8

Ik was op weg naar het huis van Mooie Bertus. Het was een afstand van nog geen vijf minuten, maar het was al meer dan een uur geleden, dat ik van het bureau vertrok.

Ik wist dat Bertus thuis was. Zijn rode sportwagen stond op de gracht. Ik was al een paar maal langs de Bethlehemsteeg gelopen, maar ik had nog maar niet kunnen besluiten het vieze steegje in te gaan. Ik was bang. Er hing zoveel van af. Ik overwoog de kansen van Pepi. Wanneer Mooie Bertus zijn verklaring niet zou bevestigen, dan zag het er ellendig voor hem uit. Voor zo’n man, zou De Cock zeggen, kun je dan alleen nog maar bidden. En De Cock was een heiden. Mooie Bertus zou de verklaring van Pepi niet bevestigen. Dat was de reden van mijn besluiteloosheid. Het zat er niet in. Ik kende Bertus. Ik kende hem veel te goed. Hij zou ontkennen, vast en zeker. Ik wist nu al hoe het verhoor zou verlopen. Pepi… Pepi Meijer, die jongen? Ja, die ken ik wel. Wel eens met hem gesproken? Ja, ik geloof, dat ik wel eens een borreltje met hem heb gedronken. Wanneer? Nou, daar vraag je me wat. Dat hou ik allemaal niet bij. Wat zegt u? Wat? Getipt? — Verontwaardiging — Ik? Die jongen? Hoe komt u erbij? Zo? Zegt die jongen dat? — Een meewarig lachje — Ze zeggen zoveel.

Ik zuchtte. Zo zou het gaan. En dan was ik uitgesproken. Nee, het moest anders.

’s Middags had ik een onderhoud gehad met de baas. Het was geen plezierig gesprek geweest. Ik had dat ook niet verwacht. De Ouwe zei mij ronduit dat hij aan de ontkenning van Pepi weinig waarde hechtte. Het gebeurde zo vaak, dat een verdachte zijn aanvankelijke bekentenis later weer introk. Dat had niet zoveel te betekenen.

De Ouwe had bedachtzaam en zeer voorzichtig gesproken. Hij was een diplomaat. Maar hij had mij toch duidelijk te verstaan gegeven, dat hij in deze zaak aan mijn integerheid, mijn objectiviteit twijfelde. Ik zag de dingen volgens hem niet meer in een juist licht. Mijn blik was wat vertroebeld. Ik had ertegenin kunnen gaan, de beledigde ambtenaar kunnen spelen, maar ik had er geen zin in. Ik moest mijn krachten sparen voor belangrijker dingen, bijvoorbeeld de onschuld van Pepi.

Naar mijn theorie over de bloedspatjes had hij met belangstelling geluisterd. Het klonk wel aardig, had hij gezegd. Maar hij had mij onmiddellijk op de zwakke plek gewezen. Pepi had de broek kunnen wassen. Hij had daar ruimschoots de tijd voor gehad.

Nee, mijn enige kans was Bertus. Hij moest bekennen. Hij moest toegeven dat hij had getipt. Dat zou aan de ontkenning van Pepi de nodige steun geven. Tenslotte zou de Ouwe alleen maar zwichten voor feiten, keiharde, niet weg te redeneren feiten. Ik zuchtte opnieuw en de handen in de zakken van mijn regenjas balden zich tot vuisten.

Mooie Bertus moest door de knieën. Maar hoe?

Als ik er maar iets van begreep, als ik maar iets begreep van het complot. Want er moest een complot zijn, een soort samenzwering, waarvan Pepi het slachtoffer dreigde te worden. Het kon niet anders. Het was zo mooi… zo toevallig mooi… de bewijsstukken… ze sloten als een ritssluiting. Ik geloofde niet in toeval. Het was mij te overtuigend… kriegelig overtuigend. Pepi was misbruikt.

Men had hem een lokaas voorgehouden en Pepi had toegehapt. Waarom dat lokaas? Waarvoor?

Alleen om een tas met geld weg te halen? Daar had toch niemand voordeel bij?

Of toch?

Plotseling kreeg ik een inval.

Laat ik nu eens veronderstellen — zo cirkelden mijn gedachten — dat de baatzuchtige combinatie Mooie Bertus-Anna Bentveld niet was verbroken, ja, in feite nooit had opgehouden te bestaan, en er tussen de beide partners nog een regelmatig contact bestond. Dan wist Bertus dat Charles van Duuren zo nu en dan geld bij Anna achterliet. Laat ik nu eens verder veronderstellen, dat Mooie Bertus op een bepaald moment een plannetje beraamt. Hij geeft Anna de opdracht om uit de tas twintigduizend gulden weg te nemen en zorgt via Pepi voor een inbraak — het moest immers een echte kraak lijken — die de diefstal van die twintigduizend dekt. Ik glimlachte inwendig.

Dat zou een prachtig plan zijn geweest.

Werd Pepi voor die inbraak niet gepakt, dan was er geen vuiltje aan de lucht. Pepi zou dan vanzelf zijn mond wel houden. Werd hij wel gepakt, dan zou de bewering van Pepi, dat er slechts vijfduizend gulden in die tas zaten, weinig geloof vinden. Ook De Wilde ging er immers vanuit dat Pepi de overige twintigduizend ergens had verstopt. Dat risico kon Bertus makkelijk nemen. En mocht Pepi bij een verhoor door de recherche eventueel doorslaan en zeggen dat Mooie Bertus hem had getipt, dan behoefde Bertus simpelweg te ontkennen. Het bewijs, dat hij Pepi had getipt, was vrijwel niet te leveren. Een dergelijk plannetje lag volkomen in de lijn van de sluwe Bertus en zou bovendien verklaren waarom Bertus geen aandeel had verlangd in de buit van Pepi.

Ik grijnsde voor mij uit. Peet… mompelde ik in mijzelf, ouwe jongen, dat was mooi… een fraai staaltje denkwerk. Je bent het nog niet verleerd. Alleen… mijn gezicht betrok… alleen die moord, die afschuwelijke moord op de mooie Anna, daar had ik geen verklaring voor. Die paste niet in het schema. Tenzij… tenzij Anna Bentveld Mooie Bertus had bedrogen. Maar…

‘Hallo Peet!’

Pal voor mij stond de jonge Klaas Trump, ditmaal zonder uniform. Hij lachte breed en klapte nogal krachtig op mijn schouder.

‘Onze grote speurder,’ schertste hij. ‘Wat ben je hier aan het doen? Het lijkt wel of je loopt te slaapwandelen. Je kijkt zo glazig uit je ogen.’

Ik glimlachte.

‘Je zult me wel weer niet willen geloven,’ zei ik loom, ‘maar ik liep toch echt te denken.’ Mijn blik gleed langs hem heen. Ik had hem nog nooit in burgerkleding gezien, altijd in uniform. Hij zag er pittig uit, in een korte regenjas en een broek met smalle pijpen. Een flinke kerel, die Klaas, potig, met een vriendelijk open gezicht en een intelligente blik in een paar heldere ogen. ‘Heb je geen dienst?’

‘Nee, geen dienst. Ik heb een paar dagen verlof. Ik weet wel niet wat ik ermee moet doen, maar het kwam toevallig zo uit.’ Ik bedacht plotseling dat ik eigenlijk best wat hulp kon gebruiken. Misschien kwam ik dan ook wat makkelijker tot besluiten. ‘Geen plannen?’ vroeg ik.

‘Nee.’

‘Heb je,’ vroeg ik aarzelend, ‘heb je zin om met mij mee te gaan?’

Zijn gezicht klaarde op.

‘In verband met die moord?’

Ik knikte.

‘Meen je het, Peet?’

Ik knikte opnieuw.

Hij monsterde de uitdrukking op mijn gezicht.

‘Waarachtig,’ zei hij, ‘je meent het.’

Hij lachte wat schaapachtig.

‘Maar… waar wachten we dan nog op?’

Ik lachte om zijn enthousiasme.

‘Nergens op. Er is niets dat ons in de weg staat. We gaan naar het huis van Mooie Bertus. Ik heb mijzelf beloofd, dat hij zal praten.’

Hij stapte al voor mij uit, blakend van dadendrang. Plotseling bleef hij staan.

‘Peet,’ zei hij wat beteuterd, ‘ik heb geen pistool bij mij.’ Ik keek hem aan.

‘Met pistolen,’ zei ik hoofdschuddend, ‘los je geen problemen op. Je schept alleen maar nieuwe.’


De Bethlehemsteeg.

We strompelden beiden het gammele trappetje op. Het was er aardedonker. Ik nam mijn zaklantaarntje uit mijn zak en scheen. Een smal kegeltje licht gleed langs uitgesleten treden. Op het kleine overloopje bleven we staan en hijgden nog wat na. Er kwam geen licht vanuit de kier onder de deur. Ik klopte zachtjes aan en luisterde intens. Van buiten drong het kermislawaai flauwtjes tot ons door, maar uit de woning van Bertus kwam geen enkel gerucht.

Ik klopte nog eens, nu wat luider en doordringender. Er werd niet opengedaan. Het bleef stil, ijzig stil. In mijn nek kriebelde de ademhaling van Klaas.

‘Hij is niet thuis,’ fluisterde hij.

‘Hij moet thuis zijn,’ antwoordde ik zachtjes. ‘Hij kan niet weg zijn.’

In het donker tastte ik naar de deurknop. De kruk draaide piepend mee. Voorzichtig drukte ik toe, maar de deur was op slot. Een angstig voorgevoel kroop sidderend langs mijn rug omhoog. Ik huiverde.

Een tijdje stonden we besluiteloos in het donker, voor die gesloten deur. Klaas bewoog zich en onder mijn voeten kraakte een plank. Het geluid deed mij schrikken. Het klonk luguber. Toen het was weggeëbd, trok ik Klaas aan zijn jas.

‘Hiernaast,’ zei ik fluisterend, ‘in de steeg, ongeveer twee huizen verderop, woont een oude vrouw. Tante Mia wordt ze genoemd. Ze is de werkster. Ze houdt de woning van Bertus schoon. Vraag of zij een sleutel heeft.’

‘Oké, Peet.’

Hij schoof zachtjes de trap af.

Intussen onderzocht ik met mijn zaklantaarntje de deur, het slot en de sponningen. Er was niets bijzonders aan te zien. Het was alles heel normaal. Nergens een spoortje van braak of verbreking. Ik liet mij voorzichtig op mijn knieën zakken en hield mijn neus bij de kier onder de deur. Er was geen gaslucht. Al na een paar minuten kwam Klaas terug. In zijn kielzog Tante Mia. Ik zag haar in het donker niet, maar hoorde haar wel. Ze hijgde zwaar en schold. Ze schold altijd, elk derde woord een vloek.

‘Verdomme,’ riep ze bij iedere trede, ‘verdomme, wat moeten jullie verdomme van Bertus? Verdomme…’

Ik antwoordde niet, maar wachtte gelaten tot ze het overloopje had bereikt. Ze was nog lang niet uitgescholden. Ik wist het. Het had geen zin er nu al tussen te komen. Ze zou toch pas luisteren als ze buiten adem was.

‘Verdomme, dat gesodemieter, dat…’ Ze stond hijgend naast me. ‘Hebt u de sleutel?’

‘Wie ben jij?’ krijste ze.

Ik scheen met mijn zaklantaarntje op mijn gezicht.

‘Oh,’ zei ze onthutst, ‘meneer Peeters.’

‘Ja,’ zei ik kalm, ‘dat hebt u goed gezien. Ik wil naar binnen.’ Ze weifelde. ‘Ik weet niet of ik het doen kan,’ zei ze. ‘Bertus zal het nooit goedvinden.’

‘Geef mij nu maar de sleutel,’ zei ik ongeduldig. ‘Als je moeilijkheden met Bertus mocht krijgen, dan stuur je hem maar naar mij.’

Ze legde de sleutel in mijn hand.

Ik zocht het sleutelgat, draaide het slot om en drukte. Zachtjes schoof de deur open. We keken in een donker hol. Mijn hand tastte langs de deurstijl en vond de schakelaar. Een korte klik en de kamer baadde in het licht. Achter mij klonk een snerpende gil. Bertus was dood, morsdood. Er was geen tweede blik voor nodig om mij daarvan te overtuigen.

Hij hing hoog opgebonden tegen de wrakke, scheve keukendeur. Zijn gezicht naar ons toe. Van achter zijn linkeroor liep een rafelig stuk paktouw, dat pluizend omhoog kroop tot aan de bovenzijde van de deur. Daar boog het om.

Zijn hoofd hing een beetje schuin opzij. De mond open. Zijn blauwzijden pyjama zat vol kreukels en hing wat gedraaid om zijn lichaam. De blote voeten staken er witjes onderuit. Tante Mia was flauwgevallen. Na haar gil was ze zachtjes onderuit gezakt. Ze lag in de deuropening, onelegant, de benen met de afgezakte kousen in de kamer, de rest op het overloopje. Klaas stond er wat wezenloos bij. Hij zag bleek, wasbleek, en ademde zwaar met trillende neusvleugels. Zweetdruppeltjes parelden op zijn neus.

Ik schoof de deur, waaraan Bertus hing, wat verder open. De scharnieren knarsten en het lichaam schommelde zachtjes heen en weer. Een ogenblik was ik bang dat het naar beneden zou storten, maar het touw zat aan de andere kant van de deur stevig vast aan een in het hout geschroefde ijzeren beugel, waaraan ook nog wat keukengerei hing.

In het keukentje maakte ik een handdoek kletsnat en ging daarmee naar de bewusteloze Tante Mia. Ik bette haar voorhoofd en polsen en liet volkomen opzettelijk een flink straaltje water tussen haar hemd lopen. Het hielp. Ze kwam gauw weer bij. Tante Mia was een oude hoerenwaardin. Ze had een stormachtig leven achter de rug. Ze was wel wat gewend. Bovendien verkeerde ik niet in een stemming om veel consideratie te gebruiken. Ze sloeg haar ogen op en keek mij aan. Het zien van mijn gezicht bracht haar snel tot de werkelijkheid terug. Ze slaakte een diepe zucht en duwde mijn hand met de natte handdoek weg. Ik hielp haar voorzichtig overeind. Ze was direct weer volkomen helder. Met haar kleine scherpe oogjes gluurde ze het kamertje in. Ik ging pal voor haar staan en benam haar het uitzicht op de hangende gestalte. Toen ze trachtte onder mijn arm door te kijken, draaide ik haar resoluut om en gaf Klaas de opdracht haar naar huis te brengen.

‘Zet haar thuis in een makkelijke stoel en kom zelf direct weer terug.’

Klaas knikte en hielp haar het trappetje af.

Ik schoof de keukendeur weer in haar oorspronkelijke stand en overzag de situatie, kritisch, zonder emotie. Ik voelde me koel, kalm, volkomen ontspannen, als een ongeïnteresseerd laconiek toeschouwer. Toch nam ik elk detailtje nauwkeurig in mij op. Het was gewoonte, pure routine.

Voor een zelfmoord door ophanging was de situatie volkomen normaal. Er was in feite niets wat een andere conclusie wettigde. Ik had in mijn leven als rechercheur honderden zelfmoorden behandeld, waarbij vele door ophanging. Het beeld was mij vertrouwd. Het schokte mij niet meer. Ik wist waarop ik moest letten, de hoogte, de insnijdingen van koord of touw, de aard van de knoop, de psychische achtergronden.

Ik grijnsde. Psychische achtergronden. Dat was altijd het moeilijkst, nooit precies te achterhalen. Het was altijd maar gissen. Wat had bijvoorbeeld Bertus bezield om zelfmoord te plegen? Plotseling dacht ik aan Pepi. Arme Pepi. Zijn getuige, de enige man, die zijn verklaring had kunnen bevestigen, was dood. Ik keek nog eens naar het ontzielde lichaam, het warrige haar, de halfgesloten ogen, en onderging de stilte van de dood. In een andere hoek van het kamertje, op de schoorsteenmantel, tikte een oude pendule de seconden weg. Het was alles wat schril, vol tegenstellingen.

Ik zuchtte diep. Al mijn listige vragen, zorgvuldig overwogen, waren nutteloos geworden. Om mijn lippen speelde een wrange glimlach.

Klaas kwam aarzelend binnen. Hij gluurde schichtig naar het lichaam aan het touw. Hij zag niet meer zo wit, zo bleek, maar was nog steeds diep onder de indruk.

‘Zelfmoord?’ vroeg hij benepen.

Ik antwoordde niet.

‘Hoe is het met Tante Mia?’

‘O, ze knapt alweer aardig op.’

Ik knikte grijnzend.

‘Ik heb het gehoord, ze kwam geloof ik alweer aardig op verhaal. Ze schold tenminste weer als een dragonder. Heb je haar nog gevraagd, wanneer ze hier voor het laatst is geweest?’

Klaas knikte.

‘Dat heb ik haar gevraagd. Ze was hier dinsdag nog, dinsdag twee dagen geleden. Ze komt hier namelijk tweemaal in de week, op dinsdag en vrijdag.’

‘Bijzonderheden?’

‘Nee, ze heeft gewoon de kamers schoongemaakt en wat er verder zo meer te doen is. Volgens haar was Bertus de laatste tijd wel erg nerveus.’

‘Nerveus?’

‘Ja, nerveus, zenuwachtig, kribbig. Het was haar opgevallen.’ Ik knikte. ‘Heeft ze hem na die dinsdag nog gezien?’

‘Ze zegt van niet. Hij was overigens weinig thuis. Daarom had hij haar ook een sleutel van zijn woning gegeven. Bertus was — wat zij noemde — een eigenheimer. Hij was nogal gesloten, zei nooit veel.’

Ik glimlachte om het woord eigenheimer. Het was een typische uitdrukking van Tante Mia.

‘Klaas, in ieder geval, hartelijk bedankt. Je hebt je bijzonder goed van je taak gekweten.’

Klaas glunderde. Zijn blik gleed weer naar die lugubere gestalte.

‘Moeten we hem niet lossnijden?’

Ik schudde mijn hoofd.

‘Laat hem daar voorlopig maar hangen. Het heeft geen enkele zin meer. Als ik hem zo eens bekijk, is hij al geruime tijd dood.’ Klaas staarde peinzend naar het lijk.

‘Waarom zou hij het gedaan hebben?’

Ik haalde nonchalant mijn schouders op.

‘Dat weet je eigenlijk nooit, m’n jong. Je weet nooit precies wat er in de mensen hun hersentjes omgaat. Je kan er hoogstens naar gissen. En hoe langer je in ons vak zit, hoe beter je leert gissen.’ Ik grijnsde. ‘Maar het blijft gissen. Zie je, ik kende Bertus. Hij was zo ogenschijnlijk geen man voor een zelfmoord.’ Hij staarde mij met grote ogen aan.

‘Misschien is het helemaal geen zelfmoord.’

Ik reageerde niet.

‘Peet!’ riep hij opgewonden. ‘Misschien… misschien is het wel moord.’

‘Zo…’ zei ik kalm, ‘en waarom dan wel?’

Hij maakte een wat hulpeloos gebaartje.

‘Dat… eh, dat weet ik niet. Ik… eh, ik dacht zomaar. Het zou toch kunnen?’

Ik glimlachte.

‘Bewijzen Klaas, bewijzen. Aan blote veronderstellingen heb je niets. Het woord misschien komt in ons Wetboek van Strafrecht niet voor. Of wel?’

Hij schudde peinzend zijn hoofd.

‘Nee Peet, ik ben het er nog nooit in tegengekomen.’ Ik keek het kleine kamertje nog eens rond. Al eerder was mijn aandacht getrokken door een pocketboekje. Het lag achteloos opengevouwen op het tafeltje, de kaft naar boven. Het leek alsof iemand het boekje even had neergelegd met de bedoeling straks verder te lezen. Zo achteloos lag het daar.

Ik ging op een stoel zitten en bekeek het aandachtig. Op de glimmende, geplastificeerde kaft stond de kleurige afbeelding van een zich half oprichtende beeldschone vrouw, gekleed in een lange nachtjapon, die tot haar enkels reikte. Hoewel de gelijkenis niet direct treffend kon worden genoemd, associeerde het beeld toch onmiddellijk met Anna Bentveld. Dezelfde haast uitbundige vormenpracht en de weelde van zachtglanzend helblond haar, dat over de schouders golfde. Eenieder die Anna Bentveld kende, of gekend had, moest door die plaat zijn gegrepen. De omslag was bijzonder suggestief: in de ogen blonk angst, en de armen, lang met gespreide vingers, strekten zich in wanhoop naar de lezer uit. Het had iets angstaanjagends. Het bezorgde me een lichte huivering, want boven de afbeelding stond de veelzeggende titel: That night Anna died.

In gepeins bleef ik naar de afbeelding staren. De overeenkomst was frappant, eigenlijk te frappant om aan een toeval te geloven. En dan de titel That night Anna died… die nacht stierf Anna… of… de nacht toen Anna stierf. Het was een bewuste aanwijzing.

Ik bekeek het boekje nog eens goed. Het was een gewone pocket, uitgegeven door een Amerikaanse uitgeverij. Dergelijke pockets waren bijna overal te koop. De meeste warenhuizen hadden een ruime sortering.

Maar waarom lag het boekje juist hier? Juist in deze kamer? Wie had er op zo’n indringende wijze het verband gelegd tussen Anna Bentveld en deze lugubere zelfmoord? Wie… Bertus? Ik nam vanonder het tafeltje een oude krant. Uit mijn binnenzak haalde ik een potlood en stak die tussen de bladzijden waarop het boekje lag. Zo tilde ik de pocket omhoog. De krant gebruikte ik als kaft.

Ik ging heel voorzichtig te werk. De gladde oppervlakte van het titelblad was ideaal voor vingerafdrukken en ik wilde niets bederven. Het kon belangrijk zijn.

Ik draaide het boekje langzaam om en ontdekte dat van een van de bladzijden, onderaan, een hoekje scherp was omgevouwen. Toen ik de pocket daar opensloeg, zag ik dat op die bladzijde diverse woorden en zinsgedeelten waren onderstreept. Klaas volgde mijn verrichtingen.

‘Schrijf op,’ zei ik. Hij pakte haastig zijn notitieboekje. Ik noemde hem de onderstreepte woorden, gewoon in volgorde van bovenaf en las: How could I ever do this to you Anna — I loved you so much — nobody knows how I suffered — I cann’t stand it any longer.


Toen ik alle onderstreepte woorden had opgenoemd, liet ik ze Klaas een paar maal achter elkaar oplezen.

Vrij vertaald betekent het dus: Hoe heb ik je dit ooit kunnen aandoen Anna — ik hield zoveel van je — niemand weet hoe ik heb geleden — ik kan dit niet langer verdragen.

Klaas knikte.

‘Ik weet wel niet zoveel van de Engelse taal, maar dat is het wel zo ongeveer.’

Ik schudde mijn hoofd en snoof.

‘Een merkwaardige afscheidsbrief.’

Klaas kwam naast mij staan.

‘Maar Peet,’ riep hij ontzet, ‘dat is een bekentenis! Ga de woorden maar na. Het staat er wel niet precies, maar je kunt er toch duidelijk uit lezen, dat hij Anna heeft vermoord en dat hij zich uit wroeging heeft opgehangen.’

‘Ja, ja,’ zei ik peinzend, ‘wroeging.’

Ik legde That night Anna died weer net zo neer als ik het had gevonden en stond zuchtend op.

Mijn verdere aandacht gold het dode lichaam van Mooie Bertus. Op enige afstand bekeek ik opnieuw het geheel. Weer viel mij op hoe witjes de voeten uit de pijpen van de pyjama staken. Het was opvallend. Zelfs tussen de tenen zag ik geen verkleuringen. Ik tilde een slip van zijn pyjamajasje op en bekeek zijn rug. Naast de geul van de wervelkolom waren duidelijke lijkvlekken zichtbaar. Ik liet de slip weer zakken en bekeek alles nog eens nauwkeurig.

Klaas stond achter me.

‘Wat denk je, Peet?’

Ik antwoordde niet.

‘Waarschuw het bureau en vraag of rechercheur De Cock onmiddellijk wil komen. Hij heeft de dienst.’

Klaas rende weg, kennelijk blij dat hij het muffe kamertje kon verlaten.

Ik nam mijn notitieboekje en begon werktuiglijk aantekeningen te maken.

Ik hoorde gestommel op de trap en deed de deur open. Klaas kwam binnen.

‘Hij komt er aan. Ik heb hem maar even van het bureau opgehaald. Het is toch dichtbij.’

Even later kwam De Cock hijgend boven. Zijn blik bleef rusten op de hangende gestalte. Langzaam kropen zijn mondhoeken omhoog tot een grijns.

‘Mooie Bertus,’ zei hij hoofdknikkend, ‘mooi dood. Ik kan niet zeggen dat ik er kapot van ben.’ Hij keek mij aan. ‘Hij hangt er wat slordig bij, vind je niet?’

Ik glimlachte.

‘Luister eens,’ zei ik, ‘knap jij dit karweitje verder op? Ik heb namelijk geen tijd meer, zie je, ik heb in een korte tijd nog een hoop dingen te doen.’

‘Wat dan allemaal?’

‘Dat vertel ik je nog wel eens.’ Hij knikte gelaten.

‘Het is goed, Peet. Heb je al iets gewaarschuwd?’

‘Nee, maar dat maak ik nog wel voor je in orde. Ik ga toch eerst terug naar het bureau.’

‘Oké, Peet.’

Ik tikte hem op zijn schouders en wees naar de hangende Bertus aan de deur.

‘En,’ zei ik vriendelijk, ‘laat je niet misleiden. Het is geen zelfmoord. Het is moord.’

Ik keek naar Klaas. Zijn mond zakte open van verbazing.

Загрузка...