13

Handige Henkie keek de grijze speurder peilend aan. Zijn hoofd een beetje scheef.

'Ben je echt alleen gekomen om een kop koffie bij mij te drinken?' vroeg hij achterdochtig. 'Ik kan het nauwelijks geloven. Volgens mij voer je weer wat in je schild.'

'Hoe is het met je dochter Jozefien?'

'Prima.'

'Geen moeilijkheden meer?'

'Nee.'

'Ik heb haar een tijd niet gezien.'

Handige Henkie klapte met zijn vlakke hand op tafel.

'Kom, De Cock,' sprak hij geïrriteerd, 'draai er niet om heen. Wat wil je?'

De Cock liet zijn hoofd iets zakken en krabde achter zijn oor.

'Ik… eh, ik had graag, dat je met me op pad ging,' sprak hij aarzelend. 'Ik ben bang, dat ik het alleen niet af kan.'

De ex-inbreker schudde zijn hoofd.

'Nee,' antwoordde hij resoluut. 'Dat kun je dit keer vergeten. Ik begin er niet meer aan. Tijdens dat laatste geintje van je ging er zoveel fout, dat ik blij was, dat ik er gaaf uitkwam. Ik heb toen bij mijzelf gezworen, dat ik het nooit meer zou doen. Ik wil dat risico niet meer lopen. Waarom ook?' Hij keek naar De Cock. 'Weet je hoe lang ik al op vrije voeten ben?'

De rechercheur knikte traag.

'Zeventien jaar… acht maanden… drie weken… en twee dagen.'

Handige Henkie keek hem verwonderd aan.:

'Dat weet je goed.'

De Cock trok een ernstig gezicht.

'Voor ik naar je toe ging, heb ik het in het archief even nagekeken.'

'Waarom?'

'Zomaar. Ik wilde het weten.'

Handige Henkie werd kregelig. Hij zwaaide om zich heen.

'Ik heb het goed, De Cock. Geen sores. En ik woon hier gezellig. Ik zou dit kamertje niet graag voor een gore bajes-cel willen ruilen.'

De Cock knikte begrijpend.

'Onderweg, naar je toe, heb ik er over nagedacht.' Zijn stem klonk droevig. 'Ik besefte, dat ik al veel te vaak een beroep op je heb gedaan. Ik begreep, dat er eens een eind aan zou komen.'

De ex-inbreker grijnsde.

'Ga je sentimenteel doen?'

De Cock streek met zijn hand over zijn stugge grijze haar.

'Wat is daar op tegen? Ik ken je bijna een kwart eeuw. Dat is een heel brok van een mensenleven. Ik heb in het begin achter je aan gezeten. Ik heb je een paar jaar lik bezorgd en toch was je later steeds bereid mij te helpen. Zulke dingen vergeet je niet, Henkie. Dat bewaar je in je hart.'

De oude inbreker schoof onrustig op zijn stoel heen en weer.

'Schei daar mee uit, De Cock,' snauwde hij geërgerd. 'Ik laat mij door jou niet week maken. Ik ga niet meer met je op pad. En daarmee basta.' Hij zuchtte diep. Zijn toon werd milder. 'Bovendien zijn de tijden veranderd. Het is niet meer zoals vroeger.' Hij gebaarde met zijn beide handen. 'Wat weet ik van de tegenwoordige inbraakbeveiligingen met moderne elektronica? Niets. Ik weet iets van sloten. Ik weet hoe je een brandkast open peutert. Dat was in mijn tijd genoeg.'

De grijze speurder strekte zijn rechterwijsvinger naar hem uit.

'Voor mij ben je nog steeds de grootste inbreker van het oostelijk halfrond.'

'Het westelijk halfrond zul je bedoelen,' zei de grootste inbreker snibbig.

'Nee, dat denken de meeste mensen, omdat wij in West-Europa wonen. Maar we zitten hier echt op het oostelijk halfrond. Kijk maar na in de atlas.'

'Ik kijk niks na.'

'Het doet er ook niet toe,' zei De Cock mild. 'Je bent waarschijnlijk toch de beste van alletwee de halfronden.'

Handige Henkie schudde zijn hoofd.

'Begin niet weer opnieuw,' sprak hij stug. 'Je kent mijn standpunt.'

De Cock glimlachte.

'Ik dacht, dat ik koffie van je kreeg.'

'Hoe was het op Westgaarde?'

Vledder haalde zijn schouders op.

'De morbide belangstelling van lieden die naar de begrafenis van elke vermoorde man of vrouw komen kijken. Verder heb ik voor het eerst familie van Jean-Paul Stappert ontmoet… zijn moeder. Ze was uit Parijs overgekomen. Daar woont ze nu.'

'Heeft Jean-Paul geen vader?'

Vledder schudde zijn hoofd.

'Geen wettige. De natuurlijke vader van Jean-Paul was een bijzonder levenslustige Franse muziekmaker, die een paar jaar met Marianne-Suzanna Stappert samenleefde. Ze was als een au pair-meisje naar Parijs getogen om zich de Franse taal eigen te maken en ontmoette de muzikant op een feestje ten huize van de familie bij wie ze in dienst was. Volgens moeder Stappert was het liefde op het eerste gezicht.'

De Cock grinnikte.

'Je kunt beter voor de tweede keer kijken.'

Vledder negeerde de opmerking en ging onverstoord verder.

'Ze betrokken samen een sombere huurkamer in het Quartier Latin, niet ver van de beroemde Sorbonne en leefden onstuimig en gelukkig totdat…'

'… de kleine Jean-Paul zich meldde.'

Vledder knikte.

'Precies. Toen verdween de jolige en vooral hartstochtelijke muzikant en liet zich niet meer zien. Marianne-Suzanna Stappert ging terug naar Amsterdam en kreeg daar haar baby, die, bij het ontbreken van een wettelijke vader, de naam van zijn moeder kreeg. Marianne-Suzanna Stappert heeft lange moeilijke jaren voor haar kind gewerkt en er zelfs voor gezorgd, dat Jean-Paul, genoemd naar haar minnaar, een gedegen Havo-opleiding kreeg. Een paar maanden na het behalen van zijn diploma is hij verslaafd geraakt. Ze heeft van alles geprobeerd om hem van zijn verslaving af te helpen. Toen dat niet lukte en ze door haar zoon in een poel van ellende dreigde onder te gaan, vluchtte ze naar Parijs… waar ze eens gelukkig was geweest.'

De Cock keek zijn jonge collega wat verstrooid aan.

'Heeft ze je dat allemaal verteld?' vroeg hij ongelovig. 'Het lijkt wel een driestuiversroman.'

Vledder knikte met een droef gezicht.

'Na de begrafenis,' sprak hij triest. 'In een bruin kroegje aan het Damrak… bij een glaasje cognac. Ze had maar een paar uur voor haar trein naar Parijs vertrok.'

'Hoe leerde je haar kennen?'

Vledder gebaarde met een open hand.

'Ik zag toevallig dat ze in de aula haar naam in het condoleantieregister schreef en stelde mij aan haar voor.' Met een vage glimlach om zijn lippen staarde Dick Vledder dromerig voor zich uit. 'Marianne-Suzanna Stappert is een indrukwekkende vrouw. Heel intelligent en nog bijzonder knap voor haar jaren. Ik heb haar naar het Centraal Station gebracht. Kort voor haar trein wegreed, kuste ze me heel sensueel.'

De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

'Ze… eh, ze was niet erg onder de indruk van de dood van haar zoon?'

Vledder schudde zijn hoofd.

'Ze heeft mij dat uitgelegd. Voor haar gevoelsleven was haar zoon al gestorven op het moment dat ze, nu vijf jaar geleden, voor haar vertrek naar Parijs afscheid van Jean-Paul nam.'

De Cock streek met zijn pink over de rug van zijn neus.

'Kon ze nog enig licht werpen op de mysterieuze dood van haar zoon? Hij stierf niet door een overmatig gebruik van drugs… zoals ze misschien had verwacht… maar werd heel koelbloedig vermoord.' Hij zweeg even. Nadenkend. 'Je hebt haar toch verteld onder welke omstandigheden Jean-Paul stierf.'

Vledder knikte heftig.

'Zeker.'

'En?'

Vledder weifelde.

'Ze… eh, ze vond dat niet zo belangrijk,' begon hij wat aarzelend.

'Moord was volgens haar gewoon een facet van het menselijk sterven. Niet veel anders dan het sterven bij een verkeersongeval of aan de gevolgen van een of andere ziekte.'

De Cock keek hem schuins aan.

'Was je het daarmee eens?'

Vledder trok wat schuchter zijn schouders op.

'In één ding had ze gelijk… de uitkomst is steeds hetzelfde… de dood.'

De Cock kneep zijn ogen half dicht.

'Hoeveel… hoeveel glaasjes cognac hebben jullie samen in dat kroegje gedronken?'

Vledder grinnikte.

'Twee, drie…'

'Tel eens verder.'

Vledder schudde zijn hoofd.

'Niet meer. Echt niet. Maar ik zei je toch… ze is een indrukwekkende vrouw. Als we wat meer tijd hadden gehad, was ik misschien wel verliefd op haar geworden.'

De Cock analyseerde de uitdrukking op het gezicht van zijn jonge collega… de vage glimlach om de mond, de dromerige blik uit zijn blauwe ogen.

'Ik ben zelfs bereid,' verzuchtte hij, 'om dat te geloven.' Hij knipperde met zijn vingers om Vledder uit zijn zoete hypnose te wekken. 'Was vader Baveling op de begrafenis?'

Het duurde even. Toen verdween de vage glimlach. De blik van Vledder werd weer helder. Hij schudde zijn hoofd.

'Hij was er niet. Ik heb althans geen man in de nabijheid van moeder Baveling gezien. Ze was in gezelschap van een vrouw. Ik dacht een zuster. Er was enige gelijkenis.' Hij zweeg even en staarde voor zich uit.

'Ik had een stille hoop, dat Ramón op de begrafenis van zijn broer zou verschijnen.'

'En?'

'Hij was er niet.'

'Zou je hem hebben herkend?'

Vledder knikte nadrukkelijk.

'Voor ik naar Westgaarde ging, heb ik nog even met onze collega uit Heemstede gebeld. Hij gaf mij een heel bruikbaar signalement.'

'Wist hij al dat Ramón was verdwenen?'

'Vader Baveling meldde zich gisteravond in gezelschap van de imposante mr. Van Mechelen bij de gemeentepolitie in Heemstede om heel officieel de opsporing van Ramón te verzoeken.'

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

'Hebben ze dat opgenomen?'

'Ze waren in Heemstede van mening dat er geen enkele reden bestond om op dat verzoek tot opsporing in te gaan. Ramón Baveling is meerderjarig en verdween vrijwillig. En er is verder geen enkele indicatie dat er een ongeluk moet worden gevreesd.'

De Cock wreef over zijn brede kin.

'Ik vraag mij af,' sprak hij zacht, 'wat mr. Van Mechelen van plan is. Ik vrees, dat hij bezig is een heel gemeen spelletje met mij te spelen… uit rancune.'

'Hoe?' De Cock stak zijn wijsvinger omhoog.

'Als ze in Heemstede op dat verzoek waren ingegaan, dan was uiteraard ook die afscheidsbrief van Ramón ter tafel gekomen, waarin hij zegt, dat hij verdwijnt omdat hij bang is gearresteerd te worden. En dat leidt weer naar ons met al de rompslomp van een ambtelijk onderzoek, dat ons zou beletten om onze aandacht volledig op de beide moorden te concentreren. Misschien nemen ze ons het onderzoek wel af. Bij de justitie telt een vermeende ambtelijke misstap al zwaarder dan een moord.'

Vledder kauwde op zijn onderlip.

'Het behoeft geen rancune te zijn. Als mr. Van Mechelen ons zo graag uit dit onderzoek wil drukken, kan dat ook betekenen dat hij de mogelijkheid niet uitsluit, dat Ramón toch bij de moorden is betrokken.'

De Cock keek zijn jonge collega onderzoekend aan.

'Als Ramón vanmorgen op de begrafenis was verschenen, had je hem dan gearresteerd?'

Het gezicht van Vledder verstarde.

'Beslist.' Zijn stem klonk hard.

'Al had ik hem van de rand van het graf moeten trekken.'

De oude rechercheur schudde afkeurend zijn hoofd.

'Plechtigheden rond de geboorte, het huwelijk en de dood mag je niet verstoren,' sprak hij mild. 'Ook niet met de wet in je hand.'

De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. Vledder nam de hoorn op en luisterde. De Cock zag dat het gezicht van zijn jonge collega verbleekte. Geschokt en met een trillende hand legde Vledder de hoorn op het toestel terug.

'De pensionhoudster,' hijgde hij.

'Wat is daarmee?'

'Ze hebben haar zojuist in haar keukentje gevonden.'

'Dood?'

Vledder slikte.

'Vermoord.'

Загрузка...