13

Ze reden vrijwel stapvoets uit de smalle Vierwindenstraat weg. Het regende nog steeds en Vledder zette de ruitenwissers aan. De Cock liet zich onmiddellijk diep onderuitzakken en schoof de rand van zijn hoedje tot op de rug van zijn neus. De zwiepende ruitenwissers hadden op hem een hypnotische uitwerking. Als hij niet wegdook bleef hij ze met zijn ogen volgen tot zijn nekspieren pijn deden. Vledder blikte opzij en snoof.

“Het wordt hoog tijd,” gromde hij, “datje die tic kwijtraakt. Het is een onhebbelijke gewoonte om steeds naast mij weg te duiken.”

De Cock glimlachte.

“Zelfprotectie. Ik bescherm mijn nekspieren tegen overmatig gebruik.”

Vledder schudde zijn hoofd.

“Hoe doe je het als je zelf rijdt?”

De Cock grinnikte.

“Ik rijd zelf niet zo veel meer. Ik stoor me eraan als andere automobilisten steeds hun rechterhand naar mij uitsteken met de middelvinger omhoog.”

Vledder lachte.

“Ben jij zo’n slechte chauffeur?”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Ik houd mij strikt aan de regels van het verkeer. Dat is ongewoon. Het wordt door anderen blijkbaar als onbehoorlijk ervaren.”

Vledder liet het onderwerp rusten. Voorzichtig wipte hij de Golf over de smalle ophaalbrug van de Zandhoek naar de Bokkinghangen. Na het Barentszplein, op de iets bredere Wester-doksdijk drukte de jonge rechercheur wat dieper op het gaspedaal.

“Wil je terug naar de Kit?”

De Cock knikte.

“Misschien hebben zich nieuwe ontwikkelingen voorgedaan.”

Vledder blikte opnieuw even opzij.

“Ik moet je zeggen dat ik wel even schrok toen ik die twee vreemde Bulgaarse dolken bij Joseph Achterveld in de kast van zijn slaapkamer zag liggen.”

De Cock grijnsde.

“Jij dacht…nu hebben we de dader.”

Vledder knikte voor zich uit.

“Zoiets.”

“Joseph Achterveld zegt dat hij die dolken in een café heeft gekocht. Het waren er geen vier, zoals ik suggereerde.”

Vledder lachte.

“Je bedoelde dat hij er al twee had gebruikt.”

“Precies.”

“Onze Joseph scheen het gnipje niet te vatten.”

Vledder gebaarde voor zich uit.

“Ik voelde jouw stemming heel goed aan. Jij had er duidelijk geen zin in om na het vinden van die twee dolken tot zijn arrestatie over te gaan.”

“Ik heb mij,” sprak De Cock hoofdschuddend, “door die Joseph Achterveld een beetje laten inpalmen.”

“Hoe bedoel je dat?”

De Cock kwam iets omhoog en schoof zijn hoedje terug.

“Hij antwoordde zo spontaan, zo zonder enige terughoudendheid, dat ik in zijn uitspraken ging geloven. Ik had geen moment het idee dat hij loog of een halve waarheid sprak.”

Vledder glimlachte.

“Je weet dat ik het met jouw beslissingen niet altijd eens ben, maar dit keer heb ik niet het gevoel gehad dat ik moest protesteren.”

De jonge rechercheur pauzeerde even.

“Blijft natuurlijk het feit dat hij die dreigbrieven heeft geschreven en openlijk verklaarde dat hij bereid was om die bedreigingen ook uit te voeren.”

De Cock spreidde zijn handen.

“Voor het verzenden van die dreigbrieven krijgen wij van de ontvangers nooit meer een aangifte…ze zijn dood…dus behoeft Joseph Achterveld ook niet tot de uitvoering van zijn besluit te komen.”

“Ergo?”

“We zetten Joseph Achterveld inzake de moorden voorlopig op een zacht pitje.”


Toen de rechercheurs de hal van het politiebureau binnenstapten, wenkte Jan Rozenbrand De Cock met een kromme vinger. De oude rechercheur liep op hem toe.

“Je weet,” waarschuwde hij met opgestoken wijsvinger, “bij nog een moord ga ik gillen!”

De wachtcommandant lachte.

“Ik laat mij door jouw gegil echt niet afschrikken. Als ik straks een melding krijg van een moord, dan krijg je die voorgeschoteld.”

De Cock knikte gelaten.

“Wat heb je nu?”

“Boven zit iemand op je te wachten.”

“Wie?”

“Die sikkeneurige oude man die een paar dagen geleden hier voor de deur stond te schreeuwen dat wij ene Jasper moesten vrijlaten.”

“De heer Van de Gouwenaer. Hij had zijn bezoek al aangekondigd.”


Met zijn gezicht in een ernstige plooi stak De Cock de heer Van de Gouwenaer zijn rechterhand toe.

“Gecondoleerd met het verlies van uw zoon Joost,” sprak hij plechtig.

Van de Gouwenaer keek naar hem op. Het duurde enige seconden voordat hij de toegestoken hand drukte.

“Dank u,” lispelde hij.

De Cock liet de heer Van de Gouwenaer op de stoel naast zijn bureau plaatsnemen.

“Ik hoop,” opende hij vriendelijk, “dat u jegens mij wat milder bent gestemd dan na de gewelddadige dood van uw zoon Jasper.”

Van de Gouwenaer knikte traag.

“Hebt u de rechercheurs al gevonden die Jasper op de dag van zijn dood hebben gearresteerd?”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Ik geloof,” sprak hij kalm, “dat het geen echte rechercheurs van politie zijn geweest.”

“Wat waren het dan voor mannen?”

De Cock trok zijn schouders op.

“Geen flauw idee. Ik houd er uiteraard rekening mee dat die mannen bij de moord op uw zoon Jasper zijn betrokken. Ik zal ook beslist alles in het werk stellen om hun identiteit te achterhalen.”

Van de Gouwenaer reageerde heftig.

“Daar ben ik wel nieuwsgierig naar,” sprak hij nadrukkelijk.

“Het is toch te zot dat mannen zich voor rechercheur uitgeven en iemand zomaar uit een bedrijf plukken.”

De Cock was het met hem eens.

“Dat zijn toestanden die wij hier in Nederland vrijwel niet kennen.”

De oude rechercheur strekte zijn rug.

“Ik verzeker u nogmaals…als Jasper die dag door twee mannen vanaf het expeditiebedrijf aan de Coenhavenweg is weggevoerd, dan gebeurde dat niet in mijn opdracht. Als ik iemand wil arresteren, dan doe ik dat zelf.”

Van de Gouwenaer keek naar hem op en zweeg. De Cock hield zijn blik secondelang op de man gericht. Van de Gouwenaer was, zo constateerde hij, in een paar dagen sterk verouderd. Zijn rimpelig gelaat zag nog valer dan op de avond dat hij de vrijlating van zijn zoon Jasper eiste. Zijn onderlip zakte voortdurend iets weg en zijn ogen stonden flets. De man liet zijn hoofd zakken.

“Ik geloof,” sprak hij voorzichtig formulerend, “dat ik de vorige keer iets te onredelijk ben geweest. Ongepast. Wellicht onbehoorlijk.”

De Cock glimlachte.

“Ik ben wel wat gewend.”

Van de Gouwenaer blikte strak voor zich uit.

“Op basis van vroegere ervaringen heb ik nooit in positieve zin over de politie gedacht. Integendeel. Ten aanzien van u heb ik in korte tijd mijn mening moeten herzien. Ik heb over u alleen maar gunstige klanken gehoord.”

De man richtte zijn hoofd weer op.

“Ik ben vanmorgen naar de officier van justitie gestapt en heb mijn klacht jegens u ingetrokken.”

De Cock glimlachte.

“Daar ben ik blij om,” sprak hij vrolijk. De oude rechercheur veranderde van toon.

“U kunt ervan overtuigd zijn,” ging hij op statige toon verder, “dat ik alles in het werk zal stellen om de moordenaar van uw zoons te ontmaskeren.”

Van de Gouwenaer knikte.

“Daar ga ik van uit.”

De Cock zuchtte omstandig.

“Ik heb jammer genoeg nog zo weinig aanwijzingen,” sprak hij bedrukt.

“Het onderzoek verloopt niet gladjes. Ik ben beslist niet tevreden met de resultaten die wij tot nu hebben geboekt.”

De grijze speurder zweeg even en plukte aan het puntje van zijn neus.

“Is het u bekend dat Jasper en Joost eens driegbrieven hebben ontvangen van ene Joseph Achterveld?”

“Ik heb die dreigbrieven wel eens gezien, gelezen,” antwoordde Van de Gouwenaer, “maar omdat de jongens die brieven in het geheel niet ernstig namen…daarover zelfs spottende opmerkingen maakten…heb ik daar verder geen aandacht aan geschonken. Jasper en Joost hebben mij ook nooit de aanleiding van die dreigbrieven verteld.”

De Cock boog zich iets naar de man toe.

“Wist uw vrouw van die dreigbrieven?”

“Ja.”

“Hoe reageerde zij?”

“Lauw.”

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

“Vreemd.”

Er gleed een grijns over het vale gezicht van de heer Van de Gouwenaer.

“Neel, mijn vrouw, was en is nog steeds een fantastische minnares en voor mij een toegewijde echtgenote, maar naar mijn overtuiging was en is zij beslist geen goede moeder. De jongens hebben in hun jeugd vrijwel geen opvoeding genoten. Neel had het te druk met zichzelf en liet de jongens aan hun lot over. Ze gingen al jong het slechte pad op. Dat is de reden dat ik mij na mijn huwelijk met…toen nog Blonde Neel…het lot van de twee broers heb aangetrokken.”

De Cock bracht een gebaar van vertwijfeling.

“Ik heb in mijn lange loopbaan als rechercheur,” verzuchtte hij, “heel veel publieke vrouwen leren kennen, maar ik heb onder hen nog nooit een moeder ontmoet die zo definitief met haar kinderen brak.”

Van de Gouwenaer zuchtte.

“Ik heb dat nooit kunnen begrijpen. Aanvankelijk kwamen haar kinderen nog gewoon bij ons op bezoek. Plotseling was het over. Uit. De broers kwamen niet meer. Neel had ze definitief de deur gewezen.”

De Cock hield zijn hoofd iets schuin.

“Hebt u nooit om opheldering gevraagd?”

In zijn stem trilde verwondering.

Van de Gouwenaer knikte.

“Dat heb ik zeker gedaan, diverse malen, maar mijn vrouw heeft zich daar nooit over willen uitlaten. Ook Jasper en Joost zwegen nadrukkelijk wanneer ik dat onderwerp ter sprake bracht. Het leek een geheim, waarover geen van hen wilde spreken.”

“Merkwaardig.”

Van de Gouwenaer ademde diep.

“Volgens mij heeft de dood van de jongens iets met dat geheim te maken. Toen ik aan mijn vrouw vertelde dat ook Joost was vermoord, zei ze heel rustig en zonder een spoor van emotie: ‘Ik had niet anders verwacht’.”


Toen De Cock het gesprek als beëindigd beschouwde, stond hij van zijn stoel op en begeleidde de heer Van de Gouwenaer tot aan de deur van de grote recherchekamer. Daar schudde hij hem tot afscheid vriendelijk de hand.

Met een iets gebogen rug sjokte de oude rechercheur terug naar zijn bureau en het zich op zijn stoel zakken. Achteroverleunend herhaalde hij luid en doordringend: “Ik had niet anders verwacht.”

Vledder grinnikte.

“Dat heb je goed onthouden.”

De oude rechercheur stak in een theatraal gebaar zijn armen omhoog.

“Waarom,” riep hij pathetisch, “waarom had zij niet anders verwacht? Weet zij wie haar zoons heeft vermoord? Kent zij het motief? Is er inderdaad sprake van een duister geheim tussen de moeder en haar zoons? De vragen stapelen zich op.”

Vledder grijnsde.

“Ik heb al eerder geopperd dat wij Blonde Neel eens moeten benaderen.”

De Cock knikte.

“Ik ben alleen bang dat het niets uithaalt.”

“Hoezo?”

“Als zij tegen haar eigen man niets wil zeggen, zal ze dat dan wel tegen ons doen?”

Vledder trok zijn schouders op.

“We zullen het in ieder geval moeten proberen. Misschien dat jouw…eh, jouw vaderlijke uitstraling enig gewicht in de schaal legt.”

De Cock keek zijn jonge collega wantrouwend aan.

“Heb ik een vaderlijke uitstraling?”

Vledder knikte nadrukkelijk.

“Ik heb soms zelfs de neiging om ‘papa’ tegen je te roepen.”

De Cock lachte.

“Papa,” snoof hij.

“Als je het maar uit je hoofd laat.”

De oude rechercheur verzonk even in gepeins, kwam traag uit zijn stoel overeind en slenterde naar de kapstok. Vledder kwam hem na.

“Waar ga je naartoe?”

Zonder te antwoorden wurmde De Cock zich in zijn oude regenjas en schoof zijn hoedje over zijn grijze haardos. Vledder keek naar hem op.

“Waar ga je naartoe?”

herhaalde hij dwingender.

“Naar de Roggeveenstraat.”

“Wat is er in de Roggeveenstraat?”

De Cock glimlachte.

“Daar woont Petertje Slibbroek, alias Petertje de Knoet. Ik wil hem vragen of dat veld papavers hem nog wel eens nachtmerries bezorgt.”

Ze reden van de houten steiger af. Het regende niet meer. Op het brede trottoir van het Damrak was het gezellig druk. De Cock staarde voor zich uit. Hij bepeinsde welke mogelijkheden hij nog had om het onderzoek naar de moord op de broers tot een goed einde te brengen. Ineens blikte hij opzij naar Vledder.

“Moest jij vandaag niet naar een sectie?”

“Je bedoelt op het lijk van Joost?”

De Cock knikte.

“Je hebt er niets over gezegd.”

Vledder hield even zijn handen van het stuur en zwaaide.

“Dokter Rusteloos zat vol. Hij maakt vandaag een trektocht door het hele land. Zes secties. Voor ons had hij geen plekje meer vrij.”

“Uitgesteld?”

Vledder knikte.

“Morgen om twee uur.”

Een tijdje reden ze zwijgend voort. Het was Vledder die het zwijgen verbrak. Hij blikte opzij.

“Je wilt naar Petertje de Knoet?”

“Ja.”

“Kunnen we niet beter eerst Blonde Neel een bezoek brengen? Dat levert wellicht meer op.”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Blonde Neel wordt mijn laatste strohalm. Wanneer ik echt denk dat ik geen andere mogelijkheden meer heb, richt ik mij op haar. Op dat gesprek zal ik mij terdege voorbereiden.”

Vledder drong niet verder aan. Feilloos vond hij de kortste weg naar de Roggeveenstraat.

“Heb je het nummer nog in je hoofd?”

De Cock knikte.

“317. Op de eerste etage. Ik ken de woning nog uit de tijd dat ik met Fred Prins de moord op Jan van Noordwolde behandelde.”

Vledder parkeerde de Golf aan de trottoirrand van de Van Lin-schotenstraat. Ze stapten uit en slenterden naar de smalle Roggeveenstraat. Ineens versnelde De Cock zijn pas. Een vreemd, onheilspellend gevoel van dreiging overviel hem. Het tintelde in de toppen van zijn vingers. Klam zweet drong uit de huidplooien van zijn voorhoofd. Hij schoof zijn oude hoedje naar achteren en veegde met de rug van zijn rechterhand het zweet weg. Vledder nam zijn pas over.

“Wat mankeert je?”

De Cock antwoordde niet. Vledder keek hem van opzij niet-begrijpend aan.

“Het lijkt alsof de duivel je op de hielen zit.”

De Cock knikte.

“Ik voel de duivel in mijn onmiddellijke nabijheid.”

Het verbaasde De Cock niet dat de buitendeur niet was afgesloten. Opmerkelijk kwiek stormde de oude rechercheur de trap op naar de eerste etage.

De deur van de woning stond halfopen. Licht vanuit de keuken viel op het portaal.

De Cock liep door de keuken naar de woonkamer. Die was hel verlicht.

De scherpe blik van de oude rechercheur dwaalde door het vertrek. Op een ronde tafel met een glazen plaat stond een hoog glas halfgevuld met verschaald bier.

Naast die tafel, nabij een lederen fauteuil, lag het lichaam van een man. Hij lag op zijn buik. De armen van de man lagen gespreid langs zijn lichaam. Zijn vingers boven de handpalmen waren sterk gekromd.

In zijn rug, iets onder het linkerschouderblad, in een kring van bloed, stak het heft van een vreemde, zware dolk van Bulgaarse import.

Hoewel De Cock in zijn hart wist wie het slachtoffer was, bukte hij zich over de man en bekeek de zijkant van het gelaat, dat zichtbaar was. Vledder hijgde in zijn nek.

“Het is Petertje Slibbroek, alias De Knoet.”

De Cock knikte.

“Net als Jasper en Joost…met een dolksteek afgemaakt.”

Загрузка...