdienstig en u begrijpt…’ De tuinderszoon knikte nadrukkelijk. Hij begreep het best. Zijn eigen vader had dag aan dag, altijd na de maaltijd, uit de bijbel voorgelezen en daarin kwam het woord ‘hoer’ veelvuldig voor. Er werd nu niet bepaald vleiend over gesproken.
‘Nu hebben we gemerkt,’ zo deed Mooie Bertus zijn verhaaltje, ‘dat u zich nogal voor Anja interesseert en ze heeft laten doorschemeren, dat zij u ook heel aardig vindt. Ze heeft mij zelfs in vertrouwen verteld, dat zij terwille van u haar leventje op de Wallen wel wil opgeven. We zouden niets liever willen, maar u begrijpt dat Anja dan toch op een of andere manier in haar levensonderhoud moet voorzien.’
De tuinderszoon begreep.
Bertus sprak aarzelend verder.
‘Nu doet er zich een bijzondere gelegenheid voor. We kunnen namelijk voor mijn zuster een sigarenzaakje kopen. Een prachtige aanbieding. Het zou een mooie oplossing voor haar zijn en ze heeft er zelf ook wel zin in. Want, ziet u, in wezen is ze geen slecht meisje. Het is allemaal gekomen door een ongelukkige liefde. Een jongen heeft haar laten zitten.’ Bertus zuchtte. ‘Het sigarenzaakje zou een uitkomst betekenen.’ Hij zuchtte opnieuw; wat dieper, wat triester. ‘Maar het kost twintigduizend gulden. Dat is veel geld, heel veel geld. We hebben al geprobeerd het bij elkaar te krijgen, maar het lukt niet. We hebben geen eigen middelen.’ Hij maakte een verontschuldigend gebaartje. ‘We zijn tenslotte maar arme mensen. Toen’ — Bertus hakkelde van verlegenheid — ‘toen ik geen uitweg meer zag, heb ik aan u gedacht. Ik was nooit naar u toegekomen, wanneer ik niet zeker wist, dat u het goed met mijn zuster meende. Ziet u, dan behoeft ze niet meer op de Walletjes te zitten en heeft u haar voor u alleen.’ De tuinderszoon dacht aan de heerlijke perspectieven die op die manier voor hem werden geopend. Maar dat niet alleen. Hij dacht ook aan Christus, die hoeren en tollenaars niet uit de weg ging, en betaalde. Hij betaalde grif. Tot op de laatste cent. Maar Anja bleef op de Walletjes en het sigarenzaakje werd nooit gekocht. Toen ik haar ondervroeg, veinsde zij van deze hele affaire niets te weten. Ze ontkende zelfs dat Mooie Bertus haar souteneur was. Met het beeld van de mooie Anna Bentveld in mijn gedachten, viel ik ten slotte toch in slaap.
Op mijn bureau vond ik een briefje van De Wilde. Het was een summier verslagje van de sectie, geschreven in zijn typisch hoekig handschrift.
De schedelbreuken — zo stond er — waren plaatselijk en wel rechts aan de voorzijde van het hoofd. De druk had een oppervlakte van minder dan zestien vierkante centimeter. Was de drukoppervlakte groter geweest dan bijvoorbeeld vier bij vier centimeter, dan zou de schedel meer verspreide breuken hebben vertoond. Je kunt de menselijke schedel vergelijken met een kokosnoot — aldus dr. Rusteloos — die verder concludeerde, dat meerdere slagen in dezelfde wond werden toegebracht, doch dat de eerste slag reeds dodelijk was ten gevolge van het ontstane hersenletsel. Verder zijn er geen verwondingen en/of ziekelijke afwijkingen geconstateerd. Een toxicologisch onderzoek moet nog plaatsvinden.
PS Wist je dat Anna Bentveld een hoertje was?
Ik grijnsde om het PS en wierp het briefje in een lade van mijn bureau.
De Ouwe had alle kranten voor mij laten aanrukken. Een paar dagbladen publiceerden een foto van het slachtoffer. Het was een plaat van een paar jaar geleden. Anna Bentveld in een laag uitgesneden japon, zingend voor een microfoon.
Haar carrière als zangeres had niet lang geduurd. Men kon eigenlijk nauwelijks van een carrière spreken. Haar aanvankelijk succes berustte meer op haar exalterende schoonheid dan op haar stem, waarin een plat streekaccentje meedogenloos bleef meetrillen. Ze was dan ook nooit verder gekomen dan een paar rokerige café’s met muziekvergunning, waar benevelde lieden met zweterige handen aan haar schoonheid plukten. Dan waren er nog wat vage beloften van een talentscout, een wat rijpere heer, met meer visuele dan auditieve belangstelling. Hij zou veel voor haar kunnen doen. Het werd niets. Na enige tijd bood hij haar een exclusief stripteasecontract. Anna weigerde. Toen nog wel. Ze had Mooie Bertus nog niet ontmoet. Ik grijnsde wat stil voor mij uit. Nee, bepaald groots was haar carrière nooit geweest.
Het rinkelen van de telefoon verbrak mijn overpeinzingen. Ik greep de hoorn van het toestel en luisterde. Het was de wachtcommandant. Op de achtergrond hoorde ik verwarde stemmen.
‘Er is hier iemand komen binnenlopen, die zegt dat hij Anna Bentveld heeft vermoord.’
‘Wat?’
‘Ja echt, ik heb hem hier beneden.’
‘Mooi, laat hem maar naar boven brengen.’
‘Goed, Peet.’
Ik borg de stapel kranten weg en wachtte gelaten af. Het was, zo bedacht ik, eigenlijk te mooi om waar te zijn. Het gebeurde niet zo vaak dat men een dader op een presenteerblaadje kreeg voorgeschoteld.
De deur ging open en een grote geüniformeerde agent stapte de recherchekamer binnen. Aan zijn machtige arm had hij een jongeman. Ik liet mijn blikken op hem rusten. Ik zag een slome, enigszins uit zijn krachten gegroeide jongen, die met een paar grote ogen wat angstig naar mij keek. Zijn voeten staken in grove werkmanschoenen en uit de mouwen van zijn colbertje bungelden een paar grote handen.
‘Hier is ie, Peet.’
De agent hield hem nog steeds vast. Ik knikte.
‘Laat hem maar los.’
Hij stond daar wat verlegen midden in de kamer en wreef aan zijn arm.
‘Ga maar zitten.’
Hij slofte op zijn te grote schoenen aarzelend dichterbij en nam wat schuchter plaats.
Ik keek hem aan. Hij had vlassig blond haar, dikke lippen en een gezicht vol puistjes. Wat mij direct trof was de wazige, wat omfloerste blik.
‘Hoe heet je?’
‘Hendrikus Cornelis Schoutens.’
‘Hoe word je genoemd?’
‘Henk.’
Ik glimlachte.
‘Mooi… Henk… en hoe oud ben je?’
‘Vijfentwintig.’
Ik wreef met mijn hand langs mijn kin.
‘Zo, en jij hebt Anna Bentveld vermoord?’
Hij knikte nadrukkelijk.
‘Dat is dan niet zo mooi.’
Rond zijn weke mond trilde een zenuwtrek.
‘Maar het was haar eigen schuld hoor,’ zei hij plotseling heftig. ‘Het was haar eigen schuld. Echt meneer, ik kon er niets aan doen. Ik kon niet anders. Het was haar eigen schuld.’ Ik trok mijn wenkbrauwen op.
‘Hoezo m’n jong, had ze je iets misdaan?’
Er kwam iets van schittering in zijn ogen.
‘Ja meneer,’ zijn stem trilde een beetje, ‘ze had mij iets misdaan.’ Hij zuchtte. ‘Ja, zo zou je het kunnen noemen: misdaan.’ Hij proefde het woord op zijn tong. ‘Mis-daan.’
‘Wat?’
Hij sperde zijn ogen wijdopen.
‘Telkens wanneer ik aan haar huis voorbijkwam, dan stond ze voor haar raam en lachte tegen me.’
Ik haalde nonchalant mijn schouders op.
‘Dat is toch niet zo erg?’ Hij schoof nerveus op zijn stoel heen en weer.
‘Nee, maar… dat eh, dat is ook niet alles.’ Hij sprak gejaagd, stotterend.
‘Niet alles?’
‘Nee, niet alles.’
Hij trok zijn stoel wat dichterbij en boog zich naar mij toe. Op zijn bleke wangen lag een hoogrode blos.
‘Ik werk bij een wasserij, moet u weten. Ik moest altijd wasgoed bij haar brengen. U weet wel: lakens, slopen, hemdjes en van die kleine broekjes met kant.’ Hij friemelde nerveus met zijn vingers. ‘Kleine broekjes met kant… ze zijn zo klein, zo dun en zo doorzichtig…’ Hij grinnikte schaapachtig. ‘En wanneer ik de schone was bracht en de vuile ophaalde, dan hielp ze mij bij het uitzoeken.’ Hij keek mij schichtig aan en hijgde. ‘Begrijpt u, ze hielp mij bij het uitzoeken van de was enne… en was lief. Begrijpt u, erg lief.’
‘En vond je dat niet prettig?’
Hij schudde heftig zijn hoofd.
‘Nee, wat dacht u wel!’ Er klonk pure verontwaardiging in zijn stem. ‘Ik vond dat helemaal niet prettig, nee hoor. Ik begreep best waar ze op uit was.’ Hij knikte met samengeknepen lippen. ‘Ik begreep best waar ze op uit was. Ze wilde… ze wilde, dat ik zondige gedachten had. Ja, dat wilde ze.’ Hij zweeg even en dacht na. ‘Ik had ze… zondige gedachten. Heel vaak kon ik ’s nachts niet slapen. Dan zag ik haar steeds voor me… zij met haar wasgoed… de broekjes, de kleine broekjes met kant. Vooral wanneer ik die dag wasgoed bij haar had gebracht, ziet u, dan… eh, dan… maar ik kon er echt niets aan doen, meneer. Het was haar schuld.’
Ik streek met mijn hand langs mijn ogen.
‘Ze bracht je dus op zondige gedachten?’ Zijn grote vochtige ogen staarden mij aan. ‘Ja meneer,’ zei hij overtuigend, ‘zij deed het.’
‘Maar iemand doden is toch ook een zonde?’
Hij knikte heftig.
‘Zeker meneer, daar hebt u gelijk in. Dat is ook een zonde en ik zal er zwaar voor worden gestraft. Maar ziet u, als zij mij niet op zondige gedachten had gebracht, dan had ik het ook niet gedaan.’
Ik zuchtte.
‘Hoe lang breng je nu al de was bij haar?’
‘Bijna een jaar.’
‘Waarom heb je haar dan niet eerder vermoord?’
Hij slikte een paar maal. Onder zijn weke kin zag ik zijn adamsappel op en neer bewegen.
‘Ik… ik was het ook eerst niet van plan,’ zei hij aarzelend. ‘Het is eigenlijk plotseling in mij opgekomen, gisteren.’
‘Waarom gisteren?’
Hij wreef met de rug van zijn hand langs zijn droge lippen. Zijn neusvleugels trilden.
‘Gisteren… gisteren bracht ik de was. Ik stond op de stoep voor de deur van haar huis en voelde mij wat angstig. Ik was bang dat ze weer aardig tegen mij zou zijn. Echt, daar was ik bang voor.’
‘Nou en?’
Hij slikte opnieuw. De randjes van zijn oren waren vuurrood.
‘Plotseling stond ze voor me in… in een lange nachtjapon. Je kon er alles in zien. Alles. Hij streek weifelend met een grove hand over zijn magere borst. ‘Hier, begrijpt u?’
Ik zuchtte.
‘Ja, m’n jong, ik begrijp het.’
Hij gebaarde voor zich uit.
‘Ikke… ik wilde niet kijken, echt meneer, ik wilde niet kijken. Maar toen bukte ze zich om een krant op te rapen. Nou… eh, toen moest ik wel.’
Hij begon zenuwachtig te grinniken. Dwaas, met een verwrongen gezicht. Het was afschuwelijk om ernaar te kijken. Zijn handen klemden zich om de rand van mijn bureau. Zo nu en dan knarste hij met zijn tanden.
Vanbinnen begon er iets in mij te kriebelen. Ik stond op en ging achter hem staan.
‘En toen heb je haar vermoord?’ Ik sprak hard en streng. Hij knikte. ‘Waarom in de keuken?’
‘Daar was de beste gelegenheid. Daar ging het gemakkelijk. Daar zochten we de was uit.’
‘Je sloeg haar de hersens in.’
‘Ja.’
‘Waarom met een bijl?’
‘Er lag een bijl in het schuurtje van vader.’
‘Ging het makkelijk?’
‘Ja.’
‘Hoeveel slagen heb je haar gegeven?’
‘Wel twintig.’
‘Je hebt een tas uit haar huis weggenomen?’
‘Ja.’
‘Hoeveel geld zat er in?’
‘Dertigduizend gulden. Ik heb het geteld. Het was precies zoals in de krant stond.’
‘Waar heb je dat geld gelaten?’
Hij antwoordde niet direct.
Ik ging weer aan mijn bureau zitten en keek hem aan. De snel op hem afgevuurde vragen hadden hem weer tot zichzelf gebracht en de zwoele Anna Bentveld wat op de achtergrond gedrongen.
‘Waar heb je dat geld gelaten?’ herhaalde ik.
Op zijn puisterig gezicht verscheen een sluw trekje.
‘Dat geld zult u nooit vinden,’ zei hij. ‘Ik heb het goed verborgen.’ Ik zuchtte en wees naar de deur.
‘Blijf buiten op de gang maar even wachten.’
Hij stond gedwee op en liep de deur uit. De agent, die zwijgend het verhoor had gevolgd, kwam naderbij.
‘Breng hem naar beneden,’ zei ik, ‘en duw hem zachtjes het bureau uit.’
Hij keek mij verwonderd aan.
‘Het bureau uit?’
Ik knikte.
‘Anna Bentveld,’ zei ik wrevelig, ‘werd niet in haar keuken, maar in haar zitkamer vermoord. Het wapen was geen bijl, maar een breekijzer. In de tas zaten vijfentwintigduizend gulden en geen dertig, zoals in de kranten staat vermeld. Die jongen… die jongen heeft een paar seksuele problemen.’ Ik zuchtte diep. ‘Maar dat is zijn zaak. Het behoort niet tot mijn taak om die op te lossen. Aan een moord heb ik genoeg.’