Toen de hoogblonde Alex van Wijngaarden in zijn keurige, grijs flanellen kostuum uit de grote recherchekamer was vertrokken, maakte Vledder een gebaar van wanhoop.
“Wat doen wij met dit…eh, dit zotte verhaal?”
riep hij stotterend en vol wrevel.
De Cock keek hem met verbazing aan.
“Een zot verhaal?”
Vledder knikte heftig.
“Zo komt het bij mij over. Zot en onwaarschijnlijk. Die oud-marineman zint mij niet. Hij is mij te keurig, te gladjes, te gepolijst.”
De Cock tuitte zijn lippen. Daarna schudde hij zijn hoofd.
“Ds ben het niet met je eens. Die Van Wijngaarden is een keurig geklede heer, een brave huisvader met een zoon. Wat mankeert er aan die man?”
Vledder reageerde nukkig.
“Wat doen wij met zijn verhaal?”
herhaalde hij dwingender. De Cock spreidde zijn handen.
“Onderzoeken,” antwoordde hij rustig.
“Dat is ons vak. De goegemeente heeft ons…mijns inziens te karig beloond…daarvoor ingehuurd. Bovendien, het is echt geen vreemd gegeven. Wij hebben in het verleden wel meer met een verlate wraakoefening van doen gehad.”
Vledder snoof.
“Waarom komt die Alex van Wijngaarden nu pas met zijn verhaal? Dat had hij toch al bij de moord op Jasper van de Gou-wenaer kunnen doen? We hadden dan nog aan Joost om opheldering kunnen vragen.”
De Cock maakte een schouderbeweging.
“De moord op broer Joost zal hem pas op het idee van de dreigbrieven hebben gebracht.”
Vledder gebaarde.
“In de woningen van Jasper en Joost hebben wij geen dreigbrieven gevonden.”
De Cock glimlachte.
“Maar er is in de woningen wel nadrukkelijk naar iets gezocht.”
“De dreigbrieven?”
De Cock knikte.
“Als die Joseph Achterveld werkelijk de moordenaar van Jasper en Joost is, dan waren die dreigbrieven voor hem uiteraard erg belastend en was het nuttig om ze te laten verdwijnen.”
Vledder knikte begrijpend.
“Hij heeft er ons niets van gezegd, maar zou de heer Van de Gouwenaer, de pleegvader van de broertjes, iets van de dreigbrieven hebben geweten?”
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
“Mogelijk. In ieder geval zal Alex van Wijngaarden hem inmiddels wel hebben ingelicht.”
De oude rechercheur krabde zich nadenkend in de nek.
“Misschien zijn de dreigbrieven,” opperde hij, “en de daaraan gekoppelde beroving van een oude man voor Blonde Neel wel de aanleiding geweest om voorgoed met haar zoons te breken.”
Vledder glimlachte.
“Zullen wij Blonde Neel daarover eens benaderen? Misschien heeft zij een bijzondere visie op het gedrag van haar vermoorde zoons.”
De Cock knikte.
“Dat lijkt mij een goed idee. Maar laten we om te beginnen eens natrekken of we ene Joseph Achterveld in ons bestand hebben.”
Vledder keek zijn oudere collega schattend aan.
“Verwacht je er wat van?”
“Hoe bedoel je?”
“Denk je werkelijk dat Jasper en Joost door ene Joseph Achterveld zijn vermoord?”
De Cock kauwde even op zijn onderlip en schudde daarna vertwijfeld zijn hoofd.
“Ik voel mij in deze zaak soms een brok opgejaagd wild. Ik moet dingen doen waar ik in feite geen trek in heb. Maar we hebben geen keus. We zullen ook dit moeten onderzoeken. Ik zie voorlopig nog geen duidelijke aanwijzingen in een andere richting.”
De oude rechercheur zweeg even.
“Ik zie wel een praktisch bezwaar.”
“En dat is?”
De Cock ademde diep.
“Als die geheimzinnige Joseph Achterveld,” formuleerde hij voorzichtig, “de moordenaar van de broertjes is geweest, hoe kwam hij dan aan de twee vreemde, door Joost van de Gou-wenaer ingevoerde Bulgaarse dolken?”
Vledder keek zijn leermeester bewonderend aan.
“Je hebt gelijk. Daar heb ik nog niet aan gedacht…die vreemde dolken in de rug van de broers.”
De Cock strekte zijn wijsvinger naar hem uit.
“Pas als wij die link zouden kunnen leggen…als wij zouden kunnen bewijzen dat hij in het bezit van dergelijke dolken heeft kunnen zijn…wordt de dreigbrieven schrijvende Joseph Achterveld voor ons wellicht interessant.”
Vledder kwam met een rood hoofd opgewonden uit de administratie de grote recherchekamer binnenstuiven. Hij wuifde met een blad vol notities.
“We hebben hem!”
“Wie?”
“Die Joseph Achterveld. In zijn strafblad staat een mutatie van een veroordeling ter zake poging tot zware mishandeling. Tijdens een ruzie in een café heeft hij een man met een dolk in zijn borst gestoken.”
“Een prettige jongen.”
Vledder grinnikte.
“Dat is een understatement.”
De Cock glimlachte.
“Dat mag je zo noemen.”
Vledder tikte met zijn wijsvinger op het blad met aantekeningen.
“Ik heb ook contact gezocht met de burgerlijke stand. De vader van deze Joseph Achterveld is ruim zeven jaar geleden gestorven. De verklaring van overlijden is afgegeven door een orthopedisch arts van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam.”
De ogen van De Cock lichtten op.
“Prachtig. Dat klopt met het…eh, het zotte verhaal van Alex van Wijngaarden.”
“Het is blijkbaar toch niet zo zot als ik dacht,” sprak Vledder deemoedig. Hij zweeg even.
“Ik heb via het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis geprobeerd om de orthopedisch arts die de verklaring van overlijden heeft afgegeven, te bereiken. Dat lukte niet. De arts is niet meer aan dat ziekenhuis verbonden. Waar hij nu zijn beroep uitoefent, wist men niet. Die man moet toch te traceren zijn.”
De Cock keek hem bewonderend aan.
“Je hebt in een korte tijd veel bereikt.”
Vledder glimlachte.
“Ik heb in onze administratie veel hulp en steun gehad van Afra Molenkamp. Als ik niet al lange tijd een relatie had met Adelheid…”
De Cock wuifde een verdere uiteenzetting weg.
“Hebje zijn adres?”
“Van Joseph Achterveld?”
Vledder raadpleegde zijn notities.
“De Vierwindenstraat nummer 982.”
De Cock stond van zijn stoel op en slenterde naar de kapstok. Vledder kwam hem na.
“Waar ga je heen?”
De oude rechercheur draaide zich half om.
“Weet jij de Vierwindenstraat te vinden?”
“Blindelings.”
De Cock snoof.
“Ik zou er toch mijn ogen maar bij open houden.”
Vledder reed de oude Golf vanaf de houten steiger achter het bureau naar het Damrak en vandaar via de Prins Hendrikkade, achter het Centraal Station om over de De Ruijterkade naar de Westerdoksdijk.
Het begon weer te regenen. Vledder zette de ruitenwissers aan en De Cock zakte diep onderuit. De jonge rechercheur blikte opzij.
“Gaan we hem arresteren?”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Ik ben alleen benieuwd naar zijn verhaal.”
“Meer niet?”
De Cock gniffelde.
“Tenzij hij twee moorden opbiecht.”
Van de Westerdoksdijk reed Vledder links het Barentszplein op en vandaar weer links naar Bokkinghangen. Via het bruggetje over de Zoutkeetsgracht bereikten ze de Zandhoek. Vledder vond een parkeerplaatsje voor de Golf aan de rand van het Westerdok.
Ze stapten uit en sloften via de Taanstraat en het Jan Mensplein naar de Vierwindenstraat.
De Cock trok de kraag van zijn regenjas omhoog en drukte zijn hoedje iets naar voren. Daarna bleef hij staan en keek om.
“Weet jij wie Jan Mens was?”
Vledder schudde zijn hoofd.
“Nooit van gehoord.”
De Cock zwaaide naar het peuterige pleintje.
“Jan Mens was in mijn jeugd zeer populair. Hij zal volgens kenners wel weer geen echte literatuur hebben bedreven, maar hij schreef prachtige romans over de Gouden Reaal, over Griet Manshande en andere volkse mensen hier uit deze buurt. Ik vind dit pleintje feitelijk te klein…volgens mij voor Jan Mens een te schriel eerbetoon.”
Vledder moest glimlachen om de vermakelijke opmerking.
“Als we deze moorden hebben opgelost, ga ik eens iets van hem lezen.”
“Doen.”
Ze liepen verder. Vierwindenstraat 982 bleek een tot appartementen omgebouwd voormalig pakhuis. Vledder wees naar een reeks naambordjes.
“Het is op de eerste etage. Ik hoop dat die Achterveld thuis is en opendoet.”
De Cock keek hem wantrouwend aan.
“Waarom?”
Vledder gromde.
“Dan kan jij dat vervloekte apparaatje van je eens in je zak houden.”
De Cock reageerde niet. Hij liep voorzichtig de houten trap op. Vledder volgde. Het was erg donker op de trap. De verlichting was blijkbaar uitgevallen. De Cock pakte zijn zaklantaarn en liet het lichtovaal dansen. Boven aan een klein portaal was een lichtgroen gelakte deur, in het midden was een koperen plaatje aangebracht met J. Achterveld in verzonken zwarte letters. De Cock zocht, maar vond geen bouton voor een elektrisch belletje. Met de knokkels van zijn rechterhand klopte hij stevig op deur.
Het duurde even. Slechts luttele seconden. Toen werd de deur geopend door een stevig gebouwde man. De Cock schatte hem achter in de twintig. Hij droeg een wat versleten blauwe spijkerbroek, en daarop een groezelige, zwarte trui. Zijn donkere haren waren ongekamd en over zijn gezicht lag een stoppelige baard van enige dagen.
De oude rechercheur lichtte beleefd zijn hoedje.
“Mijn naam is De Cock,” sprak hij vriendelijk.
“De Cock met…eh, met ceeooceekaa.”
Hij duimde over zijn schouder.
“En dat is mijn collega Vledder. We zijn als rechercheur verbonden aan het politiebureau in de Warmoesstraat.”
De man trok zijn neus iets op.
“Warmoesstraat?”
De Cock knikte.
“Het meest geliefde politiebureau van Amsterdam.”
Hij glimlachte.
“U bent Joseph Achterveld?’ ‘Ja.”
“Wij wilden even met u praten.”
“Waarover?”
“Dat zullen we u vertellen.”
De man deed de deur verder open.
“Kom binnen. Kijk niet naar de rotzooi. Sinds ze weg is, is het hier een puinhoop.”
De Cock keek hem niet-begrijpend aan.
“Wie weg is?”
Joseph Achterveld maakte een breed armgebaar.
“Ik heb hier een tijdje met een vrouwtje samengewoond. Het ging niet meer. Steeds heibel en verwijten. Ik heb haar buiten de deur gezet.”
De Cock negeerde de opmerkingen. Hij liet zich in een van de versleten fauteuils zakken, legde zijn hoedje op de vloer en knoopte zijn regenjas los.
Joseph Achterveld ging tegenover hem zitten. Ook Vledder nam plaats.
De oude rechercheur glimlachte beminnelijk.
“Ze zijn dood.”
Achterveld hield zijn hoofd iets schuin.
“Wie?”
“De broertjes Janszen.”
Achterveld grinnikte.
“Dat weet u zeker?”
“Absoluut.”
“Allebei?”
“Ja.”
“Vermoord?”
De Cock knikte traag.
“Inderdaad…vermoord.”
Achterveld grijnsde breed.
“Fijn…zeg, een zalig bericht…vermoord…hoef ik het niet meer te doen.”
Hij boog zich iets naar voren.
“Hebben ze flink geleden?”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Bijna niet.”
Achterveld liet zich weer terugvallen.
“Jammer.”
Het kwam duidelijk uit de grond van zijn hart.
De Cock onderdrukte een glimlach.
“U hebt hen destijds een dreigbrief geschreven?”
Achterveld knikte.
“De viezeriken…ze hebben mijn vader vermoord.”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Het was geen moord.”
Achterveld streek met de rug van zijn hand langs zijn neus.
“In jullie ogen niet. Jullie hanteren andere normen. Maar voor mij was het moord.”
De Cock liet de nuances rusten.
“Was u werkelijk van plan om uw dreigementen uit te voeren?”
“Zeker.”
“Wanneer?”
Achterveld trok zijn brede schouders iets op.
“Als de tijd daarvoor rijp was. Je moet zoiets grondig voorbereiden. Ik had nog geen vast plan. Volgens de laatste berichten die ik kreeg, waren ze omgeturnd en brave werknemers geworden bij een expeditiebedrijf.”
Achterveld maakte een grimas en schudde zijn hoofd.
“Daar geloof ik niet in. Die jongens hebben van huis uit geen greintje fatsoen meegekregen…geen respect voor hun medemens. Dat komt nooit meer goed.”
Hij zweeg even, keek van De Cock naar Vledder en terug.
“Zitten jullie achter de daders aan?”
De Cock knikte.
“Wij zijn met het onderzoek belast.”
Achterveld glimlachte.
“Als jullie de daders hebben gevangen, doe ze dan de complimenten van mij…van Joseph.”
De Cock glimlachte.
“Als het zover is, zal ik eraan denken. U hebt met deze moorden niets te maken?”
Achterveld schudde traag zijn hoofd.
“Niets.”
“Dat weet u zeker?”
Joseph Achterveld spreidde zijn machtige armen.
“Ik ben geen brave jongen,” antwoordde hij gelaten.
“Echt niet. Je moet mij ook niet vragen hoe ik aan de kost kom, want dat vertel ik je niet.”
Achterveld stak de wijs- en middelvinger van zijn rechterhand omhoog.
“Maar ik zweer je, De Cock,” sprak hij plechtig, “bij de dood van mijn oude vader…tot aan zijn dood een prachtmens…dat ik de broertjes Janszen, die twee ettertjes, geen haar heb gekrenkt.”
De Cock keek hem strak aan.
“Ik ben geneigd om u te geloven.”
De oude rechercheur pakte zijn hoedje van de vloer en kwam uit de fauteuil overeind.
“Hebt u er bezwaar tegen dat we toch even bij u rondneuzen?”
Joseph Achterveld zwaaide om zich heen.
“Ga je gang.”
De Cock en Vledder startten een routineonderzoek in de woning. De rechercheurs handelden slordig, zelfs een tikkeltje nonchalant en zonder de hoop en de overtuiging iets te vinden. Plotseling slaakte Vledder vanuit de slaapkamer een scherpe kreet.
De Cock liep snel naar hem toe en trof de jonge rechercheur staande met armen omhoog. Op zijn gezicht lag een trek van diepe verbazing en in elke hand hield hij een vreemde dolk van Bulgaarse import.