Tegen een uur of tien kwam De Wilde de recherchekamer binnenstappen. Ik had hem na vanmorgen niet meer gezien. Hij zag wat vermoeid. De kringen onder zijn ogen leken nog dieper en zwarter dan normaal. Hij schoof zijn hoed naar achteren en plofte op een stoel.
‘Ik heb wat afgesjouwd,’ zei hij zwaar hijgend. Hij trok een zakdoek uit zijn broekzak en wiste het zweet van zijn voorhoofd. ‘Ik heb overal navraag gedaan. Ik ben waarachtig de hele buurt af geweest.’
‘Bij wie?’
‘Al de bekende adressen.’
‘En?’ Hij haalde zijn brede schouders op.
‘Niets,’ zei hij loom, ‘ik ben niets te weten gekomen, ik bedoel, niets dat ons verder kan helpen. Ze schijnt al een heel poosje uit de buurt weg te zijn. Ze konden me alleen vertellen dat ze vermoedelijk een rijke bink aan de hand had, die haar mainteneerde.’ Hij grijnsde. ‘Maar dat wisten we al.’
‘Nog iets van Mooie Bertus?’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Over Bertus zwijgen ze als het graf. Die vent schijnt nog altijd een machtige invloed te hebben.’ Hij stond op en greep de telefoon. ‘Moet je ook koffie?’ Ik knikte. ‘Twee koppen.’
Hij brulde zoals zijn gewoonte was en wierp de hoorn weer op het toestel.
Een agent kwam binnen en bracht de twee koppen koffie, die De Wilde had besteld. We dronken ze zwijgend leeg. Daarna trok ik mijn jas aan.
‘Ik ga eens kijken of ik Mooie Bertus nog ergens kan vinden.’ De Wilde knikte met een nors gezicht. ‘Je doet je best maar,’ zei hij. ‘Ik vind het mooi voor vandaag. Ik ga naar huis.’
‘Dat is goed,’ zei ik, ‘tot morgen dan.’
De Bethlehemsteeg.
Wat een steeg! Al was Christus nog zo nederig, hij had daar nooit geboren willen worden. Een stal was verkieslijker en de geur van vee beter te verdragen dan de urinestank die van de muren walmde. Hier, in de steeg, woonde Bertus. Ik keek omhoog. Van boven kropen de bouwvallige geveltjes naar elkaar toe. Een netwerk van bruingeteerde balken hield ze uit elkaar. Het licht in zijn slaapkamer brandde. Ik wist trouwens dat hij thuis was. Ik had zijn felrode sportwagen op de gracht zien staan. Ik hees mij moeizaam langs het steile trappetje omhoog en klopte aan.
Bertus deed zelf open.
‘Dag, meneer Peeters.’
‘Dag Bertus.’
Hij stak mij een hand toe.
‘Ik ben er speciaal de hele dag voor thuis gebleven. Ziet u… ik dacht wel dat u bij mij zou komen nu ze… nu ze Anna hebben vermoord.’
‘Hoezo?’
Hij grinnikte wat.
‘Dat lag toch voor de hand.’ Hij liep voor mij uit en liet zich in een laag rotanstoeltje zakken. ‘Ik neem tenminste aan, dat u daarvoor komt.’
Ik nam tegenover hem plaats. Het kleine stoeltje kraakte onder mijn gewicht.
‘Ja,’ zei ik traag, ‘daar kom ik voor.’
Intussen gleed mijn blik door het kamertje. Ik zocht naar typisch vrouwelijke attributen. Ze waren er niet. Wel lagen er in de asbak een paar sigarettenpeukjes, waaraan lippenstift kleefde. Ik sloot mijn ogen. Welke kleur gebruikte Anna? Ik kon het mij niet precies meer herinneren. Ik was heel slecht in die vrouwenkleurtjes met hun vreemde namen. Ik deed mijn ogen weer open en keek Bertus enige tijd onderzoekend aan.
‘Hoe wist je het,’ vroeg ik na een poosje, ‘ik bedoel, dat van Anna?’
Hij bukte zich snel en griste een dagblad vanonder het ronde tafeltje.
‘Hier uit de krant.’
Ik grijnsde ongelovig, nam demonstratief mijn notitieboekje uit mijn binnenzak en pakte een ballpoint.
‘Ik kom even een verklaring van je opnemen.’ Ik deed mijn best om het zo nonchalant, zo achteloos mogelijk te laten klinken. ‘Wat weet jij van deze moord?’
Hij verschoof iets op zijn stoel en keek mij met grote verwonderde ogen aan.
‘Wat ik er van weet?’
Uit zijn stem klonk pure verbazing.
‘Ja,’ zei ik kalm, ‘jij.’
Hij schudde heftig zijn hoofd.
‘Ik niks, helemaal niks. Ik heb al bijna een jaar geen contact meer met haar. Ze had me niet meer nodig. Sinds ze die rijke kerel aan de hand had, wilde ze met mij niets meer te maken hebben. Ze kon haar eigen boontjes wel doppen, zei ze.’ Hij snoof verachtelijk. ‘Nou, je hebt het gezien.’
Het beeld van de dode Anna Bentveld sprong in mijn gedachten.
‘Ja,’ zei ik toonloos, ‘ik heb het gezien.’
Bertus babbelde verder.
‘Je ziet dat wel meer. Als de meissies een goed binkie aan de hand hebben, worden ze plotseling erg zelfstandig. Van mij kennen ze wat.’
Ik luisterde naar de intonatie van zijn stem.
‘Heb je nu helemaal geen vrouwtje meer? Ik heb altijd gedacht,’ zei ik licht spottend, ‘dat ze om Mooie Bertus stonden te dringen.’ Hij grijnsde breed.
‘De mooiigheid is er wel af,’ zei hij mistroostig.
Ik glimlachte. ‘En waar leef je nu van?’
Hij haalde zijn schouders op.
‘Hoe komt een vliegende vogel aan de kost?’ Hij gebaarde. ‘Hier een korreltje en daar een graantje. Het is scharrelen.’ Ik krabde eens achter in mijn nek.
‘Dertigduizend gulden,’ zei ik achteloos, ‘is een hoop geld. Als Anna je nu eens had getipt, bijvoorbeeld omwille van vroegere tijden, en had gezegd dat er in haar huis een tas met geld stond, die je zomaar kon weghalen.’
Ik grijnsde hem vriendelijk toe.
‘Bertus… dat kon toch? Het is een lekker opsteekje. Niet te versmaden. Voor een vliegende vogel, zou ik zo zeggen, een aardig graantje om mee te pikken.’
Hij keek mij enige ogenblikken achterdochtig aan.
‘U… eh, u denkt toch waarachtig niet, dat… eh, dat ik Anna heb vermoord?’
Ik haalde mijn schouders op.
‘Och,’ zei ik zo achteloos mogelijk, ‘waarom eigenlijk niet. Vind je het idee zo gek? Je zou van een lastige getuige zijn verlost. Bedenk eens wat Anna zo allemaal van je wist.’ Hij lachte zenuwachtig.
‘U… eh, u bent een grappenmaker, meneer Peeters. U maakt grapjes.’
Ik keek hem strak aan. ‘Doe ik dat?’
Hij stond geëmotioneerd op en keek vanuit de hoogte op mij neer. Hij gebaarde heftig.
‘Dat kunt u niet menen!’ riep hij uit. ‘In ernst, dat kunt u niet menen. Ik… Anja… vermoorden? Het is belachelijk. Gewoonweg belachelijk.’
Ik leunde achterover in mijn stoel en keek hem eens aan. Hij was eigenlijk maar klein. Ik schatte hem op één meter zestig. Ik begreep nu waarom hij altijd schoenen droeg met een verhoogde hak. Het was een camouflage om zijn kleinheid te verbergen. Ik vroeg mij af waaraan hij eigenlijk zijn bijnaam van Mooie Bertus had te danken. Ik had hem die naam nooit gegeven. Hij had een haast ziekelijk bleke huid en gitzwart haar, dat zorgvuldig in nonchalante wanordelijkheid was gekapt. Zijn kleine bruine ogen kenden geen rust. Ze waren voortdurend in beweging. Nerveus, schichtig, wantrouwend.
Hij liep naar het peuterige keukentje en kwam terug met een flesje bier. Hij hield het omhoog.
‘Ook?’
‘Nee, dank je.’
Hij ontdopte de fles en schonk zich in. Het gebeurde allemaal wat onhandig, onzeker. Het witte schuim puilde over de rand van het glas en droop langs de wand naar beneden.
Ik genoot van zijn onrust.
‘Ken je,’ vroeg ik, ‘de heer Van Duuren?’
Zijn ogen vernauwden zich even. Ik zag dat hij zijn antwoord overwoog.
‘Ja,’ zei hij bedachtzaam, ‘ja, ik ken de heer Van Duuren. Anna… Anna heeft mij een keer aan hem voorgesteld.’
‘In het gokhuis?’
Hij monsterde de uitdrukking op mijn gezicht. Hij vroeg zich natuurlijk af, hoeveel ik wist.
‘In het gokhuis,’ herhaalde hij weifelend, ‘ja, dat zou wel kunnen.’ Ik stak een sigaret op en blies de rook naar de lage zoldering. Het kringelde omhoog. Terwijl ik de sliertjes rook nastaarde, zei ik: ‘Er is één ding dat ik niet goed begrijp. Waarom stond je Anna aan hem af. Ze was toch voor jou een aardige bron van inkomsten. Je kon… eh, je kon er zo nu en dan een nieuwe auto van kopen.’
Hij stak zijn beide handen vooruit, de handpalmen naar mij toe.
‘Je kunt toch niet,’ zei hij betogend, ‘van een vrouw blijven profiteren.’ Hij zuchtte droevig. ‘Daar komt eens een eind aan.’ Ik wreef met mijn hand langs mijn gezicht en onderdrukte een glimlach. Het was een verweer waarop ik geen antwoord had. ‘Weet je,’ zei ik, ‘ik kon vanmorgen niet in slaap komen. Ik moest steeds ergens aan denken. Weet jij waaraan?’ Hij grijnsde. ‘Zeg het maar.’
‘Aan die tuinderszoon… die tuinderszoon uit het Westland. Herinner je je nog?’
Hij maakte een gebaartje.
‘Ouwe koek.’
Ik knikte.
‘Ik vroeg mij af of… met een kleine variatie… hetzelfde spelletje met Van Duuren was gespeeld.’
Hij reageerde niet direct. Keek wat peinzend voor zich uit.
‘Van Duuren,’ zei hij na een poosje, ‘is geen man om met zich te laten spelen.’
Ik streek met mijn hand langs mijn kin.
‘Jullie hebben het dus wel geprobeerd?’ Hij schudde zijn hoofd.
‘Ik heb u toch al gezegd dat ik van Anna af was. Ik had geen connecties meer met haar.’
‘Het spijt me Bertus, maar ik geloof je niet.’
Hij beet nerveus op zijn onderlip.
‘Wat wil je nou?’ riep hij geërgerd. ‘Anna was een hoer met een hoerenziel. Op een zeker moment ontmoet ze die Van Duuren. Hij had haar meer te bieden dan ik. Wel… ze ging naar Van Duuren. Bij God, is dat nou zo moeilijk te begrijpen?’ Ik stond op en knoopte mijn jas dicht.
‘Bertus,’ zei ik kalm, ‘ik zal de moordenaar van Anna Bentveld vinden, al is dit de laatste zaak die ik in mijn leven behandel. Ik heb er mijn zinnen op gezet. Ik hoop niet dat jij die moordenaar bent. Het zou mij spijten. Maar mocht je er toch op een of andere manier… hoe dan ook, de hand in hebben, zeg het mij nu. Het kan nog. Als ik eenmaal it deze kamer ben, dan heb je van mij geen medewerking meer te verwachten. Dan is het fini, uit, dan kan alleen je moeder nog voor je bidden.’
Ik pauzeerde even, keek hem onderwijl scherp aan.
‘Bertus, wat weet je van de moord op Anna Bentveld?’ Hij stond voor me. Zijn hoofd gebogen. Zijn handen diep in zijn zakken.
‘Nou,’ drong ik aan.
Hij schudde langzaam het hoofd.
‘Niets, meneer Peeters, niets. Ik zeg het u eerlijk. Ik weet van die moord niets af.’
Ik zuchtte diep en legde mijn hand op zijn schouder.
‘Het is best mijn jongen. Ik heb je gewaarschuwd. Je moet het nu verder zelf maar weten.’
Ik had nog veel meer willen zeggen. Iets in mij drong mij daartoe. Maar ik wist het niet. Ik kon geen woorden meer vinden. Ik stond een tijdje zwijgend tegenover hem, mijn hand nog steeds op zijn schouder.
‘Pas op jezelf,’ zei ik.
Het klonk dwaas. Het was ook dwaas. Als er iemand was, die wel op zichzelf kon passen, dan was het Bertus wel.
Op weg naar huis liep ik nog even langs de Keizersgracht. Ik nam de kortste weg, binnendoor. Het was precies elf minuten van de Bethlehemsteeg naar het huis van Anna Bentveld. Ik wist nog niet wat ik aan die wetenschap had, of ik het kon gebruiken, maar ik noteerde het in mijn gedachten. Elf minuten. Er stond, zoals de Ouwe bevolen had, nog steeds een post voor de deur; een eenzame stille figuur op een verlaten gracht. In de zo typische politiepas kwam hij bedachtzaam naar mij toe. Ik herkende hem. Het was Klaas Trump, een van onze jongere agenten.
‘Oh, ben jij het, Peet,’ zei hij opgelucht. ‘Ik dacht al, wat moet die vent hier.’
Ik glimlachte.
‘De moordenaar komt altijd terug naar de plaats van het misdrijf. Ik denk dat ze je dat op de politieschool wel hebben geleerd.’
‘Nonsens,’ zei hij wrevelig, ‘ik sta hier al de hele avond en ik heb nog geen kip gezien.’
Ik beende bij hem weg.
Ik had nu naar huis moeten gaan, waar ik wist dat mijn vrouw wachtte, maar iets hield mij op de gracht. Het was een vaag onbestemd gevoel, niet logisch te beredeneren. Ik had dat wel meer, wanneer ik een ernstige zaak onder handen had. Dan voelde ik mij onrustig, nerveus, onzeker. Het was dan alsof ik al mijn routine kwijt was, alsof ik voor het eerst als rechercheur op pad ging. En dat was toch niet waar. Ik liep al zo’n slordige twintig jaar in de misdaad rond.
Bij de Melkmeisjesbrug bleef ik staan en keek langs de rijen oude geveltjes. Tussen de bomen aan de wallenkant leunden auto’s tegen lage ijzeren hekjes. Het gelige licht van de lantaarns spiegelde in het stille water. In de verte hoorde ik het gegier van een late tram. Ik keek op mijn horloge. Het was half één. Aan de overkant van de gracht liep een man. Het beeld, de gestalte, kwam mij bekend voor. Ik deed een stap opzij. Vanuit de schaduw van een boom observeerde ik al zijn bewegingen. Hij liep op het trottoir langs de huizen. Door allerlei obstakels werd mijn uitzicht telkens onderbroken. Hij kwam van het trottoir af en liep naar de wallenkant. Ineens wist ik wie hij was. In een gedachteflits had ik de gestalte verbonden met een naam. Tussen een paar auto’s bleef hij staan en keek naar de overkant, naar het huis van Anna Bentveld. Ik wachtte een paar minuten. Onbeweeglijk stond hij daar en tuurde over het water. Ik vroeg mij af of Klaas Trump hem zag. Ik dacht van niet. De man viel in zijn lange donkere overjas niet op.
Voorzichtig sloop ik over de brug en liep langzaam in zijn richting. Mijn rubberzolen maakten geen gerucht. Ter hoogte van de plaats, waar hij aan de wallenkant stond, verborg ik mij in de schaduw van een hoge stoep. Leunend tegen de muur keek ik naar zijn silhouet en wachtte rustig af. Na enige tijd draaide hij zich om en liep van de wallenkant weg. Ik hoorde hem zwaar zuchten. Toen hij aan de stoep voorbij kwam, waar ik stond, kwam ik uit de schaduw te voorschijn.
‘Goedenavond, heer Van Duuren.’
Hij schrok zichtbaar. Zijn lichaam schokte. Ik kon geen gelaatsexpressies onderscheiden. Zijn gezicht lag verborgen in de schaduw van de rand van zijn hoed.
‘Oh… goedenavond… eh, rechercheur. U… eh… hebt mij laten schrikken.’
Ik glimlachte. ‘Het was niet mijn bedoeling,’ loog ik. ‘Ik zag u hier plotseling staan en toen dacht ik…’
‘Wat doet hij hier?’ vulde hij aan.
‘Ja, ja,’ zei ik, ‘dat… eh, dat dacht ik.’
De conversatie stokte. Er viel tussen ons een beklemmende stilte. Op die verlaten gracht stonden we enige tijd zwijgend tegenover elkaar.
Van Duuren was de eerste die sprak.
‘Ik kon de slaap niet vatten,’ zei hij. ‘U begrijpt… na alles wat er is gebeurd.’ Hij sprak verontschuldigend, alsof hij mij werkelijk een verklaring schuldig was. ‘Daarom heb ik mij weer aangekleed om een korte wandeling te maken.’
Ik knikte.
‘U hebt volkomen gelijk. De grachten zijn mooi. Ook bij avond.’
‘Ja,’ zei hij, ‘bijzonder mooi. Ik heb altijd veel van de grachten gehouden.’
‘En van Anna?’
Ik wist dat die vraag hem zou treffen. Dat was ook mijn bedoeling. Zolang ik nog volkomen in het duister tastte, leek het mij goed om alle mensen, die op een of andere manier bij de zaak waren betrokken, een beetje te prikkelen. Misschien, dat op een goede dag iemand zich zou verraden. Het was een wat afmattende tactiek, maar ik had niets anders.
Van Duuren richtte zijn hoofd iets op. Zijn gezicht kwam uit de schaduw. Ik zag vermoeide trekken.
‘Anna,’ zei hij loom, ‘Anna was een vrouw om eeuwig naar te verlangen, niet om van te houden.’
We liepen samen op.
‘Vordert u al met uw onderzoek?’
‘Niet erg,’ bekende ik.
Bij de Brouwersgracht namen we afscheid.
‘Ik denk,’ zei hij, ‘dat ik maar een slaapmiddeltje neem.’
‘Niet te veel,’ raadde ik hem aan. ‘Er gebeuren wel eens ongelukken mee.’
Hij glimlachte fijntjes. Zijn ogen twinkelden.
‘U maakt zich toch niet ongerust?’
Het klonk als een uitdaging.
Ik ging er niet op in, maar stak mijn hand op.
‘Welterusten.’ Zijn glimlach bleef. ‘Welterusten.’
Mijn vrouw was nog niet naar bed. Zoals altijd, wachtte ze mijn komst af. Ze zat in haar peignoir met een damesblaadje op haar schoot. Onze kater lag in mijn stoel te katteknijpen. De haard brandde zachtjes. Het was behaaglijk. De warme huiselijkheid straalde mij tegemoet.
‘Wat ben je weer laat,’ zei ze. Er klonk geen verwijt in haar stem. Alleen een gelaten berusting.
‘Ja,’ zei ik zacht.
Ze pakte m’n jas van mij aan en hing hem weg.
‘Ik heb het in de krant gelezen,’ zei ze terwijl ze naar de hal liep, ‘van dat vrouwtje op de Keizersgracht. Heb je al wat?’
‘Nee,’ zei ik wat kribbig.
Mijn vrouw zuchtte.
‘Dat betekent, dat je voorlopig alleen maar thuiskomt om te eten en te slapen,’ stelde ze vast. ‘Hoe lang zal dit nu weer duren?’ Ik schoot mijn pantoffels aan.
‘Weet ik niet. Een week, een maand, misschien wel een jaar. Dat is vooruit niet te bekijken. Ik voor mij hoop dat het niet te lang duurt. Ik ben niet zo gesteld op die grote zaken. Niet meer.’
Ze liep naar de keuken en kwam even later terug met twee koppen dampende koffie. Ik had mij in een fauteuil laten zakken en strekte mijn benen behaaglijk naar de haard. Ze zette de koffie voor mij neer.
‘Waarom schei je er ook niet mee uit,’ zei ze betogend. ‘Wat zie je in die baan? Altijd bij nacht en ontij langs de weg.’ Ik zuchtte.
‘Toe schat, laten we er niet weer opnieuw over beginnen.’ Ik streek met mijn hand langs mijn ogen.
‘Ik ben moe en het heeft geen zin.’
Ze keek me onderzoekend aan.
‘Ik zie het aan je.’
Ze kwam op de rand van mijn fauteuil zitten en streek met haar hand over mijn haar.
‘We kunnen het samen toch zo gezellig hebben. Je bent pas veertig. Het kan nog. Je hebt capaciteiten genoeg. Je kunt gemakkelijk nog een andere baan vinden.’ Ze schoof iets dichter naar mij toe. ‘Weet je, zo’n baan met elke avond thuis en zaterdags en zondags vrij.’
‘Ik… eh, ik weet niet,’ zei ik aarzelend, ‘ik weet niet of ik mij nu nog kan omschakelen. Ik ben al zo lang bij de politie.’ Ze stond op.
‘Politie, politie,’ zei ze verachtelijk, ‘hoeveel werk heb je al niet in dienst van de politie verzet. En wie is je er dankbaar voor? Wie?’
Ik liet mijn hoofd zakken. Ook zonder te kijken wist ik hoe ze nu voor mij stond, kende ik de uitdrukking op haar gezicht.
‘Niemand,’ hoorde ik haar zeggen, ‘niemand is je dankbaar. Noch het slachtoffer, noch de man, die je uiteindelijk voor de moord in de gevangenis helpt.’ Ze wond zich op. Ik hoorde het aan haar stem. ‘En de gemeenschap… de samenleving… voor wie jij werkt… is die je dankbaar? Kijk eens om je heen. Je bent gezien als een rotte kool bij een groentevrouw.’
Ik schudde mijn hoofd en zuchtte.
‘Zoals altijd schat, je overdrijft. Er zijn echt nog wel mensen die ons respecteren, die ons een goed hart toedragen, die…’ Ik maakte een wanhoopsgebaartje. ‘Zo slecht staan we toch niet aangeschreven? En bovendien, er moeten toch mensen zijn die dit werk doen. Het zou anders een mooie boel worden.’
‘Nou… en…’ zei ze uitdagend, ‘laat het een mooie boel worden… laten ze elkaar maar bestelen, laten ze elkaar maar uitmoorden… wat heb jij ermee te maken?’ Ze snoof. ‘Bovendien… bovendien zal het zo’n vaart niet lopen; er zijn altijd nog wel idioten genoeg, die ze voor dat baantje kunnen strikken.’ Ik slikte iets weg.
Ze ging in de fauteuil tegenover mij zitten en keek mij aan. Ze voelde dat ze te veel had gezegd, dat ze me had gekrenkt. Een ogenblik was ik bang dat ze zou gaan huilen. Haar onderlip trilde.
De uitdrukking op haar gezicht werd milder.
‘Het spijt me,’ zei ze berouwvol, ‘echt het spijt me. Ik had dat niet moeten zeggen. Nee. Je moet het mij maar niet kwalijk nemen. Die lange avonden alleen in huis maken me wat nerveus. Ik ben altijd maar bang dat je iets overkomt.’
Ik glimlachte.
‘Als deze zaak is opgelost, dan vraag ik overplaatsing naar een rustiger bureau. Is dat goed?’
Ze schudde haar hoofd en zuchtte.
‘Dat heb je me al zo vaak beloofd,’ zei ze berustend. ‘Er komt nooit wat van. Je wilt toch niet uit die oude binnenstad weg.’ Ik dronk mijn koffie leeg en stak een sigaret op. Hoeveel discussies had ik met mijn vrouw al over dit onderwerp gevoerd? Talloze. Het was haar angst. We hadden niet kinderloos moeten blijven. Nu was ik alles wat zij bezat. Ze was bang voor de eenzaamheid. De lange avonden en vooral de nachten die ik van huis weg was, kwelden haar.
Op dat moment ging de telefoon. Ik stond wat traag uit mijn fauteuil op en greep de hoorn. Het was de Ouwe.
‘Het spijt me,’ zei hij verontschuldigend, ‘dat ik nog zo laat bel, maar ik speculeerde erop, dat je nog niet naar bed was.’
‘Nauwelijks een speculatie.’
Ik hoorde hem grinniken.
‘Ik heb nieuws,’ zei hij opgewekt, ‘groot nieuws. Ik heb net bericht gekregen van de hoofdinspecteur Wigeling van de Dactyloscopische Dienst aan het hoofdbureau. Ze hebben die twee vingerafdrukken op het breekijzer kunnen identificeren.’
‘Mooi,’ zei ik.
‘Raad eens van wie ze zijn?’
‘Geen flauw idee.’
Hij wachtte even.
‘Van Pepi. Pepi Meijer.’
De naam bezorgde mij een lichte rilling.
‘Pepi… Pepi Meijer,’ herhaalde ik toonloos.
‘Ja,’ riep de Ouwe enthousiast, ‘en volgens Wigeling bestaat er geen enkele twijfel. De vingerafdrukken zijn volkomen identiek.’
‘Hij is…’ zei ik, ‘hij is nog niet zolang geleden op vrije voeten gesteld. Ik meen, dat ik zijn laatste zaak nog zelf heb behandeld.’
‘Dat klopt. Hij is ongeveer een maand vrij.’
‘Pepi Meijer,’ herhaalde ik opnieuw.
‘Daar hoor je van op hè?’
‘Ja,’ bekende ik, ‘daar hoor ik van op.’
‘Ik heb onmiddellijk een paar agenten op hem afgestuurd, maar de vogel is gevlogen. Ik heb nu via de telex zijn opsporing verzocht.’
‘Ja, ja,’ zei ik wat afwezig, ‘dat begrijp ik.’
‘Het is een kwestie van een paar uur, dan loopt hij wel in de fuik.’
‘Moet ik nog naar het bureau komen?’
‘Nee Peet, ga maar rustig slapen. Morgen zien we weer verder.’ Hij belde af.
Ik ging peinzend zitten en dacht over deze nieuwe ontwikkeling na.
‘Wie is Pepi Meijer?’ vroeg mijn vrouw.
Ik streek met mijn hand over mijn gezicht.
‘Pepi Meijer, lieveling, is een inbreker.’