8

Na een hartelijk afscheid van de tengere caféhouder verlieten de twee rechercheurs het schemerige, intieme lokaaltje van Smalle Lowietje op de hoek van de Barndesteeg. Met de milde gloed van de verrukkelijke cognac in hun aderen slenterden ze op hun gemak over de smalle Achterburgwal in de richting van de Oude Kennissteeg.

Een miezerig regentje drupte op hen neer. De Cock schoof zijn vilten hoedje iets naar voren en trok de kraag van zijn regenjas omhoog. Over zijn brede gezicht gleed een milde grijns. De oude rechercheur koesterde de regen. Regen en Amsterdam vormden naar zijn gevoel een twee-eenheid. Ze hoorden bij elkaar. Juist als de stad onder een grauw wolkendek lag verscholen, als de geveltjes spiegelden in het natte asfalt, sprankelde Amsterdam. Om te schitteren had Amsterdam geen zon nodig. Geen kleur. Amsterdam, zo meende hij, was het mooist in zwart-wit.

Het was bijzonder druk op de Wallen. De seksbusiness was in vol bedrijf. Ondanks het slechte weer slofte een omvangrijk leger van behoeftigen langs de vele etalages met meisjes en vrouwen in allerlei fatsoenen. In de barmhartige roze belichting — the red light district of Amsterdam — stalden ze lief lonkend hun bekoorlijkheden uit. Vooral de mooie, uit Zuid — Amerika geïmporteerde vrouwtjes waren erg in trek. Voor hun deuren stonden mannen hunkerend in de rij.

De Cock lichtte in het voorbijgaan beleefd zijn hoedje voor een al wat oudere prostituee, die hij op de Wallen al een eeuwigheid kende. Als jong broekje had ze hem eeuwen geleden fluisterend vertrouwd gemaakt met de codes van de prostitutie en de penoze. Zijn dankbaarheid hiervoor was gebleven. Vledder stootte hem van terzijde aan.

“Vind je het niet vreemd dat Blonde Neel haar zoons geen van beiden meer wil ontmoeten?”

De Cock trok zijn schouders op.

“We weten niet wat er in het verleden allemaal is voorgevallen.”

“Je bedoelt dat Blonde Neel wellicht een grondige reden had om de relatie met haar zoons te verbreken?”

De Cock knikte.

“Misschien valt er uit antecedenten van de broertjes Janszen iets te distilleren dat de aanleiding van de verwijdering zou kunnen zijn.”

Vledder grinnikte.

“Het is stom dat in onze administratie de naam Van de Gou-wenaer niet voorkomt. Toen de criminele broertjes Janszen van naam veranderden had dit bij hun antecedenten moeten worden vermeld. Nu gingen we ervan uit dat ze geen strafblad hadden.”

De Cock maakte een achteloos gebaar.

“Ook bij de politie laat men wel eens een steekje vallen.”

Vledder snoof.

“Dat ‘wel eens’ is een understatement.”

De Cock veegde met zijn vlakke hand de regen uit zijn gezicht.

“Ik vind het opmerkelijk dat vader Van de Gouwenaer zich zo voor zijn geadopteerde zoon Jasper inzet en mij de schuld van zijn dood toedicht. Men zou toch verwachten dat hij voor het standpunt van zijn vrouw zou kiezen en zich niet meer met de broertjes zou inlaten.”

Vledder glimlachte.

“Als stiefvader zou ik mij beslist een andere houding aanmeten.”

De Cock keek hem van terzijde aan.

“Vader, heb jij geen aspiraties om vader te worden, van een forse zoon of een knappe dochter? Hoelang wonen jij en Adelheid van Buuren al samen?”

Vledder grijnsde.

“Adelheid voelt nog niets voor het moederschap. Sinds ze tot rechercheur is bevorderd, is ze gedreven, ambitieus. Ze denkt alleen maar aan mogelijkheden en middelen om misdaden op te lossen en criminelen een hak te zetten.”

De Cock lachte.

“Een huwelijk?”

Vledder gromde.

“Ze is nog steeds bezig met haar convenant: wie van ons doet wat als we eenmaal getrouwd zijn. Bijvoorbeeld het huishouden. Hoe passen we het huwelijk in in onze carrière; hoeveel kinderen mogen er maximaal komen; wie verzorgt ze en wat is de lijn van hun opvoeding?”

De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

“Over zulke dingen kibbelen jullie samen?”

Vledder knikte.

“Tot diep in de nacht.”

De Cock blikte opzij.

“Jullie zijn toch nog wel lief voor elkaar?”

vroeg hij met enige bezorgdheid.

Vledder liet zijn hoofd iets zakken.

“Soms.”

Het klonk benepen. De Cock liet het onderwerp rusten.

Via het Oudekerksplein en de Enge Kerksteeg bereikten ze de Warmoesstraat.

Toen ze de hal van het politiebureau binnenstapten, wenkte Jan Rozenbrand De Cock vanachter de balie. De oude rechercheur liep op hem toe.

“Narigheid?”

De wachtcommandant schudde zijn hoofd.

“Integendeel.”

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

“Iets leuks?”

vroeg hij ongelovig. Jan Rozenbrand knikte.

“Boven,” sprak hij opgewekt, “zit een bloedmooie vrouw op je te wachten.”

“Al lang?”

“Een halfuurtje.”

“Ze vroeg naar mij?”

De wachtcommandant knikte opnieuw.

“Rechercheur De Cock, zei ze.”

De oude rechercheur hield zijn hoofd iets schuin.

“Hoe heet ze?”

Jan Rozenbrand raadpleegde een notitie.

“Judith van Zeebrugge.”

Vledder keek naar De Cock.

“De vrouw,” sprak hij verrast, “van Petertje de Knoet.”


De Cock keek de vrouw, die hij op de stoel naast zijn bureau had laten plaatsnemen, onderzoekend aan. Ze leek rustig, bijna ontspannen, zoals ze daar zat met een zwartlederen handtasje op haar schoot. De blik van De Cock gleed langs haar gezicht, haar figuur, haar slanke benen. Ze was mooi, zo constateerde hij, uitzonderlijk mooi. De oude rechercheur herinnerde zich de omschrijving die Joost van de Gouwenaer van haar gaf: een knap wijf, echt een plaatje…gitzwart haar, bruine ogen en een figuurtje om er een concours mee te winnen.

De Cock strekte zijn wijsvinger naar haar uit.

“U bent Judith van Zeebrugge?”

“Ja.”

Om de mond van de oude rechercheur dartelde een glimlach.

“Iemand zei mij dat u een figuur had om er een concours mee te winnen.”

In de bruine ogen van Judith van Zeebrugge flikkerde een vuurtje.

“Wie zei dat?”

“Ene Joost van de Gouwenaer.”

Judith van Zeebrugge snoof.

“Joost zegt altijd van die gekke dingen.”

“U kent hem?”

“Uiteraard…de broer van Jasper.”

“En met Jasper van de Gouwenaer hebt u enige tijd een relatie onderhouden?”

Judith knikte.

“Achteraf bezien…misschien wel de gelukkigste tijd van mijn leven.”

“Wie verbrak de verhouding?”

“Jasper.”

“Hij had een ander gevonden?”

Ze schudde haar hoofd.

“We kregen ruzie om een kleinigheid. Toen was het uit. Ineens. Uit balorigheid ben ik een paar maanden later met Peter Slibbroek getrouwd.”

“En?”

“Wat bedoelt u?”

“Een gelukkige keus?”

Judith schonk hem een matte glimlach.

“Een gelukkig keus?”

herhaalde ze snuivend.

“Het was het stomste wat ik ooit heb kunnen doen.”

“Zocht u daarom weer toenadering tot Jasper?”

De mooie Judith liet haar hoofd hangen.

“Ik probeerde bij Jasper weer iets van dat geluk terug te vinden.”

De Cock knikte begrijpend.

“Jasper is dood,” reageerde hij strak.

“Iemand stak hem een dolk in zijn rug.”

Judith zuchtte diep.

“Daar kom ik voor.”

“Voor die moord?”

“Ja.”

“U weet iets?”

Judith van Zeebrugge schudde haar hoofd.

“Niet iets concreets. Ik bedoel…ik ben er geen getuige van geweest.”

“U vermoedt iets?”

“Ja.”

De Cock glimlachte.

“Dat de dader uw huidige echtgenoot is?”

Judith keek naar hem op.

“Precies. Peter heeft al eens een man vermoord.”

“Jan van Noordwolde.”

“Ja.”

De Cock keek de vrouw schuins aan.

“Heeft Peter u die moord opgebiecht?”

Judith sloot even haar ogen.

“Nee. Toen ik het hem eens rechtstreeks vroeg, ontkende hij en beriep zich op zijn vrijspraak. Ik heb hem destijds geloofd.”

Ze zuchtte opnieuw.

“Ik weet inmiddels hoe anderen over die vrijspraak denken.”

De Cock nam een kleine pauze.

“Hebt u van Jasper van de Gouwenaer een sleutel van zijn flat gekregen?”

Judith knikte.

“Een paar maanden geleden.”

“Mag ik die eens zien?”

Judith nam het handtasje van haar schoot, opende de klep en grabbelde in de inhoud. Haar handelingen werden steeds nerveuzer. Na een poosje keek ze op.

“Hij is weg.”

De Cock gebaarde naar het lasje.

“Mist u nog andere sleutels?”

Judith grabbelde opnieuw. Tevergeefs. Ze keek vertwijfeld naar De Cock op.

“Al mijn sleutels zijn weg.”

De oude rechercheur knikte.

“Uw man heeft ze weggenomen.”

De mond van Judith viel open.

“Mijn man?”

De Cock knikte opnieuw.

“Petertje Slibbroek, alias Petertje de Knoet. Hij wantrouwt u. Al meer dan een jaar gaat hij in het geniep al uw gangen na. Hij heeft die sleutels uit uw tasje geprobeerd op de sloten van de woningen van de mannen die u zo nu en dan een bezoek bracht.”

Het gezicht van Judith verstarde.

“De schoft,” siste ze tussen haar tanden.

“Vuile, gore moordenaar. Be begrijp het nu. Hij heeft de sleutel van Jaspers flatje gebruikt om hem te vermoorden.”

De Cock reageerde niet.

Hij trok een lade van zijn bureau open en nam daaruit de doorschijnende plastic zak met de dolk, die dokter Rusteloos uit de rug van Jasper van de Gouwenaer had verwijderd. Hij hield de zak omhoog.

“Kent u deze dolk?”

Judith knikte vaag.

“Mijn man had zo’n dolk.”

De Cock trok rimpels in zijn voorhoofd.

“Petertje Slibbroek had zo’n dolk?”

vroeg hij verrast. Judith knikte.

“Ook Jasper had er een. Jasper was, naar ik meen, de eerste die zo’n dolk in zijn bezit had. Broer Joost had die voor hem meegenomen uit Bulgarije.”

“Uit Bulgarije?”

“Ja. Er is daar ergens een klein winkeltje waar ze die dingen verkopen. Het model schijnt voor mannen een bijzondere aantrekkingskracht te hebben.”

Ze trok een grijns.

“En mannen zijn net kleine kinderen…als de een iets heeft…”

Ze maakte haar zin niet af. De Cock keek haar strak aan.

“U bedoelt,” vroeg hij ongelovig, “dat er meer van die dolken in omloop zijn?”

Judith grijnsde opnieuw.

“Ik denk,” sprak ze gnuivend, “dat elk personeelslid van het vervoersbedrijf waar Jasper werkte zo’n dolk in zijn bezit heeft.”

De Cock sloeg even zijn handen voor zijn brede gezicht. De mededeling dat er meerdere soortgelijke dolken in omloop waren, kwam bij de grijze speurder hard aan.

“Weten alle personeelsleden van het transportbedrijf,” vroeg hij zwaar zuchtend, “dat bijzondere winkeltje in Bulgarije te vinden?”

Judith schudde haar hoofd.

“Dat denk ik niet. Ik vermoed dat alleen Joost dat winkeltje kent. Hij handelde zo’n beetje in die vreemde dolken.”

De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

“Waar is de dolk van Jasper gebleven? Wij hebben dat wapen bij ons onderzoek in zijn flat niet teruggevonden.”

Judith trok haar schouders op.

“Misschien heeft hij die weggegeven of verkocht.”

Ze schonk De Cock een zoete glimlach.

“De enkele keren dat ik bij Jasper op visite kwam, koesterde ik andere belangstellingen dan zijn dolk.”

De oude rechercheur lachte om haar opmerking.

“U gaat niet meer terug naar uw man…naar Petertje Slibbroek?”

Judith schudde haar hoofd.

“Ik ga een echtscheidingsprocedure op gang brengen. Ik wil van die vent af.”

Ze boog zich vertrouwelijk naar De Cock toe.

“Waarom arresteren jullie hem niet?”

De oude rechercheur ademde diep.

“Omdat ik het gevoel heb dat hij aan die moord onschuldig is…dat hij het niet gedaan heeft.”

Judith keek hem onderzoekend aan.

“En dat gevoel bedriegt u nooit?”

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

“Dat is een pure gewetensvraag,” sprak hij ernstig.

“Ik heb wel de instelling dat ik naar mijn gevoel wil luisteren. In de loop der jaren is het ontwikkeld en ik ben er steeds meer op gaan vertrouwen.”

Hij zweeg even. Op zijn gezicht lag nog een ernstige trek.

“Ik had gehoopt dat u ten aanzien van de heer Slib-broek met aanwijzingen zou komen die dat gevoel van zijn onschuld zouden ombuigen.”

Judith maakte een verontschuldigend gebaar.

“Petertje heeft nooit vertrouwelijkheden met mij gedeeld. Hij was altijd erg op zijn hoede…alsof hij een groot geheim bewaarde. Ik kan mij maar één keer herinneren dat hij even de controle over zichzelf kwijt was.”

“Wanneer was dat?”

Judith klemde haar handen om de beugel van haar handtasje.

“We waren nog niet zo lang getrouwd toen hij midden in de nacht met een gil wakker werd. Hij zat rechtop in bed en keek verwilderd om zich heen. Ik denk dat hij mij op dat moment niet eens herkende. Hij bracht zijn handen trillend naar voren en riep: ‘Een veld papavers’.”

De Cock schoof zijn onderlip naar voren.

“Een veld papavers?”

“Dat riep hij,” zei Judith.

“Een veld papavers. Toen ik hem de volgende morgen aan het ontbijt vroeg of hij van papavers had gedroomd, keek hij mij vreemd aan. ‘Waarom,’ vroeg hij, ‘zou ik van papavers hebben gedroomd?’ Ik zei: ‘Vannacht werd je met een gil wakker en je riep: ‘Een veld papavers’.’”

“En toen?”

Judith spreidde haar handen. Ze zag ineens inbleek en uit haar reebruine ogen kwam een schichtige blik.

“Petertje,” stamelde ze, “Petertje keek mij lange tijd vreemd gespannen aan. Ik las iets van angst in zijn ogen. ‘Heb ik…heb ik niets méér gezegd?’ vroeg hij verward. Ik zei: ‘Nee, je bent daarna weer gaan slapen.’ Hij nam toen een slok van zijn thee, zuchtte diep en zei: ‘Het…het moet een nachtmerrie zijn geweest’.”

Загрузка...