7

Toen Petertje Slibbroek, alias Petertje de Knoet met dreunende stappen en een vette grijns op zijn gezicht de grote recherchekamer had verlaten, kwam Vledder wild en met een rood hoofd uit zijn stoel overeind.

Gebarend naar de deur, siste hij van tussen zijn tanden.

“Je liet hem gaan…je liet hem gaan…zomaar…de potentiële moordenaar van Jasper van de Gouwenaer. Dat kan niet, en dat mag niet.”

De jonge rechercheur wees naar de telefoon.

“Bel de wachtcommandant, die kan De Knoet beneden nog tegenhouden.”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Niemand houdt Petertje in dit bureau nog tegen,” reageerde hij kalm.

“Voorlopig is Petertje de Knoet voor mij een vrij man. Ik heb niets tegen hem. Hij kan gaan en staan waar hij wil.”

Vledder zwaaide met zijn armen.

“Hij heeft Jan van Noordwolde, zijn vroegere rivaal in de liefde, vermoord. En nu…”

De Cock onderbrak hem.

“Daarvan is hij vrijgesproken.”

“Maar jij gelooft dat hij het wel heelt gedaan. Dat heb je zonder meer laten blijken.”

De Cock wreef zich even achter in de nek.

“Ik heb alleen duidelijk willen maken,” sprak hij nadrukkelijk, “dat vrijlating bij vrijspraak de mogelijkheid open laat dat de verdachte het delict wel heeft gepleegd…maar dat de Heren Rechters de bewijsvoering als onvoldoende hebben geacht…dit in tegenstelling tot vrijlating bij ontslag van rechtsvervolging — ”

Vledder keek hem niet-begrijpend aan.

“Wat is dat…ontslag van rechtsvervolging?”

De Cock schudde verwijtend zijn hoofd.

“Ze moeten jou een poosje terugsturen naar de politieschool. Het verschil tussen vrijspraak en ontslag van rechtsvervolging behoor je als politieman te kennen.”

Hij zweeg even.

“Ik denk dat de politieopleiding vroeger beter was.”

Vledder snoof.

“Het is de kwaal van alle oude mensen.”

“Wat?”

“Menen dat het vroeger beter was.”

De Cock negeerde de opmerking.

“Bij ontslag van rechtsvervolging,” ging hij docerend verder, “heeft de verdachte het feit wel gepleegd, maar is hij of zij niet strafbaar omdat voor hem of haar uitsluitingsgronden gelden.”

Vledder trok een grijns.

“Wat zijn dat nu weer…uitsluitingsgronden?”

De Cock gebaarde.

“Een van de belangrijkste uitsluitingsgronden is bijvoorbeeld het door de Heren Rechters vrijwel nooit gehonoreerde beroep op noodweer.”

Vledder grinnikte.

“Dat begrip noodweer herinner ik mij. Ik ken het nog uit mijn hoofd. Het was voor mij het enige wetsartikel met een menselijk trekje.”

“En?”

“Wat bedoel je?”

“Dreun het eens op.”

Vledder ademde diep.

“Wanneer men een strafbaar feit begaat,” declameerde hij, “geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.”

De Cock keek hem quasi-bewonderend aan.

“Het verbaast mij oprecht,” sprak hij half spottend.

“Je hebt tijdens de lessen op de politieschool zo nu en dan toch goed opgelet.”

Vledder gniffelde.

“Dan heb je nog het noodweerexces,” vervolgde hij vrolijk.

“Wanneer door een hevige gemoedsbeweging de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden.”

De Cock knikte.

“Er zijn nog een paar andere uitsluitingsgronden. In dergelijke gevallen kan de rechter besluiten tot ontslag van rechtsvervolging en de verdachte in vrijheid stellen zonder hem of haar straf op te leggen.”

Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

“Gelden voor onze Petertje inzake de moord op Jasper van de Gouwenaer uitsluitingsgronden?”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Dat zie ik niet.”

“Toch liet je hem gaan.”

De Cock knikte.

“Mijns inziens terecht. Als overweging geldt het gesprek dat Klaas van der Vaart op de trap beluisterde.”

“Welk gesprek?”

De Cock kauwde even op zijn onderlip.

“Het was in feite geen gesprek. Klaas van der Vaart had de man in het gezelschap van Jasper horen zeggen: ‘Dat had je moeten zien.‘”

Vledder knikte.

“En toen lachte Jasper.”

“Precies…toen lachte Jasper. Ik heb al eerder opgemerkt dat die woorden en de daarop gevolgde lach van Jasper duiden op een relatie met een vertrouwelijk aspect. Jasper en de man die hem op de trap vergezelde, kenden elkaar.”

“Lang?”

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

“Dat is moeilijk te zeggen. Er was volgens mij in ieder geval een band. Die man…ik schat de vermoedelijke moordenaar van Jasper…kan volgens mij nooit Petertje Slibbroek, alias De Knoet zijn geweest.”

Vledder keek zijn jarenlange leermeester verward aan.

“Waarom niet?”

De Cock zuchtte diep.

“De Knoet,” legde hij geduldig uit, “had Jasper in verband met zijn verhouding tot Judith van Zeebrugge al een paar maal, zij het in bedekte termen, met de dood bedreigd. Tussen hem en Jasper was geen sprake van een relatie waarin vertrouwelijkheden konden worden uitgewisseld. Integendeel. Die twee hadden de pest aan elkaar. Het lijkt mij daarom niet waarschijnlijk…zelfs bijna ondenkbaar…dat Jasper van de Gouwenaer De Knoet meenam naar zijn flatje op de derde etage voor een pilsje en een gezellige babbel.”

Vledder keek hem enige tijd nadenkend aan. Toen boog hij zijn hoofd.

“Ik geloof,” sprak hij wat beteuterd, “datje gelijk hebt. Jasper zou De Knoet nooit vrijwillig hebben meegenomen naar zijn flat.”

De jonge rechercheur schonk hem een benepen lachje.

“Ik heb nu achteraf spijt van mijn wat felle, onbesuisde reactie op het heenzenden van Petertje de Knoet. Ik heb plotseling opnieuw het idee gekregen dat ik nog steeds veel van je kan leren.”

De Cock kwam lachend van zijn stoel overeind en slenterde naar de kapstok. Vledder kwam hem na.

“Waar ga je heen?”

De Cock schoof zijn hoedje over zijn grijze haardos.

“Naar vriend Lowietje.”

Vledder knikte instemmend.

“Jouw dorstige keel snakt naar het fluweel van een cognackie.”


Caféhouder Lowietje, wegens zijn geringe borstomvang in de rosse buurt meestal Smalle Lowietje genoemd, streek met zijn kleine handjes langs zijn morsige vest en stak De Cock hartelijk de hand toe.

“Ik heb jullie een paar dagen niet gezien,” kirde hij opgewekt.

De grijze speurder hees zich op een kruk.

“De dienst gaat voor het meisje.”

De caféhouder keek hem olijk aan.

“Ook voor de cognac?”

Zonder op antwoord te wachten dook Smalle Lowietje aalglad onder de tapkast, pakte de fles fijne cognac Napoleon, die hij speciaal voor De Cock gereserveerd hield, en stak hem omhoog.

“Hetzelfde recept?”

De Cock lachte.

“Juist. Het beproefde recept.”

De tengere caféhouder bedekte de bodem van drie diepbolle glazen, want Lowietje dronk er altijd eentje mee. Ze namen hun glas op, warmden de cognac in de hand en snoven en proefden met kleine teugjes. Het was een ceremonie die ze bijna dagelijks opvoerden, ingetogen, ernstig, devoot, als gold het een religieuze gebeurtenis.

Hoewel Smalle Lowietje in zijn bewogen leven bijna alles had gedaan wat God en het Wetboek van Strafrecht hadden verboden, beschouwde de grijze speurder hem als een vriend. En dat was wederkerig. Het feit dat De Cock uitdrukkelijk het recht vertegenwoordigde, deed daar geen afbreuk aan. Smalle Lowietje zette zijn glas neer en boog zich over de tapkast iets naar De Cock toe.

“Hier…eh, hier op de Wallen,” sprak hij fluisterend, “gaat het hardnekkige gerucht dat een van de broertjes Janszen is vermoord.”

De oude rechercheur keek hem verwonderd aan.

“De broertjes Janszen ken ik niet. Ik weet ook niets van een moord op een van hen.”

Smalle Lowietje reageerde verward.

“Dat moet. Er wordt gezegd dat jij die moordzaak in behandeling hebt.”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Ik heb geen moord op ene Janszen in behandeling.”

De caféhouder zwaaide met zijn rechterhand.

“Jasper, de broer van Joost.”

De Cock keek hem peinzend aan.

“Jasper,” herhaalde hij.

“Wij hebben wel in behandeling de moord op ene Jasper van de Gouwenaer. Een aardige jongen met één gebrek…hij scharrelde alleen met vrouwen die al getrouwd waren.”

Smalle Lowietje lachte.

“Dat is niet zijn enige gebrek.”

De Cock kneep zijn ogen halfdicht.

“Heb jij hem gekend?”

In zijn stem trilde enige achterdocht.

Smalle Lowietje knikte.

“Zeker. Hij kwam vroeger regelmatig met zijn broer in mijn etablissement.”

“Jij had het over de broertjes Janszen?”

Smalle Lowietje knikte opnieuw.

“Inderdaad de broertjes Janszen…Jasper, de blonde neger, en Joost…kinderen van Blonde Neel.”

De Cock maakte een grimas.

“Wie is of was Blonde Neel? Ook die ken ik niet.”

De tengere caféhouder glimlachte.

“Blonde Neel heette in het deftig Helena Janszen. Ze was een dochter van Bleke Kee, een hoertje hier op de Wallen. Blonde Neel was al jong een appetijtelijke meid. Alles d’r op en d’r an. Bleke Kee wilde niet dat haai Neel in de prostitutie zou belanden. Op haar aanraden verbond Blonde Neel zich aan zo’n uitzendbureau waar je vrouwen kunt huren voor een avond of nacht.”

“Dat is toch ook prostitutie?”

sprak De Cock en snoof. Smalle Lowietje schudde zijn hoofd.

“Zo zag Bleke Kee het niet. Escort was volgens Bleke Kee veel chiquer dan een hoertje achter een raam op de Wallen. Escort bood ook veel meer kansen om nog eens een rijke vent aan de haak te slaan.”

De Cock gniffelde.

“Het is maar hoe je het bekijkt.”

Smalle Lowietje schonk nog eens in.

“Door pure onvoorzichtigheid…ze dronk vaak te veel…werd Blonde Neel twee keer zwanger. Van verschillende mannen. Dat is ook duidelijk te zien. Jasper en Joost lijken helemaal niet op elkaar.”

“Hoe komen ze aan de naam Van de Gouwenaer?”

“Gehecht.”

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

“Van het werkwoord echten zonder een begin-h?”

Smalle Lowietje zwaaide afwerend.

“Datmoet je mij niet vragen,” sprak hij afwijzend, “met of zonder h. Ik heb maar vier jaar lagere school gehad. Ik ben nooit een ster in de Nederlandse taal geweest. Ik weet alleen dat Blonde Neel met die Van de Gouwenaer is getrouwd en dat hij de broertjes Janszen heeft gehecht.”

De Cock lachte.

“Geëcht, zonder h. Van de Gouwenaer heeft bij zijn huwelijk met haar de kinderen gewettigd en het vaderschap erkend.”

Smalle Lowietje knikte.

“Precies, zo is het gegaan. Joost en Jasper noemen zich nu blijkbaar Van de Gouwenaer, maar voor mij en voor de buurt blijven het de broertjes Janszen.”

De Cock knikte begrijpend. Hij nam even een kleine pauze.

“Heb jij enig idee waarom iemand het nodig vond om broer Jasper koud te maken, Lowie?”

Smalle Lowietje trok zijn schouders op.

“In de buurt wordt gefluisterd dat Petertje de Knoet hier meer van moet weten.”

“Herrie om een vrouw’. ‘Precies.”

“Heb jij de nieuwe vader van de broertjes Janszen wel eens ontmoet?”

Smalle Lowietje schudde zijn hoofd.

“Nooit ontmoet. Hij is nooit in mijn etablissement geweest. Wel heb ik gehoord dat Blonde Neel het niet slecht met hem heeft getroffen. Die Van de Gouwenaer is niet onbemiddeld. Ze zeggen dat hij poen genoeg heeft. Hij heeft Blonde Neel van dat escortbureau geplukt en haar uiteindelijk omgeschoold tot zijn secretaresse.”

De Cock schoof zijn onderlip iets naar voren.

“Knap. Wat doet die Van de Gouwenaer?”

Smalle Lowietje trok een bedenkelijk gezicht.

“Dat is nogal vaag. Sommigen zeggen dat hij zwaar gokt op de beurs. Anderen beweren dat hij af en toe smerige transporten regelt en daar veel geld mee verdient.”

De Cock trok zijn neus iets op.

“Smerige transporten?”

“Ja.”

“Smokkel?”

Smalle Lowietje maakte een hulpeloos gebaar.

“Zoiets. Ik heb er het fijne nooit van vernomen. Maar als jij geïnteresseerd bent, dan wil ik mijn oor wel eens te luisteren leggen.”

De Cock keek hem glimlachend aan.

“Doen. Leg je gewillige oor eens te luisteren. En laat je ook eens inlichten over het transportbedrijf van Louis van Marcinelle.”

“Waarom?”

De Cock nam een slok van zijn cognac.

“Daar werkten de vermoorde Jasper van de Gouwenaer en zijn broer Joost. Ook die Petertje de Knoet, die jij noemde, is daar in dienst.”

“Een lekker stel.”

De Cock knikte.

“Louis van Marcinelle,” drong hij aan.

Smalle Lowietje maakte een schouderbeweging.

“Ik heb nog nooit iets naars van dat bedrijf gehoord. Ik ken ook niemand van mijn geachte clientèle die iets van dat bedrijf weet.”

De Cock liet het onderwerp rusten.

“Heeft Blonde Neel, zo jij weet, nog contact met haar zoons Jasper en Joost?”

Smalle Lowietje schudde heftig zijn hoofd.

“Sinds die twee een paar maal in de bajes zijn beland, wil ze niets meer met hen te maken hebben.”

De Cock keek hem verrast aan.

“In de bajes?”

“Ja.”

“Volgens mij hebben ze een blanco strafregister.”

Smalle Lowietje lachte smakelijk.

“Dan mankeert er toch iets aan jullie administratie. Ze waren vroeger beslist geen lieverdjes.”

“Misdrijven?”

“Bij de vleet. Ze vormden een berucht duo. Geloof me, niets was hen te dol. Ze pleegden zaakjes waarvoor de oude penoze de neus ophaalde.”

“Zoals?”

“Beroven van oude vrouwtjes.”

De Cock wendde zich bezorgd tot Vledder.

“Jij hebt ze toch allebei nagetrokken?”

De jonge rechercheur knikte traag.

“Onder de naam Van de Gouwenaer.”

De Cock sloot even zijn ogen.

“Doe het nog eens…onder de naam Janszen.”

Загрузка...