De pensionhoudster lag op haar rug, ongeveer in het midden van haar schoongeschrobde witmarmeren keukenvloer. Haar gestrekte linkerarm maakte een bijna haakse hoek met haar lichaam en eindigde in een gekromde hand. Haar welgevormde benen waren iets gespreid. Haar blote voeten staken in afschuwelijke sloffen. Met een gevoel van weemoed keek De Cock vanuit de hoogte op de dode vrouw neer. Zijn scherpe blik gleed van de sloffen langs de vaalrode peignoir omhoog naar het gezicht met de tanige huid. Hij bekeek de lange zwarte haren, uitgewaaierd over het kille marmer, de gebroken ogen, de half open mond, de verveegde make-up.
Hij nam dat alles bijna fotografisch in zich op. De oude rechercheur kon dat. Door ervaring en training had hij zich dat eigen gemaakt. Hij schoof zijn oude vilten hoedje wat naar achteren en krabde op zijn voorhoofd. Er was iets dat hem hinderde, iets paste niet in het beeld. Hij had in zijn lange loopbaan bij de Amsterdamse recherche honderden mensen gezien die gewelddadig om het leven waren gekomen. De jaren hadden hem gevoelig gemaakt voor storingen, afwijkingen in het patroon, dissonanten in het schrille akkoord van de dood.
Vledder knielde bij het hoofd van de pensionhoudster neer en onderzocht haar hals. Hij keek schuin omhoog.
'Gewurgd,' sprak hij toonloos.
De Cock knikte afwezig. Hij worstelde met een vreemd gevoel van onbehagen. Het beeld van de dode vrouw hield hem vast. De entourage intrigeerde hem.
Vledder kwam weer overeind.
'Dat gunde ik haar niet,' sprak hij somber. 'Zo'n dood had ze niet verdiend.'
De Cock grijnsde.
'De moordenaar dacht er anders over.'
Vledder veegde met een zakdoek het zweet van zijn voorhoofd. Hij had nog niet zoveel ervaring als zijn collega. De confrontatie met een gewelddadige dood verbijsterde hem nog.
'Moordenaars,' sprak hij treurig, 'zijn een vreemd soort mensen.'
'Zelden,' antwoordde De Cock loom. 'In de meeste gevallen zijn ze beangstigend alledaags.'
Vledder wees naar de dode vrouw op de marmeren vloer.
'De strangulatieplekken… vrijwel dezelfde greep als bij de beide jongens.'
De Cock zuchtte diep.
Het gezicht van Vledder werd plotseling rood. Hij zwaaide met zijn beide armen.
'Verdomme, De Cock,' riep hij, 'waarom?' Hij beet op zijn onderlip. 'Ze was niet mijn vriendin. Ik bedoel, ik kan niet zeggen dat ze de enige keer dat ik haar ontmoette, bepaald vriendelijk tegen mij was. Integendeel. Maar ze was toch een hardwerkende vrouw, die op een eerlijke manier haar brood verdiende.'
'Misschien.'
De jonge rechercheur keek hem verrast aan.
'Niet?' Hij wuifde om zich heen. Zijn jonge gezicht zag nog rood.
'Zie je haar rijkdom? Een kale kille keuken… steriel als een operatiezaal. Ik heb ook even in haar woonkamer gekeken… haar meubeltjes. Zelfs een blind paard kan er geen schade doen.'
'En?'
Vledder grinnikte.
'Waar liggen dan de kapitalen die ze door de misdaad heeft vergaard?'
De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.
'Misdaad loont niet… niet altijd.'
Bram van Wielingen, de politiefotograaf, kwam met een lachend gezicht het keukentje binnenstappen.
'Ga je je leven beteren?'
De Cock keek hem aan. 'Beteren?'
Van Wielingen gebaarde achter zich.
'Het is dag.' In zijn stem trilde verwondering. 'De zon straalt aan de hemel. Meestal laat je mij alleen in de nacht opdraven.'
De Cock wees naar de dode.
'Ze is nog geen kwartier geleden ontdekt door een pensiongast die haar wilde vragen of er nog post voor hem was gekomen. Maar ik neem aan, dat ze gisteravond alom het leven is gebracht.'
'Gewurgd?'
'Ja.'
'Net als die twee jongens?'
De Cock knikte.
'Er zijn, zo op het oog, wat overeenkomsten.'
Van Wielingen schudde verrast zijn hoofd.
'Wat is er aan de hand met dit pensionnetje?'
De Cock schonk hem een moede glimlach.
'Als ik dat wist… misschien vielen er dan geen doden meer.'
'Waarom laat je het hele pand niet ontruimen? Timmer het dicht, dan weet je zeker dat er niets meer gebeurt.'
De Cock lachte smalend.
'Op grond waarvan?'
Van Wielingen tilde zijn aluminium koffer op het aanrecht.
'Weet ik veel.' Hij bromde. 'Dat is trouwens jouw zaak. Ik maak foto's.'
De oude rechercheur draaide zich om. In de deuropening stond dr. Den Koninghe. Achter hem schemerden zijn onafscheidelijke broeders met hun brancard.
De Cock liep op de dokter toe en drukte hem hartelijk de hand. Hij had een zwak voor de oude, exentrieke lijkschouwer. Hij vormde met hem in het wereldje van de misdaad een soort tragikomisch duo, dat acte de présence gaf bij elk gewelddadig overlijden.
Dr. Den Koninghe nam zijn garibaldi af en wees naar de dode op de vloer.
'Het is druk vandaag,' lispelde hij hoofdschuddend. 'Het komt zeker door het weer… een beetje broeierig.' Hij keek naar De Cock. 'Het is wetenschappelijk vastgesteld… sommige mensen zijn daar gevoelig voor. In Zwitserland bijvoorbeeld, komen tijdens de föhn veel moorden, zelfmoorden en ongevallen met dodelijke afloop voor… gevolg van de zogenaamde föhnziekte.'
De Cock glimlachte beleefd. Hij hield zijn vakanties altijd in eigen land, was nooit in Zwitserland geweest en wist niet wat föhn was.
'Ik denk,' sprak hij weifelend, 'dat het gisteravond is gebeurd. Ze is stijf en voelt koud aan.'
Dr. Den Koninghe knielde bij de dode vrouw neer, voelde met de rug van zijn hand aan haar wang en bekeek de strangulatieplekken aan de hals. Op handen en voeten kroop hij naar achteren, deed een van die afschuwelijke sloffen uit en betastte een voet. Zijn oude knieën kraakten toen hij overeind kwam.
'Je hebt gelijk, De Cock,' sprak hij nahijgend. 'Er is een algemene lijkstijfheid.' Hij schudde zijn hoofd. 'Op de lichaamstemperatuur zou ik niet afgaan. Die koude marmeren vloer trekt snel alle warmte weg.' Hij tuitte zijn lippen. 'Ik schat zo acht tot tien uur… veel verder zou ik niet teruggaan.'
De Cock keek de lijkschouwer geschrokken aan.
'Dat was vanmorgen in alle vroegte.'
Dr. Den Koninghe griste aan een ketting een knol van een zilveren horloge uit een zakje van zijn parelgrijze vest en keek.
'Inderdaad,' kraakte hij, 'in alle vroegte.' Hij zette zijn horloge in het vestzakje terug. 'Krachtige handen… van iemand die een stevige greep heeft ontwikkeld. Je zou bijvoorbeeld kunnen denken aan iemand die tennis speelt.' Hij frunnikte wat verstrooid aan het montuur van zijn bril. 'Het komt mij bekend voor… heb ik dat al eens gezegd?'
De Cock knikte bedaard.
'Bij de dood van die jongen… hierboven. En later bij die jongen tussen de auto's op de gracht.'
De lijkschouwer fronste zijn wenkbrauwen. Even maar. Toen zette hij zijn garibaldi weer op zijn hoofd, zwaaide ten afscheid en liep de keuken uit. Bij de deur aarzelde hij, draaide zich om en wees met een gestrekte arm naar het slachtoffer op de marmeren vloer.
'Ze is dood.'
Het klonk cynisch.
Bram van Wielingen hurkte met zijn Hasselblad bij de pensionhoudster en flitste in het dode gelaat. Toen het licht voor de derde, keer opflitste, kwam Frans Kreuger puffend de keuken binnen.
Zijn gezicht stond somber.
De Cock keek hem onderzoekend aan.
'Ruzie gehad?'
Kreuger klapte zijn koffertje naast dat van Van Wielingen op het granieten aanrecht.
'Ik ben vandaag al bij vier inbraken, een roofoverval en een gecamoufleerde zelfmoord geweest. De dag is nog lang, maar ik ben het nu al zat.'
De Cock glimlachte en gebaarde om zich heen.
'Volgens Vledder is dit een steriele keuken. Je zult er niets vinden.'
Vledder kwam naast hem staan.
'Ik zag je schrikken, toen dr. Den Koninghe zei, dat ze pas acht tot tien uur dood was. Vond je het zo vreemd, dat ze niet gisteravond, maar vanmorgen vroeg werd vermoord?'
De Cock knikte traag. Hij wees naar de verveegde make-up rond de mond van de tanige pensionhoudster.
'Ik heb Mien van Leeuwen een paar maal ontmoet… op verschillende tijdstippen van de dag. Volgens mij was ze geen vrouw die zich zo vroeg al opmaakte. Meestal had ze helemaal geen makeup.'
Vledder trok achteloos zijn schouders op.
'Misschien verwachtte ze bezoek en wilde ze zich extra mooi maken.'
De Cock keek zijn jonge collega bewonderend aan.
'Soms, Dick, zeg je verstandige dingen.'
De Cock had moeie voeten.
Met een scheef verwrongen gezicht legde hij zijn beide benen voorzichtig op het blad van zijn bureau. Een helse pijn trok van zijn beide grote tenen via de wreef van zijn voeten omhoog. Het was alsof duizenden dekselse duiveltjes met evenzovele naalden in de ballen van zijn kuiten prikten.
Het stemde hem somber. Hij wist wat die pijn betekende. Telkens als hij het niet meer wist, als hij het gevoel had steeds verder van de oplossing weg te drijven, dansten de duiveltjes en speelden hun satanisch spel met zijn overigens trouwe onderdanen.
Hij schudde zuchtend zijn hoofd. Het ging niet goed. De dood van de tanige pensionhoudster had hem volkomen verrast. De moord op Mien van Leeuwen paste niet in het patroon, in het beeld dat hij zich omtrent de moord op Jean-Paul Stappert en Erik Baveling had gevormd.
De wijze waarop de vrouw om het leven was gebracht, toonde overeenkomsten met de dood van de beide jongens. Maar als ze daarbij betrokken was… hoe? Waarom wenste de moordenaar ook haar dood… vijf dagen later? Ging haar relatie tot de beide jongens verder dan die van… pensionhoudster? Waaruit zou zo'n verdergaande relatie dan kunnen bestaan?
Hoe hij ook peinsde, hij kon het antwoord op die vragen niet vinden. En de duiveltjes dansten lustig verder. Hij boog zich voorover, schoof zijn broekspijpen tot op zijn knieën en wreef met beide handen krachtig over zijn kuiten. Het bracht een kleine verlichting.
Vledder keek bezorgd op hem neer.
'Moeie voeten?' vroeg hij angstig.
De Cock knikte instemmend.
'Ik ben er weleens mee naar mijn dokter geweest,' sprak hij traag.
'Volgens hem is het psychisch. Hij zegt dat er helemaal geen duiveltjes met naalden bestaan. Volgens Jan Veldstra is het verbeelding.'
Vledder keek hem niet begrijpend aan.
'Wie is Jan Veldstra?'
'Mijn huisarts… volgens hem is alles verbeelding.'
Vledder trok een bedenkelijk gezicht.
'En wat zegt hij als iemand is gestorven?'
De Cock gniffelde.
'De patiënt verbeeldt zich dat hij dood is.'
Ineens brak bij hem een blijde lach door. Het was een reactie op zijn eigen dwaze grap. Het leek alsof plotseling alle pijn uit zijn voeten en kuiten wegtrok. Opmerkelijk kwiek tilde hij zijn benen van zijn bureau en begon door de recherchekamer te stappen. Hij wist dat bij de cadans van zijn tred zijn gedachten zich gemakkelijker lieten ordenen.
Het was zaak, besefte hij, om alles eens duidelijk op een rijtje te zetten. Welke rol speelden bijvoorbeeld de muziekpedagoog Alex Waardenburg en zijn muzikale zoon Kiliaan? Waren zij betrokken bij de moord op de beide jongens of hadden ze er totaal niets mee te maken? Waarom verdween Ramón? Waarom deed vader Baveling, gesteund door advocaat Van Mechelen, alles om hem uit het onderzoek naar de moorden te drukken? Was het angst… angst voor de schuld van zijn zoon?
Welk aandeel hadden Jaap van Santen en Jan Rouweier? Handelden zij op eigen initiatief of werden zij gebruikt… misbruikt door de onmiskenbaar louche impresario Willy Haareveld?
Waren zij de enige spelers in dit sinistere spel van de dood? Of waren er nog anderen… anderen die hij niet kende. Het onpeilbare risico waarmee iedere rechercheur rekening diende te houden? En bovenal… wat was het motief? Waarom moesten die twee jongens voor eeuwig zwijgen en werd hun tanige pensionhoudster vermoord?
Hij beende nog een tijdje onverstoord door. Waren dat de enige vragen? En als hij de antwoorden had… kende hij dan ook de oplossing? Vormden de pensionhoudster met de beide jongens een soort trio… een drieëenheid en werden ze daarom vermoord… of had elke moord op zich een motief?
Hij keek wat verstrooid naar adjudant Sietze de Jong, die de recherchekamer binnenstapte en Vledder een telexbericht in zijn handen duwde. Nieuwsgierig stapte De Cock naderbij.
'Wat bijzonders?'
Vledder keek van het formulier op.
'Jaap van Santen is gearresteerd.'
'Waar?'
Vledder slikte.
'In Antwerpen… met drie kilo heroïne.'