‘Peet… zeg Peet,’ riep Klaas wat verward, ‘hoe kon je dat nu doen?’
‘Wat?’
‘Hoe kon je nu tegen De Cock zeggen dat Bertus is vermóórd?’
Ik zuchtte gelaten.
‘Omdat het zo is.’
Hij vroeg niet verder. We liepen naar ons bureau aan de Warmoesstraat. Ik keek schuins naar Klaas. Hij liep onrustig naast mij voort. Zijn gezicht had een peinzende uitdrukking. Er was een andere vraag, die hem bezighield. Ik wist welke: Waarom was het moord?
Ik begreep, dat ik hem een verklaring schuldig was. Hij moest het ‘waarom’ weten, anders zou die vraag hem blijven kwellen.
Op de brug over de Voorburgwal bleef ik staan en steunde met mijn rug tegen de leuning. Een paar minuutjes konden er wel af. Het grote werk kwam toch morgen pas. Bovendien moest ik Klaas te vriend houden. Ik had hem hard nodig. Ik kon moeilijk terugvallen op De Wilde.
Hij was tegenover mij blijven staan. De peinzende uitdrukking op zijn gezicht was nog niet verdwenen.
‘Waar pieker je over, m’n jong? Over die zelfmoord, die geen zelfmoord was?’
‘Ja, ik snap er niets van.’
Ik glimlachte opnieuw.
‘Dat is mijn schuld, Klaas. Ik had je op verschillende dingen moeten wijzen. Recherche is een vak. Dat moet je leren, gewoon, zoals ieder ander vak. En voor de rest… voor de rest word je door schade en schande wijzer. Een andere mogelijkheid is er niet.’ Ik zuchtte. ‘Kijk, als iemand sterft, dan staat zijn bloed stil, want zijn hart pompt niet meer.’ Ik glimlachte om mijn eigen simpele uiteenzetting. ‘Door het bloed ontstaan zo ongeveer een kwartier à een halfuur na de dood de eerste lijkvlekken. Het zijn rode, paarsblauwe verkleuringen, die je altijd kunt vinden op de laagstgelegen delen van het lichaam. Ligt de dode op de rug, dan vind je die vlekken op de rug. Ligt de dode op de buik, dan vind je ze op de buik. Het bloed zakt naar de laagstgelegen punten. Zes tot twaalf uur na de dood is er nog verandering mogelijk. Wanneer men dus een dode, die op de buik lag, binnen die tijd omkeert, dan verdwijnen de vlekken op de buik en ontstaan ze op de rug. Het bloed zakt dus weer naar het laagstgelegen deel van het lichaam. Tot zover alles nog volkomen duidelijk?’
‘Ja, Peet.’
‘Mooi. Nu het belangrijkste, althans voor ons. Na die zes tot twaalf uur veranderen de vlekken niet meer. Ik bedoel, ze gaan niet meer weg. Ze zijn dan gefixeerd. Wanneer men dus daarna nog een lijk in een andere stand brengt, dan blijven de lijkvlekken op het lichaam toch op de oorspronkelijke plaats.’ Het gezicht van Klaas klaarde op.
‘Nou begrijp ik het,’ riep hij enthousiast. ‘Nou begrijp ik waarom jij het pyjamajasje van Bertus optilde en naar zijn rug keek. Je keek naar lijkvlekken.’
‘Juist. Het was mij direct al opgevallen, dat de voeten van Bertus geen verkleuringen vertoonden. Als Bertus in die hangende houding was gestorven, dan hadden aan zijn voeten, het laagstgelegen punt, rode, paarsblauwe verkleuringen zichtbaar moeten zijn. Ze waren er niet. Wel op de rug. En daar hadden ze nu juist niet moeten zijn.’
Klaas knikte ijverig.
‘Hij was dus al dood toen hij opgehangen werd. Met andere woorden, hij heeft zich niet zelf opgehangen, hij is opgehangen.’
‘Heel goed, Klaas. Bertus is opgehangen geworden en wel nadat hij aanvankelijk op zijn rug had gelegen. Men heeft hem een stuk paktouw om zijn nek gebonden en daarna opgehesen.’
‘Goeie mensen, dan hebben ze met Bertus wel gezeuld.’ Ik knikte.
‘Het is een heel karwei geweest, geloof dat.’
Hij staarde een tijdje peinzend langs mij heen. Plotseling stak hij priemend een vinger tegen mijn borst.
‘Nog iets,’ riep hij opgewonden. ‘Dat verslepen van het lichaam van Bertus moet dan minstens zes tot twaalf uur na de dood zijn gebeurd, want anders had het bloed weer het laagste punt opgezocht. De fixatie van de lijkvlekken had dus al plaatsgehad.’ Ik glimlachte.
‘Je wordt nog eens een goed rechercheur.’
Hij straalde.
‘En nu de conclusie.’
Hij keek mij verbaasd aan.
‘De conclusie?’
‘Ja, waarom werd het lichaam van Bertus, nadat het aanvankelijk op de rug had gelegen, later opgehangen?’
‘Omdat… omdat het op een zelfmoord moest lijken.’
‘Juist. En wanneer een sterfgeval op een zelfmoord moet lijken, wat is het dan?’
‘Moord.’
Ik knikte.
‘Precies Klaas. Je ziet hoe simpel het recherchewerk in feite is.’
Ik legde de wachtcommandant uit wat er in de Bethlehemsteeg was gebeurd en verzocht hem alle denkbare maatregelen te treffen.
‘Moet ik de Ouwe ook waarschuwen?’
Ik knikte.
‘Dat zou ik maar doen. Anders is morgen hier het bureau te klein. Je weet hoe die Ouwe tekeer kan gaan.’
Ik pakte de sleutels van de cellen en verdween naar de onderaardse gewelven van het bureau. Klaas had ik naar de recherchekamer gestuurd om een paar telefoonnummers voor mij op te diepen. Hij was heel gewillig en bijzonder enthousiast. Hij blaakte als het ware van strijdlust. Hoe lang was het geleden, dat ik mij nog een strijdbaar ridder der gerechtigheid voelde? Ik slofte langs de cellen. Voor cel vijf bleef ik staan, schoof traag de grendels terug en trok de zware celdeur open. Er was weinig licht. Aan de zoldering brandde een miezerig pitje achter gaas.
Pepi was nog wakker. Hij kwam langzaam overeind. Ik ging naast hem op zijn brits zitten. Ik rook niet eens de stank. Zo moedeloos voelde ik mij.
‘Kun je niet slapen?’
Hij schudde mistroostig het hoofd.
‘Nee,’ zei hij zuchtend, ‘het wil niet. Ik lig maar te denken… aan alles… hoe ik het had moeten doen… vroeger… nadat mijn moeder stierf… waar is het met me scheef gegaan… waar?’ Hij keek mij aan. ‘Ergens is het toch met me scheefgegaan? Ik moet toch op de een of andere manier in het slop zijn geraakt, niet? Dat moet toch.’
Ik haalde mijn schouders op.
‘Och,’ zei ik, ‘daar zou ik maar niet meer aan denken. Wat geweest is, is geweest. Je… je moet zien, dat je er weer uitkomt… uit het slop.’
Hij knikte peinzend.
‘Bent u al bij Bertus geweest?’
Ik krabde achter in mijn nek. Ik wist het nog niet… ik wist nog niet of ik het hem zou zeggen.
‘Bent u al bij Bertus geweest?’ Ik zuchtte.
‘Ja.’
‘Nou, en wat zegt-ie?’ Het klonk opgetogen, hoopvol. ‘Niets.’
‘Niets?’
Ik durfde hem niet aan te kijken. Ik hield mijn hoofd voorover en staarde naar de veters van mijn schoenen.
‘Nee.’
‘Maar hij heeft mij getipt!’ riep hij heftig. ‘Echt waar, meneer Peeters. Hij heeft mij getipt. Ik heb het u toch allemaal verteld.’ Ik knikte.
‘Hij moet het zeggen, meneer Peeters.’ Uit zijn stem klonk pure wanhoop. ‘Hij moet het zeggen. Hij moet. Hij heeft getipt. Hij heeft mij naar het huis van Anna gestuurd om die tas met geld. Hij wist het. Hij wist van die tas. Meneer Peeters, hij…’ Ik wreef met mijn hand langs mijn gezicht en zuchtte. ‘Bertus is dood.’
Ik hoorde hoe zijn ademhaling stokte.
‘Dood?’
Ik slikte.
‘Ja, Pepi, dood.’
‘Dood…’ hij grinnikte zachtjes, ‘Bertus dood…’ Het grinniken ging over in een vreemd soort gesnik. ‘Bertus… wat een mop… wat een gore dwaze rotmop… het is om te gieren…’ Hij lachte als een idioot, een krankzinnige, dwaas, met vreemde uithalen: ‘… dood…’ Ik liet hem maar even begaan. Hij moest dit verwerken. Het lachen verstomde. Het echode nog wat na tegen de muren van de cel. Toen was het weg.
Ik keek opzij. Ineengedoken zat hij naast me. Een zielig hoopje mens.
‘Bertus dood.’
Plotseling drong de werkelijkheid tot hem door. Ik zag het aan de angstige blik in zijn ogen.
‘Maar…’ stamelde hij verbijsterd, ‘dan kan hij nooit meer zeggen, dat…’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Nee, Pepi,’ zei ik gelaten, ‘dat kan hij nooit meer zeggen.’
‘Ma… maar het is waar!’ Hij schreeuwde. ‘Het is waar, meneer Peeters, het is waar!’ Hij boog zich van mij af en beukte met zijn vuisten tegen de celmuur. ‘Het is waar. Het-is-waar-het-iswaar.’ Zijn stem sloeg over.
Ik legde mijn arm om zijn schouders en trok hem naar mij toe.
‘Stil maar, Pepi,’ suste ik, ‘stil maar. Ik weet toch dat het waar is. Ik weet het toch. En ik laat je niet in de steek. Ik niet. Ik blijf daar buiten voor je vechten. Daar kun je op rekenen. En je vertrouwt me toch?’ Mijn stem trilde en ik kon maar met moeite mijn tranen bedwingen. ‘Pepi, zeg, Pepi, je vertrouwt me toch?’ Ik bleef zachtjes tegen hem praten, herhaalde dezelfde dingen, eindeloos, omdat ik het niet meer wist… omdat ik op het laatst niet meer wist wat ik zeggen moest. Misschien had ik hem achteraf beter niets over de dood van Bertus kunnen zeggen, maar het had mij beter geleken dat ik het hem vertelde, dan dat hij het later, via een omweg van anderen hoorde.
Om hem te kalmeren begon ik de hele zaak nog eens opnieuw met hem door te nemen. Steeds vragen stellend dwong ik hem zijn gedachten te bepalen bij de gebeurtenissen van de afgelopen week. Het kalmeerde hem zichtbaar. Hij werd rustiger. We gingen alles na, van het begin af: de benadering door Bertus, de vage afspraken, de tocht naar het huis van Anna, de inbraak, het breekijzer met het rode middenstuk, het geld, het verbergen van de tas aan de Utrechtseweg, alles, tot in de kleinste details. Het probleem van zijn vingerafdrukken op het breekijzer was toen ook geen probleem meer.
Pepi, die altijd met handschoenen werkte, had de tas in de zitkamer van Anna gevonden. Hij was nieuwsgierig naar de inhoud en vroeg zich af of Bertus hem niet bedrogen had. Vijfentwintigduizend gulden was zoveel geld en op de een of andere manier vertrouwde hij het toch niet helemaal. Onrustig, nerveus, begon hij aan het slot van de tas te peuteren. Wat hij ook probeerde, het lukte niet. Hij kreeg het slot niet open. Pepi was gewend aan grof breekwerk. Zo’n klein slotje lag niet in zijn lijn. Hij had voor dat doel wel een paar haakjes bij zich, maar met handschoenen aan waren zijn vingers te ongevoelig. Daarom deed hij zijn handschoenen even uit. Maar ook zonder handschoenen ging het niet. Het wond hem nog meer op. Hij greep in woede zijn breekijzer en trok daarmee het slotje met geweld open. Hij zag geld. Hoeveel wist hij niet. Het leek hem erg veel. Hij gunde zich geen tijd om het te tellen. Zonder verder na te denken, nam hij de tas op en verliet het huis. Het breekijzer bleef liggen.
Ik sloeg hem nog eens bemoedigend op de schouder.
‘Kop op, Pepi. Ik kom er wel uit. Ik heb je al zo vaak in de bajes geholpen, het is niet meer dan redelijk dat ik je er nu uit help.’ Er brak iets van een glimlach door.
‘Probeer te slapen. Ik zal het licht uitdoen.’
Zachtjes deed ik de celdeur achter hem dicht.
Toen ik de celsleutels bij de wachtcommandant terugbracht, stond daar de Ouwe, achter de balie. Ik kon mij niet meer verbergen. Onze blikken kruisten elkaar. Er lag een geamuseerde trek om zijn lippen. Hij zag de sleutels in mijn hand en begreep waar ik vandaan kwam: de cel van Pepi.
‘Dag Peet,’ zei hij, ‘ik heb je nodig voor de moord op Mooie Bertus. Je kon mooi…’
Ik kneep mijn lippen op elkaar en schudde mijn hoofd.
‘Ik niet… ik heb geen tijd.’
Hij keek mij doordringend aan.
‘Geen tijd?’
Ik schudde weer mijn hoofd, heftiger, duidelijker.
‘Nee,’ zei ik verbeten, ‘ik moet nog de onschuld van Pepi bewijzen.’
Hij staarde mij een tijdje onafgebroken aan, peilde de uitdrukking op mijn gezicht, toen draaide hij zich om en liep met de chauffeur naar buiten.
‘Koppig als een muilezel,’ mompelde hij.
Ik liep langzaam de twee trappen op naar de recherchekamer. De Wilde zat nog aan zijn bureau te werken. Ik wist waarmee hij bezig was. Morgenochtend zou Pepi voor de officier van justitie worden geleid en de stukken moesten nog worden afgesloten. Wat verderop snuffelde Klaas in een dik telefoonboek. Ik negeerde De Wilde volkomen, hoewel ik dit eigenlijk niet prettig vond. Mijn woede was allang bekoeld en het lag niet in mijn aard om haatdragend te zijn.
Klaas slenterde naar mij toe en gaf mij de telefoonnummers waarnaar ik had gevraagd. Ik keek op mijn horloge. Het was bijna middernacht.
‘Ga naar huis, Klaas. Morgenochtend om acht uur sta ik voor je deur. Zorg dat je klaar bent.’
‘Goed, Peet.’
‘Je had toch echt geen andere plannen?’
‘Nee Peet, ik doe het graag. Ik ga graag met je mee.’
‘Mooi, tot morgen dan.’
Toen Klaas was verdwenen, bleef ik wat besluiteloos staan. Ik keek naar de brede rug van De Wilde. Ik zag dat hij niet werkte. Zijn handen rustten naast de schrijfmachine. Het was net alsof hij voelde dat ik van achteren naar hem keek. Er hing een haast beklemmende stilte. Boven mijn hoofd zoemde een defecte tlbuis.
Hoe lang kende ik hem al? Twintig jaar? Kende ik hem eigenlijk? Ik keek naar zijn nek en naar zijn grijze haar, dat als een krans op zijn oren hing. Het was wel erg grijs, vond ik, en van boven dun. De rug van zijn colbertje glom. Hoe lang droeg hij dat kostuum al? De rechtermouw was aan de elleboog doorgesleten. Leunend tegen een bureau bleef ik naar hem kijken. Zomaar. Ik wist niet waarom ik keek, ik wist niet waarom ik bleef, waarom ik niet wegging. Er was eigenlijk niets dat ik hem te zeggen had. Plotseling draaide hij zich om en keek mij aan. Ik zag voor het eerst dat zijn ogen blauw waren.
‘Het spijt me,’ zei hij, ‘ik bedoel, dat van Pepi. Ik was niet de man die hem had moeten verhoren.’
Hij sprak langzaam, aarzelend, en voor zijn doen heel zacht.
‘Ik had dat zelf moeten beseffen, maar…’ Hij maakte zijn zin niet af, grijnsde wat verdrietig voor zich uit. ‘Jij hebt geen kinderen, Peet?’
‘Nee, ik heb geen kinderen.’
Hij zuchtte.
‘Wees God dankbaar, dat je ze niet hebt.’ Ineens beluisterde ik in zijn stem een diep verdriet, het meetrillen van diep verborgen leed. Het schokte mij. Plotseling zag ik een ander mens. Dit was niet de De Wilde, die ik kende, althans niet de man, zoals hij in mijn denken en voelen gestalte had. ‘Ik heb zelf een zoon,’ zei hij.
‘Een zoon?’
‘Ja, een jongen van vierentwintig.’
‘Dat wist ik niet. Je hebt het nooit verteld.’
Hij glimlachte, of eigenlijk… het was geen glimlach. Het was niet meer dan het samentrekken van een stel spiertjes rond de mond, die de droeve uitdrukking in zijn ogen onderstreepten.
‘Nee, niemand weet het. Niemand hier.’
Ik nam een stoel en ging bij hem zitten. Ik moest wel iets overwinnen om het te doen, een kleine weerstand, maar ik begreep dat ik te ver van hem af stond. En dat waren niet alleen die paar meters. Ik had altijd te ver van hem afgestaan.
‘Er zijn dingen,’ ging hij verder, ‘die je niet vertelt, waarover je zwijgt, omdat je je schaamt, omdat het pijn doet erover te spreken.’
‘Die dingen zijn er,’ zei ik, ‘maar soms geeft zelfs pijn opluchting.’ Het was een aansporing. Ik wilde dat hij erover sprak. Niet enkel uit nieuwsgierigheid, maar ook uit een verlangen naar begrip. We kenden onze medemensen zo slecht. We begrepen ze niet. En uit dat onbegrip groeiden zulke afschuwelijke dingen, zoals vijandschap, haat, achterdocht. Jarenlang had ik met deze man op dezelfde kamer gewerkt, waren onze inspanningen gericht op hetzelfde doel, en toch hadden we elkaar gemeden, gewantrouwd en zelfs gehaat. Uit wanbegrip?
Weer zag ik die wrange glimlach.
‘Weet je waar hij zit,’ zei hij, ‘die jongen van mij?’
‘Nee,’ zei ik zacht.
‘In de gevangenis, in de gevangenis in Arnhem.’
‘In de gevangenis,’ riep ik verbaasd. ‘Een zoon van jou in de gevangenis?’
Hij knikte langzaam.
‘En het is niet eens voor de eerste keer.’ Hij zuchtte diep. ‘Die jongen heeft nooit goed gewild. Nooit.’ Plotseling veranderde hij van toon. ‘Je gelooft toch, dat ik er van alles aan heb gedaan?’ Hij keek mij bijna smekend aan, alsof hij van mij een rechtvaardiging verlangde.
‘Ja,’ zei ik, ‘dat geloof ik.’
Hij zuchtte opnieuw.
‘Het is ook zo. Ik heb er van alles aan gedaan. Alles. Je weet hoe onze positie is. Een zoon van een rechercheur… De mensen bij mij in de buurt kijken mij er scheef op aan… alsof ik persoonlijk aansprakelijk ben… of die jongen door mij zo is geworden. Je ziet het aan hun gezichten. Ze hebben een valse blik in hun ogen. Ze zeggen wel ach en wee, maar inwendig… inwendig gnuiven ze. Een rechercheur van politie… kan niet eens zijn eigen kinderen opvoeden… zo zie je ze denken… en die moet nou…’ Hij draaide zijn gezicht naar mij toe. ‘Maar ik heb er van alles aan gedaan, Peet. Ik heb…’
Hij schudde zijn hoofd in wanhoop.
‘Het is niet mijn schuld. Die jongen wou niet. Ze willen allemaal niet.’
‘Zo kun je dat niet zeggen,’ wierp ik tegen. Hij stond op, geemotioneerd, gespannen.
‘Jawel, jawel,’ schreeuwde hij, ‘ze willen niet! Ze zijn rot, verpest, allemaal. Het is de tijd, die vervloekte tijd. De jeugd van tegenwoordig is ziek, doodziek, inwendig verkankerd.’ Ik keek hem scherp aan.
‘En daarom is Pepi schuldig.’
Zijn ogen schoten vuur.
‘Is Pepi beter dan mijn zoon? Is hij beter?’ Hij boog zich naar mij toe. Ik zag de verbeten trekken op zijn gezicht dichtbij. ‘Ik zeg het je,’ riep hij fel, ‘ze zijn verrot, allemaal, geen één uitgezonderd. Wat geeft het of Pepi die moord nu heeft gepleegd ja of nee. Dat maakt niets uit. Hij is toch verpest. Laten ze hem opsluiten.’ Hij schreeuwde. ‘Laten ze dat tuig allemaal opsluiten. Weet je wat er met mijn vrouw is gebeurd? Weet je dat? Hij heeft een wrak van haar gemaakt. Hier, hier, kijk.’
Hij smeet zijn portefeuille op het bureau en schoof mij een foto toe.
‘Hier, dat is hem. En dat is mijn vrouw. Toen was ze nog goed. Je moet haar nu eens zien. Het arme mens. Een wrak is ze, een wrak. En maar janken, ’s avonds janken, ’s nachts janken, steeds maar janken om dat joch… alsof ik er geen verdriet van heb.’ Ik keek naar het fotootje: een vrouw met een wat weemoedige blik en een jongen, in wie ik een vage gelijkenis met De Wilde ontdekte.
‘Hij is…’ zei ik aarzelend, ‘hij is toch wel een aardige jongen… zo… op het fotootje. Hij… eh, hij lijkt op jou.’
De uitdrukking op zijn gezicht veranderde.
‘Ja,’ zei hij nog wat onwillig, ‘hij lijkt op mij.’
‘Wanneer heb je hem voor het laatst bezocht?’
‘In de gevangenis?’
‘Ja.’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Ik heb hem nooit bezocht. Ik zou mij schamen voor de bewakers en al die lui daar. Die weten natuurlijk, dat ik bij de recherche ben.’
Ik knikte.
‘Toch… eh, toch zou ik er maar eens heen gaan… naar Arnhem. Neem je vrouw mee. Het zal haar goeddoen.’
Hij keek mij onderzoekend aan.
‘Dacht je…?’
Ik knikte heftig.
‘Vast.’
Hij pakte het fotootje op en bekeek het langdurig. Zijn duim gleed over het papier.
‘Hij… eh, hij lijkt op mij hè?’
In zijn stem beluisterde ik iets dat ik van hem niet kende: tederheid. Ik nam het fotootje van hem over en bekeek het nog eens.
‘Ja,’ zei ik hoofdknikkend, ‘hij lijkt op jou.’
‘Het is mijn enige jongen. Ik had altijd gehoopt dat hij nog eens mijn voetsporen zou drukken… als inspecteur dan.’ Hij grijnsde. ‘Je wilt het toch altijd beter voor ze… beter dan je het zelf hebt gehad.’
Ik legde het fotootje op het bureau naast zijn portefeuille. Een tijdje stonden we zwijgend naast elkaar.
Ik grabbelde in mijn zak naar mijn sigaretten en bood hem er een aan. En terwijl ik hem een vuurtje gaf, zei ik achteloos:
‘Wat doen we nu met Pepi?’
Hij antwoordde niet direct.
‘Ik had hem niet moeten verhoren,’ zei hij na een poosje. Ik knikte. ‘Toen niet, maar doe het nu, opnieuw.’
Hij keek me verwonderd aan.
‘Ja,’ zei ik, ‘verhoor hem opnieuw. Nu zonder bitterheid, maar eerlijk, zonder vooroordeel, los van de gedachte aan je zoon. Laat hem boven brengen. Het kan nog. Morgen wordt hij voor de officier van justitie geleid.’
Hij keek op de klok.
‘Het is al zo laat.’
Ik deed het fotootje van zijn vrouw en zoon terug in zijn portefeuille en klapte hem dicht.
‘Hier,’ zei ik, ‘steek in je binnenzak. Zo laat is het nog niet. Het is in ieder geval nog niet te laat om een fout te herstellen.’ Met de portefeuille in zijn hand keek hij mij nog enige ogenblikken aan. Toen verscheen om zijn lippen een glimlach, een echte glimlach.
‘Je hebt gelijk,’ zei hij, ‘het is nog niet te laat.’
Hij pakte de telefoon en belde de wachtcommandant.