Vledder wierp De Cock over het blad van zijn bureau een sleutel toe.
“Dit,” verduidelijkte hij, “is de sleutel van het flatje aan de Haarlemmer Houttuinen. Ik heb vanmorgen een telefoontje gekregen van de dactyloscopische dienst. Om halfdrie komt Ben Kreuger in de woning van het slachtoffer naar vingerafdrukken zoeken.”
De Cock pakte de sleutel op.
“Wat moet ik hiermee?”
Vledder gebaarde voor zich uit.
“Ik heb vanmorgen, nog voordat jij kwam, dokter Rusteloos al aan de lijn gehad. Om twee uur begint hij aan de gerechtelijke sectie op het lichaam van Jasper van de Gouwenaer.”
De Cock knikte.
“Ik begrijp het. Jij neemt de Golf mee naar Westgaarde en woont de sectie bij.”
Vledder glimlachte.
“Juist. En jij zorgt ervoor dat Ben Kreuger van de dactyloscopische dienst zijn werk kan doen.”
De Cock keek hem schuins aan.
“Je bedoelt te zeggen dat ik te voet naar het flatje aan de Haarlemmer Houttuinen ga om Ben Kreuger op te vangen.”
Vledder grijnsde.
“Je wandelt toch zo graag?”
De Cock reageerde niet.
“Denk je aan die zware dolk in de rug van het slachtoffer?”
veranderde hij van onderwerp.
“Het lijkt mij een bijzonder exemplaar. Het wapen is forser, groter dan de dolken die ik tot nu toe bij soortgelijke moorden ben tegengekomen. Misschien dat dokter Rusteloos daarover iets kan zeggen uit zijn eigen ervaringen.”
Vledder keek hem peinzend aan.
“Hoe lang doet dokter Rusteloos dat werk al?”
“Als patholoog-anatoom?”
“Ja.”
“Lang, heel lang.”
De Cock glimlachte.
“Toen ik hem eens vroeg hoeveel lijken hij al gerechtelijk had opengepeuterd, antwoordde hij met zijn typische kraakstem: ‘Als ze allen nog leefden, De Cock, zou je er een aardig dorp mee kunnen bevolken’.”
“Ik zal het hem vanmiddag nog eens vragen,” zei Vledder.
“Misschien geeft hij nu een andere versie.”
De Cock grijnsde.
“Bijvoorbeeld in plaats van een aardig dorp, nu een kleine stad.”
“Zoiets.”
De jonge rechercheur zweeg even.
“Na de sectie kom ik gewoon met de Golf terug naar de Kit.”
“Met dolk.”
Vledder stond van zijn stoel op.
“Zo u wenst…met dolk.”
Het klonk wat sarcastisch.
De Cock slenterde vanuit de Warmoesstraat naar de Oudebrug-steeg, stak de rijbaan van het Damrak over en vervolgde zijn weg in de richting van het Centraal Station. Het was nog steeds prachtig mooi weer. De zon straalde of ze in Amsterdam nog wat had goed te maken, en een zacht briesje verwijderde de geurtjes die uit het vuile water van het Damrak stegen.
Met zijn handen diep in de steekzakken van zijn oude regenjas, zijn vilten hoedje nonchalant achter op het hoofd, slofte de oude rechercheur over het brede trottoir en genoot van de meisjes en jonge vrouwen, die in luchtige toiletjes hun niet geringe bekoorlijkheden tentoonspreidden. Het maakte hem jaren jonger.
Bijna aan het einde van het Damrak sloeg hij linksaf de Haring-pakkerssteeg in. Vandaar sjokte hij via de Nieuwendijk en de Stromarkt naar de drukke Haarlemmerstraat. Toen hij aan het gebouw van de voormalige West — Indische Compagnie voorbijtrok kwamen tal van oude moordzaken terug in zijn herinnering. Hoe vaak, vroeg hij zich af, was hij tijdens zijn onderzoeken langs dat oude gebouw geslenterd? De grijze speurder drukte opstormende gedachten daaraan weg, stak de rijbaan over en ging rechtsaf via de Buiten Brouwersstraat naar de Haarlemmer Houttuinen.
De deur van nummer 745 stond halfopen. De Cock ging naar binnen en hees zijn negentig kilo langs de vettige leuning omhoog. Op het portaal van de tweede verdieping pauzeerde hij even om zijn ademhaling op orde te brengen. Hij had nog maar net enige treden op de trap naar de derde etage gezet, toen de deur van de woning op de tweede etage openging. De Cock keek achterom en bezag het rimpelig gelaat van Klaas van der Vaart. De kleine, bijna kale man grijnsde.
“O, bent u het?”
De Cock glimlachte.
“Ja, ik ben het,” reageerde hij totaal overbodig. Van der Vaart zwaaide voor zich uit.
“Ik heb het aan dat hulpje van u beloofd…ik houd hier een beetje toezicht.”
De Cock lachte om ‘dat hulpje van u’ en liep enige treden terug.
“Zijn er nog mensen boven aan de deur geweest?”
De oude man knikte.
“Gisteravond…een vrouw.”
“Wat voor een vrouw?”
Van der Vaart trok zijn schouders op.
“Ik heb haar niet gezien. Ik lag al op bed en wilde niet in mijn pyjama op de trap verschijnen. Ik heb toen gauw een jas over mijn pyjama aangetrokken, maar toen ik op de trap kwam, was ze alweer verdwenen.”
“Weet u zeker dat het een vrouw was?”
“Absoluut.”
“Hoe?”
Van der Vaart gebaarde.
“Het klikken van haar hoge hakken op de traptreden. Bovendien was het portaaltje boven vergeven van haar parfum.”
“Herkende u die geur? Ik bedoel, heeft u dat parfum wel eens meer op de trap geroken?”
Van der Vaart schudde zijn hoofd.
“Als Jasper met een mokkeltje naar boven kwam, ging ik niet kijken en ruiken.”
De Cock glimlachte.
“Straks komt na mij een man van de dactyloscopische dienst. Hij gaat kijken of de moordenaar van Jasper misschien vingerafdrukken heeft achtergelaten.”
“Ik…eh, ik hoef dus niet te kijken als ik iets op de trap hoor?”
De Cock schudde zijn hoofd en de benedenbuurman ging weer naar binnen.
De oude rechercheur nam de derde trap en deed met de sleutel van Vledder de deur van het flatje open. In de keuken stond op het aanrecht nog het bord met etensresten en een vuile pan.
De Cock keek op zijn horloge. Het was kwart over twee. Hij had nog ruim een kwartier voordat Ben Kreuger kwam. Hij besloot op zijn gemak nog eens wat in de woning rond te neuzen. De oude rechercheur sloot met de sleutel van Vledder de toegangsdeur weer af en liep vanuit de keuken de verlichte huiskamer binnen.
In een eerste impuls wilde hij het licht uit doen, maar hij bedacht dat Vledder bij het afsluiten van de flat met opzet het licht had laten branden omdat mogelijk vingerafdrukken op de schakelaar stonden.
Om de plas bloed heen liep hij naar het raam en schoof de gesloten gordijnen open.
De Cock bekeek de open deuren van twee kasten en het opengebroken bureau. De laden waren met grof geweld uit hun glijders gerukt. De oude rechercheur vroeg zich af waarnaar de moordenaar had gezocht. Geld, bescheiden, brieven, documenten? Bewaarde Jasper, zo bedacht hij, wellicht een geheim…was het dat geheim waarvoor de moordenaar belangstelling had? Wat was de feitelijke aanleiding voor de moord…het motief? De Cock hoorde voetstappen op de trap. Hij wilde naar de keuken lopen om de deur voor de dactyloscoop open te maken, maar hij bedacht zich plotseling. Een vreemd, onberedeneerd gevoel van angst maakte zich van hem meester. Zijn verstand corrigeerde het als onterecht, maar het snelle pulseren van zijn hart waarschuwde hem voor een naderend gevaar. Hij sloop op zijn tenen naar de deur van de kamer, deed die wijd open en posteerde zich pal naast de deur tegen de muur aan de kant van de scharnieren.
Hij hoorde hoe een sleutel voorzichtig in het slot van de flat-deur werd gestoken en beluisterde hoe die deur licht krakend openging. De Cock spitste zijn oren. In de keuken hoorde hij nog voetstappen. Daarna dempten ze in hoogpolig tapijt van de woonkamer.
De Cock duwde de deur van de woonkamer iets van zich af en keek tegen de rug van een breedgeschouderde man. Hij stond ongeveer midden in de kamer en keek naar de plas geronnen bloed.
Met een krachtige zwaai van zijn rechterarm wierp De Cock de kamerdeur knallend dicht. De man verstijfde een moment, daarna draaide hij zich met een ruk om en keek met open mond naar De Cock, die met iets gespreide benen voor de dichte kamerdeur stond.
De oude rechercheur herkende de man en glimlachte.
“Petertje…Petertje de Knoet…goedemiddag.”
Ben Kreuger keek stomverbaasd toen hij de kamerdeur opende en binnenstapte. Hij bezag de man in het gezelschap van De Cock en draaide zich snel om naar Klaas van der Vaart, die achter hem in de keuken stond.
“Wat is dit…een reünie?”
Voordat De Cock kon antwoorden, wendde Klaas van der Vaart zich tot de grijze speurder.
“Ik hoorde een tweede man achter u de trap op gaan.”
Hij schudde zijn hoofd.
“Ik dacht bij mijzelf: dat is niet goed.”
Hij gebaarde voor zich uit naai- Ben Kreuger.
“Toen ben ik maar achter hem aan gegaan.”
De Cock knikte hem bemoedigend toe.
“Heel goed.”
Van der Vaart staarde langs Ben Kreuger naar de man die nog midden in de kamer stond.
“Is die vent er alweer?”
De Cock keek hem niet-begrijpend aan.
“Kent u die man?”
Klaas van der Vaart knikte.
“Een tijdje geleden hoorde ik boven bij Jasper wild geschreeuw. Ik kon niet goed verstaan wat er werd gezegd, maar de ruzie liep zo hoog op, dat ik besloot om eens poolshoogte te gaan nemen. Toen ik de trap op liep, kwam hij bij Jasper de deur uit.”
“Deze man?”
“Ja.”
“Wat zei Jasper daar later van?”
De oude buurman gebaarde wat vaag.
“Jasper zei dat het niets te betekenen had en toen heb ik niet verder gevraagd. Ik ben wel nieuwsgierig, maar dat laat ik niet graag blijken.”
“Heeft u telefoon?”
“Natuurlijk.”
“Belt u even de wachtcommandant van bureau Warmoesstraat en vraag hem uit mijn naam of hij een surveillancewagen naar dit adres wil sturen.”
Klaas van der Vaart knikte.
“Dat doe ik.”
Hij draaide zich om en verliet de keuken. Ben Kreuger zette zijn aluminium koffertje op het hoogpolig tapijt.
“Ik dacht hier rustig mijn werk te kunnen doen.”
Hij wees voor zich uit.
“Wie is die man?”
“Petertje Slibbroek, alias Petertje de Knoet…eens verdacht van de moord op ene Jan van Noordwolde.”
“Hebben we hem in onze dactyloscopische collectie?”
“Vast.”
De Knoet deed een stap in de richting van De Cock.
“Waarom laat je een surveillancewagen komen?”
De Cock trok een onnozel gezicht.
“Om u over te laten brengen naar het politiebureau aan de Warmoesstraat.”
“Waarom?”
“Ik wil een verklaring van u.”
De Knoet schudde zijn hoofd.
“Ik heb Jasper van de Gouwenaer niet vermoord.”
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
“Hoe komt u aan de wetenschap dat Jasper van de Gouwenaer is vermoord?”
Petertje de Knoet draaide zich half om.
“Die plas bloed zegt mij genoeg.”
De Cock grijnsde.
“En hoe weet ik,” sprak hij traag, “dat u daar niet verantwoordelijk voor bent?”
“Omdat ik je dat zeg.”
De Cock grinnikte.
“Ik hecht niet zo veel waarde aan uw woorden,” sprak hij hoofdschuddend.
“U hebt altijd ontkend Jan van Noordwolde te hebben vermoord. Toch bedreigde u Jasper van de Gouwenaer met de woorden: ‘Als jij, verdomme, in het vervolg niet met je poten van Judith afblijft, dan moet je maar eens navragen wat er met Jan van Noordwolde is gebeurd’.”
De Knoet keek hem uitdagend aan.
“Is dat een schuldbekentenis?”
“Het lijkt erop.”
Petertje de Knoet schudde zijn hoofd.
“Ik wilde Jasper van de Gouwenaer alleen maar bang maken. Meer niet. Die Jan van Noordwolde knoeide met een grietje van mij…het werd zijn dood. Judith van Zeebrugge is mijn wettige echtgenote, maar Jasper hield haar weekeinden lang in zijn eigen bed.”
De Cock keek hem scherp aan.
“Het werd zijn dood. Goed opgeteld…jouw tweede moord uit jaloezie.”
De Knoet zwaaide heftig met zijn armen.
“Dat is niet waar!”
Hij schreeuwde wild met overslaande stem.
“Het is niet waar. Ik heb Jasper niet vermoord…ik heb Jasper niet vermoord. Ik heb Jasper…”
Hij herhaalde het als een echo.
“Ik heb met deze moord niets te maken.”
De Cock wachtte geduldig tot de man was uitgeraasd.
“Je zult straks,” sprak hij ijzig, “toch met een verrekt goede verklaring moeten komen voor je aanwezigheid hier op deze moordplek.”
“Die heb ik.”
“Dat kan ik me nu nauwelijks voorstellen,” schamperde De Cock.
De oude rechercheur hoorde haastige voetstappen op de trap. Enige tellen later kwamen twee dienders vanuit de keuken opgewonden het woonvertrek binnen. De oudste liep op De Cock toe en tikte tegen de rand van zijn pet.
“Het verkeer zat een beetje tegen. Toch hebben we als wilden gereden.”
De oude rechercheur keek hem verwonderd aan.
“Waarom?”
“We waren bang dat jou iets was overkomen. Volgens Jan Ro-zenbrand, onze wachtcommandant, zat jij, De Cock, tot je nekharen in de problemen.”
De oude rechercheur schudde zijn hoofd. Breed grijnzend strekte hij zijn wijsvinger naar Petertje de Knoet uit.
“De problemen liggen bij hem.”