4

Vledder keek omhoog en monsterde het gezicht van De Cock.

“Was het weer zover?”

De oude rechercheur knikte. Met een zucht liet hij zich in zijn bureaustoel zakken.

“Ik was woest en zei tegen hem: gebruik nu voor één keer je verstand.”

Vledder schudde grinnikend zijn hoofd.

“Dat zeg je niet tegen een commissaris. Politiechefs gebruiken altijd hun verstand. Daar worden ze op geselecteerd.”

“Heb ik nooit iets van gemerkt,” gromde De Cock.

Vledder gniffelde.

“Waarom ging het nu weer fout?”

De Cock zwaaide geagiteerd.

“Ik stelde voor om alle rechercheurs van ons bureau aan die Louis van Marcinelle te tonen. Dan help je in één klap uit de wereld dat Jasper van de Gouwenaer door rechercheurs van de Warmoesstraat werd gearresteerd.”

“En?”

De Cock grijnsde.

“Hij zei dat hij er niets voor voelde om zijn mensen, voor wie dan ook, te kijk te zetten.”

“Onzin.”

“Precies…pure onzin. Confrontatie, mits goed uitgevoerd, is een perfecte recherchemethode. We laten onze verdachten toch ook aan getuigen zien. Hoe wil je anders een zaak rondmaken?”

“Buitendam wilde er niet aan?”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Hij vertelde mij niet hoe we dan wel uit die impasse konden komen.”

Vledder gebaarde voor zich uit.

“Dat lijkt mij niet zo moeilijk,” reageerde hij, “we moeten zo spoedig mogelijk de man of de vrouw arresteren die Jasper van de Gouwenaer een dolk in zijn rug duwde.”

De Cock keek getergd naar zijn jonge collega op.

“Zie jij aanknopingspunten?”

Vledder maakte een schouderbeweging.

“We moeten eerst de rechercheurs zien te vinden die hem hebben gearresteerd.”

De Cock snoof.

“Hoe? Niemand heeft op ons telexbericht gereageerd. En dat verbaast mij. Wij weten nu niet eens of het wel echte rechercheurs waren.”

“Wat dan?”

“Valse, denk ik. Mannen die zich ten onrechte voor rechercheurs uitgaven.”

“Waarom?”

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

“Misschien wel om Jasper op een eenvoudige manier in hun macht te krijgen. Wellicht is de moord op Jasper van de Gou-wenaer een simpele liquidât te.”

Vledder trok een bedenkelijk gezicht.

“Ik heb hem nagetrokken. Jasper van de Gouwenaer komt in onze administratie niet voor. Hij heeft geen antecedenten. Het is een man met een blanco strafblad.”

“Dat zegt op zich niets. Misschien was hij zo handig, zo sluw, dat hij altijd uit het zicht van politie en justitie is gebleven.”

Vledder schudde zijn hoofd.

“Dat geloof ik niet. Het beeld dat buurman Klaas van der Vaart van hem gaf, duidde niet in de richting van iemand met een crimineel gedrag. Integendeel, buurman schetste hem als een vriendelijke vrijgezel, een man van een pilsje en af en toe een vrouwtje voor een nacht om in de weekeinden zijn eenzaamheid wat te verzachten.”

“Een Joris Goedbloed?”

“Dat hoeft niet.”

De Cock glimlachte.

“In jouw ogen beslist geen slachtoffer van een liquidatie-moord?”

“Nee.”

“Wat dan?”

Vledder keek hem aan.

“Je bedoelt dat ook voor deze brute moord een motief moet zijn?”

“Precies, dat bedoel ik,” zei De Cock.

“Wie vermoordt een ogenschijnlijk uiterst brave, nette en oppassende boekhouder van een expeditiebedrijf?”

De oude rechercheur zweeg even.

“Heeft Jasper buiten zijn vader nog familie?”

vroeg hij toen. Vledder raadpleegde een notitie.

“Een twee jaar oudere broer…Johannes van de Gouwenaer. Johannes wordt, om wat voor reden dan ook, meestal ‘Joost’ genoemd en werkt als chauffeur bij datzelfde expeditiebedrijf van Louis van Marcinelle.”

De Cock trok zijn wenkbrauwen samen.

“Hoe staat dat bedrijf bekend?”

Vledder tuitte zijn lippen.

“Goed. Ik heb voor het inwinnen van informatie een paar scherpe concurrenten van Louis van Marcinelle gebeld. Ik kreeg alleen maar positieve geluiden te horen. Het is een vrij klein bedrijf met ongeveer tien man personeel. Het beschikt over goed materieel en verzorgt al jaren transporten door heel Europa.”

“Een modelbedrijf.”

“Die indruk kreeg ik.”

De Cock grimaste mistroostig.

“Waarom zit het ons nooit eens een keertje mee?”

riep hij klagerig.

“Waarom geen dader binnen handbereik die onmiddellijk ‘ja’ roept? Wij belanden altijd in van die akelige…”

De oude rechercheur stokte.

Een forse, zwaargebouwde man wierp de deur van de grote recherchekamer met een klap open en stapte dreunend op hem toe.

“Bent u rechercheur De Cock?”

Nog voor de grijze speurder kon antwoorden, plofte de man op de stoel naast zijn bureau.

“Wat hebben jullie met Jasper gedaan?”

De Cock ging niet op de vraag in. Hij keek de man enige ogenblikken onbewogen aan. Daarna gleed zijn blik observerend langs zijn imposante gestalte. De oude rechercheur schatte hem op achter in de dertig. Hij had dun blond vlashaar en een rond blozend gelaat met helblauwe ogen. De man droeg een gebleekte spijkerbroek en een zwarte trui, die zijn enorme borstkas strak omspande. De Cock boog zich iets naar hem toe.

“Heb ik…eh, heb ik u gezegd,” vroeg hij ijzig, “dat u kon gaan zitten?”

De man gromde.

“Vent, barst.”

De Cock glimlachte.

“Dat is geen vriendelijke opmerking.”

De man trok zijn kin iets op.

“Toch kan je barsten en blijf ik hier zitten, ook zonder jouw toestemming.”

De Cock maakte een schouderbeweging.

“Als u de conversatie op deze wijze wilt voortzetten,” sprak hij bedaard, “dan kunt u beter gaan.”

De man snoof en klapte met zijn enorme rechtervuist op het blad van het bureau.

“Ik wil weten wat er met mijn broer is gebeurd.”

“Broer?”

“Ja.”

“U bent Johannes…eh, Joost van de Gouwenaer?”

De man knikte.

“Inderdaad. Ik ben Joost van de Gouwenaer. Broer van Jasper. Ik ben vannacht met mijn vader naar de pers gestapt. Ze hadden wel oren naar ons verhaal. Vanmorgen hebben wij een bezoek gebracht aan de officier van justitie en hebben een klacht tegen u ingediend.”

De Cock spreidde zijn handen.

“Dan wachten we,” sprak hij kalm, “de resultaten van uw klacht rustig af.”

De grote man trok zijn rug recht en brieste.

“Ik wil weten…”

De Cock onderbrak hem rustig.

“U wilt weten wat er met uw broer is gebeurd.”

De oude rechercheur zweeg even.

“Of u het geloven wilt of niet,” ging hij verder, “maar dat ambtelijk verlangen hebben wij ook. Ook wij willen weten wat er met Jasper is gebeurd vanaf het moment dat hij door twee mannen die zich als rechercheurs presenteerden, vanaf het bedrijf aan de Coenhavenweg werd meegenomen.”

Joost strekte beschuldigend zijn wijsvinger naar hem uit.

“Op uw bevel.”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Ik heb pertinent geen opdracht tot zijn arrestatie gegeven. Ik wist niet eens van het bestaan van uw broer. Ik zag uw broer Jasper voor het eerst toen ik hem dood in zijn woning aantrof.”

De oude rechercheur zweeg even voor het effect.

“Als u bereid bent om van deze waarheid uit te gaan, wil ik verder met u praten.”

“Vader gelooft u niet.”

De Cock schudde opnieuw zijn hoofd.

“Ik vraag het aan u, Johannes of Joost van de Gouwenaer. Wilt u ons helpen om de man of de vrouw te vinden die uw broer heeft vermoord, of wilt u dat niet?”

De Cock registreerde enige aarzeling. De man liet zijn hoofd iets zakken.

“Ik heb zo links en rechts,” sprak hij zacht, “navraag naar u gedaan. Ik heb gesproken met mannen die u vroeger hebt geholpen toen ze in de bak zaten…ook met mensen die aangifte bij u hebben gedaan, voor wie u wel eens een zaak hebt behandeld.”

“Wat was het resultaat van die enquête?”

Joost schonk hem een matte glimlach.

“Geen wanklank. Zonder mankeren zeggen ze dat u een betrouwbare vent bent.”

De Cock keek hem verwonderd aan.

“Toch dient u een klacht in tegen mij bij de officier van justitie?”

Joost van de Gouwenaer zuchtte.

“Dat was vóór die enquête,” sprak hij verontschuldigend.

“Bovendien wilde ik mijn vader niet teleurstellen. Vader leeft in de stellige overtuiging dat u iets met de dood van Jasper van doen heeft. Van die gedachte is hij niet af te brengen.”

De Cock draaide zich iets naar hem toe.

“Kan het zijn dat Jasper fraude heeft gepleegd? Mogelijk met anderen?”

Joost schudde zijn hoofd.

“Ik kan het mij niet voorstellen. Jasper leefde sober. Ik heb ook met onze directeur gesproken. De boekhouding was tot in de puntjes verzorgd, en de kas klopte. Om een mogelijke beschuldiging van fraude tegen te gaan heeft Van Marcinelle vader toegezegd de boekhouding van Jasper door een accountant te laten onderzoeken. Een positief accountantsrapport kon vader gratis van hem overnemen.”

De Cock trok een grijns.

“Nu Jasper dood is, heeft dat weinig zin meer.”

“Vader was er wel blij mee. Hij accepteerde het als een rehabilitatie van Jasper tegen de beschuldigingen.”

De Cock liet het onderwerp rusten.

“Had Jasper vijanden?”

“Echte vijanden?”

De Cock knikte.

“Iemand die hem naar het leven stond?”

Er verscheen een glimlach op het gezicht van Joost van de Gouwenaer.

“Jasper ging niet goed met vrouwen om. Het was volgens mij een afwijking.”

“Hoe bedoelt u dat?”

Joost schudde misprijzend zijn hoofd.

“Hij had ze beter per pond kunnen kopen.”

“U bedoelt: hij had beter zo nu en dan een callgirl of een escort-dame kunnen inhuren.”

“Precies,” sprak Joost nadrukkelijk.

“Of gewoon een vrije meid oppikken. Er lopen er zat rond. Maar Jasper papte altijd met getrouwde vrouwen aan. Ik heb hem al een paar maal gezegd: “Daar krijg je nog eens groot gelazer mee’. ‘

“En dat groot gelazer kwam?”

“Ik ben geen versliecheraar.[2]

De Cock keek hem fronsend aan.

“Het gaat om de dood van je broer.”

“Dat snap ik,” antwoordde Joost en knikte.

“En?”

Joost van de Gouwenaer keek naar De Cock op.

“Judith,” sprak hij schamper, “Judith van Zeebrugge is getrouwd…getrouwd met een vies mannetje. Het gozertje heeft al eens op verdenking van moord in de bak gezeten.”

De Cock stak bezwerend zijn handen omhoog.

“Even terug. Wie is Judith van Zeebrugge?”

Joost zuchtte.

“Judith van Zeebrugge is een knap wijf, echt een plaatje. Gitzwart haar, bruine ogen en een figuurtje om er een concours mee te winnen. Een paar jaar geleden heeft Jasper een tijdje verkering met haar gehad. Dat is stukgelopen. Maar blijkbaar houden ze nog steeds van elkaar. Als Jasper Judith opbelt en vraagt of ze mee gaat stappen…dan gaat ze.”

De Cock keek hem schuins aan.

“Ondanks haar huwelijk met dat…eh, dat vieze mannetje?”

“Ja.”

“En die pikt dat niet.”

“Die pikt dat niet,” reageerde Joost vlak.

“Met gevolg?”

Joost van de Gouwenaer wreef over zijn dunne vlashaar.

“Hij heeft Jasper al een paar maal bedreigd.”

De Cock boog zich iets naar hem toe.

“Wie is dat vieze mannetje?”

“U moet hem kennen…Petertje de Knoet.”

De Cock knikte.

“Die ken ik. Petertje Slibbroek. De Knoet is zijn bijnaam. Hij zat vast voor de moord op Jan van Noordwolde.”

“Dat is ‘m.”

De Cock maakte een triest gebaar.

“Hij werd in eerste instantie veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf, maar hij is in hoger beroep vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.”

Joost van de Gouwenaer ademde zwaar.

“Precies. En daar leurt die viezerik mee. Hij pronkt met die ‘vrijspraak wegens gebrek aan bewijs’. Hij heeft er Jasper mee bedreigd.”

De Cock reageerde verrast.

“Met die vrijspraak wegens gebrek aan bewijs?”

“Ja.”

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

“Hoe?”

Joost van de Gouwenaer spreidde zijn brede handen.

“De Knoet zocht Jasper op in zijn woning en zei: ‘Als jij, verdomme, in het vervolg niet met je poten van Judith afblijft, dan moet je maar eens navragen wat er met Jan van Noordwolde is gebeurd.’.”

De Cock trok zijn gezicht strak.

“Doodgestoken.”


Toen Joost van de Gouwenaer de grote recherchekamer had verlaten, boog Vledder zich vragend naar De Cock.

“Heb jij destijds die zaak tegen Petertje Slibbroek, alias De Knoet behandeld?”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Dat was Fred Prins.”

“Onze Fred Prins van de Warmoesstraat?”

De Cock knikte.

“Het was een moeilijke zaak met een categorisch alles ontkennende verdachte. Fred Prins nam bijna dagelijks het hele onderzoek met mij door…bang om iets over het hoofd te zien. Daardoor ken ik vrijwel alle details.”

Vledder keek hem schuins aan.

“Lijkt die zaak een beetje op onze affaire?”

“Je bedoelt de moord op Jasper van de Gouwenaer?”

“Ja.”

De Cock antwoordde niet direct. Hij verviel in gepeins.

“Jk moet even in mijn herinnering tasten,” reageerde hij na een poosje.

“Het is alweer een paar jaar geleden. Die zaak had, als ik mij goed herinner, ook een amoureuze achtergrond. Jan van Noordwolde en De Knoet waren verliefd op dezelfde vrouw…ene Fransje van Elslo…een bloedmooie meid met gitzwart haar en kastanjebruine ogen.”

“Een soort Judith van Zeebrugge?”

“Zoiets.”

“Hoe…eh, hoe kwam Jan van Noordwolde aan zijn eind?”

De Cock aarzelde even. Hij streek met zijn vlakke hand over zijn brede kin.

“Fred Prins vond hem in zijn woning…dood…met een dolk in zijn rug.”

Vledder slikte.

“Heb jij het adres nog van De Knoet?”

De Cock tuitte zijn lippen.

“Dat is, dacht ik, boven wel in onze administratie terug te vinden.”

Vledder keek hem vragend aan.

“Gaan we hem halen?”

“De Knoet?”

“Ja. De Knoet.”

De Cock plukte even aan zijn neus.

“Arresteren voor moord?”

Vledder reageerde geprikkeld.

“Natuurlijk voor moord.”

“Niet onmiddellijk,” zei De Cock bedachtzaam. Het gezicht van Vledder kleurde rood.

“Het is voor die De Knoet,” reageerde hij heftig, “toch gewoon een herhaling van zetten? Jan van Noordwolde was zijn rivaal in de liefde en kreeg een dolk in zijn rug. Jasper van de Gou-wenaer was zijn rivaal in de liefde en…ga je gang, vul maar in.”

De Cock knikte begrijpend.

“Kreeg een dolk in zijn rug.”

Vledder keek hem dwingend aan.

“Gaan we hem halen?”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Ik herhaal…niet onmiddellijk.”

“Waarom niet?”

De oude rechercheur kneep zijn lippen opeen.

“Ik heb een hekel,” sprak hij scherp, “aan vrijspraak wegens gebrek aan bewijs.”

Загрузка...