Mevrouw Van Leeuwen, de tanige pensionhoudster, wees triest om zich heen. 'Het is toch verschrikkelijk,' riep ze huilerig. 'Moet je dat eens zien. Die troep. Honderden guldens schade.' Ze keek vragend naar De Cock op. 'Wie vergoedt mij dat?'
De Cock negeerde de vraag. De politie had geen fonds voor dergelijke zaken.
'Heb je ze gezien?'
'Wie?'
'De mannen die dit deden?'
Mevrouw Van Leeuwen knikte heftig.
'Ze hebben zich gewoon bij mij gemeld… in de keuken. Twee mannen. Ze zeiden dat ze hadden gehoord dat er kamers vrij waren gekomen en dat ze wel belangstelling hadden… als de kamers naar hun zin waren.'
'En toen?'
'Toen heb ik ze de kamers laten zien.'
'Van Erik Baveling en Jean-Paul Stappert?'
De pensionhoudster keek hem verbaasd aan.
'Ja, die kwamen toch vrij.'
'Hun spullen stonden er toch nog op?'
Mien van Leeuwen trok haar lippen tot een smalle lijn.
'Ik kan die kamers toch niet onverhuurd laten tot de familie eindelijk de rotzooi van de jongens komt weghalen?'
De Cock keek haar bestraffend aan.
'Ze hebben nauwelijks de tijd gehad.'
Ze snoof. Haar neusvleugels trilden.
'Als ze vandaag niet komen, smijt ik het op straat.'
De Cock zuchtte. Hij kende het temperament van de vrouw. Met een loom gebaar wees hij naar de opengesneden bedden.
'Gebeurde dit waar jij bij was?'
Mien van Leeuwen schudde heftig haar hoofd. Er kwamen blosjes op haar tanige huid.
'Ik had ze hun strot afgebeten,' schreeuwde ze fel. 'Nee… er ging telefoon. Toen heb ik ze alleen gelaten. Een paar minuten maar. Toen ik terugkwam vond ik deze ravage.
'En die twee mannen?'
'Gevlogen.'
De Cock knikte begrijpend.
'Had je ze weleens gezien? Ik bedoel, waren het jongens uit de buurt?'
'Nee.'
'Zou je ze kunnen herkennen?'
De pensionhoudster wuifde wat vaag in de ruimte.
'Die ene zeker… die lange magere… die had zo'n smal smoeltje. Die herken ik uit duizenden. Hij had een Haags accent. Hij deed ook het woord. Die andere zei niet veel. Die keek alleen maar om zich heen. Dat was meer het type van een gluipertje.'
'Oud?'
'Achter in de twintig.'
De Cock streek nadenkend over zijn kin.
'Heb je enig idee, waarnaar ze hebben gezocht?'
Mevrouw Van Leeuwen knikte naar de leeggehaalde kasten, de opengewaaierde boeken, het teruggeslagen vloerkleed.
'Heroïne.'
De Cock en Vledder liepen op de Prins Hendrikkade langs de oude, wat vervallen Sint Nicolaaskerk. Rechts, voor het Centraal Station, straalde vrolijk licht uit de vele kleine ruitjes van het weer in oude glorie herstelde Noord-Zuidhollands koffiehuis.
Wat verder, op de hoek van de Zeedijk, stonden de drugsdealers in ploegjes bijeen. Die ploegjes verveeld rondhangende mannen, tegen een decor van dichtgetimmerde ramen, had iets dreigends, iets angstaanjagends… alsof ze de dood bij zich droegen. Zo nu en dan riepen ze elkaar iets toe. Hun stemmen klonken meest rauw, maar soms ook iel en hoog, als van een castraat.
De beide rechercheurs liepen hen zwijgend voorbij. Via de Sint Olofssteeg kwamen ze terug in de Warmoesstraat.
Het was Vledder die het zwijgen verbrak.
'Denk je echt dat ze in het pension naar heroïne hebben gezocht?'
De Cock trok zijn schouders op.
'Ik vond het geen domme redenering van Mien van Leeuwen. Toen Erik Baveling en Jean-Paul Stappert nog verslaafd waren, zullen ze zeker in heroïne hebben gehandeld. Dat is gebruikelijk. Het is daarom niet denkbeeldig, dat ze een paar gram, of misschien nog meer, ergens verborgen hadden en dat er mensen waren die dat wisten.'
'En nu na hun dood even kwamen snuffelen.'
'Precies.'
Vledder schudde zijn hoofd, er lag een trek van wrevel op zijn gezicht.
'Geloof jij dat echt?'
'Ik heb wel wat bedenkingen. Het past niet zo erg bij het beeld van iemand die is afgekickt.' De Cock grinnikte. 'Men moet iemand die pas van de drank af is ook niet voortdurend een fles whisky voor zijn neus houden.'
Vledder kauwde op zijn onderlip. Zijn gezicht stond ernstig.
'Volgens jou was er geen heroïne?'
'Nee.'
De jonge rechercheur gebaarde heftig.
'Waar zocht men dan naar?'
De Cock keek zijn collega van terzijde aan.
'Als we dat wisten, Dick Vledder, dan waren we een stuk dichter bij de oplossing.'
Ze stapten het politiebureau binnen. Het was ongebruikelijk stil in de hal. De Cock keek op de grote klok. Het was bijna half twee in de nacht. Tot voor kort was het rond dit uur altijd gezellig. Dan zat daar ome Joop, de man met zijn accordeon, en speelde onafgebroken zijn repertoire, vrijwel zonder pauze… tot hij boven zijn muziekkast in slaap viel. Met zijn lange grijze haren, snor en baard, zag hij er indrukwekkend uit, zelfs als hij sliep. Tegen het ochtendgloren maakte de brigadier hem meestal wakker. Dan grijnsde hij vriendelijk, mompelde een groet tot afscheid en strompelde met zijn accordeon het bureau uit. Niemand wist waarheen. Een paar weken geleden op een nacht kwam hij niet. Er kwam wel een hoertje het bureau binnen, dat vertelde, dat er midden op het asfalt van de Koestraat, in de stromende regen, een oude man lag. De brigadier ging er heen met een diender. Het was Ome loop. Zijn accordeon vonden ze wat verderop verregend in een portiek. Toen de broeders van de geneeskundige dienst zijn dode lichaam op een brancard tilden, vouwde de brigadier ome Joop zijn oude gerimpelde handen… handen, die hij zo vaak over de knoppen van zijn kast had zien glijden.
De volgende morgen had de brigadier het aan De Cock verteld. Een paar dagen later stonden ze aan zijn graf en ervoeren voor het eerst, dat ome Joop gewoon Petrus Johannes Sogeler heette. De Cock bedacht het met enige weemoed. Hij had in zijn lange politieleven vele markante figuren gekend… en liefgehad.
Hij blikte naar de balie. Meindert Post, de stoere Urker wachtcommandant, was afgelost door Jan Kusters, een gemoedelijke Brabander, die zich in het woelige Amsterdam best thuisvoelde. Hij wenkte de beide rechercheurs naar zich toe.
'Boven zit al meer dan een uur een man op jullie te wachten. Ik had hem willen wegsturen, maar ik begreep van Meindert Post, toen ik de dienst van hem overnam, dat jullie nog terug zouden komen.'
De Cock knikte begrijpend.
'Wat is het voor een man?'
Jan Kusters trok een vies gezicht.
'Hij leek mij een gladde, verwijfde, wat poenige vent. Als ik snuif, ruik ik nog de geur van zijn parfum.' De wachtcommandant schoof zijn onderlip vooruit en schudde zijn hoofd. 'Mijn vriend is het niet.'
De Cock lachte.
'Heeft hij zich voorgesteld?'
Jan Kusters pakte zijn kladbloc.
'Willy… Willy Haareveld.'
De Cock keek vanuit de hoogte op hem neer. Jan Kusters, vond hij, had gelijk. Willy Haareveld maakte een poenige, wat verwijfde indruk. Zijn parfum had een indringende, zoete, bijna misselijk makende geur. Zijn strakke, hardgele pantalon combineerde oogverblindend met een gestreept paars colbert, waaronder een glimmend witzijden hemd met volanten. De platina ring vol briljanten aan zijn linkerpink was grof en protserig.
De oude rechercheur zuchtte en liet zich in de stoel achter zijn bureau zakken. Zijn scherpe blik gleed tastend langs de gelaatstrekken van de man voor hem. De volle, zinnelijke lippen boven een wat weke kin, de stompe neus, het te blonde geplakte haar, het dunne laagje schmink… het wekte weerzin bij hem op.
'Het spijt ons dat wij u zo lang hebben moeten laten wachten,' opende hij verontschuldigend. 'Maar u had uw bezoek niet aangekondigd.'
Willy Haareveld schudde zijn hoofd.
'Ik hoopte u nog te treffen. De wachtcommandant beneden zei dat u beslist terug zou komen.' Hij strekte zijn wijsvinger naar de grijze speurder. 'U… eh, u bent toch rechercheur De Cock?'
De Cock knikte.
'Met ceooceekaa… om u te dienen.'
Het klonk spottend.
Willy Haareveld glimlachte beleefd.
'Men heeft mij gezegd, dat u de zaak behandelt van die beide jongens.'
'Welke jongens?'
'Die gisteren vermoord zijn gevonden. Ik heb het in de krant gelezen. Ze woonden samen in een pension.'
De Cock knikte gelaten.
'Die zaak behandelen wij,' sprak hij laconiek.
Willy Haareveld kuchte.
'Weet u al iets omtrent de dader?'
'Nee.'
'Bestaat er enig verband tussen beide moorden?'
De Cock grijnsde.
'Mogelijk. Maar we hebben dat verband nog niet kunnen vinden.' Hij keek de man voor hem wat schuins aan. De grillige accolades rond zijn mond dansten. 'U… eh, u bent geïnteresseerd?'
Haareveld verschoof iets op zijn stoel.
'Dat is te zeggen…' Hij frunnikte aan de volanten van zijn hemd.
'Ik meen een van die twee jongens wel eens te hebben ontmoet.'
'Waar?'
'Bij mij thuis in Laren.'
'Wanneer?'
Willy Haareveld grinnikte nerveus.
'Een paar weken geleden… dacht ik. Ik weet dat niet zo precies meer. Ziet u… ik leid een druk leven. Ik ben impresario. Ik verzorg theatervoorstellingen, lanceer cabaretgroepen, arrangeer shows. Ik heb enige artiesten onder contract, die aan het werk moeten blijven.' Hij zweeg even en ademde diep. 'Ik beschouw het ook tot mijn taak om ervoor te zorgen dat ze een goed repertoire hebben.' Hij stak zijn beide handen trillend omhoog. 'Dat is heel belangrijk. Ik ben daarom steeds op jacht naar nieuwe teksten, muziek, liedjes.'
De Cock boog zich naar hem toe.
'En in dat kader heeft u weleens een van hen ontmoet?'
'Ja.'
'Wie?'
De bontgeklede impresario maakte een verontschuldigend gebaartje.
'Dat weet ik niet. Ik herinner mij niet, dat hij zich aan mij heeft voorgesteld of dat ik zijn naam heb genoteerd. Een kennis van mij noemde hem Mister Melody. Hij wist, dat ik altijd op zoek ben naar nieuwe muziek en stuurde de jongen naar mij toe.'
'En?'
'Wat bedoelt u?'
De Cock reageerde wat kriegel.
'Werd het wat? Had die Mister Melody de muziek, de liedjes die u begeerde?'
Willy Haareveld antwoordde niet direct. Hij bracht zijn beide handen naar voren en drukte zijn vingertoppen tegen elkaar.
'Het was een vreemde jongen,' sprak hij zacht. 'Moeilijk te vatten. Hij kende geen noot muziek en bespeelde geen enkel instrument… toch zei hij, dat hij melodieën had… in zijn hoofd. Ik lachte hem vierkant uit en zei, wat heb ik aan melodieën in jouw hoofd? Toen zei hij strak: als u ze eruit haalt… hebt u een fortuin.'
'En dat heeft u?'
'Wat?'
'Een fortuin?'
Willy Haareveld raakte duidelijk geïrriteerd. Er kwam een harde trek op zijn gezicht.
'Heeft u weleens een fortuin uit iemands hoofd gehaald?'
De Cock schudde kalm zijn hoofd.
'Ik ben ook geen impresario.' Het klonk hatelijk. De oude rechercheur had zijn weerzin tegen de man nog niet verwerkt. Bovendien begon de zware parfumgeur op zijn oogleden te drukken. Hij liet zich loom terugvallen in zijn stoel en geeuwde ongegeneerd. 'Ik begrijp nog steeds niet,' sprak hij verveeld, 'waarom u mij op dit nachtelijk uur per se nog wilde spreken.'
Willy Haareveld schoot met een ruk naar voren.
'Ik wil er niet bij betrokken raken.'
'Waarbij?'
'De moord op die jongen. Ik weet toch hoe jullie denken. Als uit jullie onderzoek naar voren komt, dat hij bij mij in Laren was, ben ik verdacht.'
De Cock trok zijn wenkbrauwen op.
'En? Heeft u het gedaan?'
De impresario brieste. Zijn gezicht werd rood onder zijn lichte make-up.
'Nee,' schreeuwde hij, 'ik heb het niet gedaan. Ik heb er ook niets mee te maken. Niets… hoort u. Helemaal niets.'
De Cock keek hem onbewogen aan.
'Waarom zou u zich dan zorgen maken?'
Willy Haareveld kneep zijn ogen dicht.
'Ik ken mijn eigen reputatie.' Zijn stem klonk vermoeid. 'Ik weet toch hoe "men" over mij denkt. Over mij geen hosanna's. En terecht. Ik ben bepaald geen man van onbesproken gedrag. Als u uw politieregisters openslaat, zult u mij zeker vinden. Ik ben ettelijke malen aangeklaagd voor diefstal, oplichting… plagiaat.'
De Cock grijnsde.
'Diefstal van muziek?'
De impresario knikte traag.
'Nog niet zo lang geleden heeft een of andere idioot met een geweer op mij geschoten. Ik had geluk. Het scheelde weinig of het was met mij gebeurd geweest.'
'Weet u wie?'
'Nee.'
De Cock keek hem onderzoekend aan.
'Misschien iemand die meende dat u muziek van hem had gestolen?'
'Mogelijk.'
'Heeft het politieonderzoek niets opgeleverd?'
'Ik dacht het niet. Ik heb er niets meer van gehoord.'
De Cock boog zich weer naar voren. Iets van de weerzin tegen de man verdween.
'Waarom bent u vanavond gekomen?'
Willy Haareveld antwoordde niet.
De Cock drong verder in de geur van parfum. De lichtgroene ogen van de impresario waren dichtbij.
'Heer Haareveld… waarom bent u vanavond gekomen?'
De herhaling klonk vriendelijk en dwingend.
De impresario slikte.
'Ik ben bang… doodsbang.'
Met trillende handen tastte hij naar de binnenzak van zijn paars colbert, nam daaruit een enveloppe en gaf die aan De Cock.
'Die… eh, die vond ik van de week bij mij in Laren in de bus.'
De Cock nam de brief uit de enveloppe en vouwde hem open. Hij las hardop.
'Blijf met uw vieze handen van de goddelijke muziek van Mister Melody. Een tweede schot is dodelijk.'