Mijn vrouw keek met grote ogen toen ze me zag binnenkomen.
‘Wat,’ riep ze verbaasd, ‘ben je er nu al? Je bent toch niet ziek? Wat ben je vroeg.’
Ik glimlachte om de uitdrukking op haar gezicht.
‘De Ouwe,’ zei ik loom, ‘meende dat het goed was dat ik… eh,’ ik zuchtte, ‘nou ja… hij heeft mij naar huis gestuurd.’
‘Naar huis gestuurd?’
‘Ja.’
‘Waarom?’
Ik grijnsde.
‘Om na te denken.’
Ze fronste haar wenkbrauwen en keek mij onderzoekend aan.
‘Heb je herrie gehad?’
Het verwonderde me altijd dat ze mij zo goed kende.
‘Nee,’ zei ik, ‘geen herrie.’
‘Wat dan?’
Ik haalde onwillig mijn schouders op.
‘Niets,’ zei ik nukkig, ‘niets bijzonders.’
Ze greep me bij mijn arm.
‘Peet,’ zei ze nadrukkelijk, ‘er is wel wat.’
Ik ontweek haar blik.
‘Pepi heeft bekend.’
‘Wat?’
Ik knikte.
‘Ze hebben de tas met geld ook gevonden. Pepi heeft zelf gezegd waar ze moesten zoeken.’
Er kwam een bezorgde blik in haar ogen.
‘Ik zal een borrel voor je inschenken. Ik geloof, dat je ’m nodig hebt.’
Ze dribbelde naar het dressoir.
‘Ik heb dit niet voorzien,’ zuchtte ik, ‘ik heb daar heel niet op gerekend. Ik had gedacht dat hij wel zou blijven ontkennen. Ik had dan in ieder geval nog een kansje gehad. Maar nu…’ Ik streek vermoeid met mijn hand langs mijn ogen en grijnsde. Het was een droeve grijns. ‘Wat kan ik er nu nog aan doen? Ik zal mij er eenvoudig bij neer moeten leggen.’
Ze kwam pal voor mij staan. De fles in haar hand.
‘Geloof jij dat Pepi het heeft gedaan?’
‘De diefstal ja.’
‘Maar de moord?’
Ik antwoordde niet direct.
‘Peet,’ drong ze aan.
‘Nee, Pepi heeft die moord niet gepleegd.’
Ze keek me strak aan.
‘En daar ben je van overtuigd?’
‘Ja.’
‘Nog steeds? Ondanks die bekentenis?’
Ik knikte.
Haar ogen begonnen te flikkeren, een vervaarlijk vuur. Ik kende dat. Steeds wanneer ze op een of andere manier pressie op mij wilde uitoefenen, wanneer ze mij haar wil probeerde op te leggen, las ik in haar ogen die flikkering. Ze schudde heftig haar hoofd.
‘Nee Peet,’ zei ze dwingend, ‘dan mag jij je ‘r niet bij neerleggen. Nee, dat mag je niet doen. Nooit. Als jij denkt dat die jongen onschuldig is… als je dat werkelijk gelooft… daarvan overtuigd bent… dan mag je hem nu niet in de steek laten. De jongen vertrouwt je. Hij rekent op je eerlijkheid als mens en op je kundigheid als rechercheur. Je mag die jongen nu niet laten vallen.’
Ik stak in wanhoop mijn handen omhoog.
‘Waarom heeft hij dan in godsnaam bekend? Verdomme nog aan toe. Je bekent toch geen moord als je het niet gedaan hebt? Hij is toch waarachtig geen kind meer. Hij is zesentwintig jaar.’ Als een onwillig kind leidde ze mij naar mijn fauteuil. ‘Ga zitten,’ zei ze streng, ‘en hou je rustig. Het heeft geen zin om je op te winden. Was je er bij toen Pepi bekende?’ Ik schudde mijn hoofd.
‘Nee,’ zuchtte ik, ‘ik was er niet bij. De Wilde heeft hem tot een bekentenis gebracht.’
‘Zo,’ zei ze nadenkend, ‘De Wilde…’
Er klonk iets van minachting in haar stem. Het irriteerde me.
‘Ja,’ riep ik fel, ‘De Wilde. En wat dan nog? Hij mag dan een onsympathieke kerel zijn, maar ik heb hem nog nooit op oneerlijkheid kunnen betrappen.’
Ze ging in de fauteuil tegenover mij zitten en legde haar handen in haar schoot.
‘Peet,’ zei ze kalm, ‘waarom heb jij hem eigenlijk niet verhoord? Het is toch jouw zaak?’
Ik streek met mijn handen door mijn haar.
‘Ik was er de hele morgen niet. Ik was naar Den Haag naar het laboratorium.’
Ze knikte traag.
‘Dat is jammer.’
‘Ja,’ zei ik verbeten, ‘en ik had hem nog zo gezegd met zijn handen van Pepi af te blijven. Zie je… ik had er al zo’n voorgevoel van dat Pepi hem niet zou kunnen weerstaan. De Wilde kan er wat van. Als hij het op zijn heupen heeft, haalt hij alle duivels uit de hel.’
‘De Wilde gelooft in zijn schuld. Is het niet?’
‘De Wilde…’ zei ik honend. ‘De Wilde gelooft in ieders schuld. Elke man is voor hem een moordenaar en elke vrouw een hoer. En als ze het nog niet zijn, dan kunnen ze het altijd nog worden. Kijk, dat is de filosofie van De Wilde. Maar ten aanzien van Pepi maakt dat eigenlijk geen enkel verschil. We moeten ons aan de feiten houden. Een verdachte wordt veroordeeld aan de hand van feitelijke bewijzen en gelukkig niet op grond van hetgeen een rechercheur denkt of gelooft.’
Ze stond zuchtend op en schonk mij een borrel in.
‘Is er,’ zei ze treurig, ‘dan totaal niets dat in zijn voordeel pleit?’ Ik haalde mijn schouders op.
‘Niet veel, vrees ik. Ik heb alleen nog een verklaring van een hoertje. In de omgeving van de Walletjes noemen ze haar Maffe Beppie. Dat zegt wel iets. Ze is nu niet bepaald een getuige die bij de rechtbank veel indruk zal maken. Ze vertelde me dat ze Anna Bentveld die bewuste avond van de moord nog zo om en nabij de klok van één uur op de Achterburgwal heeft gezien.’ Mijn vrouw veerde op.
‘Dus om één uur leefde ze nog.’
Ik knikte.
‘Als we afgaan op de verklaring van Maffe Beppie.’
‘Nou… waarom niet? Ze is toch niet gek?’
‘Nee,’ zuchtte ik, ‘bepaald gek is ze niet… maar zie je… in het geheel; er bestaan nogal wat bedenkingen ten aanzien van verklaringen, afgelegd door prostituees. Men weet het niet… men weet niet precies hoeveel waarde men eraan mag hechten. Er zijn heel wat boeken over dit onderwerp geschreven.’ Ik gebaarde. ‘Bovendien heeft de verklaring van Maffe Beppie op zich toch niet zo erg veel te betekenen. Van de Walletjes, de Achterburgwal, naar het huis van Anna Bentveld aan de Keizersgracht is ongeveer elf minuten lopen. De melding van de moord kwam om twintig over één.’
‘Dat is maar krap aan de tijd,’ onderbrak mijn vrouw, ‘er liggen maar negen minuten tussen.’
Ik knikte grijnzend.
‘Tijd genoeg om iemand rustig zijn hersens in te slaan. Je kunt zelfs met minder toe.’
Ze keek peinzend voor zich uit.
‘Die Van Duuren,’ zei ze na een poosje, ‘moet Pepi haast overlopen hebben. Je moet bedenken dat Anna Bentveld zich in die negen minuten ook nog heeft moeten omkleden. Je kan wel aannemen dat ze niet in haar nachtjapon over straat is gegaan.’ Ik knikte traag.
Mijn vrouw dacht nog steeds na. Ik zag het aan die kleine dwarsrimpel tussen haar ogen.
‘Zou hij…’
‘Wie? Van Duuren?’
‘Ja, Van Duuren.’
Ik nipte aan mijn borreltje.
‘Natuurlijk heb ik aan die mogelijkheid gedacht. Natuurlijk. Maar die Van Duuren is zo’n keurige vent. Het zegt niets, dat weet ik wel. Maar wat voor belang had hij er bij? Het ligt niet zo direct voor de hand. Bovendien… bovendien staan niet zijn vingerafdrukken op het breekijzer, maar die van Pepi.’ Plotseling veerde ik overeind en sloeg met de muis van mijn hand tegen mijn voorhoofd.
Mijn vrouw keek verschrikt op.
‘Wat is er, Peet?’
‘Vingerafdrukken,’ zei ik verward.
‘Wat is daarmee?’
Ik beet op mijn onderlip.
‘Vingerafdrukken… hoe komen de vingerafdrukken van Pepi op het breekijzer? Bij al de zaakjes die ik van Pepi heb behandeld, zijn er nooit vingerafdrukken gevonden. Pepi liet nooit vingerafdrukken achter. Hij werkte met handschoenen. Altijd.’ Ik greep naar mijn glaasje en dronk het in één teug leeg. De plotselinge gedachteflits had mij wat overrompeld. ‘Stom, dat ik daar niet eerder aan heb gedacht.’
‘Pepi,’ zei mijn vrouw, ‘Pepi kan toch wel voor één keer geen handschoenen hebben gedragen?’
Ik schonk mijzelf nog eens in.
‘Pepi droeg wél handschoenen,’ zei ik overtuigend. ‘Als hij die avond geen handschoenen had gedragen, dan had Kreuger van de Dactyloscopische Dienst meer afdrukken gevonden, bijvoorbeeld bij het raam waar Pepi naar binnen klom. Maar in het hele huis zijn geen vingerafdrukken van Pepi gevonden.’
‘Behalve dan op het breekijzer.’
‘Ja,’ zei ik voorzichtig, ‘en dat is juist zo merkwaardig, vind ik. Waarom op het breekijzer wel en verder in het hele huis niet?’
‘Heb je daar geen verklaring voor?’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Niet direct. Ik weet nog te weinig. Ik weet bijvoorbeeld nog niet of het bewuste breekijzer wel van Pepi is. Hoewel… ik neem het aan. Het is er wel een van het soort dat Pepi gewoonlijk bij zijn inbraken gebruikte.’
Mijn vrouw zuchtte diep.
‘Als het breekijzer werkelijk van Pepi blijkt te zijn, dan ziet het er alles bij elkaar niet zo rooskleurig voor hem uit.’ Ik schudde mistroostig het hoofd.
‘Nee, dan bestaat er een grote kans dat hij wordt veroordeeld, schuldig of niet. En juist dat zit me dwars.’ Ik wreef met mijn hand langs mijn gezicht. ‘Het gaat niet alleen om Pepi… het gaat ook om mijzelf. Ik zou niet graag betrokken zijn bij een gerechtelijke dwaling. Dat is het. Zolang ik rechercheur ben, heb ik daarvoor een haast panische angst. Ik heb er wel nachten van wakker gelegen. Wanneer een zaak overduidelijk is… dan is er niets aan de hand… dan kwelt er niets. Maar juist bij die twijfelgevallen… wanneer je gevoel je in de steek laat… wanneer je het niet meer weet… wanneer je een blinddoek zou moeten dragen… dan zou ik mijn verantwoordelijkheid willen ontvluchten.’ Ze keek me vertederd aan.
‘Ik begrijp het, Peet. Je zou ook nu wel willen vluchten. Is het niet?’
Op dat moment rinkelde de telefoon.
Ik pakte de hoorn op. Het was dr. Boentje van het gerechtelijk laboratorium.
‘Ik heb eerst geprobeerd je op het bureau te bereiken,’ zei hij. ‘Ze zeiden dat je al naar huis was.’
Ik grijnsde.
‘Dat klopt. Ik ben er vroeg mee opgehouden.’
‘Zeg,’ zei hij, ‘we hebben het nagekeken, maar er zit geen bloed op het leren vest. Ook aan de broek hebben we geen bloed kunnen ontdekken.’
‘Geen bloed,’ herhaalde ik verbaasd.
‘Nee, positief niet.’
‘Dus geen bloed.’
‘Nee, ben je er blij mee?’
‘Ik weet het nog niet,’ zei ik aarzelend.
Hij lachte.
‘Enfin, dat is jouw zaak. Je zoekt het maar uit. Ik zal je de kleren terugsturen. Een uitvoerig rapport krijg je later wel.’
‘Ja, ja,’ zei ik, ‘dat komt later wel. In ieder geval bedankt voor de snelle behandeling.’
Hij lachte opnieuw.
‘Niet te danken,’ zei hij opgewekt. ‘Je weet het, op het lab kun je rekenen.’
Hij belde af.
Ik bleef in gedachten bij de telefoon staan.
Mijn vrouw kwam naar mij toe.
‘Wat betekent het, Peet,’ zei ze meelevend, ‘geen bloed op de kleding?’
Ik antwoordde niet direct. In mijn gedachten projecteerde ik de zitkamer van Anna Bentveld. De grote rode plek in het lichtgrijze vloerkleed. De gapende wonden aan het hoofd en de zo karakteristieke bloedspatten, verder weg, op het kleed en tegen de lage poten van de fauteuil. Ik keek peinzend naar mijn vrouw. Ze stond voor mij met grote vragende ogen.
‘Wat betekent het, Peet?’ herhaalde ze.
Opnieuw trachtte ik mij de situatie in te denken. Wat had zich in die kamer afgespeeld? Hoe was het gegaan? Plotseling kreeg ik een idee. Mijn vrouw was bijna net zo groot als Anna Bentveld. Wel niet zo uitdagend, niet zo uitbundig, maar toch vergelijkbaar. Ik liep naar de haard en pakte de sierpook. Ik woog hem op mijn hand. Hij was ongeveer net zo groot en net zo zwaar als het breekijzer. Ik nam mijn vrouw bij de arm en leidde haar naar het midden van de kamer.
‘Blijf hier eens staan,’ zei ik.
Ik keek mijn eigen huiskamer nog eens rond en schoof een van de fauteuils wat dichterbij. Met enige fantasie was de situatie hetzelfde, leek het op de kamer van de moord. Ik overdacht of er nog iets aan de enscenering ontbrak. Mijn oog viel op ons salontafeltje. Ik duwde het nog iets verder achteruit. Er mocht niets in de weg staan. Anna Bentveld had een vrije val. Mijn vrouw stond nog steeds op dezelfde plaats waar ik haar had neergezet. Ze beefde een beetje. Met de pook in mijn hand ging ik voor haar staan en keek haar aan. Ik las iets in haar ogen dat ik daarin nog nooit eerder had gezien. Het was angst.
‘Ik doe je niets,’ zei ik geruststellend. ‘Wees maar niet bang.’ Ze liet een zenuwachtig lachje horen.
Ik knikte peinzend.
‘Zo… zo moet het ongeveer geweest zijn, ja… zo stond de moordenaar voor Anna Bentveld.’ Ik bracht mijn arm omhoog en hield de pook boven mijn hoofd, in slaghouding. ‘Toen… toen viel de eerste klap. Het moet met veel kracht zijn gebeurd, want reeds na de eerste slag stortte Anna tegen de grond en bleef liggen.’ Mijn vrouw keek angstig omhoog.
‘Peet,’ zei ze benauwd, ‘doe eerst die griezelige pook weg.’ Ik liet mijn arm weer zakken.
Ze zuchtte opgelucht.
‘Anna Bentveld viel volgens jou dus al bij de eerste slag?’ Ik knikte. ‘Ja, bij de eerste slag. De tweede en volgende slagen werden haar toegebracht, toen ze al op de grond lag.’ Ze stak een vinger omhoog.
‘Wacht nu eens even, Peet,’ zei ze bedachtzaam. ‘Voor je verdergaat… dat van die slagen is natuurlijk maar een veronderstelling.’ Ik schudde mijn hoofd.
‘Nee, ik weet het zeker. Wanneer ze namelijk ook de tweede slag had gekregen op een moment dat ze nog recht overeind stond, dan had ik bloedspatten moeten vinden op een grote hoogte. Bijvoorbeeld tegen de wanden, of hoger tegen de rugleuning van de fauteuil. Zie je schat, en daar waren ze niet.’ Ze keek me niet-begrijpend aan.
‘Ontstaan er bij zo’n eerste slag,’ vroeg ze weifelend, ‘dan geen bloedspatten?’
‘Nee,’ zei ik geduldig, ‘bij de eerste slag niet. Bij de eerste slag worden de bloedvaten verwoest en treedt er bloed uit de wond. Wordt er verder niet meer in diezelfde wond geslagen, dan vind je hoogstens bloeddruppels. Er bestaat tussen die beide een groot verschil. Bloeddruppels vallen in de regel haast loodrecht naar beneden en vormen dan van die ronde vlekjes met een gekartelde rand. Bloedspatten ontstaan pas wanneer met kracht in een reeds bloedende wond wordt geslagen. Dus na de eerste klap. Ze hebben ook een andere vorm, meestal ovaal met een klein staartje. Dat staartje vertelt iets van de richting waaruit het bloed is gekomen. Bloedspatjes zijn belangrijk. Hoe verder ze wegspringen, hoe krachtiger de slag is geweest en hun vindplaats geeft aan waar ongeveer de tweede slag is gevallen. Ben ik duidelijk?’ Ze keek me een poosje nadenkend aan.
‘Maar Peet, dan is het ook niet vreemd dat ze op het leren vest van Pepi geen bloed hebben gevonden. Zelfs al is hij de moordenaar, dan nog is het niet waarschijnlijk, dat op zijn vest bloedspatjes zijn gekomen.’
‘Precies. Het feit dat op het vest van Pepi geen bloed werd gevonden, ontlast Pepi niet.’
‘En de broek?’
Ik keek mijn vrouw aan. Het deed mij oprecht goed dat ze zo intens meeleefde en begrip toonde voor mijn moeilijkheden.
‘Wil je er nog even mee doorgaan. Ik bedoel, wil je nog even voor slachtoffer spelen?’
‘Vooruit maar.’
‘Ook,’ zei ik voorzichtig, ‘wanneer ik nog even die griezelige pook gebruik?’
Ze glimlachte.
‘Toe maar Peet. Ik zal maar denken, het is voor een goed doel.’
Ik legde haar voorzichtig op de grond, ongeveer in de houding, waarin ik Anna Bentveld had gevonden. Daarna ging ik rechtop naast haar staan. Met het uiteinde van de pook tastte ik naar haar hoofd en schuifelde heen en weer. Toen ik de plaats had gevonden vanwaar men de slagen met de pook kon toedienen, berekende ik de afstand en overdacht welke baan de wegvliegende bloedspatjes hadden genomen.
‘Het moet,’ mompelde ik in mijzelf, ‘het moet.’
Uit de binnenzak van mijn colbertje pakte ik de schetsjes die ik op de plaats van het misdrijf had gemaakt. Ik had daarop, zoals mijn gewoonte was, nauwkeurig de plaats aangegeven waar ik in de kamer van Anna Bentveld de kleine bloedspatjes had aangetroffen.
Ik bekeek de schetsjes aandachtig.
‘Het moet,’ herhaalde ik iets luider.
‘Wat is er, Peet,’ riep mijn vrouw vanuit de diepte, ‘heb je iets ontdekt?’
Ik hielp haar overeind.
‘Het… het kan haast niet anders,’ stamelde ik.
‘Wat?’
Ik wreef met mijn hand langs mijn kin.
‘Het kan niet anders. Er moeten bloedspatten zitten op de broek van Pepi. Op de pijpen, ongeveer een decimeter onder de knie.’ Mijn vrouw keek mij ernstig aan. ‘Op de broek van Pepi zat geen bloed.’
‘Nee,’ zei ik. ‘Ze hebben op het laboratorium niets gevonden.’
‘Maar Peet,’ zei ze verheugd, ‘dat… eh, dat is prachtig. Dan heeft Pepi die dodelijke slagen niet toegebracht.’ Ze greep me wild aan mijn arm vast. Haar ogen schitterden. ‘Dit is toch het bewijs.’
Ik glimlachte om haar enthousiasme en stak afwerend een hand omhoog.
‘Stop eens lieveling,’ zei ik. ‘Loop nu niet te hard van stapel. Dit is natuurlijk mooi, maar er zijn ook nog andere bewijzen. Het staat in ieder geval vast dat Pepi die inbraak heeft gepleegd. En ten aanzien van de moord zitten we nog steeds met de vingerafdrukken op het breekijzer en, niet te vergeten, de afgelegde bekentenis.’
‘Die is vals,’ riep ze spontaan.
‘Laat De Wilde het maar niet horen.’
Ze haalde haar linkerschouder op en snoof.
‘Dat zou wat. Maling aan De Wilde.’
Ik lachte.
‘Schenk nog maar eens in,’ zei ik opgewekt. ‘Ik dacht wel, dat ik nog een borrel had verdiend.’
De volgende morgen ging ik bijtijds naar het bureau. Ik was van plan om mijn ontdekking nog een poosje geheim te houden. Ik begreep maar al te goed dat ik over meer bewijsmateriaal diende te beschikken, wilde ik de beschuldiging van moord geheel ontzenuwen. Het enkele feit, dat op de broek van Pepi geen bloedspatjes voorkwamen, terwijl ze daarop, gezien de omstandigheden, wel aanwezig behoorden te zijn, was nog geen overtuigend bewijs van zijn onschuld. Pepi kon zijn broek wel zo zorgvuldig hebben gereinigd, dat zelfs de spitse luitjes van het laboratorium niets meer hadden kunnen vinden. Ik moest dat nog eens nagaan. Bovendien, als Pepi die moord niet had gepleegd, wie dan wel? Iemand was toch verantwoordelijk voor de dood van Anna Bentveld. De grote vraag was: wie? Ik hoopte dat het verhoor van Pepi mij nader tot de oplossing zou brengen.
De agent-cellenwacht ging met mij mee. Aan zijn hand bengelde een lange ketting met zware, haast middeleeuwse, sleutels. Het rinkelde.
‘Waar zit-ie?’
Hij keek op zijn lijstje.
‘Cel vijf.’
We gingen de trap af naar de kelder.
De meeste cellen van het oude politiebureau aan de Warmoesstraat liggen bijna onder het niveau van het vuile water van het Damrak. Het zijn gore stinkende hokken; ’s winters onvoldoende verwarmd en ’s zomers stikkend benauwend door een gebrek aan goede ventilatie. Het is eigenlijk een schande, dat in deze tijd nog mensen in dergelijke primitieve hokken worden opgesloten. Ik maakte de ijzeren dwarsbalk van cel vijf los en hielp bij het terugschuiven van de zware grendels. Het slot kraakte en de celdeur schoof kermend open. De weeë zoetige lucht van een desinfecterend middel walmde me tegemoet. Nog maar kort tevoren had een arrestant met een of andere geslachtsziekte in dezelfde cel vertoefd en na zijn verblijf was het hok ontsmet. Ik walgde van de stank.
Op een vervuild brok, tussen verbogen ijzeren stangen gespannen zeildoek, lag in het halve duister Pepi. Hij kwam langzaam overeind en knipperde met zijn ogen. Een vale deken gleed van hem af.
‘Goedemorgen,’ zei ik.
Zijn handen zochten steun tegen de klamme muur.
‘Goeiemorgen, meneer Peeters,’ zei hij loom.
Hij streek met zijn hand door zijn warrig haar en trok zijn afgezakte broek wat op.
‘Het zit ’m op m’n strot,’ zei hij smakkend met zijn lippen. ‘Ik heb een smaak in mijn mond… het lijkt wel of ik dooie katten heb gevreten.’
Ik knikte.
‘Het komt door de lucht hier.’
Hij vouwde zijn dekens op.
‘Heb je nog een beetje geslapen?’
Hij schudde zijn hoofd en geeuwde.
‘Niet veel. Ziet u, ze stopten vannacht een kerel in die cel hiernaast. Ik geloof dat het cel vier is. Verdomme wat ging die vent te keer. Hij heeft zowat de hele nacht tegen de celdeur staan bonken. Het was een hels kabaal. Ik heb bijna geen oog dichtgedaan.’ Hij geeuwde opnieuw en gebaarde in de richting van de cel naast hem. ‘Nou is-ie stil, zeker ingedommeld.’ Hij kwam de cel uit. ‘Moet ik met u mee, meneer Peeters?’ Ik knikte.
‘We moeten eens ernstig met elkaar praten. Ik hoop dat je mij veel te vertellen hebt.’
Hij grijnsde droevig.
‘Ga maar mee,’ zei ik.
Hij slofte achter mij aan de stenen gang door. De cellenwacht volgde. Onze voetstappen klonken hol en weerkaatsten tegen de muren.
De man in cel vier begon weer te bonken.
‘Je wordt zo geholpen,’ brulde de cellenwacht. Het bonken hield niet op.
De deur van de recherchekamer stond wijdopen. Rechercheur De Cock was er al. Hij was altijd vroeg, vroeger dan de anderen. Hij stond tegen de muur geleund bij het gaskomfoortje en brouwde koffie.
Ik bracht Pepi naar het verhoorkamertje.
‘Ik ben zo weer bij je,’ zei ik en deed de deur achter hem dicht. Ik pakte een paar schone koppen uit de kast en slenterde naar De Cock. Ter begroeting duwde ik een elleboog in zijn zij. Hij keek mij aan en glimlachte.
‘Geef je het nog niet op?’
‘Nee.’
‘Zie je nog een gaatje?’
‘Misschien.’
‘Peet,’ zei hij ernstig, ‘afgezien van ons gesprek van gisteren… als je me nodig hebt… je kunt altijd op me rekenen.’
‘Dank je,’ zei ik simpel, ‘ik wist het.’
We staarden beiden naar de pruttelende koffieketel.
‘Nog even,’ zei De Cock, ‘ze wordt al lekker bruin.’ Hij wees achteloos naar het nachtrapport op zijn bureau. ‘Vier inbraken, een beroving, een kleine vernieling en twee man in de pot voor een steekpartij.’ Hij snoof. ‘Ga er maar weer eens aan staan.’
‘Je hebt tenminste brood op de plank,’ schertste ik.
De koffie geurde verrukkelijk. Met in iedere hand een dampende kop liep ik naar het verhoorkamertje.
De Cock hield de deur voor mij open.
‘Doe je best,’ zei hij.
Ik glimlachte.
‘Meneer Peeters, ik…’
Ik stak mijn hand op en schudde mijn hoofd.
‘Doe nu rustig aan, Pepi. Nog niet. Laten we eerst eens op ons gemak onze koffie drinken. De rest kan nog wel even wachten. Je moet maar denken, het is hier beter dan beneden in die rotcel. En waarom zouden we ons haasten? We hebben immers de tijd.’ Hij zuchtte zwaar.
‘Ja, ja,’ zei hij benepen, ‘tijd, ik… eh, ik heb inderdaad de tijd. Veel tijd.’ Het klonk wat wrang.
Hij roerde peinzend in zijn koffie. Zijn gedachten speelden met de tijd. Een vreemd spel, waarvan niemand de regels kent. Ook Pepi niet. Ik zag hoe gespannen hij was.
‘Hoe… eh, hoeveel,’ zei hij halfstotterend, ‘hoeveel jaar dacht u dat ik krijg?’
‘Waarvoor…’ vroeg ik achteloos, ‘voor moord?’
Zijn ademhaling weigerde even.
‘Ja,’ zei hij, ‘voor moord.’
Ik keek naar zijn lange slanke handen, die lichtjes beefden. Ze lagen voor hem op het tafeltje. Het koffiekopje stond ertussenin.
‘Als je er uitkomt…’ zei ik langzaam, nadenkend, ‘als je er uitkomt ben je in de veertig.’
De handen knepen zich samen. De knokkels werden wit.
‘Veertig,’ herhaalde hij, ‘veertig.’ Het scheen hem onwezenlijk toe. ‘Dat… eh, dat is wel oud.’
‘Oud?’
Hij keek mij wat vreemd aan, als zocht hij een vergelijk.
‘Hoe oud bent u?’
‘Oud,’ antwoordde ik gelaten, ‘eenenveertig.’
Om zijn lippen speelde een droeve grijns.
‘Zo bedoelde ik het niet.’
Ik glimlachte.
‘Kom,’ zei ik vriendelijk, ‘drink nu eerst je koffie. Anders wordt ze koud.’
Hij bracht de kop naar zijn mond. Ik hoorde het tikken van zijn tanden tegen het glazuur. Het leek wel of hij een zware koorts had. Ik legde mijn benen op een andere stoel en leunde nonchalant met mijn arm op tafel. Het was een demonstratie van rust. Ik wilde voor alles een ontspannen sfeer scheppen en het verhoor kalm doen verlopen. Het kostte mij moeite om uiterlijk niets van mijn innerlijke onrust te tonen. Inwendig was ik niet kalm, integendeel, het kolkte. Op mijn lippen brandden tal van vragen. Ik kon mij precies voorstellen hoe De Wilde hem te lijf was gegaan. Ik kende toch zijn techniek. Met zijn donderende stem, fel, heftig, als het ratelen van een mitrailleur had hij zijn vragen op hem afgevuurd.
Was Pepi in de war geraakt?
Ik keek toe hoe hij langzaam zijn kopje leegdronk.
‘Kende je Anna Bentveld nog van vroeger? Ik bedoel, uit de tijd dat ze nog op de Walletjes zat?’
Hij knikte traag. ‘Ik heb haar wel eens gezien.’
‘Ze was een mooi vrouwtje,’ zei ik peinzend, ‘een bijzonder mooi vrouwtje. Het was een naar gezicht haar zo te zien liggen. Beslist akelig.’ Ik gluurde naar de uitdrukking op zijn gezicht. ‘Als ik er nog aan denk… haar mantelpakje,’ ik loog opzettelijk, ‘haar mooie blauwe mantelpakje, zat onder het bloed.’ Hij reageerde niet.
‘Weet je,’ ging ik op vertrouwelijke toon verder, ‘ze droeg veel blauw. Haast altijd. Meest lichtblauw. Ze hield van die kleur. Het stond haar ook goed.’
Het hinderde mij, dat ik op die manier zijn weerstand moest ondermijnen. Ik vond het niet prettig. Maar ik had geen andere keus.
‘Pepi…’ zei ik wat doordringender, ‘dat blauwe mantelpakje… vond je ook niet, dat het haar die avond bijzonder goed stond?’ Hij boog zijn hoofd voorover, zodat ik de reacties in zijn ogen niet kon zien. ‘Ja, ja,’ zei hij weifelend, ‘het stond haar goed.’ Ik nam traag mijn benen van de stoel en ging recht tegenover hem zitten. Ik wreef met mijn hand langs mijn gezicht en schudde mijn hoofd.
‘Pepi,’ zei ik toonloos, ‘Anna Bentveld droeg die avond geen mantelpakje.’
Hij sloeg zijn ogen op en keek mij aan.
‘Géén mantelpakje?’ Ik zuchtte. ‘Nee Pepi, geen mantelpakje.’
Hij schoof onrustig op zijn stoel heen en weer. Zijn onderlip trilde.
‘Wat… wat droeg ze dan?’
Ik trok mijn wenkbrauwen in verbazing omhoog.
‘Weet je dat niet, Pepi? Weet je dat niet. Het moet je toch zijn opgevallen. Dat beeld van die mooie Anna Bentveld, zoals ze in die kamer plotseling voor je stond… dat beeld kan toch nooit uit je herinnering zijn verdwenen? Dat blijft je toch eeuwig bij?’ Ik wreef met mijn pink over de rug van mijn neus.
‘En dan haar ogen, Pepi… haar grote angstige ogen, toen jij dat breekijzer opnam om haar…’ ik stopte even om zijn reacties waar te nemen, ‘Pepi… waren ze blauw of bruin?’
Ik zag dat ik hem martelde, maar ik moest ermee doorgaan. Ik moest die kwellende onzekerheid kwijt. Had hij die moord gepleegd ja of nee?
‘Was ze in één keer dood? Heb je haar nog horen kreunen? Wat dacht je toen je haar schedel hoorde kraken? Pepi… hoeveel slagen heb je haar gegeven?’
Ineengedoken, als een schichtig dier, zijn hoofd weggetrokken tussen zijn schouders, zat hij voor mij en antwoordde niet.
‘Pepi…’ schreeuwde ik verbeten, ‘Pepi… hoeveel slagen heb je haar gegeven?’
Hij keek even op en toen hij mijn blik ontmoette sloeg hij zijn beide handen voor zijn gezicht. Woedend omdat hij zich voor mij verborg, trok ik zijn handen weer voor zijn gezicht vandaan en hield hem bij de kin vast.
‘Kijk mij aan,’ siste ik.
Hij hield zijn ogen stijf dicht. Ik schudde zijn hoofd heen en weer. Een traan gleed langs zijn wang omlaag en drupte op mijn duim. De warmte drong door mijn huid.
‘Kijk mij aan.’
Langzaam gingen zijn ogen open. Ik las angst. Ik bracht mijn gezicht vlak bij hem.
‘Wat had ze aan, Pepi? Wat droeg ze? Wat droeg Anna Bentveld op de avond toen je haar vermoordde?’
Uit zijn ogen kwam een stroom van tranen. Ik liet zijn kin los.
‘Ik… eh, ik weet niet wat ze droeg,’ snikte hij, ‘ik weet het niet. Ik weet het echt niet. Ikke… eh, ik heb haar niet eens gezien. Er was geen vrouw. Er… was helemaal geen vrouw.’ Hij snikte opnieuw met lange uithalen. ‘Er… er was niemand, nie-mand, nie-mand, nie…’ Hij bleef het herhalen, als een echo. Plotseling, in een wild emotioneel gebaar, greep hij mijn hand en klemde die stevig vast.
‘U… u gelooft me toch?’ Zijn betraande ogen keken mij smekend aan. ‘U gelooft mij toch? U toch wel, meneer Peeters, u toch wel? U… ik…’
Er schoot een brok in mijn keel. De uitdrukking in zijn ogen was als van een geslagen hond. Ik voelde dat ik in zijn bijzijn mijn tranen niet zou kunnen bedwingen. Daarom verliet ik gehaast het verhoorkamertje en liet hem alleen. In twijfel. In de recherchekamer ging ik achter mijn bureau zitten en verborg mijn gezicht achter een haastig uitgevouwen krant. Ik las niet. Ik kon niet. De letters dansten wazig voor mijn ogen. Om mij heen ratelden de schrijfmachines en rinkelden de telefoons. Na een paar minuten had ik mij weer volkomen in bedwang. Ik grijnsde achter mijn krant. Wat had mij bezield? Ongelooflijk. Ik was waarachtig bijna gaan grienen. Het was mij nog nooit gebeurd. In de bijna twintig jaren van contact met boeven en boefjes van allerlei slag, was ik nog nooit zo diep door hun leed getroffen.
Eigenlijk was het dwaas. Ik hielp er niemand mee. Ook Pepi niet. Integendeel, het vertroebelde mijn denken. Het had geen enkele zin.
Langzaam verdween dat weke teerhartige gevoel. Het maakte plaats voor een soort grimmige vastberadenheid. Pepi zou mij alles vertellen. Nu. Hij moest. Met mijn ervaring, opgedaan in duizenden verhoren, zou ik uit hem persen wat erin zat. Als ik deze ellendige zaak ooit tot een oplossing wilde brengen, dan moest ik verder gaan zonder vals sentiment, zonder emoties, maar sluw, berekend en met een voortdurende achterdocht. Pas dan maakte ik enige kans. Ik zuchtte nog eens diep, borg mijn krant weg en ging terug naar het verhoorkamertje.
Hij merkte mijn veranderde houding op. Ik zag het aan de blik in zijn ogen.
Ik ging weer tegenover hem zitten en schoof de lege kopjes opzij.
‘Pepi,’ zei ik streng, zakelijk, ‘je wordt beschuldigd van moord op Anna Bentveld. De gevonden sporen duiden ook in die richting. Bovendien heb je bekend.’
Hij knikte.
‘Nu heb je mij zo-even verteld,’ ging ik rustig verder, ‘dat je tijdens je inbraak in dat huis geen vrouw hebt gezien. Er was niemand, zei je.’ Ik keek hem ernstig aan. ‘Ik wil je graag geloven, maar dat klopt natuurlijk niet. Je kunt niet iemand de hersens inslaan die er niet is.’
Hij keek mij trouwhartig aan.
‘Ik heb het ook niet gedaan,’ zei hij simpel.
‘Wat niet?’
‘Ik heb geen vrouw vermoord.’
Ik zuchtte diep.
‘En dat is je laatste woord?’
‘Ja, meneer Peeters.’
Ik wreef nadenkend langs mijn kin.
‘Goed,’ zei ik na een poosje, ‘je hebt dus Anna Bentveld niet vermoord. Goed, ik wil je geloven. Ik wil je geloven, hoewel iedereen, ook de chef van dit bureau, ervan overtuigd is, dat je het wél hebt gedaan.’
Hij knikte ernstig.
‘Je begrijpt,’ zo ging ik verder, ‘dat ik daardoor in een bepaald moeilijke situatie kom te verkeren. Maar toch… Pepi, als je werkelijk onschuldig bent, dan zal ik, desnoods dwars tegen de meningen van anderen in, alles… maar dan ook alles doen om je onschuld te bewijzen. Je begrijpt dat ik dan natuurlijk wel op je volledige medewerking moet kunnen rekenen.’
‘Ja meneer Peeters, dat begrijp ik.’
‘Je belooft mij dus je volledige medewerking?’
‘Ja, meneer Peeters.’
‘Mooi, dan bestaat hierover tussen ons geen misverstand.’
‘Nee, meneer Peeters.’
Ik stak een sigaret op en hield hem het pakje voor. Hij accepteerde gretig. Hij schoof ook wat dichter naar mij toe, vertrouwelijk, alsof we beiden een verbond hadden gesloten, deelgenoten waren in een samenzwering. Er twinkelde weer wat licht in zijn ogen.
Ik wachtte rustig tot hij zijn sigaret had aangestoken.
‘Waarom,’ vroeg ik kalm, ‘heb je bekend?’
Hij haalde nonchalant zijn schouders op.
‘Ik kon er niet meer tegen op…’ hij maakte een hulpeloos gebaartje, ‘echt, ik kon niet meer. Ontkennen leek zo zinloos. Ik zag er geen gat meer in. Het leek op het laatst net alsof ik het echt had gedaan. Alles was ook tegen me… de bewijzen… alles. Zelfs u scheen mij niet te geloven… en u was toch mijn enige hoop.’ Hij glimlachte verlegen. ‘Toen heb ik maar bekend… om van dat gezeur af te zijn. Waarom ook niet. Er was toch niks meer aan te redden.’
Ik wreef met mijn hand langs mijn gezicht.
‘Die bekentenis was dus vals.’
Hij knikte.
‘Het spijt me, meneer Peeters. Het spijt me. Ik had het niet moeten doen. Ik had moeten volhouden. Het was stom, hartstikke stom.’ Hij beet op zijn onderlip. ‘Ik heb me wel in de nesten gewerkt.’
Ik zuchtte.
‘Ja Pepi, zeg dat wel. Het zal een hele toer worden om je er weer uit te halen. Enfin, we moeten het maar proberen.’ Ik keek hem strak aan. ‘Als je mij nu eens de hele waarheid vertelde, precies, zoals het is gegaan.’
Hij knikte traag.
‘Waar moet ik beginnen?’
Ik deed een fikse trek aan mijn sigaret en liet langzaam de rook uit mijn longen ontsnappen.
‘Wie,’ vroeg ik achteloos, ‘vertelde je dat die tas met geld daar stond?’
De vraag trof hem als een hamerslag. Ik zag het. Het bloed trok uit zijn gezicht en langs zijn scherpe kaken trilde een zenuwtrek.
‘Nie… niemand,’ stotterde hij.
Ik grijnsde.
‘Luister Pepi, mijn vriend, dit is een slecht begin. We hadden afgesproken dat je mij de waarheid zou vertellen.’
‘Dat… eh, dat doe ik ook.’
‘Je liegt,’ zei ik kort. ‘Kom Pepi, geen gedraai, wie vertelde je van die poet?’
‘Dat… eh, dat zeg ik liever niet.’
‘Iemand heeft het je dus verteld?’
‘Ja.’
‘Ik vraag je nog eens: wie?’
Hij kauwde op de binnenkant van zijn wang.
‘Dat… eh, dat mag ik niet zeggen.’
Ik haalde mijn horloge van mijn pols en legde het voor hem op tafel. Ik klopte met mijn vinger op het glas.
‘Als je mij,’ zei ik dreigend, ‘niet binnen vijf minuten hebt verteld wie je over die tas met geld heeft getipt, dan trek ik mij onmiddellijk uit de hele zaak terug en doe geen bliksem meer voor je.’
Hij keek angstig naar het horloge, waarvan de secondenwijzer gestaag zijn ronde deed.
Ik wachtte gelaten af. Ik kende de uitwerking. Ik had het al vaker toegepast. De meesten bleven als gehypnotiseerd naar het uurwerk staren. De directe confrontatie met de voortschrijdende tijd konden ze in de regel niet verdragen. Ze werden nerveus. Ook Pepi raakte in de war. Ik zag het. Zijn neusvleugels begonnen te trillen.
‘Ik… ik heb het beloofd,’ stamelde hij.
‘Je hebt nu ook een belofte aan mij,’ zei ik kalm. ‘Je hebt nog maar drie minuten.’
Hij trok nerveus aan zijn sigaret en staarde naar de wijzerplaat. Ineens, in een ongeduldig gebaar, schoof hij het horloge naar mij toe.
‘Het was Bertus,’ zei hij. ‘Mooie Bertus.’
Ik nam langzaam het horloge van tafel en bond het weer om mijn pols. Hoewel ik uiterlijk niets van mijn innerlijke spanning liet blijken, werkten mijn hersenen op volle toeren. Ik dacht aan de relatie Anna Bentveld-Mooie Bertus, een combinatie die in het verleden zo succesvol had geopereerd. Maar noch een inbraak, noch een moord paste in het schema.
‘Bertus heeft je dus getipt?’
Hij knikte.
‘Hoe ging dat?’
Zijn smalle lippen knepen zich samen.
‘Had ik hem maar nooit gezien,’ zei hij.
‘Maar je zag hem wel,’ zei ik ironisch.
‘Ja,’ zei hij peinzend, ‘ik zag hem wel.’ Zijn vingers speelden met mijn sigarettendoosje. ‘Het was op een avond, twee dagen voor de moord. Ik was nog niet zo lang vrij, ongeveer een maand. Ik had u de vorige keer, na mijn laatste kraak beloofd dat ik niet meer op pad zou gaan en ik was ook vast van plan om er nu eens echt een streep onder te zetten. Ik ben werk gaan zoeken.’ Hij grijnsde wat droevig voor zich uit. ‘Maar u weet hoe dat gaat. Overal vragen ze papieren en referenties… en je kan ze toch moeilijk naar de directeur van de bajes verwijzen. Enfin, het werken werd niks. In het begin had ik nog wat geld. Niet veel, maar wat. Ik heb er zuinig mee gedaan, maar op het laatst was het op… schoon op. Ik leefde van de biets en had schulden bij het logement. Toen, op die avond, kwam Bertus. Ik had wel eens wat van hem gehoord. In de buurt werd gefluisterd dat hij een handige jongen was… en dat nam ik ook wel aan. Hij reed altijd in een slee van een wagen en droeg dure pakken. Hij praatte eerst wat met de logementhouder en kwam toen bij mij aan het tafeltje zitten. Hij deed erg joviaal en zei dat hij mij altijd al een aardige kerel had gevonden. Hij vroeg of ik met hem mee ging een borrel drinken. Ik vond het in het begin wel gek, vertrouwde het niet helemaal, zie je, ik had nog nooit eerder met hem gesproken. Maar hij was zo vriendelijk, zo aardig, dat ik met hem meeging. Hij bracht mij naar dat kroegie op de Achterburgwal. Na een paar borrels zei hij, dat hij had gehoord dat ik aan de grond zat en dat hij wel bereid was om mij te helpen. Hij wist wel wat voor me. Ik begreep direct wat hij bedoelde. Ik zei hem dat ik mijn buik er van vol had. Toen lachte hij mij uit. Het is een a-b-c’tje, zei hij, er kan je niks gebeuren. En toen vertelde hij van een tas met geld, die gewoon klaarstond om mee te nemen.’
Ik had rustig naar zijn verhaal zitten luisteren en dacht erover na. ‘Hoeveel zou er in die tas zitten,’ vroeg ik.
‘Vijfentwintig rooie.’
Ik floot tussen mijn tanden.
‘Dat is nogal wat.’
‘Ja, zeg dat wel. Ik schrok toen Bertus mij het bedrag noemde.’ Hij grijnsde. ‘Mijn eigen krakies hadden nooit zoveel opgeleverd. Dat was altijd keuterwerk geweest.’
Ik streek met mijn hand langs mijn kin.
‘Waarom deed Bertus het eigenlijk zelf niet? Het was toch een a-b-c’tje?’
‘Ik heb het hem gevraagd.’
‘En.’
‘Hij zei, dat er een paar omstandigheden waren waardoor hij het zelf niet kon doen.’
‘Wat voor omstandigheden?’
‘Dat weet ik niet. Dat heeft hij niet gezegd.’
Ik knikte traag en dacht na.
‘Wat was zijn portie.’
‘Zijn portie?’
‘Ja,’ zei ik ongeduldig, ‘wat moest Bertus van die vijfentwintig rooie hebben?’
‘Niets.’
‘Niets?’ riep ik verwonderd.
‘Nee, daar hebben we het heel niet over gehad.’
Ik zuchtte.
‘Maar Pepi,’ zei ik geduldig, ‘Bertus is toch niet gek. Hij weet ergens vijfentwintig rooie te liggen, die er gewoon om vragen meegenomen te worden en hij geeft jou die kostelijke tip, zomaar, voor niets?’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee Pepi, ik ben heus goedgelovig, maar dat wil er bij mij niet in.’ Hij keek mij met grote ogen aan.
‘Ik bezweer het u, meneer Peeters. Hij heeft helemaal niet over een aandeel gesproken. Hij zei me wel dat het op een echte kraak moest lijken en dat hij juist mij had uitgekozen, omdat ik al vaak had bewezen, dat ik er wat van kon. Echt, dat zei hij.’ Ik schonk hem een wrange glimlach. ‘En toen was onze flinke Pepi gestreeld. De grote Bertus had gesproken. En toen zei Pepi: goed, Bertus, dank je, Bertus, zeker, Bertus… ik knap dat karweitje wel even op. Ik wel. We zijn toch ouwe jongens onder elkaar?’ In mijn stem sloop puur sarcasme. ‘En wat deed Pepi toen? Hij zette zijn toch al weke hersentjes op sterk water en prikte met zijn vingertje in die grote ballon van goede voornemens. En de ballon zei pffft en weg was alles.’ Ik boog mij wat dichter naar hem toe. ‘Niet waar Pepi, zo was het toch?’ Hij keek mij wat schichtig aan en knikte.
Ik liet mij weer terugvallen in mijn stoel en krabde eens achter in mijn nek.
‘Nou ja,’ zuchtte ik gelaten, ‘het is nu eenmaal gebeurd. Daar valt nu toch niets meer aan te veranderen. Je hebt je laten lijmen. Dat is alles.’
Een verlammend gevoel van moedeloosheid overviel me. Ik schoof hem mijn pakje sigaretten toe.
‘Hier, steek nog maar eens op.’
Zijn hand, die naar het pakje reikte, trilde.
‘Ik had je eigenlijk een pak slaag moeten geven,’ zei ik, ‘vroeger al. Misschien was dat beter geweest dan al die processenverbaal.’ Ik zuchtte. ‘Maar je bent al zo groot.’
Een tijdlang zwegen we en ik dacht na over hetgeen mij nu verder te doen stond. De kansen van Pepi waren niet groot. Maar dat zei ik hem niet.
‘Ik geloof,’ zei ik vermoeid, ‘dat ik nu eerst maar eens een praatje met Mooie Bertus ga maken.’ Ik legde vertrouwelijk een hand op zijn magere schouder. ‘Ik hoop alleen voor jou mijn jongen, dat hij wat spraakzaam is. Ik hoop het. Er waren bij dat onderhoud dat je met hem had, zeker geen getuigen?’
‘Nee, er was niemand bij.’
Ik knikte begrijpend.
‘Nog één ding, je hebt aan rechercheur De Wilde verteld dat er maar vijfduizend gulden in die tas zaten. Er zijn negenenveertighonderd gulden teruggevonden. Ik neem aan dat je die honderd gulden hebt verbruikt?’
‘Ja meneer Peeters.’
‘Er zat dus niet meer in. Ik bedoel, het waren er geen vijfentwintigduizend, zoals Bertus je had voorgespiegeld?’
‘Nee.’
‘Dat weet je toch zeker, Pepi? Het is… het is erg belangrijk.’
‘Vijfduizend en geen cent meer.’